[Jubileum uitgave.] De 25ste druk [14] van de Camera is door de Erven
Bohn als prachtuitgave de wereld ingezonden: een keurige uitgave,
uitstekend papier, prettige druk en een mooie band met plaquette
van Beets. En als aanhangsel het oordeel van een honderdtal bekende
Nederlanders. Als eerste in de rij een welwillend schrijven van
H. M. de Koningin-Moeder. Alles bewijzen te over, dat Hildebrands
werk nog populair is.
We zullen eerst in 't kort nagaan wat door de voornaamste critici in
de 70 jaren, die na 't verschijnen van den eersten druk verloopen zijn,
van de Camera gezegd is.
[Oordeel van Potgieter.] Potgieter had nogal wat op 't boek af
te dingen, vooral omdat de strekking zijns inziens niet goed was:
Hildebrand had niet genoeg hart voor z'n volk, degelijke burgers als
de goeie oom Stastok in 't ootje te nemen kwam niet te pas. In de
Camera zag Potgieter geen liefde, geen idealisme. Wel liefde in één
opzicht: voor de taal. En daarop wees de criticus dan ook vooral. "Eene
hoofdverdienste van het boek hebben wij onder onze beschouwing der
opstellen herhaalde malen terloops geprezen; wij moeten er nog eenmaal
op terugkomen: het is de stijl, de taal. Wij weten niet, ook na twee,
drie malen lezens, wat meer toejuiching verdient: de waarheid van
opmerking, in welken geest dan ook, of de gelukkige uitdrukking der
gedachte. Het Hollandsch--Hildebrand heeft de taal te lief om niet
gaarne haren lof in den zijnen te hooren--het Hollandsch is ons nog
rijkere mijn gebleken, sedert zijn talent er zoovele nieuwe te lang
voorbij geziene, te achteloos verzuimde aderen in ontdekte."
[Huet.] Busken Huet schrijft geheel in denzelfden geest, maar zegt
het--zooals gewoonlijk--scherper dan zijn voorganger Potgieter. Ook
hier weer de beide zelfde voorstellingen: Beets heeft niet veel hart
voor zijn omgeving, maar is een uitstekend waarnemer, en daardoor een
keurig stylist. "De Camera Obscura heeft geen andere strekking dan
eene openbaring van het aristokratische in de natuur des schrijvers
te zijn. Zij is de geestige wraakoefening geweest van iemand, die zich
misplaatst voelde in den kring zijner geboorte. Een witte raaf brengt
hier de stukjes uit van zijn donkervervig en burgerlijk geslacht;
en dat de neven en nichten zich in den aanvang een weinig verbolgen
getoond hebben over de vermetelheid van dien vogel uit hun eigen
nest, het is voorwaar niet bevreemdend. Doch voor het overige is
het boek de objektiviteit in persoon. Niemand onder onze novellisten
van het jongere geslacht heeft onze volks- of onze tusschenklasse,
onze stedelingen of onze buitenlieden, zoo op het leven betrapt. Als
verzameling genre-schilderijtjes uit de Hollandsche School heeft de
Camera Obscura in onze letterkunde haar wederga niet."
En nu 't woord aan de critici van heden.
[v. Deyssel.] Van Deyssel: "Het is een prachtig boek, heerlijk om te
lezen, en ik geloof, dat zelden in de 19e eeuw iets beters bereikt is
dan de witte bergtoppen van geestigheid, die tevens geestelijkheid is,
en het rood en goud gloeijend bewegende vernuft, die in deze bladen
wordt aangetroffen naast den altijd doorgaanden als een heldere en
zoete geesteslekkernij aandoenden stijlstroom."
[Kloos.] Willem Kloos: "De Camera bewonder ik, op één enkel ding na:
de telkens om een hoek glurende, zelfbewust-minzame gestalte van den
auteur. Maar de zon heeft wel haar vlekken, zou de Camera dan niet
mogen hebben haar Hildebrand?"
[v. Eeden.] Frederik van Eeden zegt, dat hij de Camera gelezen
heeft sinds z'n negende jaar en er altijd weer 't zelfde plezier
in heeft gehad als tot nu toe. "Vooral uit "de Familie Stastok" en
"Een oude kennis" zijn vele zinsneden in mijn omgeving spreekwoorden
geworden. Het boek heeft echter geen wereldbeteekenis en alleen voor
ons Hollanders volle waarde, omdat het eigenlijk eerstelingswerk is
van een nog niet geheel gerijpt talent. Wel zijn enkele schetsen
in haar soort voltooide meesterwerkjes, maar de fijne humor wordt
nog niet door groote origineele menschelijkheid gedragen. Had Beets
zijn ware kracht als humorist begrepen, door een rijk leven gevoed
en door toeleg verder ontwikkeld, dan had hij Hollandsche humor ook
door den vreemdeling kunnen doen waardeeren en zelf een plaats in de
wereldliteratuur gekregen."
[Heyermans.] Heyermans denkt nog "aan 't groote, echte, innige genot
bij de lezing der "Familie Stastok", der "Familie Kegge" etc. tusschen
de witbekalkte muren van 't schoollokaal. Beets is ons toen àllen
zoo'n boel geweest--Hildebrand, bedoel 'k (wie dacht aan Beets?). Z'n
natuurlijke stem, z'n Hollandsche vertrouwelijkheid, maakten ons tot
meedroomende makkers en gevoelige vrienden. Speurden wij iets van
den "braven Hendrik"? Vroegen we of 't jammer was, dat de "dominee"
niet meer in de Camera wou kijken? Hadden we benul van andere, meer
zuivere "betere" literatuur? Och nee. In de verste verte niet! Wij
frischten op bij de historie van 't diakenhuismannetje, hadden graag
dien meneer Van der Hoogen 'n blauw oog geslagen!...."
[v. Nouhuys.] Van Nouhuys: "Hildebrands Camera Obscura, den gewonen
lezer bekorend door gemoedelijk-gevoeligen of fijn-geestigen humor,
de meer literairen tevens door bizondere kwaliteiten van stijl en
taal, blijft bovendien belangrijk als het intuïtieve, grootendeels
geslaagde pogen van een oorspronkelijk talent om zich vrij te maken
van vreemde invloeden."
[Querido.] Querido: "Een onsterfelijk boek, wijl het leven er in
vastgegrepen wordt."
[Blok.] Thans het oordeel van den historicus Prof. Blok: "De Camera
Obscura is naar mijne meening een werk van groote en blijvende waarde,
vooral als getrouwe afbeelding van een beschavingsperiode, die in de
geschiedenis van ons volk een belangrijke plaats inneemt: een periode
van plaatselijk stilleven, waaraan wij thans ontgroeid zijn, maar die
bijna een halve eeuw lang typisch geweest is voor ons volksbewustzijn."
[Viotta.] De bekende musicus Henri Viotta zegt o.a.: "Als musicus
gevoel ik mij bijzonder aangetrokken door de "Familie Kegge." De
beschrijving van het concert is de geestigste recensie, die ik ken."
[Troelstra.] Ten slotte een aanhaling uit het schrijven van den
bekenden sociaal-democraat Mr. P. J. Troelstra: "De Camera Obscura
behoort tot het burgerlijke tijdperk van onze literatuur, ook wat
den kijk van den schrijver op het volk en de sociale toestanden
betreft. Maar het boek is m.i. gemeengoed der natie geworden, en van
alles, wat onder het etiket proletarische literatuur is verschenen,
heeft niets het zoover kunnen brengen, dat het volk het als zijn
eigen heeft aangenomen.
M.i. is de grond hiervoor te vinden, behalve in de stof, het talent
en het objectieve standpunt van den schrijver, in zijn gemis aan
pretentie.
Onze moderne schrijvers zijn zeer pretentieus; de besten hunner willen
het juist heel bijzonder zeggen, gebruiken een taal, die het volk
niet begrijpt, en dringen daarom slechts tot een klein letterkundig
geschoold deel van 't volk door. Den klassieken eenvoud van Goethe
en Schiller, ook dien van de Camera, missen zij. En met de uiterlijke
luxueuse artisticiteit hunner produkten correspondeert niet de diepte
van hun kijk op het leven, hunne bekwaamheid in te grijpen in de
innerlijke roerselen van het menschenhart (buiten hun eigen), die de
Camera zoo warm, zoo innig, zoo tot een stuk van ons leven maken."
[Ontstaan van de Camera.] Beets heeft in zijn studententijd de Camera
geschreven en in 1839 werd het boek voor 't eerst gedrukt. In dien
druk kwamen o.a. voor De Familie Stastok, Een oude Kennis en Een
onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout. In de 3e uitgave (van 1851)
verschenen De Familie Kegge en Gerrit Witse, die beide echter al lang
vóór 1851 geschreven waren.
[Hildebrand.] Beets schreef het werk onder het pseudoniem Hildebrand
en er zijn heel wat gissingen gemaakt, waarom juist deze naam gekozen
is. Beets geeft in zijn "Na vijftig Jaar. Noodige en overbodige
opheldering van de Camera Obscura", zelf het volgende antwoord:
"Wat hem bewogen heeft om juist dien naam aan te nemen, weet hij zelf
niet. Alleen wist hij, toen hij hem aannam, dat het een naam was door
niemand van zijn maagschap, vrienden of bekenden gedragen, en voorts
was hij van het gevoelen, door hem uitgedrukt in de Narede van 1838:
"Ook is het om 't even of men Jaap (Jacob) heet of Hildebrand."
[De naam Camera.] De naam Camera Obscura is duidelijk: Hildebrand
wil in zijn boek weergeven wat hij in 't leven ziet, hij gaat
fotografeeren. Zijn werk is dus realistisch. Maar toch niet zuiver
realistisch, omdat Hildebrand geen echte fotografie levert. Hij
heeft geen bepaalde personen op 't oog: maar vereenigt verschillende
eigenschappen in één persoon: de bedoeling is meer typen te geven
dan werkelijke personen. Toch blijven--en dat is een van de groote
verdiensten van de Camera--ook de typen menschen van vleesch en bloed,
personen zooals we allen in onze omgeving kunnen aanwijzen. Wie heeft
nooit een houten Klaas als Pieter Stastok ontmoet? Maar persoonlijk
wilde de schrijver niet zijn. Dat blijkt uit de waarschuwing tegenover
't titelblad. De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en
Verbeelding vallen in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommige
zoo treffend en aardig, dat men lust gevoelt ze na te teekenen
en, met ze wat bij te werken, op te kleuren, en te groepeeren,
er kleine schilderijen van te maken, die dan ook al naar de groote
Tentoonstellingen gezonden kunnen worden, waar een klein hoekje goed
genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten op zoeken:
want niet alleen staat er honderdmaal een neus van Herinnering op
een gezicht van Verbeelding, maar ook is de uitdrukking des gelaats
zoo weinig bepaald, dat eene zelfde tronie dikwijls op wel vijftig
onderscheiden menschen gelijkt."
[Wijze van werken.] De groote kracht van Hildebrand is juist dat
"nateekenen", dat weergeven van 't geen hij ziet. Het bedenken van
een intrigue is niet zijn fort. Vandaar dat de grootere stukken uit de
Camera dan ook allemaal op dezelfde manier gebouwd zijn: een student
gaat uit logeeren, neemt zijn camera mee en richt dat toestel nu op den
een, dan op den ander. Zoo is 't in "De Familie Stastok" en ook in de
"Familie Kegge". "Gerrit Witse" is in vele opzichten op dezelfde wijze
geconcipieerd, en in "Een oude Kennis" is 't haast alsof Hildebrand
een kinematografische opname gedaan heeft van den goedigen Mr. Bruis,
die zooveel avonturen op zijn reisje heeft.
[Echt Hollandsch boek.] Deze gave van den schrijver maakt de
Camera tot zoo'n door en door Hollandsch boek: Hildebrand weet het
Holland van zijn tijd voor ons te doen herleven. De Camera is, zooals
Querido terecht zegt, onsterfelijk wijl het leven er in vastgegrepen
is. Daarnaast moeten we vooral wijzen op de manier waarop Hildebrand
dat leven weet weer te geven, op zijn onderhoudende, geestige wijze
van vertellen, op zijn keurigen stijl, die hem telkens het juiste,
typeerende woord weet te doen vinden. Om het kenmerkende van de Camera
beter in licht te stellen, zullen we één stuk, "De Familie Stastok",
meer in bizonderheden bespreken.
De Familie Stastok.
[Schildering van den middenstand.] Hierin wordt ons de middenstand
uit Hildebrands tijd (dus ±1840) geteekend. Zoo wàren werkelijk de
bedaarde, deftige, eerzame Hollanders uit dien tijd, héél solied,
maar ook héél bekrompen. In waarheid conservatief. Zooals Prof. Blok
zegt: de tijd van het plaatselijk stilleven. Ook Beets was in een
dergelijke omgeving opgegroeid, vandaar dat Huet spreekt "van de
geestige wraakoefening van iemand, die zich misplaatst voelt in den
kring zijner geboorte." Op een andere plaats vergelijkt deze zelfde
criticus de Camera en den Max Havelaar en wijst op het satirieke in
beide werken. "In beide wordt afgerekend met eene zamenleving. Welk
innig genot smaakte Hildebrand, toen hij ze naar den vleesche
ridikuliseren kon, de filistijnsche kwelgeesten zijner jeugd! Hoe
sprong Havelaar's hart in zijn binnenste van blijdschap op, toen
Sjaalman met fatsoen de Aglaja op den grond kon laten vallen! Zulke
stille tijgergenoegens verorbert een mensch slechts eenmaal in
zijn leven." Of "tijgergenoegens" voor Hildebrands goedmoedige
spotternij niet wat te sterk is? Me dunkt van wel. Multatuli kwetst
zijn tegenstanders met z'n snijdende woorden, Hildebrand houdt ze
een beetje voor den mal. Maar dat de bourgeoisie van 1840 er zonder
kleerscheuren afkomt, zal niemand kunnen beweren. Men denke slechts
aan 't hoofdstuk waarin verteld wordt, "dat er menschen komen op een
kopje thee, om verder het avondje te passeeren."
Bespreking van de hoofdpersonen.
[Oom Stastok.] I. Stastok Senior. Zijn beste eigenschap is
degelijkheid; hijzelf is degelijk en degelijk is ook alles wat hij
heeft: z'n huis, de meubels, de kleeren, z'n goud-horloge. Maar--en
dat maakt hem belachelijk--die degelijkheid uit zich in peuterige
dingen, is geworden tot bekrompenheid. Oom Stastok is het vleesch
geworden conservatisme. Hij is tegen alle vooruitgang, tegen alle
verandering zelfs. Dit conservatisme is zoo sterk, dat de oude heer
Stastok zijn lintweverij aan kant heeft gedaan, omdat hij zich niet
wilde schikken naar de veranderde omstandigheden: machines kwamen niet
in zijn fabriek en liever dan onder de markt te verkoopen, liet hij
zijn oortjesband verrotten. Is 't wonder dat met zulke fabrikanten
onze nijverheid naar den kelder moest gaan?
[Geestelijke ontwikkeling.] En dan de geestelijke ontwikkeling! Oom
was tevreden met de Oprechte Haarlemmer, en "Barnave, par Jules
Janin", is voor hem "een boek over Barneveld, die we laatst in
't leesgezelschap gehad hadden." Trouwens in dat "leesgezelschap"
zal wel niet veel anders geweest zijn dan 't geen Gerrit Witse op de
leestafel van 't Leesmuseum in Rotterdam vond: "de Letteroefeningen,
met een aantal steken op "de jonge dichters", en zeer huiselijke
beeldspraak van "ongare kost, keurige schotels, goed gekruid,
sterk aangezet" en wat dies meer zij; het Leeskabinet, met groenen
omslag en de Boekzaal der Geleerde Wereld, met een versjen op de
begrafenis van Ds. die en die, en op het vijftigjarig bestaan van
Ds. zoo en zoo." Op die leestafel lag ook nog "De Gids", maar dat
oom in zijn leesgezelschap dat tijdschrift ook geduld heeft, kan ik
me niet voorstellen. De "Vaderlandsche Letteroefeningen" zullen op
hem in elk geval meer invloed gehad hebben dan de revolutionnaire
"Gids". Hoe goed die Letteroefeningen hun lezers over buitenlandsche
literatuur inlichten, blijkt uit de woorden van mijnheer Van Naslaan,
die den naam Victor Hugo zoo echt Hollandsch uitsprak, en "meende dat
het zoo'n bloederig man was." Ook de achtenswaardige makelaar Dorbeen
vond het "een rare kerel", die pro en contra voor geld schreef. En
oom moet van die lichtzinnige Franschen heelemaal niets hebben:
"die Franschen, 't is een raar volk; al zeg ik 't zelf." Heeft Huet
niet wat gelijk als hij zegt, dat Beets zich misplaatst voelde in
den kring zijner geboorte? En zou Hildebrand die Hugo's "Lorsque
l'enfant parait" zoo goed vertaalde, zich thuis gevoeld hebben in
't gezelschap van de Dorbeens, Naslaans en Stastokken?
Een andere uiting van oom Stastoks bekrompenheid is zijn zoogenaamde
nauwgezetheid, stiptheid. Alles moet precies op den vastgestelden tijd
gebeuren: om zes uur stond oom op, "ten einde om half acht aan het
ontbijt te zijn" (!); als de wagen van tweeën voorbijging, gebruikte
hij zijn bittertje; voor November werd niet gestookt. Stastok senior
was de slaaf van zijn "goud horloge".
Eén keer had de conservatieve heer Stastok een offer gebracht aan de
vooruitgang en nog wel op 't gebied van "den Moloch der negentiende
Eeuw", de Mode. Niet ten opzichte van eigen kleeding, verre van dat:
oom bleef nog altijd de korte broek dragen, maar hij had de tuinkamer
laten opknappen en ook het goudleeren behangsel laten bijwerken. Dat
bijwerken bestond in: het laten moderniseeren van al wat kleedij
was! de hoeden b.v. geschilderd naar 't nieuwste model bij den
hoedenmaker gehaald. Andere dingen daarentegen hadden hun ouden vorm
behouden. Kan men zich grooter smakeloosheid denken? Maar mijnheer
Stastok en zijn kennissen zullen het wel heel mooi gevonden hebben.
[Tante.] Tante Stastok is even bekrompen als oom, maar zij
heeft één eigenschap die dat alles over 't hoofd doet zien: haar
goedhartigheid. Zij is de zorgzame huisvrouw, die alles keurig in
orde heeft en voor iedereen even hartelijk is. Ook haar houding als
Hildebrand 't gedicht opzegt, is heel sympathiek en haar uitroep:
"Heerementijd, neef Hildebrand, dat is mooi" is heel wat meer wáar,
dan 't gewichtig doen van de deftige heeren.
[Pieter.] Pieter Stastok, de èchte Stastok, de houten Klaas. Aan
die onhandigheid hebben zijn ouders heel wat schuld: hij is vooral
zoo geworden door z'n opvoeding. Hij is opgegroeid in de duffe,
bekrompen omgeving, waarmee we al kennis gemaakt hebben, altijd
is hij behandeld als een klein jongetje, als eenig zoontje verwend,
omgang met anderen heeft hij weinig gehad. Bovendien is hij van nature
bedeesd, wat door zijn opvoeding nog verergerd is. En zoo iemand wordt
student! Natuurlijk voelt hij zich onder vroolijke jongelui niet thuis,
wordt nog onhandiger en houteriger, trekt zich terug, vereenzelvigt,
wordt een zonderling.
Daarbij nog een ongelukkige eigenschap: zijn verwaandheid. Natuurlijk:
Pieter is thuis altijd beschouwd als een wonder van geleerdheid,
heeft met andere jongens nooit meegedaan, zat meest in huis en kon dus
gemakkelijk in z'n klas meekomen. De dwaze ouders zijn gaan pronken
met hun knappen zoon, als er bezoek was had Pieter altijd, vooral
nadat hij Latijn geleerd had, een hoog woord, hij werd de vraagbaak
van familie en kennissen en z'n eigenwijsheid werd steeds grooter. Wat
de heer en mevrouw Witse in hun bekrompenheid hàast gelukte--hun zoon
Gerrit door dwaze vergoding ongelukkig te maken--was aan oom en tante
Stastok volkomen gelukt.
[Kiekjes van Pieter.] Op dezen houten Klaas richt Hildebrand nu zijn
camera en laat ons hem in zijn verschillende evoluties gadeslaan,
juist op oogenblikken en in toestanden dat zijn onhandigheid het
best uitkomt.
[Als biljartspeler.] Eerst moet Piet biljartspelen. We zien hem dus
in een café, onder vroolijke menschen, die 't wàt gezellig vinden zoo
iemand in de maling te nemen. En nu moet hij nog potspelen ook, dus
met vele anderen tegelijk. 't Gaat dan ook heel dwaas, hij hanteert
op allerongelukkigste manier z'n keu, raakt den acquitbal bij ongeluk
zoo fijn, dat hij hem tegen alle etikette in een hoekzak snijdt, en
de pikeur hem toebrult dat het een lompigheid is; maakt later--alweer
bij ongeluk--een doublé; staat ten slotte er het beste voor van alle
spelers, zoodat hij "de Vlag" krijgt; maar takelt dan langzamerhand
af. Alles natuurlijk onder duizend grappen van de jongelui, zoodat
Piet geen drogen draad meer aan zijn lijf heeft.
[Op 't avondje.] Dan zijn dwaas figuur op 't avondje. Bij andere
dergelijke gelegenheden is hij een persoon van gewicht, maar dezen
avond loopt het heelemaal mis. Twee "kleinigheden" zijn er die hem
hinderden: liefde en haat. Liefde voor Koosje, haat tegen Hildebrand,
die zooveel succes heeft en zelfs bij Koosje in de gunst schijnt
te komen. Natuurlijk is Piet nu nog onhandiger dan gewoonlijk: hij
zou zoo graag Koosje een zoet woordje toevoegen en weet haar niets
anders te zeggen dan: "Houje nog al van evenveeltjes?" En dan plaagt
de onuitstaanbare Hildebrand hem ook nog! Hij vraagt Piet "iets op
te zeggen, of te zingen of zoo." Stel je voor: Pieter Stastok zingen!
[Bij 't roeipartijtje.] Erg bespottelijk is Piets roeipartijtje. Eerst
al de manier, waarop hij met Koosje loopt, dan de manier van roeien
(met glacé's aan nog wel), het sentimenteele gesprek met Amélie,
"de magere ende zeer leelijke van gedaante, rank van vleesche, en wier
gelijke in leelijkheid niet gezien was in den ganschen Egyptenlande";
de schommelpartij, als Dolf en Koosje neus aan neus staan en hij
het genoegen heeft ze op te geven; de schipbreuk van Piet, waarbij
alleen de laarzen nog aan boord liggen, de panden van zijn jasje op
de golven zweven, zijn handen zich op den bodem van 't water ophouden
en het beslikte, maar nog altijd gebrilde gelaat niet dan met moeite
wordt boven gehouden, terwijl de hoed op de ongewisse baren dobbert;
daarna Piet in het costuum van boer Teewis, een pakje nat goed onder
den arm en even daarna met een rapier in de hand, bijna in duel met
Dolf en ten slotte.... Piet in dat idyllisch kostuum, nog verfraaid
door een schotsbonten mantel van Christien, bij 't zachte maanlicht
waratje haast aan 't vrijen met Koosje! O, die schalksche camera
van Hildebrand!
[Van Naslaan.] Over de andere personen zullen we kort zijn. De heeren
Van Naslaan en Dorbeen hebben we zoo pas bij de "Letteroefeningen"
al ontmoet en een nadere kennismaking zal onze achting voor de beide
heeren niet vermeerderen. Van Naslaan is iemand, die--zijn naam zegt
het al--"onbegrijpelijk veel gelezen heeft," een echte snuffelaar,
die allerlei peuterige dingen uit vroegeren tijd opzoekt. Hij heeft
't dan ook altijd over den goeden ouden tijd. En oom Stastok is 't
roerend met hem eens, dat "onze vaderen andere menschen waren." Als
Hildebrand reciteert:
"Soms spreken we om den haard, met ernst en met verstand,
Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland."
knikt de heer Van Naslaan zeer verstandig!
[Dorbeen.] Dorbeen is de komiek van 't gezelschap, een echte
flauwe vent, die zijn grappen zelf heel mooi vind. Sterk is hij in
woordspelingen b.v. "Zijn vader heet Goedelaken, maar hij mocht
wel Goudlaken heeten." Het "Nut der Tegenspoeden" wordt "het
nut der regenhoeden." Natuurlijk wordt hij zéér gewaardeerd, net
als Wagestert in "Gerrit Witse"; allen zitten te schudden om zijn
geestigheden, alleen Koosje, die de gebruiken zeker nog niet kent,
heeft er moeite mee.
[De dames.] De dames zijn al even bekrompen als de heeren:
mejuffrouw Van Naslaan doet verbazend gewichtig, vergelijkt alle
dingen geestiglijk bij muisjes, die staartjes hebben zullen, en staat
dus in een grooten roep van wijsheid; mevrouw Dorbeen is een rammel,
trotsch op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot, van wie
Hildebrand had hooren zeggen, dat ze een heel mooi vers opzei. Ze
heeft dan ook zeer rollende bruine oogen en brouwt sterk! Hoe goed ze
kan reciteeren blijkt, als ze "op hartroerende wijze het hartroerende
meesterstuk des grooten Borgers" bederft.
Koosje van Naslaan is een aardig, natuurlijk meisje; Mietje (met de
kalfsoogen) "volstrekt niets dan een goed mensch," dat weinig anders
zegt dan "Hè, ja!"
De dames van het roeipartijtje worden het best getypeerd in den
volgenden zin: "Koosje was allerliefst, Christien alleruitgelatenst,
Amelie allersentimenteelst." Kenmerkend is ook de verschillende
houding van de dames als Piet door een onhandige beweging met zijn
riem de schuit doet ronddraaien: "Koosje lachte, Christien proestte,
Amelie gaf een gilletje!"
[Dolf van Brammen.] Dolf van Brammen is wel in alle opzichten een
tegenvoeter van den goeien Pieter! Dolf jolig, onderhoudend, handig;
Piet droog, vervelend, houterig; maar Pieter is een echte blokker
en zal bij zijn examens wel cum laude krijgen, en Van Brammen is een
boemelaar, een gesjeesd student! Zoo iemand had Hildebrand noodig om
Pieter eens goed in 't zonnetje te kunnen zetten.
[Keesje.] Van Keesje behoeven we weinig te zeggen, dien kent
ieder. Huet noemt zijn verhaal--naast dat van Saidjah en Adinda--"de
bloem der sentimentaliteit" en daaraan hebben we niets toe te voegen.
[Mooie rol van Hildebrand.] Nog een enkel woord over de rol die
Hildebrand zich zelf in de Camera toedeelt. Kloos (en vele andere
critici o.a. Huet) hinderde "de telkens om een hoek glurende,
zelfbewust-minzame gestalte van den auteur" en werkelijk is 't
opvallend hoe mooi Hildebrand z'n rol is. Hij weet zich uitstekend
te bewegen, kan goed biljarten, goed roeien, een vers zeggen, staat
in één woord vér boven alle anderen. Keesje krijgt door hèm 't geld
terug. Zoo is 't ook in De Familie Kegge, waar Hildebrand zelfs de
belaagde onschuld (Suzette Noiret) redt en den schijnheiligen belager
(Van der Hoogen) ontmaskert!
['t Geestige in de Camera.] Ten slotte iets over 't geestige van
den stijl in de Camera, waardoor de schrijver de aandacht telkens
gespannen weet te houden. Als men maar enkele regels leest, ontmoet
men bijna dikwijls zoo'n echt Hildebrandiaansche zinswending of
uitdrukking, die telkens weer een glimlach op onze lippen roept. Op
enkele eigenaardigheden wijzen we hier:
1. Het geestige in 't gebruik van een enkel woord, b.v. "op dezelfde
bank met deze had een jong juffertje gezeten, in een blauw geruiten
mantel niet gedoken, het denkbeeld is te ruim, maar gestoken,"
of.... "Aan zijn zijde sluimerde een jong mensch met gescheiden haar,"
en verder: "Pieter en ik worden bezig gehouden door een langwerpig
man van een groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een
langen sluitjas."
2. Het laatste voorbeeld wijst op een tweede middel om een komisch
effect te weeg te brengen nl. het in één adem noemen van twee
dingen die niet bij elkaar passen bv. beschrijving van lichamelijke
eigenschappen en daarmee de kleeding te verbinden, net alsof dat ook
noodzakelijk bij den beschreven persoon behoort. Zoo in dezen zin:
"Aan zijne zijde sluimerde een jong mensch met gescheiden haar,
zoo glad gekamd alsof het uit éen stuk was, hooge jukbeenderen, een
blauwe das, een turkooizen doekspeld," enz. "Oom Stastok had geen
ander lichaamsgebrek dan zijn hooge linnen halsboorden!" en "mevrouw
Dorbeen was trots op haar muts en haar echtgenoot." Zoo vond ook
Hildebrand in de kerk "praalgraven en kosters die een fooi begeerden."
3. De woordspelingen. Pietje had Koosje "geen ander zoet woordje
kunnen toevoegen dan: houje nog al van evenveeltjes?" en de schuit,
waarmee de jongelui vastraakten, "strekte haar gehechtheid letterlijk
uit tot de struik, waarvan de vergeet-mij-nietjes waren geplukt,
tot het stuk grond, waarop zij gebloeid hadden."
4. De komische samentrekkingen. Een enkel typeerend voorbeeld: Pieter
is onder de verhalen van mijnheer Dorbeen verstrooid, "rookt wanhopig
door, grinnikt als een vertelsel, en stopt een nieuwe als een pijp
uit is!"