[Schrijver.] In dezen historischen roman heeft de bekende oriëntalist
Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer een van de grootsten en edelsten
menschen te teekenen, die ooit een kroon gedragen hebben en tevens
ons een voorstelling trachten te geven van Voor-Indië gedurende 't
leven van dien machtigen vorst. Uit alles blijkt dat de schrijver
groote bewondering koesterde voor zijn held en niet minder voor
de wijsheid van de Brahmanen en de schoonheid van de Oud-Indische
letterkunde. Zoo is een werk ontstaan, dat zelfs op een modernen
lezer nog een blijvenden indruk kon maken.
[Afstamming van Akbar.] Akbar is een afstammeling van den geweldigen
Mongoolschen veroveraar Timoerlenk (Tamerlan), die in 't laatst van de
14e eeuw over een groot deel van Azië gebood. Een van de Timoeriden
Baboer II, de beheerscher van 't rijk Kaboel, veroverde in 1526 't
noordelijk deel van Voor-Indië. Zoo ontstond in Indië 't rijk van
den Groot-Mogol (= den grooten Mongool.) Baboers zoon Hoemayoen
(1530-1556) kon zich slechts met moeite staande houden en werd
zelfs tijdelijk uit Indië verdreven. Op hem volgde zijn zoon Akbar,
met recht de tweede stichter genoemd van 't rijk der Groot-Mogols,
die bijna heel Voor-Indië onder zijn schepter vereenigde.
[Zijn verdiensten.] De groote verdienste van Akbar is geweest
regeling van 't inwendige bestuur en de poging tot versmelting van de
verschillende volkeren en godsdiensten. Dat grootsche streven vooral
wordt ons in den roman geteekend.
[Bestuur.] Vooreerst het bestuur van zijn land. De keizer heeft--zoo
verhaalt het dorpshoofd aan Siddha Rama--met behulp van zijn
schatmeester Todar Mal en den grootvizier Aboel Fazl een vast stelsel
van landrente ingevoerd. Alle landerijen zijn behoorlijk opgemeten,
voor alle deelen is een bepaalde landrente vastgesteld, zoodat nu
ieder precies weet wat hij te betalen heeft en knevelarijen van
hoofden en regeeringsambtenaren buitengesloten zijn, vooral omdat
de grootvizier onderdrukking door ambtenaren met groote strengheid
tegengaat. De willekeur van vroeger heeft plaats gemaakt voor
rechtszekerheid. Meent iemand niettegenstaande al deze voorzorgen,
dat hem onrecht is aangedaan, dan is er een laatste middel: iedere
klager vindt bij den keizer een open oor, en is hem werkelijk onrecht
geschied, dan zal hij recht krijgen door Akbar zelf.
Maar niet alleen de landbebouwers, ook de nijvere burgers roemen
hun keizer. Overal waar hij kan, steunt Akbar nijverheid en handel;
prachtige gebouwen verrijzen in de hoofdsteden, welvaart heerscht in
heel zijn rijk. De kunsten worden gesteund, de wetenschappen vinden
in Akbar zelf een ijverig beoefenaar. De eerzucht van den Keizer
is--'t zijn de woorden door hem zelf in den slottuin gesproken tot
Siddha--"zijne eerzucht dan is, en was het voorlang, sinds de eerste
jaren van zijn mannelijken leeftijd, niet enkel de stichting van
een groot en machtig rijk, maar bovenal het geluk, de welvaart en de
ontwikkeling der volken, die hem door eene hoogere, al is 't onbekende,
althans nooit begrepen en doorgronde macht zijn toevertrouwd."
[Godsdienst.] Wat voor den lezer echter den persoon van Akbar nog
aantrekkelijker maakt, is zijn ernstig zoeken naar waarheid. Vandaar
dat hij tal van godsdienstige stelsels onderzoekt, hoewel hij naar zijn
opvoeding een Islamiet is. Koelloeka licht hem in over de leer van
Brahma, die neergelegd is in de heilige Veda's; de Jezuïet Aquaviva
heeft hem een vertaling van den Bijbel bezorgd; Abdal Kadir laat
niet af de waarheden van den Koran te verkondigen en ook de Joden
en Boeddhisten zijn geen vreemden aan Akbars hof. Zelfs Gorakh,
de Yogi-priester, heeft daar toegang.
En Akbar erkent het goede in ieder van die stelsels, maar hij is
daarbij volstrekt niet blind voor de gebreken. Wat hem 't meest bij
al die predikers tegen de borst stuit is het gelooven op gezag. "Of
gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort," zegt hij tegen zijn vriend,
den filosoof Feizi, "'t is altijd weer gezag, geloof, openbaring,
maar geen sprake van rede en verstand, en van gronden aan wetenschap
en ervaring ontleend." 't Is als in de parabel der drie ringen in
Lessings Nathan der Weise: ieder is stellig overtuigd dat zijn ring
de ware is. En daarom moest ook de grootsche poging van keizer Akbar
mislukken: de poging om de verschillende godsdiensten nader tot elkaar
te brengen, om ze ten slotte te versmelten.
De kroon op zijn werk zou zijn een nieuwe godsdienst: Tauhid i Ilahi
(De Eenheid der Godheid), veel overeenkomende met den Mithra-dienst
van de vroegere Perzen en met sommige voorstellingen in Brahmaansche
zangen. 't Zou zijn een Zonnedienst. Het Licht, het Vuur, de groote
kracht die alles bezielt, zou het zinnebeeld zijn van de eenheid,
die overal op te merken is. Werkelijk is deze leer door Akbar onder
enkele vertrouwden ingevoerd, maar eenig verder gevolg heeft de poging
niet gehad. Een schitterend getuigenis voor Akbars verdraagzaamheid
is wel het feit dat de nieuwe leer uitsluitend door overreding mocht
worden verbreid. Dwang was buitengesloten. Diezelfde verdraagzaamheid
is trouwens Akbars richtsnoer bij 't bestuur van zijn land: In Indië
heerscht vrijheid van godsdienst. Niemand mag om geloofswille vervolgd
worden. Dat blijkt vooral duidelijk uit Akbars woorden gericht
tot pater Aquaviva: "Predik wat gij goed vindt in mijne landen;
bouw er uw kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten als de
Mohammedanen in hunne moskeeën en de Hindoe's in hunne pagoden: maar
wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik dat ik u eenige
vervolging zie instellen, 't zij tegen uw eigen bekeerlingen of tegen
een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche kusten reeds beproeft,
van dat oogenblik zijt gij verbannen uit mijne rijken, en zoolang ik
Hindostan regeer, zet geen der uwen een voet meer op zijn grond."
Dat deze handelingen den keizer veel vijanden moest bezorgen onder
de fanatici, ligt voor de hand en de opstand die onder Selims leiding
uitbarstte, was dan ook voor een goed deel hun werk. En toch konden ook
zij zich ten slotte niet onttrekken aan den machtigen invloed die een
hooge figuur als Akbar moest uitoefenen: dat blijkt uit het afscheid
van Aquaviva en niet minder uit dat van den norschen Abdal Kadir.
[De wijsgeer Feizi.] Naast Akbar staat de wijsgeer Feizi, even
humaan denkend als zijn vorstelijke vriend, en nog meer dan deze een
bewonderaar van de Brahmaansche literatuur. Tegenover Akbars nieuwe
leer staat hij vrij sceptisch, omdat het volk niet rijp is voor iets
dergelijks. De onontwikkelde massa heeft behoefte aan vormendienst,
waardoor de godsdienst als 't ware plastisch wordt voorgesteld en
bij die onontwikkelden treden dan vaak de vormen in de plaats van
't ideëele.
[Hervorming door volksonderwijs.] Daarom--en nu is 't of we iemand uit
onzen tijd hooren--vóór alles volksonderwijs. "Ziedaar het eenige,
maar ook volkomen zeker middel. Het werkt langzaam, 't is waar; en
wie op groote schaal het begint toe te passen, ziet zelf niet licht de
uitkomst; maar deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke
verkondiging van eene min of meer met zinnebeelden getooide leer,
't zij dan met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan
bloeien, doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dat al niet
gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke behoeften
der menschen te voldoen." Dat Feizi ook in zijn daden een hoogstaand
man is, blijkt uit zijn optreden tegenover Siddha Rama.
[De staatsman Aboel Fazl.] Aboel Fazl is minder wijsgeer, maar
meer prakticus. Zooals we boven reeds zagen, is 't zegenrijke
regeeringsstelsel voor een goed deel zijn werk geweest, altijd is
hij de trouwe, intelligente medestander van den keizer, dien hij
steunt in den strijd tegen de talrijke vooroordeelen waarmee iedere
hervormer te kampen heeft. Het grootst toont hij zich misschien wel op
't oogenblik, dat hij Siddha stervende toefluistert: "laat voor Akbar
de naam van den waren moordenaar verborgen blijven." Want Akbars zoon
Selim was de ware schuldige!
[Selim.] Hoe ver staat deze Selim beneden zijn grooten vader! Bij
Akbar 't sterk ontwikkelde plichtsgevoel, 't streven om den heiligen
vorstenplicht te betrachten, bij Selim niets dan zucht naar genot:
prachtliefde, wijn en schoone vrouwen. Misschien was Akbar niet
geheel onschuldig aan Selims degeneratie: hij had zijn zoon overladen
met eer en gunsten, maar verzuimde hem een werkkring aan te wijzen,
zoodat het verantwoordelijkheidsgevoel zich kon ontwikkelen. Selim
was een zwakkeling geworden, een speelbal voor vleiers en verleiders,
maar daarom nog geen slecht mensch. In zooverre brengt de opstand een
wending ten goede in Selims leven: hij krijgt een verantwoordelijke
werkkring--onderkoning in Bengalen--en wordt wel geen regent als
Akbar, maar toch in vele opzichten een vorst, onder wiens bestuur
Indië blijft bloeien. Zijn belofte aan Iravati getuigt van den nieuwen
geest die over hem gekomen is. Voor 't eerst toont de zelfzuchtige
Selim zelfbeheersching en zelfverloochening.
[Siddha.] De eigenlijke hoofdpersonen uit den roman in engeren
zin zijn Siddha Rama en Iravati. Siddha is een jong edelman, de
zoon van den eersten minister van Kaçmir, opgevoed door den wijzen
Brahmaan Koelloeka, moedig, krachtig gebouwd en begaafd met een
helder verstand. Een gunsteling van de fortuin, als voorbestemd tot
groote dingen.
[Invloed van Salhana.] Zijn kwade geest is zijn oom Salhana, die hem
als werktuig gebruikt. Hij is de man, die Siddha aan Akbars hof heeft
weten te plaatsen, om zoodoende goed met de plannen van den keizer op
de hoogte te blijven en brieven op een veilige manier naar Kaçmir te
kunnen zenden. De groote fout van Siddha is, dat hij niet dadelijk
toen zijn oom hem die plannen gedeeltelijk blootlegde, ruiterlijk
weigerde zich tot zulke praktijken te leenen. Zijn onervarenheid,
de eerbied voor zijn oom en de liefde voor zijn bedreigd land kunnen
als zooveel verontschuldigingen gelden.
[Hartstocht voor Rezia.] Eens aan 't hof verspeelt Siddha meer en
meer onze sympathie: zijn hartstocht voor Rezia en zijn ontrouw aan
Iravati zijn, zooals de wijze kluizenaar Gaurapada opmerkt, hoewel
niet te verdedigen, dan toch verschoonbaar, maar diep zinkt hij in
onze achting, als hij, wetende dat Rezia Goelbadan, de vrouw van
zijn vriend Feizi is, niet onmiddellijk alle betrekkingen met haar
verbreekt. Ook zijn houding tegenover Akbar grenst aan verraad.
[Verbetering.] Maar Siddha's latere handelingen bewijzen dat hij zich
zelf teruggevonden heeft en dat dit alles niets is geweest dan een
tijdelijke afdwaling. Z'n ridderlijk bekennen aan Akbar, de beslistheid
waarmee hij voortgaat op den nieuwen weg, zeggen ons dat een vroegere
periode is afgesloten. Van één dwaling wordt hij eerst genezen door
Gaurapada, den wijze uit het Himâlaja-gebergte. Wanneer iemand een
fout heeft begaan, is dikwijls het eenige waardoor hij zijn misstap
tracht te boeten, berouw en afzondering van de wereld. Maar vaak
is deze zoogenaamde boete niets dan schaamte of hoogmoed: men is te
trotsch om degenen die onze misslagen kennen, weer te ontmoeten. Dat
is niet de ware manier om verloren eer te herwinnen. "Een man
behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven
vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige
daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner
medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou
hij tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn
plicht door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging
dat te doen." En Siddha mag zich te minder aan 't leven onttrekken,
omdat hij niet alleen staat, maar plichten heeft jegens Iravati. Zoo
hergeeft Gaurapada Siddha aan 't leven. Door werken een jeugdige
onbezonnenheid goed te maken, is Siddha's boete. De opheffing van
Feizi's vloek getuigt dat de boeteling zijn plicht gedaan heeft.
[Iravati. Haar ideeën.] Iravati vertegenwoordigt volgens den schrijver
de echt Indische vrouw, zooals die in het drama en de legende van
Indië ons wordt voorgesteld. De geschiedenis van Siddha en Iravati is
geschreven naar 't model van 't in de Hindoe-literatuur voorkomende
verhaal van Nala en Damayanti. "De onovertroffen vrouwenfiguur, de
edele, reine, bij alle beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen
gemaal zoo onwankelbaar getrouwe Damayanti", is het ideaal waarnaar
Iravati zich richt. Hoe Iravati haar plicht meent te moeten opvatten,
blijkt nergens beter uit dan uit haar antwoord aan Selim, als die
haar van Siddha's ontrouw heeft overtuigd en haar macht en eer
aanbiedt, indien ze zijn vrouw wil worden. "De Indische vrouwen",
zegt ze tot Selim, "kennen die verlokking tot grootheid niet, waar
het haar plicht betreft en haar eer; en den echtgenoot, of, wat
hetzelfde zegt, den plechtig verloofden bruidegom, wien zij eenmaal
haar woord verpandden, blijven zij getrouw, ook al zien zij hare
liefde met ontrouw beantwoord. De gehechtheid der vrouw aan den man
weet bij ons van geene grenzen; of is het u niet bekend, hoe vele,
laat zoo iets nu te verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of
van overdreven gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste
geestdrift op den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven
echtgenoot verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige
legenden en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan
den onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen van Damayanti
kwam u zeker wel 't een en ander ter oore. Welnu! voor zooveel in
mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij verlate, ik
zeg het als zij: "het is de booze Kali, die in hem is gevaren en hem
tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend leed over mijn hoofd
bragt. En als de betoovering van hem zal geweken zijn, dan keert hij,
een andere Nala, tot mij terug, en rein van elke smet vinde hij mij
weder en overtuigt zich dat ik beter nog dan hijzelf voor de eer heb
gewaakt van zijn naam."
[Haar daden.] In den mond van Iravati zijn dat geen frases, ze
bewijst met de daad dat 't haar heilige ernst is. Selim, en met hem
een schitterende toekomst, wijst ze af, ook nadat ze weet dat de
lotosbloem gekanteld is; de bedreigingen van Salhana, dat hij zijn
dochter zal vloeken, dat Selim Siddha misschien zal laten dooden,
kunnen haar niet doen wankelen, en eindelijk snelt ze met levensgevaar
naar de bergen in 't noorden, om den ontrouwen verloofde zelf te
kunnen verplegen. En toch een afgedwongen liefde wil Iravati niet;
als Siddha zegt dat ze moeten scheiden, wil ze hem niet terughouden,
dat verbiedt haar gevoel van eigenwaarde. Dat ze Siddha's hart kent en
weet, dat trotschheid de eenige beweegreden is van zijn daad, blijkt
uit haar woorden: "Gij verwerpt mij willens en wetens, en niet omdat
ik jegens u misdreef, maar alleen omdat gij zelf te trotsch zijt om
voor uwe eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en
tegen verleiding niet bestand zijt geweest." Gelukkig dat Gaurapada
Siddha's eigenzinnigheid weet te overwinnen.
[Salhana en Gorakh.] Een enkel woord ten slotte over de beide
"verraders," Salhana en Gorakh. De eerste is 't type van den intrigant,
de laatste van den fanaticus. Beide worden ze geleid door heerschzucht:
Salhana hoopt, zoodra Selim keizer is, onderkoning te worden van
Kaçmir, Gorakh denkt voor en gedurende den opstand te kunnen toonen,
hoe geducht de macht van den Worger-priester is, om zoodoende ten
laatste zelfs de hoogsten in den staat te beheerschen.