Karakteristiek van de hoofdpersonen.
[Karakterteekening van Otto en Zweder.] Hunne verhouding komt in vele
opzichten overeen met die van Deodaat en Reinout van Verona in "de
Roos van Dekama". 't Is de strijd tusschen blond en bruin, tusschen
het vurige zuidelijke bloed en 't meer koude noordelijke. Otto,
de kalme Nederlander, is wel wat traag en vadsig, wat indolent,
maar daartegenover staan twee goede eigenschappen: zelfbeheersching
en vastberadenheid. Deze eigenschappen komen vooral aan 't licht
in zijn strijd met Zweder in 't eerste hoofdstuk van den roman ('t
dooden van den hond!).
Bovendien bezit hij een sterk ontwikkelde adeltrots: hij moet de eer
van zijn geslacht ophouden en dat gaat bij hem boven alles. Vooral
blijkt dit, zoodra zijn vader Reinout van Linden gestorven is, en hij
dus 't hoofd der Van Lindens geworden is. Dan handelt hij, de trage,
met zooveel vastberadenheid, dat mijnheer van Arkesteyn uitroept:
"Eerst zoo indolent, thans zoo vehement!" Plotseling is de trage
jonker een màn geworden, iemand die weet wat hij wil.
Hoe hoog hij de eer van zijn geslacht stelt, blijkt vooral uit het
feit, dat hij zijn liefde voor Geertruid weet te bedwingen en in
overeenstemming met den wil zijns vaders besluit Odilde van Bronkhorst
te huwen.
Zijn karakter ontwikkelt zich dus en wel in goede richting: door 't
leven wordt hij gelouterd. En dergelijke ontplooiing van 't karakter
is in dezen roman bij vele personen waar te nemen.
Zweder van Linden is het type van den driftigen, hoogmoedigen
Italiaan. 't Goede in hem is: de uitstekende lichamelijke en
geestelijke ontwikkeling en zijn oorspronkelijke goedhartigheid. Als
jongen was hij dan ook de lieveling van iedereen. Ook het helpen van
de arme koorddanseres en de redding zijner moeder getuigen van zijn
goed hart en van zijn moed.
Maar hij heeft zijn schaduwzijde: hij is haatdragend, driftig, en
voelt zich spoedig verongelijkt. Dit alles bewerkt zijn ondergang,
waartoe vooral twee omstandigheden meewerken:
1. jaloerschheid, het besef, dat Otto later rijk zal zijn en hij arm,
dat hij later van Otto, die hij verre zijn mindere acht, afhankelijk
zal zijn.
2. minnenijd. Hij houdt van Geertruid, een hartstocht, dien hij
nooit verloochent, en nu bemerkt hij dat Otto hem ook hier in den
weg staat. Dit verdubbeld zijn haat tegen den halfbroeder.
Deze haat wordt gevoed door zijn moeder, die hem telkens opzet tegen
Otto, zelfs aanspoort tot moord--"wees niet laf, stoot niet weer
mis!" voegt ze hem toe--en door den demonischen invloed van de heks
Hannekemeu. Door dien invloed wondt hij eerst Otto en als hij later
hoort dat zijn broer in 't huwelijk zal treden (zooals hij meent
met Geertruid!) en deze hem dan verdrijft van den Slichtenhorst,
doodt hij den gehaten tegenstander.
Langzamerhand wordt het karakter van Zweder meer donker en slecht. Wel
redt hij zijn moeder uit het brandende kasteel, maar weldra beschouwt
hij de arme krankzinnige nog slechts als een blok aan 't been en aan
haar sterfbed denkt hij slechts aan gewin. Hij, de edelman die alles
verloren heeft en nu door alle mogelijke middelen een positie tracht
te verwerven, is natuurlijk een geschikt sujet om den verradersrol
te spelen en zijn land aan de Franschen, met wie hij trouwens den
godsdienst gemeen heeft, te verkoopen. Al zijn goede eigenschappen
schijnen verloren: hij behandelt den burger Rurik als een hond, heult
met Van Arkesteyn, steelt de kaart van 't Nedersticht, tracht Geertrui
op onwaardige wijze in zijn bezit te krijgen, en verraadt in Abkou
zelfs de Franschen, die hem bij den overval op 't dorp hielpen. Dus
een falsaris in optima forma.
Ook bij hem derhalve karakterontwikkeling, maar ten kwade: het goede
zaad is verstikt, het onkruid welig opgeschoten.
[Reinout van Linden.] Het type van een echt bekrompen
landedelman. Vroeger een stout ridder, die zelfs een schoone
Italiaansche kon bekoren en haar wist mee te lokken naar zijn land,
maar ten slotte een zwakkeling, die doodsbang is voor zijn vrouw en aan
niets meer hecht dan aan goed eten en drinken. Als de edelen in de 17e
eeuw waren als Reinout, dan is 't wel een gedegenereerd ras geweest.
[Giulia de Padua.] De vroegere schoone Italiaansche is verdord in
Holland, vooral door de schuld van haar man, die haar niet wist te
vergoeden wat ze in de nieuwe woonplaats miste, die niet door warme
genegenheid haar de zonnige zuiderlanden kon doen vergeten. En dat
vergaf ze hem niet: haat is er in haar hart gekomen voor liefde. Wèl
is 't een echte moeder van Zweder, van hààr heeft hij den haat geërfd
tegen Otto, van haar ook het vurige zuidelijke bloed. Haar groote
liefde voor Zweder verschoont eenigszins hare houding, ze werkt niet
voor zich zèlf, maar voor haar zoon.
Dat ze een listige intrigante is, blijkt uit haar stoken tusschen
Geertruid, Otto en Zweder, uit de onderhandelingen, die ze door middel
van den Schout voert met de Franschen. Ook hare houding tegenover
Arkesteyn is die van een intrigante, maar in hem vindt ze haar meester.
[Van Arkesteyn.] Het type van den Hollandschen patriciër, uit de
17e eeuw. Bizonder mooi is deze burgerkoning geteekend, men ziet
duidelijk, hoe hoog de regenten uit dien tijd stonden, maar ook hoe
zeer ze zich voelden. De voornaamste karaktertrekken zijn dan ook:
hoogmoed en egoïsme.
Het imponeerende blijkt dadelijk bij zijn aankomst op den
Slichtenhorst: hoever staat de patriciër boven den eenvoudigen
landedelman. Hoe ontzagwekkend is zijn houding: hij vertegenwoordigt
den souverein, zooals b.v. blijkt uit het plaats nemen op den
rechterzetel die bestemd was voor Reinout van Linden. Ook in kennis
is de edelman ver zijn mindere: Giulia is dan ook verrukt over de
wellevendheid van haren gast. Zijn schranderheid blijkt duidelijk uit
zijn houding tegenover de listige Italiaansche; zijn koelbloedigheid
bewijst hij bij den brand van 't kasteel.
Het merkwaardige is dat we dien reus langzaam zien dalen en ook weer,
evenals bij Zweder, tengevolge van minder goede karaktertrekken.
[Arkesteyn en Prins Willem.] Zijn groote fout is dat hij zich heeft
vergist in Prins Willem. Voor hem is de Prins altijd een nulliteit
geweest, een jongetje zonder eenige beteekenis. Hij heeft hem gekend
als "Kind van Staat", hij minacht "Willem Willemsz." "De Prins is
een kind," zei hij tegen Jan de Witt, die hem daarbij veelbeteekenend
aanzag, en daarmee bewees scherper te zien dan Van Arkesteyn. Vandaar
de groote vernedering die Van Arkesteyn moet ondergaan: langzaam te
moeten inzien dat hij zich in dat jongske vergist heeft--zijn plannen
ter verdediging van Utrecht afgekeurd, omdat de Prins er geen heil in
ziet--zijn bede om vergiffenis voor den misdadigen zoon afgewezen,
zijn zoon behandeld als een gewoon mensch, hij zelf knielende voor
den verachten Willem Willemsz!
[Slechte eigenschappen.] Langzamerhand komen zijn slechte eigenschappen
aan 't licht: wij zien in dat Van Arkesteyn moet vallen, omdat hij
niet de zedelijk hoogstaande persoon is, dien we in hem dachten te
zien. Nu blijkt ons 't volgende:
1. hij wordt geheel beheerscht door zijn zoon Hendrik; de grootheid
van den man verdwijnt als zijn zoon de kamer binnentreedt.
2. hij is de verleider van Bella de Leeuw; houdt Geertruid met
minder edele bedoelingen in zijn huis; heeft den broer van Bella, den
wilden maar toch niet geheel verdorven Dries de Leeuw, weten te doen
verdwijnen, door hem als soldaat bij de Compagnie te doen inlijven.
De straf volgt: hij wordt in zijn eigen netten verstrikt, alles wat
hij met vaste hand heeft opgebouwd, stort in.
In Oranje heeft hij zich bedrogen en als gevolg daarvan verliest hij
zijn invloedrijke positie.
Zijn creatuur Semeyns staat tegen hem op en wordt een vereerder van
zijn grootsten vijand.
Hendrik, dien hij werkelijk lief heeft, moet hij zien veroordeelen
als een gemeenen booswicht.
Geertruid, die hem vereerde, verafschuwt hem later.
Hij moet een verbond aangaan met Zweder van Linden, zijn doodsvijand,
moet zelfs medewerken om een huwelijk tusschen Zweder en Geertruid
tot stand te brengen en wordt ten slotte een landverrader.
Van den trotschen patriciër is niets gebleven en dat kon niet anders,
omdat hij niet de zedelijke eigenschappen bezat die hem 't hoofd
omhoog konden doen houden te midden der stormen.
[Karel Semeyns.] Een prachtig voorbeeld van een zich ontwikkelend
karakter dat de Sturm-und-Drang periode doormaakt. Hij heeft dezelfde
karaktertrekken als Arkesteyn, wiens onechte zoon hij is, maar
bij Karel ontwikkelen ze zich in goede richting; het egoïstische en
baatzuchtige van den vader vinden we niet terug in den zoon. Het leven
heeft hem gelouterd. "Hij was een Perseyn, maar één, in de tucht der
levensschool opgewassen. Hij had de eerzucht zijns vaders, maar ze had
hem geleid tot een edel streven, hij had dezelfde zelfstandigheid,
maar ze had hem geleid tot zedelijke vrijheid; hij kende dezelfde
zelfzucht, maar ze had hem tot zelfverloochening gevoerd."
Zijne goede eigenschappen komen eerst langzamerhand voor den dag,
hij groeit als 't ware. Eerst op den Slichtenhorst blijkt hij wel
schrander, scherpzinnig en moedig (ontmoeting met den beer!), maar
toch heeft hij niet onze geheele sympathie, wegens zijn bitterheid,
zijn sarcasme. Doch hij heeft daar reden toe: hij is geplaatst in een
zeer lagen stand, voelt in zich de kracht te kunnen stijgen, maar wordt
door de omstandigheden tegengehouden. Bovendien wordt hij telkens aan
dien lagen stand herinnerd, moet al zijn wrok verkroppen en kan nooit
vrij de vleugels uitslaan. Reeds in zijn jeugd werd hij verongelijkt,
steeds was hij de speelmakker van Hendrik, den bevoorrechten broeder,
dien hij haat.
Twee personen hebben veel invloed op zijn leven: Arkesteyn en
Geertruid.
[Zijn verhouding tot Arkesteyn.] Arkesteyn is zijn leermeester en
opvoeder, een godheid bijna. Voor Arkesteyn is hij een sujet, een
creatuur, want de meester eischt blinde gehoorzaamheid. Juist dit
vernedert Semeyns in de oogen van anderen, b.v. in die van Geertruid,
men beschouwt hem als een werktuig zonder eigen wil. Die verhouding
tot Arkesteyn hindert Semeyns, een karakter als 't zijne laat zich
op den duur niet dwingen, en de uitbarsting komt dan ook zoodra van
hem iets gevorderd wordt dat strijdig is met zijn eer: Arkesteyn
vraagt hem de kaart van 't Nedersticht. Karel begrijpt waartoe deze
kaart moet dienen, vooral omdat hij de onwaardige verhouding tusschen
Arkesteyn en Zweder ziet. De afgod wordt van zijn voetstuk geschopt:
hij haat hem en dàn moet hij juist tot de ontdekking komen dat die
man zijn vader is! Tot ware zielegrootheid verheft zich Karel tijdens
het verhoor, als hij zich wil opofferen om ter wille van zijn moeder
Arkesteyn te sparen. En hij drukt daarna den gehate, die zijn vàder
is, de oogen toe en kust den doode. "Edele man," zegt Geertruid!
[Geertruid Perseyn.] Ook zij wordt door 't leven gelouterd. In den
beginne op den Slichtenhorst is ze niet veel meer dan een verwend kind
met een mooi gezichtje, vol hoogmoed, een echte Perseyn, die trotsch
is op 't admiraalschap van haar vader, en aan niets anders denkt,
dan aan een huwelijk in of boven haar stand.
[Hoogmoed.] De liefde van Geertruid voor Otto is niet diep, maar wel
voelt ze diep de krenking als Otto haar meedeelt te zullen huwen met
Odilde van Bronkhorst: haar hoogmoed wordt gekwetst. Die hoogmoed
blijkt verder uit haar trotsch-zijn op de verwantschap met Arkesteyn,
uit de wijze waarop ze Semeyns--een vroegeren speelmakker!--doet
voelen hoeveel lager hij staat dan de admiraalsdochter.
Hoogmoedig is ze, als ze komt bij Jillis en Geerte Gevaerts en deze
behandelt als hare bedienden; ze is trotsch op den pronkepink Hendrik
van Arkesteyn, ze vindt het heerlijk te wonen in 't ruime, prachtige
gemeubileerde huis van haar beschermer. Alles hoogmoed!
[Wijziging in haar karakter.] Maar langzamerhand wordt haar karakter
gevormd in de school des levens; de innig geliefde vader ontvalt haar,
dat stemt haar hart zachter en bovenal, ze leert te Abkou Brechtje
kennen, de zelfverloochenende Brechtje, die Karel liefheeft en zich
opoffert om Karel en Geertruid gelukkig te maken. Ook vrouw Semeyns,
die meer leed dan zij, heeft een invloed ten goede.
Bovendien, Arkesteyn valt ook voor haar van zijn voetstuk, ze
ziet eindelijk in, wie en wàt hij is. Het verblijf in zijn huis is
verderfelijk voor haar goeden naam; hij wil haar doen huwen met Zweder,
den moordenaar, en hij wéét, dat Zweder een moordenaar is.
[Verhouding tot Karel.] Vooral echter is het Karel zelf, die haar
opheft. Ze minacht dien schipperszoon, ze doet hem telkens hare hooge
afkomst voelen en toch ze voelt zich niet bevredigd, als ze hem denkt
te kwetsen. 't Is of ze voelt dat ze onrecht doet. Ze wijst hem af
als hij haar ten huwelijk vraagt, en toch voelt ze zich aangetrokken
tot hem. Eindelijk leert ze hem waardeeren: het is op 't oogenblik,
dat Karel zijn juk afschudt en zich losmaakt van Van Arkesteyn. Dan
ook voelt Geertruid in zich de kracht om zich op te heffen, ook zij
schudt het juk af, vlucht uit het kasteel en zoekt hulp bij Karels
moeder. En nu strijdt ze mèt en vóór Karel. Met Brechtje samen luidt
ze de stormklok en ten slotte wil ze zelfs haar goeden naam offeren
om Karel te redden.
[Dries de Leeuw.] Een eigenaardige, aantrekkelijke
figuur. Oorspronkelijk een wilde maar goedhartige jongen, wordt hij
door Arkesteyn die hem vreest, geronseld voor Indië. Hij deserteert
en wordt een gevreesd zeeroover; de Roode Leeuw, de schrik der
Antillen! Dat hij wreed kon zijn bewijst zijn avontuur met Van
de Pauwert.
En deze boef wordt een der redders van zijn land, hij wil zijn
vaderland dienen en zijn goeden naam terugwinnen. Onder de namen
Maarten Harpens en Gerrit Plemp wordt hij spion, speelt de Franschen
bij 't bosch van Amerongen in handen van den Prins, weet Luxemburg
tegen te houden en krijgt de draden in handen van de samenzwering
van Zweder en Arkesteyn. Zijn vroeger rooversbedrijf komt hem goed
te pas, juist zijn onverschrokkenheid en slimheid maken hem tot een
ideaal spion.
[Hendrik van Arkesteyn.] Hendrik van Arkesteyn is de voorlooper
van 't gedegenereerd geslacht der 18e eeuw, echter nog niet geheel
verslapt, er zit nog ondernemingsgeest in. Maar toch is er al heel
wat achteruitgang merkbaar, als we vader en zoon vergelijken, vooral
op zedelijk gebied.
[Deugden van den roman.] Sinjeur Semeyns is goed als roman èn als
historisch werk. Uitstekend als roman door de juiste karakterteekening
en vooral door de karakterontwikkeling. We hebben hier niet eenvoudig
een opeenvolging van gebeurtenissen, zooals bij Van Lennep dikwijls
't geval is, maar alles vloeit logisch voort uit het karakter der
personen.
[Historische waarde.] Als historisch werk staat de roman heel hoog,
omdat een brok geschiedenis herleeft voor onze oogen: 't is of we
verplaatst worden in 1672. De toestand van land en volk is uitstekend
weergegeven.
1. Toestand van het platteland, de edelen en de boeren. We leven
een tijdlang te midden van deze personen, als de schrijver ons
verhaalt van den Slichtenhorst. We zien, hoe hóog zoo'n edelman
zich stelde, hoe weinig ontwikkeling hij bezat, hoe bitter slecht de
plattelandsbevolking er aan toe was.
2. Wrijving tusschen de edelen en de kooplui, tusschen Holland
en de oostelijke provinciën. Arkesteyn en Van Linden zijn de
vertegenwoordigers van deze beide kampende partijen.
3. De Hollandsche patriciërs, herlevende in Van Arkesteyn. Hunne
macht en beteekenis, hun overwicht op de andere provinciën, hunne
ontwikkeling en beschaving, hun rijkdom en weelde, en vooral hunne
politiek, hun verhouding tot den Prins.
4. Prins Willem, een der lievelingsfiguren van Schimmel. De minachting
waarmee hij door de machthebbers wordt behandeld, zijn harde leerschool
en ten slotte, het verheffen uit dien toestand. Dan de vastberadenheid
waarmee hij optreedt, de indruk dien dit maakt op anderen, op zijn
generaals b.v., die veel minder goed ingelicht blijken te zijn dan
hij, op den Engelschen gezant Buckingham, op den trotschen Arkesteyn,
die hem genade komt smeeken voor den gevallen zoon. Verder de slechte
lichamelijke toestand van den Prins, zijn ziekelijk uiterlijk, zijn
eeuwig kwellende hoofdpijn.
5. Het eigenlijke volk. De boeren op den Slichtenhorst, de bewoners
van Abkou, Jan Lampoot, de vroegere zeeman, en de burgerluitjes Geerte
en Jilles.
6. Toestand in 1672. Een leger bestond niet. Hoe de regenten een leger
bijeen trachtten te brengen, blijkt uit de handelingen van Arkesteyn,
die in Abkou een hoop bedelaars en dronkaards aanwerft. Duidelijk
worden ons ook de ontzettende moeilijkheden waarmee de Prins te
kampen had: alle vestingwerken zijn verwaarloosd, zoodat er niets
overblijft dan Utrecht prijs te geven en zich terug te trekken achter
de Hollandsche waterlinie; de tegenwerking der boeren, die telkens
't water aftappen en eindelijk 't verfoeilijk bedrijf van vele
patriciërs, die als Arkesteyn heulen met den vijand en tot elken
prijs vrede wenschen. We beseffen 't reuzenwerk van Willem III, die
onder zulke ongunstige omstandigheden den strijd met de overmachtige
Franschen moest aanbinden. Wij worden gebracht in zijn legerplaats,
zien het leger dat hij zelf heeft moeten scheppen en dat door zijn
strenge tucht tot een macht van beteekenis is geworden.
7. Hiertegenover de macht der Franschen, vooral uitkomende bij de
groote wapenschouwing te Zeist--het optreden van den "roi soleil",
die door iedereen als een godheid wordt aangebeden--de plunderwoede
der Fransche troepen en het lijden der Utrechtenaren, verdrukt als
ze worden door Luxembourg en Robert.
['t Bovennatuurlijke.] Merkwaardig is de groote rol, die 't
bovennatuurlijke, spookachtige en geheimzinnige in dezen roman
speelt. We wijzen hier in 't bijzonder op de heks, Hannekemeu.