MATHILDE. EEN SONNETTENKRANS.

[Ontstaan.] In 1879 ontmoette Jacques Perk in Laroche, in de Belgische

Ardennen, waar hij met zijn familie logeerde, een Brusselsch meisje,

Mathilde Thomas. Op dit meisje wordt Perk verliefd, maar tevens geeft

zij hem een ongewone schoonheidsaandoening, zij heft hem op en doet

hem de natuur heel anders zien dan vroeger.

[Evolutie in Perk.] Hierdoor ontstaat in hem een kunstevolutie: eerst

bemint hij Mathilde, de schoone vrouw, en in haar de schoonheid. Later

wordt hij van Mathilde gescheiden, haar beeld blijft hem bij, maar

wordt vervormd: Mathilde wordt voor hem de schoonheid in 't algemeen,

ze wordt dus geïdealiseerd en de personifiëering van de onvergankelijke

Schoonheid: de liefde voor de vrouw, wordt liefde voor de Schoonheid.

Deze kunstevolutie legt Perk neer in zijn sonnettenkrans "Mathilde",

die in vier boeken verdeeld is.

[Wijze van uitgave.] De krans is niet door Perk zelf uitgegeven,

waarschijnlijk niet eens persklaar gemaakt, maar na zijn dood in 't

licht gezonden door Willem Kloos, die ons over de wijze van uitgave

een duidelijke aanwijzing geeft in een brief aan Vosmaer, waarin

hij schrijft: "Al het slechte heb ik er uitgegooid en bovendien na

raadpleging met Doorenbos, zeer veel veranderd." Zóóveel, dat Albert

Verwey later met recht kon zeggen: "Laten wij het ons onomwonden

bekennen: dat kleine boekje dat het geluk van onze nieuwere dichtkunst

uitmaakt, is niet Jacques Perk enkel, maar het is de vereeniging van

Jacques Perk met Willem Kloos."

In latere drukken van Perks gedichten--te beginnen met den vierden druk

heeft Kloos veel wat eerst verworpen was, opgenomen. De nummering der

sonnetten in de volgende beschouwing is die van de volledige uitgave.

[Eerste Boek.] Ontmoeting met Mathilde en eerste indrukken. Sonnet

I is de inleiding: de dichter geeft daarin zijn meening over het

eigenaardige der sonnetten, "de kindren van de rustige gedachte", en

in 't slotcouplet lezen we wat het [Doel.] doel is van den geheelen

sonnettenkrans:

"Een zee van liefde is droppen uit te gieten,

Zacht, éen voor éen--ziedaar mijn heerlijk pogen."

Zijn groote vereering voor Mathilde zal hij ons doen voelen, in elk

sonnet geeft hij iets daarvan, ieder sonnet is als 't ware een droppel

van zijn liefde.

[Gewijd aan Mathilde.] Mathilde heeft hem geïnspireerd, zij heeft

hem tot dichter gemaakt, haar lof zal hij bezingen. Vandaar in sonnet

III deze regels:

"Gij zijt de moeder van deez' liederkrans:

Gij hebt dien met uw zonneblik geschapen

In 't zwarte hart; zoo 't glanst, 't is door úw glans."

Zeer belangrijk in sonnet IV (Erato, de Muze van 't minnelied, het

erotische gezang), omdat we daarin als voorspelling lezen wat er zal

plaats vinden. De blonde Muze verschijnt den dichter en openbaart hem:

"Een hooge liefde zal uw hart doordringen;

Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,

Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,

En peinzend zult gij 't wederzien verbeiden,

En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,

En mijmrend leven van herinneringen."

Uit de sonnetten van het eerste boek blijkt duidelijk de verhouding

van Perk en Mathilde. 't Voornaamste is wel dit:

[Liefde voor Mathilde.] 1o. Perk voelt voor Mathilde

gewoon-menschelijke liefde. Heel duidelijk komt dit o. a. uit in het

heerlijke sonnet "Bekentenis", waarin Perk ons de avondwandeling

schildert met Mathilde, den verukkelijken zonsondergang en dan de

bekentenis uit:

"Mathilde, ik heb u lief.... Zoo waar die kammen

Te morgen weêr in purper zullen vlammen,

Wordt gij bemind.... Gij zijt zoo godlijk-schoon!"

Misschien is er hoop op wederliefde:

"Zij deed als een, die iets op 't hart voelt branden--

Toen sloot zij mij de lippen met de handen,

En bloosde de avondzon heur bleeke koôn?"

Men leze verder sonnet XII, "Zij komt": alles in de natuur is liefde:

"De lof van hare schoonheid klinke alom,

Waar zon en zomer te beminnen leeren!"

Ook het dertiende sonnet "Die Lach": steeds denkt de dichter aan

Mathilde, telkens hoort hij haar zilveren lach!

[Invloed van Mathilde.] 2o. Tegenover deze liefde staat een ander

hooger gevoel, Mathilde is voor hem méér dan een gewone vrouw, ze

heft hem op.

Door Mathilde's invloed ziet hij de aarde anders dan vroeger,

hij begint het schoone in de natuur beter op te merken en ziet in

dit schoone telkens zijn geliefde. Mathilde en de Natuur worden

vereenzelvigd (Harmonie, sonnet XV).

"Ik min Natuur in u, ù in Natuur!"

Vooral in het sonnet XXI, "Ochtendbede", komt dit héel duidelijk

uit: Mathilde nadert op het bergpad in de verte, wat klein is die

verschijning!

"Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,

En 's hemels blauw is 't blauw dier droomende oogen,--

Haar boezem is de berg en 't golvend woud:

O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,

Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt,--

Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!"

[De Scheiding.] 3o. Oorzaak van de scheiding.

De hoofdreden geeft Perk aan in sonnet XXVI, "O Noodlot". Mathilde's

voortdurende invloed zou noodlottig voor hem worden, omdat hij zijn

zelfstandigheid verliest.

"Ik leef in ú, en denk en doe als gij,

Ik ga mijzelf, zooals ik nú ben, haten--

Tot dweper, tot een jonkvrouw maakt gij mij...!"

Bovendien is er verschil in godsdienst, zooals blijkt uit sonnet XIX,

"Aanzoek". Mathilde is Katholiek en vraagt hem

"Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd,

En neem mijn godsdienst aan: het is een goede."

Gaarne had de dichter haar gelukkig gemaakt door toe te stemmen,

maar hij kòn niet, wat de godsdienst hàar schonk, zou hij hèm

ontrooven. Toch is dit geloofsverschil niet de reden van de scheiding.

[Tweede boek. Het zwerven.] Het rondzwerven zonder dat de juiste weg

nog afgebakend is en soms nog het afdwalen van den goeden weg.

Perk denkt na de scheiding nog steeds aan Mathilde, in alles ziet hij

haar, b.v. sonnet XXIX "Dorre bloemen", de ranke kopjes der bloemen

zijn blond als Mathilde; XXX "De Maan verrijst", als de maan rijst

ook Mathilde voor het droomend oog:

"Eerbiedig denk ik aan het jong verleden:

Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden...

Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog.--

Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?....

Dáar is de maan in al haar glans verrezen....

Zóo rijst Mathilde voor het droomend oog!"

Ook XXXI "Gescheiden": de dichter denkt nog aan de scheiding,

Mathilde ziet hij niet meer, misschien maakt eenzaam dolen zijn

hart gelukkig. Hij herdenkt Mathilde's invloed, b.v. sonnet XXXI

"Ommekeer", en XXXII "Mijmering": vóor hij haar zag was alles "dof

en koud", eerst door zijn liefde ziet hij 't schoone in de Natuur:

"Voor ik haar had gezien, was dof en koud

De zomersche natuur, zoo warm en licht,--

In 't beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout,

Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht."

Perk weet niet of zijn besluit--de scheiding van Mathilde--wel goed

geweest is. Hij lijdt onder die scheiding, zijn levensweg is in

nevelen verloren, niet helder ligt het pad vóor hem. In die stemming

schrijft hij sonnet XXXV "Mist", het natuurverschijnsel wordt bij hem

"de schemering der ziel", maar:

"Voor 't liefdelicht moet raadselmist verdwijnen!"

[De grotsonnetten.] Als symbool van dezen tijd der duisternis schrijft

Perk de grotsonnetten (XXXVI-XLIII). De aanleiding is een bezoek aan

de grot van Han, maar wat hij daar ziet vindt toepassing in zijn eigen

zieleleven, b.v. XXXVI "Intrede", "zooals men voor een donkere toekomst

beeft, beef ik." Hier is alles duisternis, geen licht, geen schoonheid

("Nedervaart"). Toch denkt hij aan Mathilde: de fakkelglans is de

wenkende Mathilde. ("Fakkelglans"). Hier voelt hij ook, hoe groot

zijn leed was, en kan dit haar zeggen ("Het rijk der tranen"):

"Mathilde! U kan ik zeggen, wat ik leed:

Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven,

En wilde minnen, daar ik dichter heet!"

Eindelijk is de tocht door de grotten en ook zijn eigen "Hellevaart"

ten einde, de dag komt, hij ziet weer het Schoone in de Natuur, ademt

met wellust de heerlijke geuren in, een nieuwe gloed doorstroomt

zijn aderen: hij gevoelt weer liefde voor Mathilde, maar.... weer

gewóne, menschelijke liefde! Zoo bv. sonnet XLVII "Verlangen", hij

"wil weer Mathilde aan 't harte prangen": XLVIII "Machtige aandrift",

waarin Mathilde's beeld weer "ziel en zinnen komt streelen."

Zelf gevoelt hij heel goed 't gevaarlijke van dien hartstocht, wat

o.a. blijkt uit sonnet XLVI "Een Adder": het verlangen naar Mathilde's

bezit slingert zich als een adder om zijn ziele heen; en vooral LI

"Kupris", waarin Mathilde hem verschijnt als de wellustige godin

Kupris! Dat màg Mathilde niet zijn voor hem, op deze wijze wordt

hij niet gelouterd, ze moet worden "een star, die leidt." (LIV

"Herdenking").

[Derde boek.] De zwerver peinst over de groote vraagstukken van het

leven en wint zich ten slotte een vaste levensbeschouwing.

We noemen enkele punten:

[Levensvraagstukken.] 1o. Hij denkt na over 't mysterie van den

dood. Sonnet LVIII "De grijsaard op den berg", die zooveel duizenden

heeft zien sneven, maar geen antwoord kon geven op de vraag, waar

zij allen gebleven zijn; verder sonnet LX "Opdelving", dat hem

doet vragen, wat eens na den dood van ons zal worden; de plechtige

begrafenis van den ouden dorpeling (sonnet LXI "Bij 't Graf"); het

grafkruis ter nagedachtenis van een blijde moeder, die plotseling door

een neerstortend rotsblok werd gedood (sonnet LXVIII). Een meisje,

sluimerend in 't graan (sonnet LXV), wekt in hem de gedachte aan den

onverbiddelijken maaier:

"O, blonde als 't graan--o, zachte koren-bloesem!

Straks heeft wellicht ook ù een zicht geveld...."

[Geloof.] 2o. Hij peinst over de beperktheid van 't menschelijk weten

en over 't geloof.

Men leze bv. de beide sonnetten over "Kennis" (LXXVII en LXXVIII),

de wonderen vloden voor de kennis, als de duisternis voor 't licht.

Perk, zwervende door de Ardennen, komt in kleine dorpen, ziet de

kinderlijke vroomheid der eenvoudige dorpsbewoners, hun gemoedsrust,

en dat alles maakt op hem een diepen indruk. Heel duidelijk wordt zijn

stemming weergegeven in de slotverzen van sonnet LXXIV "Dorpsvesper".

"De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weêr voort:

Waar zooveel eens-gezinden samen-kwamen,

Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord."

Langzamerhand komt ook de vrede in zijn gemoed, vooral de grootsche,

machtige natuur brengt hem tot rust. ("Een Luwtje", "Maneschijn",

"Bede in 't Woud").

Aan Mathilde denkt hij niet meer als vroeger, in zijn Sturm-und-Drang

periode is de liefde gedood. Evenals de zwarte stormwolken het

aangezicht der maan verbergen, zoo doen zijn stormende gedachten de

liefde verdwijnen. ("Storm", sonnet LXXIX).

"Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte,

Spokend met steenen blik, de liefde dooft,

Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven."

Eindelijk in sonnet LXXX "Het Lied des Storms" de levensbeschouwing,

zooals die langzaam bij Perk geworden is: het zelf zoeken gesteld

tegenover het blind volgen, zooals dat geschiedt bij duizenden "die

zich zelf nooit wezen konden."

"De duizend, die zichzelf nooit wezen konden,

Bezitten saâm één waarheid, die hen bindt:

Hùn is 't geloof, dat spreekt uit duizend monden;

Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,

Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden,

En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt."

Nu gevoelt de dichter zich verheven boven al dat aardsche gewemel,

vandaar als slot van dit boek "Hemelvaart".

[Vierde boek. Het rustige weten.] 't Boek van 't rustige Weten,

de hymne aan de Schoonheid.

De dichter heeft zijn zielsrust hervonden, zijn levensbeschouwing

is gevormd en daarin voelt hij zich gelukkig. Geen afdwalingen en

klachten vinden we meer. In alles ziet hij de Schoonheid, ze daalt

op hem neer als "de Sluimer", hij ziet haar in "de Stroomval",

in den "Dorpsdans", en begrijpt de tevredenheid van den oude, die

het gejoel der vroolijke jeugd met lachende oogen aanziet; voelt de

schoonheid van de uitgestrekte heide ("De Scheper"). Hij verhaalt

ons, hoe hij 't leven ziet: ieder mensch, dier of plant moet zijn

roeping, zijn bestemming volgen, zoo bv. "Wilg en Popel", "Idealen",

"Twee Rozeblaadjes" en "De Forel".

"Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft;

Dat iets verrichten kàn het, want het moet,

En voelt zich vrij in 't slaaf-zijn van een wet."

Tevens vinden we hier "Rots en Water" (sonnet XCVI), waarin over

't geloof van den dichter wordt gesproken: zijn geloof en kennis

strijden, en wellicht "barst het geloof op 's levens rots", maar

juist die strijd zal vrede brengen in het gemoed.

[Weerzien.] Met een dergelijke gelouterde levensbeschouwing, vrij

van aardsche hartstochten kan Perk Mathilde wederzien, zelfs in

tegenwoordigheid van haar verloofde ("Wederzien"). Dit wederzien

bewijst den dichter, dat hij werkelijk voelt, zooals hij dàcht te

voelen, hij bemerkt "Dat weerzien is, wat hij altijd ziet" ("Laatste

Aanblik"), en dat de werkelijke Mathilde gelijk is aan de Mathilde,

zooals hij zich die voorstelt, dat de vrouw voor hem geworden is

tot schoonheidsideaal. "De liefde, vereend met schoonheid, werd tot

poëzie"; hij zal Mathilde "loven onder duizend namen." Ditzelfde

wordt nog eens uitgesproken in sonnet CIII "Aan Mathilde".

"Ik drukte in u een ideaal aan 't hart."

[Door Mathilde tot kunstenaar.] Nu verschijnt weer de Muze, maar 't

is niet meer de dartele Erato, doch de ernstige, strenge Kallíope,

de Muze van de epische poëzie: de poëzie van Perk is geen erotische

poëzie gebleven. Heel juist geeft dit sonnet de kunstevolutie van

den dichter weer en ook zijne verhouding tot Mathilde, die hem tot

kunstenaar gemaakt heeft.

"Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!

Ge aanzaagt... ge aanbadt--u trok, wat is verheven:

U daagde een schoonheidsideaal in haar.

Toen zaagt ge weêr naar wat ge aanbadt, gedreven:

Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;

't Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!"

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 64 / 83 题