[De komst van Mei.] Op een wonderschoonen avond komt uit zee een
kleine boot drijven, die een meisje naar 't strand brengt, een kind
"louter, niets dan lieflijkheid": Mei, de dochter van de zon en de
maan. Op 't rustige strand hadden kinderen een fort gebouwd van zand;
daar gaat ze zitten en slaapt weldra in. 's Nachts begint het geklaag
van de zee, 't is of allen die daar verdronken, kermen, en dan komt
een rij donkere mannen in monnikskap en pij, die op een baar een
doode dragen, de gestorven zuster van Mei: April. Mei ziet angstig
den somberen stoet voorbijtrekken, maar dan zakt de angst weg, ze
sluimert weer in en slaapt rustig tot de zon haar wekt.
[Haar tocht.] Nu begint de wondere tocht van Mei door 't land; eerst
door de duinen, waar haar "roode voetjes 't witte zand verstoren,"
over de steile duinheuvels en door de valleien, langs een duinvijver,
waar ze dronk, "de lippen in 't hol handje." Als een wit vlindertje
loopt ze langs een beekje, dat ontsprong uit den vijver en zoo komt
ze in een wei, waarin staat "een bloemkorf opgehoopt met versche
bloemen." En thans begint het mooi Mei-werk: jubelend gooit ze den
bloemkorf om, danst door de wei en strooit de bloemen rond. Overal
hechten ze zich vast in 't weiland, de beek voert ze mee en tooit er
mee den rand van de landerijen, de wind neemt ze met zich en plaatst
ze op de ooftboomen. "Heel Holland vat brand van die vlammetjes."
Moe legt Mei zich neer in 't weiland; een vlinder danst vlak langs
haar gezicht, ze grijpt hem en leest het teekenschrift, dat in de
vlerken gegrift is.
[Ontmoeting met de Stroomnimf.] Zich omwendende ziet ze in een ander
weiland een vrouw liggen, als zij zich koesterende in den schijn
der zon. 't Is een stroomnimf. Ze vertelt Mei veel uit haar leven,
uit het leven van de nimfen en elfen, van allen die de wacht hielden
bij stroom en vijver, zomerwind en zomerzon beminnen en heengaan naar
warme streken "als van herfstkou het water in den stroom rilt." Eén
ding wil ze Mei op dit oogenblik niet vertellen, iets treurigs,
dat haar zou doen schreien. Later hooren we wat de stroomvrouw bedoelt.
Mei gaat verder. Wel is er een oogenblik spel van nevel in de ziel,
maar spoedig ebt dat leed weer heen. Ze hoort Zefyrus, die z'n
basstem oefent, ziet het bosch, dat dampt van zonnegoud, ziet den
akkerman werken op 't veld; een bruiloftsstoet trekt voorbij, in 't
dal ligt een vroolijk dorpje. Ze komt bij een stad en daar ziet haar
de dichter. Een poos zwerven ze samen rond, dan moet de dichter keeren
naar zijn stad, Mei beklimt een heiheuvel en legt zich te slapen in
een ondiepen kuil vol donkere erica. 's Nachts houden twaalf kleine
ridders, de nachturen, trouw om kleine Mei de wacht.