OP HOOP VAN ZEGEN.

[Tendenz-werk.] Dit tooneelstuk is een echt tendenzieus werk,

een strekkingstooneelstuk, zooals de werken van Heyermans dikwijls

zijn. Vaak wordt beweerd dat zulk een werk in principe te veroordeelen

is, dat de kunst er alleen moet zijn òm de kunst en geen bijoogmerken

mag hebben, dat het kunstwerk lijdt door de tendenz. Dikwijls is dit

ook het geval omdat de tendenz te veel op den voorgrond wordt geplaatst

en daardoor in 't werk te veel wordt geredeneerd en het onnatuurlijk

van bouw wordt. "Op Hoop van Zegen" echter is een voorbeeld van een

uitstekend gelukt tendenz-werk, juist omdat het geheel logisch in

elkaar zit en de strekking niet op gewilde, dus onnatuurlijke wijze,

voorop wordt gezet.

[De strekking.] De strekking van Heyermans' werk wordt heel juist

weergegeven door een uitdrukking in 't derde bedrijf, die haast een

gevleugeld woord is geworden: "de visch wordt duur betaald." Zijn

doel is bij ons den indruk te vestigen dat er in 't visschersbedrijf

vreeselijke misstanden heerschen.

Dat doel heeft hij trachten te bereiken door 't visschersleven waarin

hem die misstanden getroffen hebben, op 't tooneel weer te geven,

maar zóo, dat op die slechte toestanden een scherp licht valt, zonder

dat het onnatuurlijk wordt. Nadat we 't stuk gezien hebben, zeggen

we bij ons zelf: misschien is 't niet in alle deelen precies zóó,

als Heyermans ons hier laat zien, maar een dergelijk voorval kàn toch

heel goed plaats hebben. De personen op 't tooneel zijn werkelijke

menschen, geen aangekleede ideeën.

[Kniertje.] Om ons dit visschersleven duidelijk voor oogen te stellen,

voert de schrijver ons naar een visschersplaats aan de Noordzee. We

maken daar kennis met Kniertje, het onderworpen zestigjarig

visschersvrouwtje, dat haar leven lang op die plaats gewoond heeft

en heel wat heeft meegemaakt. Haar man is 12 jaar geleden verdronken,

ze heeft een jaar of drie een geringe ondersteuning gehad, maar daarna

moest ze zelf maar zien rond te komen. Twee jongens zijn verdronken

als hun vader, twee zoons heeft ze nog, den 26-jarigen Geert en den

19-jarigen Barend. Ze verdient een kleinigheid als werkster bij den

reeder Bos, heeft wat aardappelland, wat kippen en wordt altijd trouw

geholpen door haar nicht Jo, een flinke meid.

[Barend.] Barend heeft angst voor de zee, het monster dat zijn vader,

zijn beide broers en zoo vele andere visschers verslonden heeft:

hij wil niet naar zee. Wèrken wil hij, alles wil hij doen, maar

nièt naar zee! En daarom wordt hij geplaagd en gesard door allen:

door zijne moeder, die hem een doodeter noemt, door Jo, die hem een

bangerd scheldt. "Bange Barend" wordt zijn naam.

[Geert.] Geert was bij de marine, wàs, want hij, die als jongen

van 14 jaar geteekend had, verlokt evenals zijn ouders door 't

"brani-pakje"--hij, de ferme, ronde matroos-eerste-klasse, die de

Atjeh-medaille behaald heeft, is tot 6 maanden provoost veroordeeld,

uit den dienst gejaagd daarna, omdat hij een meerdere heeft geslagen,

iemand die zijn meisje Jo een slet had durven noemen. Zijn straf

is vooral verzwaard, omdat hij socialistische neigingen heeft: men

heeft verboden lectuur bij hem gevonden. En als hij terugkomt bij

zijne moeder na de martelende zes maanden, bijna onkenbaar geworden,

met grijzende haren aan de slapen, is zijn hart vol wrok: hij werpt

de Atjeh-medaille weg en geeft zijn hart lucht tegen de autoriteiten,

tegen de reeders.

[Jo.] Daarnaast Jo, de vroolijke, onbezorgde lachebek, de gelukkige

aanstaande van Geert, altijd vol hoop op de toekomst, alle zorgen

weg lachende.

[Cobus en Daantje.] Verder een troostelooze omgeving: Cobus, een broer

van Kniertje, en Daantje, een diakenhuismannetje, beide oude visschers,

die van hun tiende jaar op zee zijn geweest, die hun leven lang gewerkt

hebben op de loggers en nu als oude wrakken leven van weldadigheid,

van de "diakenie". En 't zijn geen Keesjes uit de Camera! zij vinden

niet alles goed in 't Huis. De moeder is "een kreng". Hier voelen we

al het thema dat in "Bloeimaand" later is uitgewerkt.

[Oude Jelle.] Dan de oude Jelle, de bijna blinde bedelaar en muzikant,

ook iemand die zijn leven op zee heeft versleten. En hij mag niet in

't diakeniehuis: "éen keer lange vingers gehad!"

[Bos.] Daartegenover staat Bos, de hartelooze reeder, iemand die als

arme visscher begonnen is, zich langzamerhand heeft omhooggewerkt,

en--niet het minst door huwelijk met een rijke vrouw--een aanzienlijk

reeder is geworden. Voor hem is de visscherij een zaak, waarvoor

men schepen, netten en visschers noodig heeft. Als er een schip

verongelukt, dekt assurantie de schade; averij kost hem geld;

stukgevaren of verloren netten zijn schadeposten; de dood van visschers

is onaangenaam wegens al 't geloop en gegrien op zijn kantoor en

wegens de uitkeeringen die 't pensioenfonds moet doen. Maar een

advertentie, een oproep aan de "Weldadige Landgenooten" helpt al heel

wat! Men vergelijke b.v. zijn houding aan de telefoon in het vierde

bedrijf. "Zaken zijn zaken--als je gevoelig wordt, buitel je over

den kop", dat is zijn principe. Gruwelijk heeft hij 't land aan de

"ontevreje rakkers." "Bij ons geen fratsen" zegt hij. Geert noemt

hem een tyrannetje.

[Intrige.] En nu de "knoop". Reeder Bos heeft een oude schuit, de

"Op Hoop van Zegen", die op de werf is geweest en daar onherstelbaar

rot is gebleken. De reeder weet het: de scheepstimmermansknecht Simon

heeft het hem gezegd. En toch laat de man zoo'n drijvende doodkist

uitzeilen, prijst het schip zelfs: 't vorige jaar heeft men er nog

voor f 14000 haring mee gevangen. 't Einde is te voorzien: 't schip

gaat in zee, er komt storm en de "Op Hoop van Zegen" vergaat met man

en muis. Het lijk van Barend is 't eerste, dat aanspoelt; Barend, die

altijd zoo bang voor de zee was, die niet woù verzuipen, die wist,

dat de boot ròt was, die door veldwachters aan boord moest worden

gebracht! Barends lijk herkend aan de mooie oorringen, die hij van

zijn moeder had gekregen voor zijn eerste reis.

[Tragische gedeelten.] Aangrijpende tooneelen zien we. Barend, die niet

naar zee wil en zich aan de deurposten vastklemt als de veldwachters

hem halen; Geert die verhaalt van zijne ellende in de provoost, waar

hij zes maanden zat in een hok van vier stappen lang en vier stappen

breed, waar hij honger leed, waar hij in zat, als de storm bulderde

en 't schip dreigde te vergaan. Dan 't heele derde bedrijf als al de

zeurende visschersvrouwen hun doodelijken angst trachten wèg te praten

en al maar verhalen van de mannen en zonen, die op zee gebleven zijn,

terwijl buiten de wind huilt. Telkens herhaalde variaties op 't thema:

"de visch wordt duur betaald." Ook de vreeselijke angst van Jo,

die Kniertje bekent dat ze zwanger is.

En eindelijk het toppunt, het vierde bedrijf: al de doodelijk-ongeruste

vrouwen, die op 't kantoor komen van den reeder Bos om te vragen of

er al bericht is, daarna de tooneelen, àls dat ten slotte komt. Cobus

die weet, dat er een telegram is, maar de inhoud nog niet kent; Truus,

die voor twee maanden haar man heeft verloren en nu haar zoontje van 12

jaar, die voor 't eerst mee is, moet missen. Marietje, die doòd wil,

omdat haar aanstaande is verdronken. Het hevige tooneel tusschen Jo,

Cobus en Bos, als de dronken Simon komt binnenwaggelen en over 't

rotte schip spreekt. Het ontkennen van Bos, van den boekhouder "die

niks hoort" en de strijd van Clémentine, die haar eigen vader moet

verachten, zich zèlf moet verachten, omdat ze niet gesproken heeft,

terwijl ze wist hoe slecht 't schip was.

Ten slotte de oude Kniertje, het arme visschersvrouwtje dat al zóó veel

ellende heeft meegemaakt en nu weet, dat haar beide zoons verdronken

zijn. Haar zelfverwijt: Barend, dien ze gedwongen heeft naar zee te

gaan; Geert, van wien ze geen afscheid heeft kunnen nemen. Dan de

tegenstelling: de quasi-medelijdende reedersvrouw Mathilde; er is een

oproep geschreven aan de "Weldadige Landgenooten", onderteekend door

de vrouw van den burgemeester en door haar zelf. Nu moeten Kniertje

en zij ook maar weer vrede sluiten, ze mag in 't vervolg weer komen

schoonmaken! Om de kroon op haar goedheid te zetten, bedenkt ze het

vrouwtje eens extra. Kniertje waggelt van 't tooneel met een schotel

koteletten!

Zoo werkt alles mee om den door Heyermans bedoelden indruk te

vestigen. We resumeeren hier nog even:

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 71 / 83 题