[Ontstaan van het werk.] Hierover leze men het "Naschrift. Losse bladen
uit de geschiedenis van het boek", door Jonathan in 1891 geschreven
als aanhangsel bij de 8ste uitgave van zijn werk. Voor dengene die
een vroegere uitgave bezit, diene 't volgende. Potgieter bezocht zijn
vriend Hasebroek in 1839, toen deze nog predikant was te Heilo en vroeg
om een bijdrage voor zijn almanak Tesselschade; Hasebroek bood aan wat
poëzie te leveren, maar zijn vriend wilde een prozastuk: de brieven,
door Potgieter van Hasebroek ontvangen, hadden den eerste bewezen
dat er in den predikant een uitnemend prozaïst school. Potgieter bood
zelfs aan met behulp van Beets, die bij 't gesprek tegenwoordig was,
uit verschillende fragmenten van Hasebroeks brieven een geheel samen
te stellen, maar dit mislukte en nu sloeg Jonathan zelf de handen aan
't werk. Zoo ontstond het eerste opstel: "de Oprechte Haarlemsche
Courant". De schrijver koos juist dit onderwerp, omdat hij "een lijst
voor de verschillende beeldjes in de schilderij" moest hebben. "Ik zou
enkel losse bladzijden geven, maar die moesten met elkaar in verband
worden gebracht en daartoe was een of ander verbindingsmiddel noodig,
dat elastisch was en gemakkelijk alles en nog wat, waarover ik praten
zou, samen kon vatten."
Het voornaamste van dit alles is, dat juist Potgieter de man is geweest
die Hasebroek tot proza-schrijven heeft gebracht; een nieuw bewijs,
hoe groot de invloed van dien criticus op de letterkunde van de 19e
eeuw geweest is.
Toen Jonathan eens iets had voortgebracht, liet Potgieter hem niet
met rust, en vroeg nieuwe bijdragen voor "Tesselschade" en voor
"De Gids". Al spoedig werden de schetsen zoo talrijk, dat ze samen
een bundel konden vormen, die in 1840 onder den titel "Waarheid en
Droomen" verscheen.
[Naam.] De titel zelf is duidelijk: wat wil de schrijver er mee te
kennen geven?
En nu de naam van den schrijver: waarom zou juist de naam Jonathan
gekozen zijn? Houd hierbij in 't oog, wat de schrijver omtrent
de beteekenis en het wezen van verschillende namen zelf zegt
in "de Stamboom". We geven uit dit gedeelte enkele aanhalingen
(vgl. blz. 128-129 van den 10den druk). "De Hebreeuwen gaven hun
kinderen een naam naar de hope, die zij van hen koesterden, naar de
deugd, tot wier beoefening ze bovenal verplichten wilden." In ons land
is de oorspronkelijke beteekenis van de namen geheel verdwenen, maar
van zichzelf zegt de schrijver nog: "Mijne lieve moeder althans heeft
mij wel degelijk bij mijn Jonathans-naam een Jonathans-hart zoeken
te geven"; een bewijs, dat hij aan zijn eigen naam de oorspronkelijke
beteekenis hecht.
Indruk dien men van Jonathan uit zijn geschriften krijgt.
[Uiterlijk van Jonathan.] Hij teekent zich zelf als een bejaard man,
met een lange, magere gestalte, een verre van behagelijk uiterlijk,
doffe oogen, gerimpeld voorhoofd, met smartelijke groeven om zijn mond,
en peper- en zoutkleurige haren. We zullen deze uitspraken even met
aanhalingen bewijzen.
a. In zijn brief aan een "oude vrijster"--lieve juffrouw X--zegt
Jonathan: "Ik ben dus tot mijn groote schande ondanks mijn overrijpe
jaren nog niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te
kunnen beschikken" (blz. 171).
b. In "het Portret", waar de schrijver over zijn jeugd en over
zijn later leven spreekt, heet het: "Integendeel gaat mijn nederige
schroom hierin zoo ver, dat ik, als ik 's zomers buiten wandel, er
bijna een gewetenszaak van maak, niet te dicht bij het spiegelend
water te komen, omdat het mij aan 't hart gaat, als ik het op eens,
in plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve groene boomen, mijn
lange magere gestalte zie terugkaatsen" (blz. 131).
c. Een paar bladzijden verder (133) zegt Jonathan: "zoowel als ik er
straks voor uitkwam dat ik nu verre ben van een behagelijk uiterlijk
te hebben, moet gij mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig
kind moet geweest zijn."
d. Op blz. 135 wordt de vergelijking tusschen het nu en 't vroeger
verder uitgewerkt. "Hoe kan mij het onderscheid tusschen het hoofd en
den man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het
gekregen! dat fonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal
der vreugde daarin uitgebluscht! die bloeiende wangen, hoe heeft de
hitte van den dag ze doen verdorren! dat lachende mondje, welk een
diepe groef heeft de smart er ingedrukt!"
e. "Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds niet meer
éénkleurige haren weten te behoeden" (Oude Vrijsters blz. 167).
Dit is dus de voorstelling, die men bij lezing van 't boek van
Jonathan maakt; in werkelijkheid was de schrijver een jonge man van
acht en twintig jaren (Hasebroek werd in 1812 geboren). Heel aardig
is de anecdote die Hasebroek in verband hiermee in zijn "Narede"
vertelt (blz. 334-335), namelijk van een vurigen Jonathans-vriend,
die toen de predikant eens in de buurt van Haarlem zou komen preeken,
een heele reis maakte, "om den geliefden auteur, wiens geschrift hij
zoo gaarne las, ook eens persoonlijk te zien en te hooren," en zoodra
hij in plaats van den "bedaarden oud-vrijer, een jeugdigen borst"
zag, opstond en boos wegreed.
[Oude vrijer.] Een oude vrijer, want dat is Jonathan volgens de
voorstelling in "Waarheid en Droomen". Zoek zelf een of meer plaatsen
op, waaruit dat blijkt. Tracht bovendien iets te vinden omtrent zijn
levenswijze. Hoe heet de oude dienstmaagd, die al jaren lang voor
hem zorgt? En hoe weet ge, dat ze er al jaren woont?
Bovendien komt nog een vrouwelijke figuur in 't boek voor: Editha. Hoe
stelt ge u de verhouding voor tusschen haar en Jonathan?
Op blz. 174, in 't hoofdstuk "Oude vrijsters", komt voor de volgende
zin: "Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare
erkentenis op mijn papier, mijn goede, lieve Editha!" Lees de beide
bladzijden vóór dezen zin aandachtig na en tracht dan de bedoeling van
dit gezegde te verklaren. Misschien is u dan de verhouding tusschen
Jonathan en Editha duidelijk geworden.
Waarom Jonathan een oude vrijer geworden is, vertelt hij ons zelf: Hij
heeft in zijn jeugd een meisje lief gehad, en "schoon deze thans een
anderen naam dan den zijnen draagt, kan hij haar nog niet vergeten"
(blz. 171). Op verschillende plaatsen wordt van deze ongelukkige
liefde gesproken--tracht er zelf nog het een en ander van te vinden.
[Karaktertrekken van Jonathan.] Dit zorgvuldig na te gaan is van
veel gewicht, omdat we hierdoor in 't wezen van 't boek kunnen
doordringen en hier bestaat niet het groote verschil dat we zoo pas
in 't uiterlijke gevonden hebben, want zooals door Hasebroek in de
"Narede" wordt gezegd, de zoo even vermelde Jonathan-bewonderaar,
die boos wegreed toen hij den jongen prediker zag, had de proef moeten
nemen, "of bij alle verschil van den uitwendigen persoon, de inwendige
mensch, die dan toch ten slotte de ware en echte Jonathan is, niet ook
in de rede van den prediker leefde en sprak. Had hij dit gedaan, hij
zou misschien met zijn ervaring vrede gehad hebben bij de erkenning:
tweeërlei voorkomen, één geest, één hart" (blz. 335).
De voornaamste karaktertrekken van den schrijver zijn de volgende:
[Teergevoeligheid.] 1. Gevoeligheid en teerhartigheid.
Vele bewijzen zijn niet noodig, omdat deze eigenschap reeds bij
de eerste lezing dadelijk opvalt. Jonathan zelf zegt dat hij ze van
zijne moeder heeft gekregen, zijne moeder, door hem altijd vereerd als
een liefdevolle engel. De neiging tot het gevoelige, die soms zelfs
eenigszins overhelt tot sentimentaliteit, blijkt uit vele schetsen,
b.v. uit de wijze waarop de berichten in de "Haarlemmer Courant"
besproken worden, verder vooral uit "Het Album", uit "Het Schaap",
uit "Muziek". Editha speelt niet zonder reden de weemoedige "dernière
pensée musicale" van Weber nog eens voor Jonathan.
[Zwaarmoedigheid.] 2. Zwaarmoedigheid en droefgeestigheid,
voortvloeiende uit het feit, dat Jonathan al te veel gevoeligheid
van zijn moeder heeft geërfd. In "Het Legaat" bekent de schrijver,
"dat hij reeds als knaap en jongeling tot weemoed neigde" en hij dus
een opwekking van zijn vriend Rob dikwijls zeer noodig had.
[Medegevoel.] 3. Zijn medegevoel, zijn humaniteit.
Lees b.v. hoe Jonathan spreekt over de armen en de armoede (blz. 9),
over faillissementen (15), over gouvernantes, "die zich vergenoegen
met een klein salaris op voorwaarde van een goede behandeling, en dus
"liever armoede lijden dan hardheid" (blz. 19), over "Oude Vrijsters"
en bovenal lees hoe Jonathan wil handelen op "St. Nicolaas". Streelend
zal 't voor Hasebroek geweest zijn te bemerken dat zijne woorden niet
altijd zonder uitwerking bleven, zooals o.a. blijkt uit een briefje,
door hem op blz. 238 ("Narede") medegedeeld. De kinderen uit een zeker
gezin hadden de bedoeling van Jonathans "St. Nicolaas" begrepen, want
nadat het stuk in den huiselijken kring was voorgelezen, brachten ze
stilletjes hun Nicolaasgeschenken bij een ouden armen schoenmaker in
de buurt.
Dat Jonathan ook het lijden der dieren meevoelt, blijkt uit "Het
Schaap".
[Mijmeren.] 4. Een bijzonder kenmerkende eigenschap van den schrijver
is zijn neiging tot mijmeren, tot fantaseeren. Waarheid en Droomen heet
zijn werk. Als Jonathan zijn "Album" doorbladert, mijmert hij over
lang vervlogen tijden, zijn "Klok" roept tal van herinneringen bij
hem wakker, de klok spreekt hem van zijn tijd en wat met hem gebeurd
is, het is zijn vertrouwde. "Ruitentroef" is één droom. En dan het
"Portret" en "Het Legaat"! Droomen is een heerlijke bezigheid voor
Jonathan, "geregeld brengt hij de laatste uren des daags in eenzame
mijmering op zijn kamer door." En juist die droomen beschrijft hij
ons, daaraan hebben we 't ontstaan van zijn boek te danken. Dat is ook
het doel van zijn werk: hij wil, dat de menschen enkele oogenblikken
gebruiken om rustig te peinzen en te mijmeren, dat ze nadenken over
het verleden, over 't heden en over de toekomst misschien--over
't verleden vooral!--om zoodoende in te keeren tot zich zelf. "Men
kan niet altijd dóór vechten, men moet toch ook eens rusten van den
strijd: op de plaats rust! gelijk het militaire kommando soms luidt."
Niet iedereen heeft Jonathan's werk noodig, bij sommigen volstaan
de visioenen van eigen verbeelding, maar anderen begeeren misschien
als behulp voor een tijd den tooverspiegel van een anders fantasie,
de influisteringen van een anderen geest en een ander hart en tot
dezen spreekt Jonathan het woord van Augustinus: "tolle, lege!" "neem
en lees!"
[Liefdevol geloof.] 5. Het geloof van Jonathan.
Vroom is hij, zeer vroom. Zijn grootste trots is deze: "Het eerste
blad aan mijn bijbel is mijn stamboom." "Mijn voorouderen vormen een
rij van vromen. Oud-Hollandsche godsvrucht was als erfelijk in hun
stam." Jonathan zelf werd godsdienstig opgevoed, als de knaap iets
misdreven had, en daarvoor van zijn moeder vergiffenis had gekregen,
"voerde zij hem aan de voeten des Hemelschen vaders, opdat hij die
vergiffenis ook van Hem kon afsmeeken!" Op het eerste blad van het
album schrijft de grootmoeder Math. X, 37. "Die vader of moeder lief
heeft boven mij, en is mijns niet weerdigh: en die sone ofte dochter
lief heeft boven mij: is mijns niet weerdigh." De vader van Jonathan
zou men houden voor een "Christen" die uit de Stoa was uitgegaan,"
[15] dus iemand met streng zedelijke beginselen. Vandaar ook de spreuk,
die hij schrijft in 't album van zijn zoon: "In het witte boek van
mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken!" En de moeder teekende Jezus,
volgens de voorstelling van Matth. XIX, 13: "Doe wierden de kinderkens
tot hem gebracht, opdat hij de handen haer soude opleggen ende bidden."
Jonathan is dus als knaap door een zachte, liefdevolle moeder
in vroomheid opgevoed, terwijl de meer strenge vader hem heeft
gewezen op zijn plichten en hem een zedelijk leven als 't hoogste zal
voorgehouden hebben. Dat de schrijver een vroom man is geworden is dus
niet te verwonderen; eigenaardig is evenwel zijn houding tegenover
het dogma. Zijn vroomheid is een kinderlijke overgave aan Christus,
hij vereert bovenal den liefdevollen Christus, "die de kinderkens tot
zich laat komen," en de armen en verdrukten steunt. Hij aanbidt den
God der Liefde. En dat heeft hij van zijn moeder, nooit vindt hij
den Zaligmaker beminnelijker dan in de voorstelling van zijn lieve
moeder. Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de
afbeelding op een doode genomen, verschilde haar teekening van den
Eenige van die van anderen. Men kan zien dat haar hart het penseel
bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel:
Die niet lief en heeft, die en heeft God niet gekend: God is
liefde! liefde is als het orgaan, waardoor men God leert kennen en
aanschouwen,--bevestigde zich in haar ten aanzien van zijn beeld op
aarde. In zooverre dat van een gebrekkig menschenhart kan gezegd
worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van
daar putte zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar
geheugen, maar veeleer kwam zijn beeld allengskens, als een hostie
uit haar heiligdom, uit het binnenste te voorschijn. Vandaar dan ook,
dat dit beeld zich in mijn ziel drukte,--en, hoop ik, onuitwischbaar!"
Dogmatische kwesties worden door Jonathan niet behandeld, hij legt
geheel den nadruk op vroomheid des harten, kenmerkend voor een
aanhanger van het "Réveil". Zelfs hekelt hij de predikanten, die hun
hart niet geven bij hun prediking; men vergelijke de schildering
door "menigen Eerwaarde" van het hemelsch Jeruzalem in "Het
Portret". Merkwaardig is ook de volgende aanhaling uit "Het Legaat":
"Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de
priesters. Voor anderen is hij de Helicon: dat zijn de geleerden. Voor
anderen is hij een berg des Heeren: dat zijn de vromen. Voor anderen
eindelijk is hij niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen."
[Liefde voor zijn ouders.] Hierover is zooeven al een en ander gezegd,
dat de lezer zelf gemakkelijk aan kan vullen. Men leze hetgeen van
de moeder op blz. 32, 52, 138, 141 en 168 gezegd wordt: "Maria" was
haar naam, en zij beantwoordde geheel aan het beeld, dat die naam
onwillekeurig voor den geest roept."
Van den vader leze men vooral de beschrijving in "Het Album" en
"Het Portret"--blz. 44 en blz. 143.
[Lievelingsschrijvers van Jonathan.] Om dit te weten te komen
vergezellen we hem naar zijn "Bibliotheek". Reeds dadelijk moet
het den opmerkzamen lezer zijn opgevallen dat Jonathan goed op de
hoogte is met de klassieke schrijvers: de talrijke aanhalingen uit
hun werken bewijzen dit. Maar 't beste thuis is hij in zijn Bijbel,
geen enkel stuk of hij weet een menigte bijbelteksten te plaatsen,
terwijl bovendien toespelingen er op dikwijls voorkomen.
Merkwaardig is wel, dat Jonathan niet één bepaalde richting meer
uitsluitend is toegenegen: "hem zij vergund geen school te kiezen,
maar een electicus te blijven. Waar ik het schoone vinde, al is
het onder het stof der oudste oudheid, al is het onder het waas
der nieuwheid, laat mij toe het schoon te vinden." Vandaar ook de
"algemeene verbroedering" der groote auteurs die in zijn bibliotheek
plaats vindt.
Op de Nederlandsche schrijvers willen wij nog even wijzen. Uit
het bloeitijdperk worden genoemd: Hooft en Vondel, niet Cats--wel
merkwaardig voor de bibliotheek van een geloovig man!--verder uit
de 18e eeuw de Van Harens en Bilderdijk. Eindelijk Tollens; we halen
thans woordelijk aan, om te laten uitkomen, hoe hoog deze dichter bij
zijn tijdgenooten stond aangeschreven; "dan beluister ik Tollens onder
zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste menschengevoel,
dat ooit een menschenhart deed kloppen." De dichter der huiselijke
zangen wordt dus bewonderd: het Nederlandsche volk vindt zich-zelf
in hem terug, maar geidealiseerd, zooals Huet in zijn studie over
Tollens terecht opmerkt.
[Humoristen.] Hoewel Jonathan volgens 't bovenstaande "geen school
wil kiezen", moet er toch op gewezen worden, dat hij met éen soort
van schrijvers bizonder veel op heeft, met de "Humoristen". Wat hij
daaronder verstaat blijkt duidelijk uit zijn definitie: "halflachende,
halfschreiende Aprilskinderen." Aprilskinderen noemt Jonathan hen
om daarmee aan te duiden het grillige in hun wijze van werken. Van
Yorick sprekende, zegt hij immers: "Wat gaat het mij aan, of gij mij
al langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en telkens uw eigen weg
schijnt vergeten te zijn: gij kent toch den weg door het menschelijk
gemoed uitmuntend, en, waar gij ook henen dwalen moogt, in dien doolhof
verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, of uwe rede dikwijls een
pijl gelijkt, die door den wind opgenomen, vademen ver van het doel
slingert? Gij weet toch het kortste pad naar mijn hart, en uw doel
om dat te roeren bereikt gij altijd."
De uitdrukking: halflachende, halfschreiende, spreekt voor zich zelf;
we herinneren om op de overeenkomst in definitie te wijzen, nog even
aan het bekende puntdicht van De Genestet, waarin hij humor noemt
"rijke taal vol geest--en ingehouden tranen" en aan Huets uitdrukking:
"'t is een weemoedig accompagnement bij een vroolijk liedje."
[Stijl van Jonathan.] Hier behoeft zeker niet bewezen te worden dat
Jonathan tot een van onze beste stylisten gerekend kan worden: zijn
werk spreekt voor zichzelve. Wij wijzen hier slechts op een enkele
passage in "het Legaat" (blz. 105):
"Als de kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok
dat juist zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij
neemt een vierkanten klomp, waar de ruwe kanten nog aanzitten. Daar
zit dan het beeld, dat er uit moet komen, wel in, maar eerst moet de
buitenste schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen beitel
de stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van
het lijf wordt afgescheurd! het zucht onder de ruwe slagen van zijn
formeerder! maar let op! daar beginnen de houwen reeds af te nemen;
telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het beeld uit zijn
nauw omhulsel te voorschijn." Hier geen afgesleten beeldspraak--alles
leven en frischheid! Men leze nog eens "Het Schaap", vooral het
laatste gedeelte (bl. 82-86), en ga eens na hoe eigenaardig Jonathan
hier verschillende uitdrukkingen aan het schaap ontleend weet te pas
te brengen.
Geestige uitdrukkingen en invallen, zooals Beets ze bij menigte geeft
in zijn "Camera", komen in "Waarheid en Droomen" zelden voor, maar toch
ontmoet men somtijds een enkele, die best uit de pen van Hildebrand
gevloeid had kunnen zijn. Zoo geeft Jonathan in "de Stamboom" een
geestige omschrijving van ridders en niet-ridders, door te vermelden
dat hij niet weet, of zijn voorvaderen bij de tournooien tot degenen
behoord hebben, die den hals braken, of die halzen zagen breken. Zijn
portret wil hij niet laten schilderen, anders zou hij mogelijk "nog
eens op een boelhuis worden geveild":
No. 25. Een manspersoon.--Een gulden vijftig cents.--Niemand?--Nu,
voeg er deze Juffrouw nog maar bij.--Nu, twee gulden. Wie twee
gulden? Totdat zich iemand mijner ontfermt, en mij nog na mijn dood
met wie weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk als scherm
voor een tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op
't behangsel gebruikt te worden."
Ondeugend zegt hij in "Oude Vrijsters": "zoekt mij ook niet bij de
goede huismoeders, die gij met bijeengestoken hoofden en gesmoorde
stem over andere huismoeders hoort babbelen."