[Reinout van Meerwoude.] [Zijn opvoeding.] De belangrijkste persoon
uit dezen roman is ongetwijfeld Reinout van Meerwoude; de anderen
zijn grootendeels niets dan werktuigen in zijn hand. Hij heeft een
eigenaardig karakter, vooral gevormd door zijn opvoeding. Zijn ouders
had hij vroeg verloren; altijd heeft hij dus onder vreemden verkeerd
en nooit de liefde gekend, die zooveel op 't hart van 't jonge kind
vermag. Zijn voogd was een onverschillige, die hem totaal zijn eigen
gang liet gaan en tot lijfspreuk had: "Uw leven is úw zaak, en mijn
leven is míjn zaak, en zoolang die twee zaken elkaar niet hinderen,
is het goed." Zoo was Reinout al vroeg aan zich zelf overgelaten, maar
hij gebruikte de hem gegeven vrijheid uitstekend; de leermeesters
waren zeer tevreden over den leergierigen knaap en weldra leefde
hij geheel voor zijn boeken, vooral ook omdat hij wegens zijn zwakke
gezondheid veel de kamer moest houden.
[Idealist, later egoïst.] Niet de werkelijke wereld leerde hij kennen,
maar de wereld zooals ze in zijn lievelingswerken geschilderd was,
een wereld vol idealisme, geheel verschillend van de prozaïsche,
egoïstische werkelijkheid. Dus moet eens als Reinout in 't werkelijke
leven komt, een groote ontnuchtering volgen en daarmee een totale
verandering in zijn karakter; de idealist zal egoïst worden. Hij ziet,
dat de menschen door heel andere drijfveeren worden beheerscht dan
hij zich voorstelde. "Hij zag den adel voor zijn grooten, koninklijken
tiran, en het volk voor zijn kleinere adellijke heeren in zelfzuchtigen
eerbied verzonken; hij leerde de kabalen en intriges van 't hof
kennen; hij voelde, dat de vrijheid, waarvan hij gedroomd had, de
belangelooze, alleen om haar zelf gezochte, gezocht ook daar waar ze
offers eischte, inderdaad niets was--dan een droom." Zoo verkoelt hij
langzamerhand geheel, nooit verliest hij meer zijn berekenende kalmte,
aan hoogere gevoelens gelooft hij niet meer. Zelfzucht beheerscht
iedereen. En als een enkelen keer 't idealisme bovenkomt, volgt er
niets dan ontnuchtering en teleurstelling. Bij St. Quentin, bezield
door Egmonds dapperheid, meende Reinout te strijden voor een heilige
zaak en zelfopofferend ving hij met zijn lichaam een sabelslag op,
die voor den veldheer bestemd was. Maar ook Egmond bleek aan zulk
idealisme niet te gelooven en hij bood zijn redder als loon zijn
voorspraak aan bij den Koning. Vol bitterheid antwoordde Reinout:
"Ik heb de druppels bloed niet geteld die de Spaansche regeering mij
schuldig was."
Bij de vrouwen doet Reinout dergelijke ervaringen op. Hij, de jonge,
rijke edelman is een echte goudvisch, dien de jonge dames graag aan
den hengel zouden slaan, en zoodra hij dat bemerkt is voor liefde in
zijn hart geen plaats meer.
[Eigenschappen.] De voornaamste eigenschappen van Meerwoude zijn dus
de volgende:
a. Hij is een echte egoïst, die niet meer aan hoogere gevoelens
gelooft.
b. Hij is een meester in de kunst van zelfbeheersching.
c. Hij is zeer ontwikkeld en buitengewoon scherpzinnig. Door dat
alles steekt hij ver uit boven de andere edelen. Door allen wordt
hij gevreesd, omdat niemand veilig is voor zijn scherpen spot.
d. In alles wil hij uitblinken en vandaar dat hij één kwetsbare plek
heeft: hij is geen krachtig, forsch gebouwd man en in dat opzicht verre
de mindere van de meeste zijner kennissen. Maar toch zal niemand het
wagen Meerwoude te beleedigen. Reinout, zijn lichamelijke minderheid
kennende, heeft dit gebrek zooveel mogelijk trachten te verhelpen en
heeft uitstekende schermlessen genomen, zoodat hij in een duel een
gevaarlijk tegenstander is.
e. Op godsdienstig gebied is hij een onverschillige; in een gesprek
met Alva noemt Reinout zich zelf een atheïst. "Godsdienstige dweperij
en slechte spijsvertering hebben een akelige identiteit", zegt hij
tegen Melville.
[Verhouding tot Helene.] Twee personen zijn er die op zijn handelingen
een beslissenden invloed oefenen: Helene van Vredenborg en Edward
Melville. Helene heeft veel aan Reinout te danken, hij heeft haar smaak
gevormd, is in vele opzichten haar leermeester geweest. Maar--en dit
teekent zijn karakter--al die hulp is niets geweest dan egoïsme. Dat
blijkt, als het tusschen Reinout en Helene tot een verklaring komt en
de eerste zegt: "Ik moest iemand hebben, die mijn denken verstond;
daartoe voedde ik u op; ik gaf u kennis en gedachten, opdat ge
mij zoudt begrijpen en volgen, want ik wilde verstaan zijn; wilde,
dat is het woord. Ik moest iets hebben, dat mij dierbaar was, en gij
alleen kondt dat zijn; u kon ik vormen, daarom wendde ik uw hart van
de betrekkingen af, die u niet begrepen, daarom liet ik de liefde
van hem, die u niet verdiende, het genot, dat de ijdelheid zoekt,
niet tot u komen; mijn eigendom moest gij zijn." Helene is dus geheel
een werktuig in Reinouts handen geweest.
[Verhouding tot Melville.] Ook van Edward Melville kan hetzelfde gezegd
worden. Eerst heeft Reinout geen reden om minder gunstig gestemd
te zijn jegens Edward, die hem volstrekt niet hindert of in den weg
staat. Toch is er iets, waaruit een minder gunstige verhouding kan
voortkomen: Edward is een krachtige, kloek gebouwde jonge man en in dat
opzicht dus de meerdere van Reinout. En werkelijk wordt dit een van de
redenen, waarom Reinout Edward begint te haten. Van Filips, Helene's
broer, heeft Edward gehoord wat de kwetsbare plaats is van Reinout en
om de proef te nemen of dit werkelijk zoo is, vraagt hij hem eens:
"ge zoudt stellig ook, als Cato, de voorkeur geven aan mannelijke
kracht boven die kennis, die iedere vrouw zich eveneens kan verwerven,
heer van Meerwoude?" Van dit oogenblik af haat Reinout Edward, want
Meerwoude haatte alle minderheid en vooral die ze hem liet voelen.
Maar de hoofdreden van de vijandschap is een andere. Reinout bemerkt
dat Helene en Edward elkaar liefhebben, en de mogelijkheid bestaat
dus, dat hij Helene zal moeten afstaan. En dat wil hij niet. "Zij was
hem onontbeerlijk geworden. Zij was een deel van zijn eigen wezen,
een tweede ik, een grond waarin hij elke gedachte planten kon,
en bij wie hij, als de conversatie zijner onkundige vrienden hem
tegenstond, een belangrijker gesprek zocht; haar te missen, was hem
zoo onmogelijk, als het hem tot nog toe ondenkbaar had geschenen,
dat dit ooit gebeuren kon."
[Reinouts doel.] Zijn doel is voortaan Edward en Helene van elkaar
te verwijderen. Het middel, dat hij aangrijpt is: den onervaren
Edward in kennis te brengen met de schoone hofdame Silvia Linondi,
die werkelijk een groot kontrast vormt met de ernstige, stemmige
Helene. Het plan gelukt. Edward vergeet Helene en zelfs volgt een
verloving met de schitterende Italiaansche. Ook op haar heeft Meerwoude
geïnfluenceerd: niet tevergeefs heeft hij haar ingefluisterd, dat
Edward de gunsteling is van den machtigen graaf van Viale en dus een
groote toekomst hem wacht.
[Helene wordt Reinouts vrouw.] Zoo schijnt Reinout volkomen te slagen
en toch falen zijn berekeningen. Hij had n.l. verwacht, dat Helene
den man die haar versmaad had, niet langer zou kunnen liefhebben, dat
haar liefde zou worden tot haat en juist daarin vergist hij zich. Voor
ijverzucht en haat is geen plaats in Helene's rein gemoed en haar
vraag aan Reinout: "ge gelooft niet, dat Silvia boos en gevoelloos
is? Zij--zal hem gelukkig kunnen maken?" bewijst hem, dat ze Edward
nòg lief heeft.
[Melville zelfstandiger.] Daarbij komt, dat Edward langzamerhand meer
zelfstandig begint te worden en bemerkt dat Silvia hem niet gekozen
heeft uit liefde, maar uit berekening. Hij verbreekt zijn verloving
en ziet nu in, hoe dwaas hij geweest is een karaktervolle vrouw als
Helene te verlaten voor de lichtzinnige Silvia. Weer dreigt dus voor
Reinout het gevaar, dat Edward hem eens Helene zal ontnemen. Maar hij
heeft nieuwe maatregelen genomen: Helene moet zijn vrouw worden, dat is
't eenige middel om haar voorgoed van Edward te verwijderen. Vrijwillig
zal Helene nooit in dat huwelijk toestemmen, dat beseft Reinout te
goed; ze moet dus gedwongen worden. Maar natuurlijk zoo, dat ze geen
dwang van zijn kant bemerkt, dan zou ze hem verachten en ze moet voor
Reinout dezelfde trouwe studiemakker blijven, die ze altijd geweest is.
[Speelzucht van Filips.] Het middel vindt Meerwoude in de verkwistingen
van Helene's broer Filips, wiens speelzucht door Reinout op sluwe wijze
wordt aangewakkerd, zoodat hij eindelijk wissels teekent op naam van
zijn vader, tot een zoo hoog bedrag, dat ze door den ouden Vredenborg
moeilijk voldaan kunnen worden. Als Helene radeloos staat tegenover
den woekeraar, die de wissels presenteert, neemt Reinout de geldelijke
verplichtingen van Filips op zich en zoo is Helene, die haar vader al
deze ellende wil besparen, wel gedwongen Reinouts aanzoek aan te nemen.
[Melville Protestant.] Maar het is Meerwoude niet genoeg Helene
als vrouw te bezitten, hij moet ook in haar de liefde voor Edward
dooden. En 't toeval doet hem daartoe een middel aan de hand; hij
ontdekt de verhouding tusschen Edward en den graaf van Viale. Edward
is een bastaard en Reinout zal maken dat hij in de oogen van Helene
ook nog een onwaardige wordt. Viale is een dwepend Katholiek, de
zoon moet een ketter worden! En is dat doel eenmaal bereikt, dan zal
Edward het geheim van zijn geboorte weten en staan tegenover zijn
eigen vader. Zoo spant Meerwoude zorgvuldig de draden van zijn net
en zijn scherpen geest gelukt het inderdaad dit plan ten uitvoer te
brengen. Langzaam weet Meerwoude Edwards kinderlijk geloof, dat geen
twijfel kende omdat het nooit gestreden had, te ondermijnen; hij laat
hem de uitwassen zien van 't Katholicisme, b.v. den schaamteloozen
verkoop van heiligenbeeldjes en aflaatbrieven in Brussel; Edward
ziet het harde optreden van de inquisitie tegen de ketters en door
dat alles begint zijn geloof te wankelen, totdat de kennismaking met
den Protestantschen prediker De la Tour hem een overtuigd aanhanger
van de Hervorming doet worden.
[Melville zoon van Viale.] Ook hier schijnt dus Reinout zijn doel
bereikt te hebben, maar nu gebeurt er iets dat een egoïst als
hij niet heeft kunnen voorzien: Edward weigert als hij 't geheim
van zijn geboorte uit Meerwoude's mond hoort, van zijn vader de
erkenning als zoon te eischen. Reinouts plan is mislukt, want door
't verwachte optreden van Edward hoopte hij ook Viale te treffen,
zijn machtigen en trotschen mededinger, die vernietigd moest worden,
vernietigd door zijn eigen zoon.
[Helene tegenover Reinout.] 't Is voor Reinout het begin van 't einde,
want ook Helene staat op tegen hem. Haar broer Filips heeft zich een
woord laten ontvallen, waaruit ze meent te moeten opmaken dat juist
Reinout hem tot spelen heeft aangezet en nooit kan ze die ontzettende
gedachte van zich afzetten. Als eindelijk haar de waarheid blijkt,
doorziet ze de geheele intrige en vol afschuw vlucht ze uit het huis
van haar man.
[Mislukking van Reinouts plannen.] Ten slotte mislukken nog de
plannen van Meerwoude op staatkundig gebied en dan komt werkelijk
het einde. Met groote handigheid heeft Reinout zich onmisbaar weten
te maken voor de Spaansche regeering, eerst voor Margaretha, later
voor Alva en als loon vraagt hij de hoogste waardigheid na die van
landvoogd: het stadhouderschap van Brabant. Werkelijk verkrijgt hij
de schriftelijke belofte van Alva dat Meerwoude tot Stadhouder van
Brabant zal worden benoemd als hij 't leger van de Geuzen in handen
van de Spanjaarden heeft gespeeld. Maar als Reinout zich naar dat
leger begeeft, hebben de Geuzen door toedoen van Alva, die Meerwoude
te gevaarlijk begint te vinden, de bewijzen reeds in handen van 't
verraad, en na een vergeefsche poging tot ontvluchting blijft hem
niets meer over dan zelfmoord.
[Reinout de hoofdpersoon.] Uit al 't voorgaande blijkt wel dat
Meerwoude de hoofdpersoon van den roman is; hij beheerscht voor 't
grootste deel den loop van zaken en de andere personen zijn in vele
opzichten niets dan stukken op een schaakbord, die door hem naar
willekeur verplaatst worden. Over die personen kunnen we dus kort
zijn, te meer omdat in bovenstaande karakterschets al heel wat over
hen medegedeeld is.
[Karakter van Helene.] Helene van Vredenborg is een heel sympathieke
figuur, een buitengewoon ontwikkeld meisje, dat zich geheel opoffert
voor haar vader, den geleerde, en voor haar broer Filips; de eer van
haar geslacht door haar zelfopoffering redt en Melville, den man dien
ze liefheeft, trouw blijft, ook na de miskenning,
[Melville.] Veel minder hoog staat Edward Melville, die geheel een
speelbal is in de handen van Reinout van Meerwoude en den eersten tijd
dat hij in Brussel is, een werkelijk treurige rol speelt. Maar dat moet
grootendeels geschreven worden op rekening van zijn onervarenheid,
slecht is hij niet. De rampen louteren zijn karakter, en ten
slotte vindt hij zich-zelf terug. Hij weet zich los te maken van de
landvoogdes Margaretha en de verleidelijke Silvia, trotseert Viale en
Meerwoude, en zijn dapperheid bij Heiligerlee, waar hij 't leven laat,
strijdend voor de vrijheid, verzoent ons met zijn eerste afdwalingen.
[Viale. Zijn eerzucht.] Viale is iemand, die alles ondergeschikt
maakt aan zijn eerzucht. Als de arme edelman Karel de Brénis vatte
hij liefde op voor de Utrechtsche burgerdochter Johanna Rovéne,
de moeder van Edward en zijn trouw duurde niet langer dan toen
de aanbieding kwam van zijn bloedverwant, den graaf Van Viale,
die hem tot erfgenaam wenschte. Zijn latere verloving met Agnete
van Arnemuiden werd verbroken, omdat hij hoorde, dat de bruid niet
zoo rijk was als men dacht en de jonkvrouw, die hij zich eindelijk
in Frankrijk tot echtgenoote uitkoos, bezat schatten. Zoo verwierf
Karel de Brénis een hoog-adellijke titel en groote rijkdommen.
[Streng Katholiek.] Door zijn rechtzinnig Katholicisme werd
hij ook politiek gebied weldra een man van gewicht: hij werd
de punt of het vraagteeken achter alle besluiten van landvoogdes
Margaretha. Kenmerkend voor hem is zijn fanatiek geloof, te verklaren
uit de wroeging over zijn daad en de zucht om over anderen te
heerschen. "De kerk bood hem alle voorrechten van heerschappij en
onderwerping tegelijk aan. Zij gaf hem het recht in wereldsche zaken
te heerschen en beloonde hem voor zijn onderwerping in het geestelijke
met de gansche bescherming, die haar uitgebreid gezag kon verleenen;
uit haar absolutie putte hij de kracht, die zijn zonden hem ontroofd
hadden." Viale is een Katholiek, die in vele opzichten te vergelijken
is met Aernout Bakelsze uit "Het Huis Lauernesse". Beiden klemmen
zich vast aan hun geloof en trachten de ketters te verdelgen, omdat
ze zich éen voelen met de Kerk en met die Kerk staan of vallen.
[Zuster Klara.] Naast deze harde Katholieke figuur staat een andere
liefdevolle: de vrome non Klara, eens de schoone Agnete van Arnemuiden,
later de troost van zieken en verdrukten: de heilige van Ilmenoude.
[Van Vredenborg en Filips.] De heer Van Vredenborg en zijn zoon Filips
zijn antipoden: de eerste is de geleerde, die heelemaal opgaat in
zijn studiën en van de wereld afgestorven is, terwijl de laatste
juist zooveel mogelijk van alle wereldsche genietingen tracht te
profiteeren. Dat antagonisme is van beide zijden bijna tot afkeer
geworden. "Er zijn menschen, die voor anderen het vermogen van een
slijpsteen bezitten; ieder woord, dat met hen in aanraking komt,
schijnt scherp te worden, en Filips was voor zijn vader zulk een
slijpsteen."
[Filips heeft het karakter zijner moeder.] Die ontevredenheid van
Vredenborg is wel te verklaren: Filips is een zoon uit het tweede
huwelijk en heeft geheel dezelfde eigenschappen als zijn moeder,
een vrouw, die door haar lichtzinnigheid en later door haar ontrouw
Vredenborg nameloos verdriet heeft aangedaan, vooral omdat hij zijn
vrouw hartstochtelijk lief had. In zijn studiën had Vredenborg zijn
gemoedsrust hervonden en zijn vurigste wensch was, dat Filips later
zijn hulp en steun zou worden bij dat moeitevolle werk. Maar de
zoon was daartoe totaal ongeschikt, het lichtzinnige bloed van zijn
moeder stroomde door zijn aderen en 't eenige doel van zijn leven was:
genot. De vader moest wel in de feiten berusten, maar het verstoren
van zijn illusies maakte hem wrevelig en 't losbandige leven van
Filips was hem een gruwel. Vandaar de treurige verstandhouding.
[Verwijdering van zijn vader.] En Vredenborg moest het zich wel
bekennen, dat hij zelf schuld had: hij had immers den zoon, die ook in
uiterlijk het evenbeeld van zijn moeder was, buiten het vaderlijk huis
laten opvoeden, omdat hij het gelaat niet zien kon, dat hem telkens
aan de schuldige vrouw herinnerde. Vader en zoon waren al vroeg van
elkaar vervreemd en er bestond tusschen hen geen liefde, die Filips
misschien van den slechten weg had kunnen terughouden. Zoo heeft de
lichtzinnige jongeman in niemand een steun, want ook de verhouding
tot zijn zuster, die geheel denkt als de vader, is verre van innig
en 't is waarlijk niet te verwonderen, dat hij met een raadsman als
Meerwoude zijn verderf tegemoet loopt. Misschien dat hij door harde
ervaringen geleerd, een beter mensch zal worden en we vinden daarover
aan 't slot van 't boek een aanwijzing als Helene tot Edward zegt, dat
ze hoopt te gaan naar haar broer, die naar Duitschland is uitgeweken
en haar heeft geschreven, dat er veel in hem is veranderd. Mogelijk
vindt Helene in hem dan in waarheid, wat hij eerst slechts in naam
geweest is: een broer.
[De edelen tijdens den opstand.] Ten slotte nog iets over 't milieu
waarin de roman speelt. We worden verplaatst in Brussel tijdens het
voorspel van den opstand, en naast de teekening van enkele historische
personen heeft de schrijfster ons vooral een beeld willen geven van
de Nederlandsche edelen uit dien tijd. En dat beeld is historisch
juist. Duidelijk zien we, dat 't verzet tegen Spanje bij den adel geen
beginselkwestie, nog minder een geloofskwestie was--uitgezonderd bij
enkelen als Tholouze, Marnix en Davilliers--maar eenvoudig een begeerte
naar meerderen invloed en daardoor naar meerdere inkomsten. Nooit
is dat duidelijker gebleken dan na 't vertrek van Granvelle, toen de
edelen veel te zeggen kregen en hun bevoorrechte positie gebruikten
om op allerlei wijzen hunne heb- en winzucht te bevredigen. Niet
de ontevreden edelen, maar de krachtige, door 't geloof gesterkte
burgers hebben Nederland van de Spaansche overheersching bevrijd.