Couperus geeft ons in Eline Vere een prachtigen psychologischen roman:
het leven en den ondergang van een meisje uit de hoogere Haagsche
kringen. De ondertitel "een Haagsche roman" is juist gekozen, want
tevens laat hij ons een blik werpen in de Haagsche kringen, de kringen
waarin Eline verkeert. Dat laatste moet men vooral goed in 't oog
houden, omdat anders een groot deel van den roman, als overbodig zou
zijn af te keuren--heel wat personen staan slechts in zeer verwijderd
verband met Eline en zouden voor 't goed begrijpen best weggelaten
kunnen worden--maar toch zijn ze noodig om 't milieu te schilderen,
waarin Eline verkeert. Ook valt dikwijls door de tegenstelling met die
andere personen een helder licht op 't karakter van de hoofdpersoon.
[Eline.] Eline is een heel begaafd en tevens een heel mooi meisje. Ze
zingt b.v. buitengewoon goed, weet zich in de moderne talen vloeiend
uit te drukken, beweegt zich gemakkelijk in hare kringen, is heel
elegant en bovendien vrij gefortuneerd. Ze schijnt voor 't geluk
geboren te zijn. Toch is ze niet gelukkig en dat komt gedeeltelijk
door haar karakter, gedeeltelijk door hare positie. We geven enkele
der meest sprekende karaktertrekken aan:
[Karakter.] 1. De meest in 't oog vallende karaktertrek is: gebrek
aan energie. In dit opzicht is ze een echte dochter van haar vader,
den schilder Vere, die altijd grootsche plannen ontwierp, maar geen
energie had om ze ten uitvoer te brengen. Na een paar penseelstreken,
wierp hij 't onvoltooide werk van zich. Een gedegenereerd type,
dat onder de plak zat van z'n vrouw!
2. Als gevolg van 't bovenstaande is er in Eline iets looms en
kwijnends. Soms lijkt ze eenigszins een droomende, loome odaliske. Ze
gevoelt zich behagelijk in een ontzenuwende Oostersche weelde.
3. Ze heeft een even teer zenuwgestel ("fijn-besnaard") als dat van
haar vader, dat soms trilt onder ruwe aanraking, b.v. van haar zuster
Betsy. Op den duur wordt Eline dan ook een echte zenuwlijdster.
Dat meisje had gered kunnen worden, indien ze een levensdoel
had gehad, als ze iets had kunnen vinden, waardoor ze geheel in
beslag was genomen, als ze had moeten wèrken. Ledigheid is des
duivels oorkussen! En dan had ze moeten leven in een meer frissche,
onbedorven omgeving. Maar ze is juist geplaatst in een ontzenuwend
milieu, waardoor hare slechte eigenschappen voortwoekeren en haar
zenuwgestel steeds meer aangetast wordt. Zij woont bij haar zuster
Betsy, die met den rijken Henk van Raet getrouwd is, weet letterlijk
niet wat ze doen zal, heeft niets dat haar leven vult.
Dan heeft een slechten invloed het lezen of liever verslinden van
tallooze romans. Vooral Ouida (pseudoniem voor Louise de la Ramée,
een Engelsche schrijfster) leest ze graag, de romans met verhalen van
elegante graven en hertoginnen die elkaar zoo écht hoffelijk beminnen
en elkaar bij maneschijn in de parken der oude Engelsche kasteelen
rendez-vous geven. Haar fantasie wordt door dit alles geprikkeld, haar
zenuwen overspannen, zoodat ze ten slotte fantasie en werkelijkheid
door elkaar haalt en 't onderscheidingsvermogen verliest. Haar eigen
leven gaat ze poëtisch fantaseeren.
Zoo moet dit meisje wel tot allerlei dwaasheid vervallen.
[Liefde voor Fabrice.] Haar eerste dwaasheid is de liefde van den
operazanger Fabrice, als gevolg van haar overspannen zenuwen. Ze
ziet hem op 't tooneel, wordt bekoord door zijn prachtige stem en
meesterlijk spel en gaat nu een heele geschiedenis fantaseeren. Ze
meent dat Fabrice alleen voor háár zingt en als ze met Sinterklaas
een prachtigen waaier cadeau krijgt (van Otto van Erlevoort),
is die waaier natuurlijk van Fabrice! Ze tracht hem telkens te
ontmoeten en ziet hem vaak op haar wandeling door 't bosch. Ook dan
fantaseert ze weer: van den dikken man met het norsche uiterlijk
maakt ze een soort rooverhoofdman, vooral de groote flambard gaf
hem zoo iets rooverachtigs. Dat trotsche en ongenaakbare, daarop
borduurt ze voort: Fabrice moet iemand zijn van goede familie, zijn
ouders waren er tegen, dat hij op 't tooneel ging, maar hij, de man
met zijn sterke wilskracht, zette door en werd operazanger. Maar
hij werd gedesillusioneerd, hij paste niet in die omgeving, voor
hem was ze te onbeschaafd, en daarom heeft hij zich teruggetrokken
in fiere eenzelvigheid. Ze bouwt den roman nog verder op: zij zal
Fabrice gelukkig maken! Heeft ook zij niet een heerlijke stem? Sàmen
zullen ze zingen, sàmen lauweren oogsten! En ze ziet zich al naast
Fabrice op 't tooneel, beiden overladen met kransen. Ze koestert
hare liefde voor den zanger, haar liefde wordt een soort cultus: ze
verzamelt portretten van Fabrice, legt een Fabrice-album aan. Maar
nu de plotselinge ontnuchtering: Fabrice zingt op een concert,
Eline zit vlak bij 't tooneel en ze ziet hem opkomen, een dik,
plomp man, onhandig, met een rood hoofd en forschen nek, alles even
onaesthetisch. "Leelijke dikke bas", hoort ze haar neef Vincent
zeggen! Thuisgekomen, verscheurt ze de portretten.
[Engagement met Otto.] Doch de dwaasheid heeft erge gevolgen voor
Eline, ze wordt er door tot eene andere dwaasheid gevoerd: het
engagement met Otto van Erlevoort, een ernstig, degelijk man, ver
uitblinkende boven die onbeteekende Haagsche dametjes en heertjes
en die bovendien Eline oprecht liefheeft. Maar Eline neemt hem uit
bitteren spijt over de ruïne harer ingestorte fantasieën, om zich te
wreken op Fabrice en op zich zelf. Ze maakt zich wel heel wat wijs,
tracht zich zelf te verblinden; ze vindt het prettig, dat Otto zooveel
van haar houdt, ze snakt naar een eigen tehuis, terwijl ten slotte
ook de financiëele overwegingen in 't spel komen.
En toch schijnt die dwaasheid van Eline niet zoo groot te zijn, want
de sympathieke Otto wint werkelijk langzamerhand hare liefde. Ze voelt
zich rustig-gelukkig worden onder Otto's invloed, haar zenuwgestel
komt tot bedaren. Dat blijkt bv. uit het tochtje naar de muziek
in Scheveningen, vooral op den terugweg, als Otto een eigen naam
voor haar gevonden heeft: Nily. Maar 't beste komt dit uit tijdens
het verblijf op de Horze, 't buitengoed van Otto's broer Théodore
van Erlevoort. Eerst is Eline daar nog niet goed op haar plaats,
ze past nog niet tusschen die meer "gewone" menschen. "Ik weet
nog niet goed, wat ik aan haar heb", zegt de practische huisvrouw
Truus. Eline is altijd eenigszins gekunsteld geweest, altijd heeft ze
een rol gespeeld. De nieuwe rol valt haar moeilijk: eenvoudig zijn
is lastig voor Eline. Maar na eenige dagen wordt ze toch zichzelf,
ze omsluierde zich niet meer met gemaaktheid, zij was, zooals zij
was--het vrouwtje van Otto. Allen beginnen van haar te houden, ook
Truus en zelfs Frédérique, die vroeger niet hield van Eline, omdat
ze haar egoïstisch vond.
[Invloed van Vincent.] Maar de genezing is slechts tijdelijk en kan
niet anders dan tijdelijk zijn, omdat Eline een te zwak karakter heeft,
omdat ze te zeer een speelbal is van hare omgeving. Zoodra ze weg is
van de Horze, waar iedereen zich gaf zooals hij was, verliest ze haar
natuurlijkheid en valt geheel terug in den ouden sleur, vooral omdat
er nu iemand is, die Otto's goeden invloed geheel te niet doet. Dit
is Vincent Vere, een neef van Eline, die alle slechte eigenschappen
der Vere's heeft: iemand met dezelfde loomheid, dezelfde matte stem,
met hetzelfde energielooze als de schilder Vere. Bovendien is 't
een gewetenlooze klaplooper, iemand met twaalf ambachten en dertien
ongelukken, die 't liefst leeft op kosten van anderen. Hij vraagt eerst
Henk om f 500, later Paul om f 200, ten slotte Henk weer om f 50. Dit
"serpent" komt nu in huis bij Henk van Raet, omdat deze hem geweigerd
heeft geld te leenen en 't later door een dergelijke uitnoodiging weer
goed wil maken: bovendien vreest Betsy zich dien zomer te vervelen
als er niemand bij hen komt logeeren. Op een flink karakter heeft
Vincent weinig invloed, wekt dan zelfs antipathie bv. bij Otto,
maar zwakke menschen weet hij geheel te beheerschen en dit is in
't bizonder 't geval bij Eline.
Vooreerst weet Vincent met haar op zwaarwichtige wijze over zijne
levensfilosofie te redeneeren, over zijn pessimisme en fatalisme:
"het leven is een keten van toevalligheidjes", zélf heeft men geen
invloed op zijn leven en zijn toekomst. In den mond van een luilak als
Vincent klinken zulke hoogwijze redeneeringen werkelijk komisch. (Men
vergelijke de beschouwingen, die een gedegenereerd type als Bertie
in "Noodlot" ten beste geeft). Maar Eline wordt geheel door hem
gebiologeerd en gelooft weldra aan de noodlotstheorieën van haar
neef. En hier komt iets bij, dat de toestand ernstiger maakt. Eens
in Eline's boudoir krijgt Vincent plotseling een flauwte en nu
komt Eline op de onzinnige gedachte, dat haar neef gepijnigd wordt
door een hopelooze liefde voor haar! De energielooze, klaploopende
Vincent wordt een martelaar!! Zoo moet het onvermijdelijke komen:
de gemartelde Vincent, die altijd bij haar is (Eline verpleegt hem),
oefent een zoodanigen invloed uit, dat Eline meer en meer van Otto
wordt verwijderd en ten slotte niets meer voor hem voelt.
[Breuk met Otto.] 't Moet tot een scheiding komen, vooral omdat ze
eindelijk een afkeer krijgt van Otto, die altijd even kalm is. De
uitbarsting komt: Betsy zegt op de haar vinnige wijze, dat ze 't
heerlijk zal vinden als Vincent eindelijk weg zal zijn. Eline verdedigt
haar martelaar, die door iedereen miskend wordt, Otto vermaant haar tot
kalmte, maar vindt ook, dat het vertrek van Vincent wenschelijk is,
waarop Eline zich opwindt tot de hoogste mate en hem op de meest
onhebbelijke wijze afsnauwt. Zij gevoelt een wreede romantische
voldoening, dat ze gestreden heeft voor den zwakken Vincent! Wel volgt
er eene verzoening, maar de kloof is niet meer te dempen, Otto begrijpt
zelf, dat alles gedaan is, hij voelt dat Eline zich zelfs ergert over
hem. 't Engagement wordt dan ook werkelijk door Eline verbroken.
[Achteruitgang.] Thans komt de langzame achteruitgang, die tot
het einde moet voeren. Juist dit gedeelte wordt door vele lezers
minder mooi, soms zelfs vervelend gevonden, maar dit was niet te
vermijden door den schrijver. De totale ondergang heeft in dergelijke
gevallen niet plotseling plaats; had Couperus dus dit gedeelte
anders geschreven, dan zou hij onwaar geworden zijn. Wij behoeven er
echter niet zoo uitvoerig bij stil te staan als bij den geschetsten
ontwikkelingsgang, omdat het pleit feitelijk door 't breken met Otto
al beslist was.
Langzaam is de achteruitgang: eerst de twist met Betsy op een diner,
dan de vlucht van Eline naar de Férelijns, haar verblijf bij haar
oom Daniël Vere te Brussel, haar voortdurend reizen en trekken. 't
Is een telkens rust zoeken en nergens rust vinden.
Eindelijk komt ze in Den Haag terug, waar ze bij de oude mevrouw
Van Raet gaat wonen. Dan is er al groote achteruitgang merkbaar:
haar vervallen uiterlijk, de schorre stem; een ruïne, lichamelijk
en geestelijk. Steeds nog diezelfde pogingen om rust te vinden,
eerst in 't mysticisme van de Katholieke Kerk; haar vroomheid, haar
lid worden van weldadigheidsvereenigingen. Maar na een maand is de
"rage" al weer voorbij, nergens vindt ze rust. Ook dokter Reyer's
pogingen zijn vruchteloos.
Daarom weer terug naar Brussel, naar haar oom Daniël Vere. Hier komt
haar pessimisme geheel aan 't licht: ze voelt zich op een hellend
vlak, wordt willoos voortgeduwd, ziet den afgrond vóór zich, maar
heeft geen kracht om weer óp te stijgen. Daarbij als vreeselijke
kwelling de voortdurende slapeloosheid, die ze door morphine tracht
te verdrijven. En ook voelt ze zich in Brussel niet op haar plaats:
ze walgt van 't leven in de zonderlinge omgeving der Vere's.
[Invloed van St. Clare.] Plotseling een laatste opflikkering van
hoop: ze leert Lawrence St. Clare kennen: hij met zijn sterken wil
suggereert haar geheel, door hem meent ze ten slotte toch nog gelukkig
te zullen worden. Maar als die suggestie niet meer werkt, is ook de
tijd van beterschap voorbij. St. Clare doet een reis naar Moskou,
na eenige maanden zal hij terug komen en zal Eline zijn bruid worden,
maar dan is alles verloren.
[Ondergang.] Op aanraden van Lawrence gaat ze naar Den Haag en daar
in 't eenzame pension komt langzamerhand de waanzin over haar. Nu de
paar druppels morphine, die ze in haar gejaagdheid te veel gebruikt
en die eindelijk rust geven.
[Omgeving van Eline. Betsy.] Betsy, haar zuster, is luimig, wispelturig
en berekenend. Juist dáárom was ze gehuwd met den rijken Henk van
Raet. Typeerend voor haar is 't den-baas-spelen over Henk, ze aardt
naar haar moeder die ook Vere geducht onder den duim had. Kenschetsend
is verder haar kefferig-ruziemaken met de meiden, haar naar de opera
gaan alleen om zich te laten zien, 't zingen zelf is geblèr.
[Henk.] Henk wordt 't best getypeerd door een zin uit den roman,
waarin gezegd wordt, dat hij "oogen had, als een goedige, domme
New-foundlander". Hij is een goeie sul, maar geen man van karakter.
't Is duidelijk, dat Eline in een dergelijke omgeving totaal niet
paste.
[Otto.] Otto is een heel sympathiek man, die verre uitsteekt boven alle
anderen in den roman, iemand met een vasten wil en nobel karakter,
maar die toch niet de rechte man voor Eline geweest zou zijn, omdat
hij haar niet geheel begreep.
[Georges en Lili.] De andere personen vormen meer 't bijwerk van
den roman, ze staan dikwijls feitelijk buiten het eigenlijke verhaal
en dienen om de omgeving goed te teekenen, of om door tegenstelling
Eline's karakter te doen kennen. Zoo b.v.: Georges de Woude en Lili
Verstraeten, "het baby-paartje". Hun verhouding is bizonder mooi
geteekend: eerst de afkeer van Lili voor George, "dat pedant-être",
dan de langzame toenadering, zoodat Lili door haar zuster Marie nog
vaak geplaagd wordt met haar vroegere uitspraak. De gedeelten waarin
over dat paartje gesproken wordt, behooren met de schildering van
't buitenverblijf op de Horze tot de meest frissche en bestgeslaagde
gedeelten van den roman.
[Paul en Frédérique.] Paul van Raet en Frédérique van Erlevoort. Paul
eerst ook iemand, die een geheel doelloos leven leidt, iemand zonder
de minste energie. Langzamerhand echter komt de verandering, de liefde
voor Frédérique heft hem op. Freddy is evenals haar broer een héél
sympathieke figuur, vooral ook in hare houding tegenover Paul. Mooi is
b.v. geteekend de gebeurtenis op de Horze, als Frédérique Paul afwijst
ondanks haar zelve, mooi ook de langzame toenadering en verzoening.
[St. Clare.] Eenigszins zonderling is de figuur van
St. Clare. Onbegrijpelijk is zijn vriendschap en zijn verhouding
tot Vincent, het schijnt wel, dat hij geen ander levensdoel heeft,
dan Vincent te verzorgen. Ook zijn plotselinge liefde voor Eline moet
voor een goed deel uit een dergelijk oogpunt beschouwd worden, maar
ook al stapt men over deze bezwaren heen, dan nog is onverklaarbaar
zijn reis naar Rusland. Hij kende den toestand van Eline beter dan
iemand anders, hij wist dus dat ze moest ondergaan, zoodra ze aan
zijn suggestieven invloed was onttrokken en tòch liet hij haar lange
maanden alleen. Was die reis naar Moskou zoo noodzakelijk; was er
niet iets anders op te vinden? Juist hieruit blijkt, dat Couperus ten
slotte met de figuur van St. Clare zelf verlegen geraakt is en tevens,
dat deze geheele persoon best uit den roman gemist had kunnen worden.
[Determinisme.] Een enkel woord nog over het determinisme in den
roman. Het determinisme leert ons dat het geheele leven is een
aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, waaraan we ons niet kunnen
onttrekken. Deze leer wordt vooral verkondigd in de redeneeringen van
Vincent Vere en ook van Bertie in Couperus' roman Noodlot, die juist
geen van beide hoogstaande persoonlijkheden zijn en waardoor we al bij
voorbaat eenigszins wantrouwend tegenover hunne theorieën worden. Bij
eenig nadenken bemerken we spoedig, dat het determinisme voor deze
heeren een middel is om hun verantwoordelijkheidsgevoel 't zwijgen op
te leggen. Dit is vooral heel duidelijk bij Bertie. Volgens Couperus
zelf is 't bij hem een "vooruitbestudeerd-pessimisme" en eigenaardig
is 't, dat die noodlotstheorieën bij hem opduiken als hij in nood
zit en zich niet meer weet te redden. Als alles goed gaat, is hij
actief genoeg; zoo ook in zijn pogingen om Frank en Eva van elkaar te
verwijderen, alleen met het hooge doel om zelf een lui leventje te
kunnen blijven leiden. Merkwaardig is 't ook, dat dit determinisme
gedemonstreerd wordt aan gedegenereerden en klaploopers als Vincent
en Bertie, en verder dat ze uit den aard der zaak alleen invloed
oefenen op zwakke naturen, op slachtoffers van 't "leege leven".
[Vreemde woorden.] Een enkele opmerking moet ons nog van 't hart:
't onmatig gebruik van vreemde woorden: 't is soms of we verplaatst
zijn in den tijd der Rederijkers en bijna kunnen we 't Robbeknol in
den "Spaanschen Brabander" nazeggen:
"Ja, 't is een moye mengelmoes, ghy meuchter wel van spreken,
Ghy luy hebt de Fransche vry wat of ekeken."
Dat er tamelijk veel vreemde woorden gebruikt moesten worden, is te
verklaren, als men er aan denkt, dat in de kringen waarin de roman
speelt, zulke woorden veel gehoord worden--we denken hierbij aan
de gesprekken in het werk--terwijl we ons tevens heel goed kunnen
voorstellen, dat een kunstenaar om den klank soms een vreemd woord
de voorkeur zal geven, maar.... "mate es tallen spele goet!"