TWEEDE ZANG.

[Ontmoeting met Balder.] Eenige dagen later in een ander landschap. Mei

slaapt daar te midden van grillige rotsen. De zon spant weer zijn

wagen aan en Mei ontwaakt. Ze denkt aan den vorigen avond. Stil

zat ze toen en daar hoorde ze op eens een stem, die haar diep heeft

ontroerd. Plotseling zweeg de stem, maar in haar gedachten hoort ze hem

nòg. En de begeerte komt in haar op, die stem weer te hooren. Terwijl

ze ligt te mijmeren en de gedachten om haar hoofd zwermen, verschijnt

op den besneeuwden top van een rots het blank-rood lichaam van een

jongen God en daar hoort ze ook zijn zingende stem, dezelfde van

den vorigen avond. De jonge God zingt van zijn eigen leven. Het is

Balder, de zonnegod. Vroeger woonde hij met de schoone Idoena in

Wodans huis, hij reikte de schaal met rooden wijn aan Wodan en Freya,

hij bestuurde de zon en de maan, verjoeg de sombere hagelwolken,

die op zonnemoord uit waren. Maar toen hij eens ontwaakte aan 't

strand van de wijdvergulde zee, waren zijn oogen dicht omwonden:

blindheid was over hem gekomen. Nergens is genezing voor die blindheid

te vinden en langzaam is de herinnering aan alles wat vroeger is

geweest, verdwenen. Een nooit te stillen drang is er in hem gekomen:

de drang naar muziek. De muziek is alles voor hem: niemand kent als

hij haar woestenijen, "zij is zijn kluis, zijn vaderhuis, zijn stad,

zijn hemeltent."

Mei hoort niets dan de stem van Balder, 't is of heel de wereld

wegzinkt, de herinnering van haar Mei-leven verdwijnt. Balder nadert,

staat eindelijk rechtop stil voor haar: als een kerkbeeld van goud,

zoo puur vlamde hij in het duister, ze strekt de handen naar hem uit,

maar: hij was er niet meer.

[De Hemelvaart van Mei.] Mijmerend, gebogen, "aan 't strand van eigen

leed", zit Mei op een steen. Zo ziet haar de Maan, haar moeder. Ze

heeft medelijden met haar kind, tracht haar te troosten en om haar

kind te sterken, geeft ze het de volle moederborst. Den volgenden

morgen doorstroomt vader Zon 't lichaam van Mei met schitterlicht,

zoodat het licht wordt als een veer. En nu kan Mei haar tocht beginnen

naar 't paleis van Wodan om Balder te zoeken. Ze stijgt omhoog tot

boven de wolken, "de kudde mooie paarden", ziet de wolkenspinster

uit het Noorden, wie ze vraagt waar Balder is en die haar den weg

wijst naar 't godenpaleis. Na een lange reis komt ze eindelijk aan

een groote hal, waar een rij mannen om een lange tafel zit. Dat zijn

de goden. Op een rots aan een afzonderlijke tafel zit een oud gebaard

man: Wodan. Mei kijkt de rij langs, maar de schoonste god, Balder, is

er niet. Ze vraagt het Wodan en de feestvreugde verkeert in droefheid:

niemand weet waar Balder is. Nu verhaalt Mei haar ontmoeting, Balder

leeft nog, ze heeft zijn godendroomenlied gehoord. Vreugde komt er

met deze woorden in 't godenpaleis, de godinnen komen in de zaal,

een reidans vangt aan, Idoena, Balders bruid, leidt de rei. Wodan

alleen blijft droef en hopeloos, Mei wordt bang voor den peinzenden

ouden man en vlucht weg zonder omzien. Ze daalt neer en na vele dagen

komt ze op aarde terug.

[Mei en Balder.] Overal voelt ze de tegenwoordigheid van Balder en

eindelijk in een vallei ziet ze hem. Ze springt vooruit, grijpt hem

en drukt zijn lippen met de hare toe. Lang houdt ze Balder omklemd,

dan gaat ze beschroomd naast hem zitten. Allerlei beelden verschijnen

voor hunne oogen: 't zijn de beelden van zijn zielsmuziek. Daar

zien ze een prieel ontstaan van blauwe bloemviolen, en in dat prieel

vleien zich twee wezens neer. Dan vraagt Mei of zij elkaar ook eens

zoo zullen toebehooren, maar Balder richt zich hoog op, en als een

doemvonnis vallen uit zijn mond de steenen woorden: Nooit, nooit,

nooit! Waaròm dit nooit kan zijn, zegt hij haar ook, nu niet meer hard,

maar vol medelijden: en dan verdwijnt hij. Nu weet Mei dat hij voor

haar niet was.

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 69 / 83 题