IETS OVER KLOOS ALS CRITICUS.

[Zijn beteekenis.] Van de mannen van '80 is Willem Kloos wel een

der belangrijkste. Als dichter staat hij, vooral door de verzen uit

zijn eerste periode, zeer hoog en als criticus is hij door niemand

van de jongeren overtroffen. Hij heeft in zijn critieken met groote

juistheid aangegeven het verschil tusschen echte en onechte poëzie,

tusschen waar en onwaar proza, en is juist daardoor de leider geworden

van de Nieuwe Beweging.

[De "Veertien Jaar".] De belangrijkste critieken uit de eerste jaren

zijn verzameld in de "Veertien Jaar Literatuurgeschiedenis", welk werk

dan ook voor 't begrijpen van de "Beweging van '80" onmisbaar is. De

latere critieken van Kloos staan niet altijd op dezelfde hoogte als

de zooeven genoemde, terwijl er bovendien soms in herhaald wordt,

wat op eenigszins andere wijze al in vroegere beoordeelingen was

gezegd en daarom zullen we ons bij deze bespreking beperken tot de

"Veertien Jaar". Voor één artikel maken we een uitzondering, n.l. voor

het in 1904 geschreven "Over kritiek", dat als inleiding geplaatst

is voor den derden druk van de "Veertien Jaar", omdat Kloos daarin

zoo helder zijn meening over literaire critiek zegt.

[Eischen voor een goed criticus.] De voornaamste eischen die hij aan

een criticus stelt zijn:

1o. hij moet een goed inzicht hebben in 't wezen van de literatuur.

2o. hij moet zelf een kunstenaar zijn en zelfs de meerdere van hem,

wiens werken hij beoordeelt.

3o. hij mag zich niet laten leiden door eenig staatkundig of

godsdienstig dogma. (Dat andere motieven van persoonlijken aard niet

in aanmerking mogen komen, spreekt vanzelf).

[Wat is literatuur, wat is kunst?] Feitelijk berust dus alles op

deze vraag: wat is literatuur? wat is kunst? Kloos geeft hierop de

volgende antwoorden:

"Literatuur is de haarfijn-preciese weergave van wat er omgaat in 's

kunstenaars binnenste wezen, hetzij dat werd geboren in de psychische

diepte zelve, hetzij het onmiddellijk uit de buitenwereld er binnen

valt."

"Kunst is: naïve, bedoelingslooze uitbeelding, van 't zij het leven

in de ziel, 't zij het leven in de omringende buitenwereld, een

uitbeelding, die alleen bestuurd wordt door de waarheid en schoonheid

en preciesheid, altijd door."

[Wijze van critiseeren.] Leest nu een criticus een dergelijk kunstwerk,

dan is zijn taak deze: hij laat 't boek op zich inwerken, en tracht

de zielstoestanden van den schrijver zelf te doorleven, 't werk moet

als 't ware voor de tweede maal ontstaan. Dan eerst kan de criticus

proeven, wat echt en wat onecht is, "dan komt langzamerhand het

werk te liggen in den critikus, als in een psychischen smeltoven,

een oven, die geleidelijk het werk ontdoende van alle minder-edele

slakken en bijmengsels, het tracht te sublimeeren tot zijn zuiverste

schoonheids-essentie, tot zijn eigenlijkste, werkelijkste wezen,

tot zijn bij mogelijkheid meest echten staat."

[De criticus moet zelf kunstenaar zijn.] Hier sluit natuurlijk

onmiddellijk bij aan de eisch, dat de criticus zelf een kunstenaar

is: hoe zou hij anders 't werk van een kunstenaar in zich kunnen

doen herleven? Hij "moet een mensch zijn van dezelfde soort als

de artiesten, van een dergelijken aanleg, als deze zelf bezitten,

maar wiens geest, uit zichzelf en door strenge studie, breeder,

verder ziend, objectiever gebouwd is, en met meer ernst ontwikkeld,

dan dit den artiest zelven, uit gebrek aan tijd of abstraheervermogen,

overal en altijd goed mogelijk zou zijn."

[Niet dogmatisch.] Over den laatsten eisch: de criticus moet niet

staan op een dogmatisch standpunt, behoeft niet veel gezegd te worden:

immers dan zou de strekking hoofdzaak, de artistieke waarde bijzaak

worden. Een groot kunstwerk zou dan kunnen worden afgekeurd, een prul

als iets groots kunnen worden geprezen. Dit dogmatische keurt Kloos

af in de predikant-dichters (Ten Kate, Beets e. a.) en ook in Herman

Gorter, die bij de bespreking van de moderne Hollandsche literatuur

"niet in de eerste plaats op het oog (had) die literatuur zelve met

haar grootere of geringere schoonheid, maar alleen het belang, dat

die literatuur kon hebben voor een socialistisch-strevend hart."

Deze beginselen heeft Kloos zelf in practijk gebracht, vandaar ook

zijn scherpe veroordeeling van vele schrijvers voor '80. Vooral zijn

critieken over verschillende dichters zullen we hier wat uitvoeriger

bespreken, omdat daaruit nog beter dan uit 't voorgaande blijkt, hoe

Kloos denkt over literatuur en vooral omdat daardoor duidelijk wordt,

wat het kenmerkende van de "Beweging van '80" is.

[Kenmerken van goede verzen.] Volgens Kloos onderscheiden goede verzen

zich slechte door:

1o. de juistheid der klankexpressie.

2o. de noodzakelijkheid en zuiverheid der beeldspraak.

Over 't eerste zegt Kloos dit:

[Rhythme.] "De opeenvolging der klanken in hunne eigenaardige

(individueele) combinatie vormt, tezamen met de plaatsing der

accenten, den rythmus van het vers. Daar iedere aandoening, iedere

kleinste beweging van het gevoel, bij fijn georganiseerde naturen,

hare eigene rimpeling heeft, zal dus ook iedere goede versregel zijn

eigenen, slechts voor hem passenden, rythmus doen hooren. Wie het

zuiverst zijn gevoel, door den alleen bij dat gevoel behoorenden

rythmus weet weer te geven, is de beste dichter; wie het vatbaarst

is voor de allersubtielste klankverschillen in een vers, en zich die

vatbaarheid bewust wordt, is de beste kriticus: want het eene noch

het andere is mogelijk zonder dat men tegelijk zeer fijn en zeer

sterk gevoelt. Wanneer de klankexpressie van een vers zoo volkomen

mogelijk is, noemt men dat vers intens, omdat het in den geoefenden

lezer plotseling, schoon niet altijd bij de eerste inzage, een even

krachtigen indruk te voorschijn roept, als de dichter had, toen hij

het schreef."

[Intense verzen.] Zulke intense verzen, verzen met prachtigen klank

dus, vindt Kloos bij Vondel, "de breede, met zijn ruimen, rustigen

klank, stil voor zich zelf voortzingend, als een onzichtbaar koraal";

bij Hooft in mindere mate, omdat die te veel toegeeft aan woord- en

klankspelingen en daardoor onnatuurlijk wordt; bij enkele 17e eeuwers

als Poot en Hoogvliet. Bilderdijk daarentegen is niet een zuivere

zanger, zijn gedichten zijn bulderende, klinkende rhetorica; Da Costa

weet, vooral door 't gebruik van veellettergrepige woorden soms een

statigen klank te doen ontstaan; Potgieter bereikt dikwijls fijne

klankschoonheden, maar de meeste 19e eeuwers voor '80 hebben geen oor

voor de fijn genuanceerde klanken van een vers. Sommige dichters na '80

bezitten die gave in hooge mate: zoo prijst Kloos "de wondere melodie

der lichtende en geurende woordenreeksen" van Winkler Prins; Verwey's

eerste gedichten noemt hij vlekkeloos, omdat de dichter de impressies

zijner verbeelding, de rimpeling van zijn gevoel zóó weet vast te

houden, en weer te geven door klank en rythmus, zijn middel van uiting,

zooals de verven voor den schilder zijn, dat de lezer, die ooren heeft

om te hooren en verbeeldingskracht om te zien, diezelfde impressies

en diezelfde rimpelingen in zijn eigene ziel voelt opkomen." Hélène

Swarth is "het zingende hart in onze letterkunde", de dichteres met

"het hooge zilverklinkende accent van een engelenbazuin." Couperus'

poëzie daarentegen wordt afgekeurd, vooral om het onware, onjuiste

van de klankexpressie. Van de "Orchideeën" zegt Kloos: "Ik wensch

den heer Couperus gaarne het beste toe, maar ik vind zijn poëzie om

helsch te worden. Voor wie gewoon is de emotioneele waarde der klanken

te onderscheiden, en het eerst van alles bij een dichtstuk naar de

groote muziek, de heerschende stemming van 's dichters geluid, het

lyrische accent te luisteren, voor dien zijn deze verzen een kwelling

naar lichaam en ziel. 't Is of men een zangeres hoort, die telkens

van de wijs raakt, zichzelve verliest, weer opvat, weer verliest,

en zoo voort, den heelen eindeloozen avond door, en iedereen denkt

dat het zoo tepas komt in haar rol, want Couperus zingt niet voluit,

zóo uit zijn stemming, hij tracht niet weer te geven, nauwkeurig,

datgene wat hij in zichzelven verneemt,--hij zet klanken naast elkaar

als aardigheidjes tot een streeling des gehoors, hij speelt bouwdoosje

met de taal, hij coquetteert met ons mooi, open, Hollandsch geluid."

[Een raad aan de lezers.] En hierop volgen voor ons, lezers, nog

enkele regels, die we ons wel goed in de ooren mogen knoopen. "Maar

hoe weet gij dit nu allemaal? zal men mij vragen. Omdat ik het hoor,

waarde vriend, en als gij 't niet hoort, dan moet gij het trachten

te leeren. Dat heb ik ook moeten doen."

[Juiste beeldspraak.] Het tweede kenmerk van een goed vers is:

juiste beeldspraak d. w. z. de dichter moet werkelijk gezien hebben,

wat hij door woorden tracht uit te drukken en die beelden moeten zoo

juist mogelijk de aandoeningen van den dichter weergeven.

[Rhetorica tegenover poëzie.] Tegenover deze werkelijke poëzie staat

de rhetorica, die gebruik maakt van de oude, overgeleverde beeldspraak,

de zoogenaamde dichterlijke taal.

Het groote verschil tusschen dichter en rhetoricus is dus de

tegenstelling tusschen natuur en onnatuur, tusschen waarheid en

onwaarheid. Want: de dichter ziet werkelijk wat hij in zijn verzen

zegt, geeft zijn gedachten weer in beelden, die bij zijn gedachten

passen, terwijl de rhetoricus feitelijk de taal van een ander gebruikt,

die niet precies, doch slechts ongeveer, zijn stemming weer kan

geven. En juist omdat de rhetoricus niet alles ziet wat in zijn vers

staat, omdat zijn beelden vaak alleen klanken zijn, kunnen in zijn

gedichten allerlei malligheden voorkomen, die bij een dichter nooit

gevonden worden.

[Onzuivere beeldspraak bij rhetorici.] Kloos geeft daarvan enkele

sprekende voorbeelden. Zoo heeft Huet, die zulke juiste dingen over

prozawerken kon zeggen, volgens hem voor poëzie een zeer onzuivere

smaak. Als bewijs neemt Kloos een critiek over Ter Haar, waarin Huet

het volgende vers aanhaalt:

"Wat herdren zie ik eenzaam dwalen

De heuvlen langs, de velden door?

De lach der blijdschap siert de dalen,

De vrede graast de kudde voor."

den laatsten regel cursiveert en dan laat volgen: "Wie voor zijn

twintigste jaar een vers gevonden heeft als dit laatste, mag het er

voor houden, dat de Muzen hem gezalfd hebben."

Dit nu is echte rhetorica: de dichter noch de criticus heeft werkelijk

gezien wat daar gezegd wordt, 't is voor beide niets dan klank

geweest. Luister maar naar Kloos:

"Stel u maar even voor: Ziet gij wel dien "Vrede" (dus een

zacht-majestueuse vrouwefiguur) voorovergebukt met haar edel gelaat

langs het weiland schuiven, onderwijl zij zich traagjes voortbeweegt

op handen en voeten, als een vreemdsoortig quadrupeed, en de andere

grazende koeien achter dien mal-doenden Vrede aan!"

Een ander voorbeeld door Kloos aangehaald, waarbij een eenvoudige

cursiveering voldoende is om ons tot inzicht te brengen, dat de

schrijver klanken gebruikte in plaats van beelden:

"En de onrust bleef op 't brandend vraagpunt wanken

En sloeg vandaar den angstig starren blik

Langs alle wegen heen om vasten steun."

Schaepman is voor Kloos wel de rhetoricus bij uitnemendheid:

"oorspronkelijke, innerlijke of uiterlijke aanschouwing, uit welke

een waarachtig dichter alleen zijne beelden neemt, zijn den heer

Schaepman onbekende dingen. Hij toont zich hierin als de echte rhetor,

die zich ook bepaalt tot het rangschikken en kunstig gebruiken van

het bestaande materiaal, zonder iets van zijn eigene ziel er bij te

doen." Daarom keurt Kloos de bekende "Zang der Zuilen" uit de Aya

Sofia af, dat is geen ware beeldspraak. "Men kan zich voorstellen,

dat een zuil trotsch rijst, gewillig zijn last draagt, trouw op wacht

staat, doch dat een zuil.... zingt? Och, kom! Wat is er in een zuil

dat bij mij die impressie te voorschijn zou kunnen roepen? Ik zou

even goed kunnen beweren, dat een zuil zit te bitteren, of in een

koets met twee paarden naar den schouwburg rijdt."

[Realisme.] Kloos is dus wat poëzie betreft de strijder voor

waarheid: de dichter moet weergeven òf innerlijk wezen òf de door hem

geziene werkelijkheid (buitenwereld). Datzelfde eischt hij van een

proza-schrijver, ook zijn beeldspraak mag niet conventioneel zijn,

ook hij moet niets neerschrijven dat niet door hem zelf gevoeld

of gezien is. Het proza moet waar, dat is realistisch, zijn. Kloos

neemt het voorbeeld van een schrijver die een dageraad of een toornig

mensch noodig heeft in zijn werk, zoo iemand zal "dien mensch en

dien dageraad niet schilderen voor het vaderland weg, rangschikkende

slechts op zijne manier de spreekwijzen die voor beide gevallen bij de

romanschrijvers gebruikelijk zijn, maar hij gaat staan en beziet den

dageraad zelf en teekent zijn persoonlijke impressie van een oogenblik

en van het volgende oogenblik en het daarop volgende; en hij tracht,

in het andere geval zoo'n mensch, die toornt, tegen te komen, en neemt

dan zijn gebaren waar en zijn gelaat en de woorden, die hij spreekt."

Op die wijze werkte Zola, en in ons land Frans Netscher, Cooplandt,

Van Deyssel, Van Looy, Aletrino, Van Groeningen. Dezelfde Couperus

die wegens zijn gedichten zoo gekapitteld werd, omdat hij onwaar was,

wordt door Kloos geprezen als schrijver van Eline Vere, omdat hij

in dien roman de afbeelding geeft van iets werkelijks. "Couperus is

van een precieus en pretentieus poëetje veranderd in een groot en

mooi-voelend realist."

[Overeenstemming tusschen leven en werken.] Ten slotte willen we nog

op een van Kloos zijn critieken de aandacht vestigen, omdat daarin een

zeer kwestieus punt wordt besproken, nl. de overeenstemming tusschen

het leven en de werken van een schrijver. 't Is een artikel geschreven

naar aanleiding van een boek van Dr. Swart Abrahamsz., waarin Multatuli

als type van een zenuwlijder wordt beschouwd en veel wordt gesproken

over Dekker's ijdelheid, grilligheid en grootheidswaan. Tegen een

dergelijke beschouwing komt Kloos met kracht op: "de waarde van een

schrijver zit niet in wat feiten uit zijn private leven, maar in de

historische beteekenis zijner werken. Slechts de woorden, die van

hem uitgingen, als hij neerzat aan zijn schrijftafel, dàt zijn de

waarachtige en uitsluitend te herdenken daden van Multatuli geweest."

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 66 / 83 题