[Ontstaan.] In de narede, die mejuffrouw Toussaint in 1840 schreef
om 't verschijnen van haar roman te verklaren, zegt ze o.a. het
volgende: "In het laatst van het jaar 1838 vroeg de heer Beijerinck
van mij een roman uit het eerste tijdperk der Hervorming in Holland,
en die bepaaldelijk voorstellen moest: den invloed der laatste op
het burgerlijk en huiselijk leven der Nederlanders." Deze woorden
zijn voor onze bespreking van veel beteekenis, omdat ze aangeven
wat het doel was, dat de schrijfster bij het voortbrengen van haar
werk voor oogen stond. We zullen nu trachten na te gaan op welke
wijze mej. Toussaint haar doel heeft trachten te bereiken en tevens
bespreken of haar pogingen geslaagd zijn.
[Motto.] Eerst willen we echter iets zeggen over 't motto van den
roman. Dit is genomen uit een der refereinen van Anna Bijns, een
referein, waarin de dichteres al de ellende opsomt die door Luthers
leer is te weeg gebracht. "De Prince der duvelen heeft Lutherum
beseten" zegt ze--"Noyt arger ketter en was ghevonden."
"Wij sien tcristen volc aen alle sijden
Vechten en strijden,
Malcanderen benijden,
En broederlycke liefde geheel vercouwen...."
Nog veel meer noemt ze, en als slot wordt telkens de conclusie
getrokken: "Dit comt meestal t'samen uut Luthers doctrijne." Deze
stokregel (laatste regel van een referein, waarin de bedoeling van
't geheel kort is samengevat), heeft mej. Toussaint tot motto voor
haar roman gekozen.
Ook uit het motto zou men dus de bedoeling van de schrijfster hebben
kunnen afleiden.
Op een merkwaardig verschil moeten we terloops even wijzen: Anna Bijns
geeft ons 't geen voorkomt uit Luthers leer zooals een tegenstander
van den Hervormer het zag, terwijl mej. Toussaint vooral wijst op
het vele goede dat zijn leer gebracht heeft.
[Doel en middelen.] Voornaamste middelen waardoor de schrijfster haar
doel--het schilderen van den invloed der Hervorming op het burgerlijk
en huiselijk leven--heeft trachten te bereiken.
1. Ze teekent ons een prediker van 't nieuwe evangelie, Paul van
Mansfeld, die feitelijk de hoofdpersoon van den geheelen roman wordt,
omdat van hem de machtigste invloed uitgaat. We zien op welke wijze
deze hervormer werkt; we leven geruimen tijd met hem mee; hooren hoe
hij de grondbeginselen der nieuwe leer voor verschillende personen
uiteenzet; bemerken hoe verbazend groot de invloed is welke hij
uitoefent op allen die met hem in aanraking komen.
Naast hem treden nog andere predikers op: Johan van Woerden
(Pistorius) en Johan Busscher, die geheel anders werken dan Paul. Dat
de schrijfster ons ook deze personen schildert, is goed gezien, omdat
we ons anders allicht een eenzijdige voorstelling zouden maken van de
hervormers uit dien tijd. Straks zal dit punt nader uitgewerkt worden.
2. De liefdesgeschiedenis tusschen Ottelijne en Aernout Bakelsze:
de schildering van hun groot geluk in den aanvang, dan hunne langzame
verwijdering door de Hervorming, een verwijdering die ten slotte een
niet te dempen kloof wordt, en eindelijk als schrijnend contrast
met het schitterende verlovingsfeest op Lauernesse, de weide bij
Kuilenburg, waar Aernout stervend zijn vroegere bruid vloekt.
3. De beteekenis van de hervorming voor de familie Bakelsze, een
gelukkig gezin, waarin de vrede door geloofstwisten geheel verstoord
wordt.
4. De invloed op ontwikkelde personen, zooals op den vicaris Boudewijn
van Heerde, en den bisschop Filips van Bourgondië.
5. Het schilderen van den toestand der Katholieke Kerk, de ontaarding
der monniken, de denkwijze der meer ontwikkelde hoogere geestelijken.
6. Daartegenover de Hervormden, hunne bijeenkomsten, de vervolgingen
waaraan ze blootstonden, enz.
Ieder van deze punten willen we thans meer uitvoerig toelichten.
[Paul van Mansfeld.] Hij is, zooals mej. Toussaint zelf zegt in
haar narede, geen historisch persoon, dus een voortbrengsel van
de fantasie der schrijfster, maar een zeer belangrijke figuur,
omdat hij een bepaald type vertegenwoordigt dat in verschillende
romans van mej. Toussaint terugkeert. Hij is het type van den waren
Christen, den drager van het Christendom zooals mej. Toussaint zich
dat voorstelde. Zijn Christendom is liefde, hij aanbidt "de liefelijke
stem der bergrede."
[Volgeling van Melanchton.] Hij is niet de volgeling van den
strijdbaren Luther, die neervelde wie zijn meening niet deelde, maar
een aanhanger van den milden, zachtmoedigen Melanchton, de "zonzijde
van Luther." Hij gebruikt niet gaarne Luthers vinnigen woordengeesel,
maar spreekt liever de zachtere taal van den oprichtenden
Melanchton. Hoe mej. Toussaint denkt over de beide hervormers,
blijkt vooral duidelijk uit de volgende aanhaling: "Melanchton was
de zonzijde van Luther, de liefelijke milde, die balsemde, waar de
Hervormer sloeg; de Timotheus van dezen Paulus; de zoele dauw, die
besprengde, wat de zaaijer had gezaaid; de welsprekende trooster,
die oprigtte, wat de boetprediker had neergedrukt; de lichtstraal,
die Luther verheerlijkte, die aan zijne ruwe vormen de zachte rondingen
gaf eener fijnere beschaving; die uitgestrekter kennis voegde bij meer
medelijden met onwetendheid; in ijver den meester gelijk, maar meer
naar wijziging strevende dan naar verwerping; die nog helderder zag
en met de blindheid van anderen meer verschooning had! Melanchton is
de Hervormer onder hare liefelijkste gestalte, het versierende klimop
rondom den stormtrotsenden eik."
Wat Paul betreft nog het volgende: "Tot innig vertrouwelijken omgang
met beiden toegelaten, had Paul's zacht gemoed zich als van zelf
naar den mildsten gevormd. Hij, nog door geenen strijd verbitterd,
door geen folterende persoonlijkheden tot bitsen tegenweer gedwongen,
begreep veel beter de leer der liefde van den jongen Geleerde, dan de
scherpe zinspreuken van den strengen tuchtheer! Voor beiden had hij
de geestdrift der vereering: alleen staarde hij met diep ontzag en
hoog opzien naar den Leeraar Luther, maar hij vleide zich vol innig
vertrouwen aan de borst van den jongeling Philip."
[Overeenkomst met Graswinckel en Gideon Florensz.] Dit
Melanchton-Christendom vinden we terug in verschillende hoofdpersonen
uit de romans van mej. Toussaint. We noemen een paar der meest
bekende: Graswinckel, die als Delftsche Wonderdokter afstand doet
van alle aardsche genoegens, om anderen te kunnen helpen, en door
zijn liefdevol hart een verbazingwekkenden invloed op anderen weet
uit te oefenen; en Gideon Florensz. Dit is geheel Paul van Mansfeld,
uiterlijk en innerlijk. Hij heeft hetzelfde liefdevolle, milde in
zijn karakter, ook het zwakke lichaam en tevens den sterken geest,
die steeds weet te zegevieren, ook als het broze omhulsel bijna den
dienst weigert. Hij weet de driften van den hartstochtelijken Leicester
te betoomen en dwingt zelfs zijn fanatieke mede-predikanten eerbied af.
[Tegenover Busscher.] Dat de schrijfster het dweepzieke drijven
in den godsdienst afkeurt, blijkt heel duidelijk uit het feit dat
Gideon Florensz, als hij tegenover de andere predikanten staat,
steeds de mooie rol speelt; doch ook in het huis Lauernesse is
dezelfde meening duidelijk merkbaar. Naast Paul staan nl. twee andere
Hervormers: Pistorius en Johan Busscher. Vooral de laatste is een echte
fanaticus, wat o. a. blijkt uit het gesprek dat tusschen Paul en hem
gevoerd wordt, als de eerste uit Vreeland bevrijd is en op Lauernesse
komt. Paul heeft beloofd in Utrecht niet meer te preeken en Busscher
noemt dit dadelijk: "lauwheid en slapheid om toe te geven aan den
wil van wie het licht tegenstaat." Gelukkig brak de tusschenkomst van
Ottelijne de redetwist af, die--zegt de schrijfster--"ongetwijfeld van
Busscher's zijde in eenen hevigen en bitteren strijd kon ontaard zijn."
Heel duidelijk komt de denkwijze van Busscher uit in hoofdstuk XXIX
waarin de hagepreek bij Everdingen wordt beschreven. Zijn rede is
geen uiteenzetting van de beginselen der nieuwe leer, het is niets
dan critiek op de leerstellingen der Katholieke Kerk, niet in 't
opbouwen, maar in 't afbreken ligt zijn kracht. Ook hier weer vinden
we Paul tegenover hem, Paul, die niet altijd met goedkeuring heeft
geluisterd naar de vurige improvisatie, waarin alles gebruikt werd,
"van den heiligsten naam tot het walgelijkste scheldwoord" toe en die
dan ook zegt tegen de vrienden, die in zijn nabijheid zijn: "Ik wil nog
eenmaal spreken--van zachtmoedigheid wil ik spreken en liefde; met eens
anders onreinheid te smaden, wordt het eigen hart niet gereinigd...."
Dat mej. Toussaint het goede waardeert dat de eerste vurige Hervormers
door hun afbreken hebben verricht, blijkt uit hetzelfde hoofdstuk,
als ze naar aanleiding van deze preek zegt: "Het was goed, dat hij
zoo sprak, men was nog in de dagen van het afbreken en de opbouw zou
later wel volgen; zoolang de kudde nog niet goed was afgezonderd,
kon men nog zoo weinig doen voor hare reiniging."
[Tegenover Pistorius.] Een derde Hervormer die in 't "Huis Lauernesse"
optreedt, Johan van Woerden of Pistorius, staat vrijwel tusschen Paul
en Busscher in. Hij is fanatiek, evenals Busscher, maar dit is bij
hem vooral een gevolg van den voortdurenden strijd dien hij heeft te
voeren met zijn lichaam, dat hem drijft tot wellust en dat hij alleen
door boetedoeningen en door onthoudingen kan bedwingen. Bovendien is er
één ding dat hem meer sympathiek maakt dan Busscher; de wijze, waarop
hij den marteldood ondergaat. Op dat oogenblik wordt het harde en
vinnige in zijn karakter verzacht en bidt hij zelfs voor zijn rechters.
Goed gezien van mej. Toussaint is het, dat ze juist vroegere priesters
schildert als heftige bestrijders der Katholieke Kerk en wel om de
volgende redenen.
a. Een bekeerde bewijst door zijn bekeering, dat hij een afschuw
heeft gekregen van zijn vroeger geloof en juist daarom zal hij een
strijder tegen dat geloof worden.
b. Paul kende de toestanden op aarde niet goed, hij is niet als de
anderen "door strijd verbitterd, noch door persoonlijke aanvallen
tot bitsen tegenweer geprikkeld"; hij kent niet de verdorvenheden
der Kerk, de vreeselijke misbruiken, zooals vroegere priesters die
kennen uit eigen ervaring.
Na deze besprekingen tusschen Paul en de beide andere predikers,
keeren we tot den eerste terug.
[Harmonie tusschen en lichaam en geest.] Zijn geheele verschijning
heeft iets teers, iets vrouwelijks. Hij is geen krachtig, sterk
gebouwd man, die alle vermoeienissen doorstaan kan, hij is nog
jong, bijna een knaap zelfs, en daarbij tenger gebouwd en van een
zwakke gezondheid. "Zijn gelaat heeft de uitdrukking van Johannes,
den lieftalligsten der discipelen, dien de Heer zelfs te zwak vond
om hem voor den marteldood te bestemmen." Tegen de vermoeienissen is
hij op den duur dan ook niet bestand, hij teert weg op Vreeland en
op reis naar Duitschland sterft hij.
[Peinzend en afgetrokken.] Een sterk sprekende karaktertrek, dien we
ook weer aantreffen bij Gideon Florensz, is Pauls neiging tot peinzen
en bespiegelen. Zoodra hij maar even aan zich zelf wordt overgelaten,
is hij dadelijk in gedachten verzonken: reeds in zijn gesprek met
Enriquez is hij al erg afgetrokken, later bij het gastmaal is hij zoo
zeer bezig met eigen gedachten, dat hij niets merkt van 't gewoel,
dat langzamerhand ontstaan is.
[Sterke geest.] Merkwaardig is, dat in dit tengere, zwakke lichaam een
zóo krachtige geest woont. Hij, de nietige jongen, wordt de beroemdste
Hervormer in geheel Holland en Utrecht: de "gezegende Mansfelder"
wordt verre boven alle andere predikers gesteld. En dan zijn moed, de
onverschrokkenheid, waarmee hij uitkomt voor zijn overtuiging. Nooit
verbergt hij zijn meening, steeds is hij de Hervormer, ook al komt
hij daardoor in moeilijke omstandigheden. Hij is wèl de zoon van
Karel Van Gelder, van wien hij "de dolverwatene koenheid van geest"
had geërfd. Van zijn moeder viel hem "ten deel de deerlijke weekheid
van lijf en hart." Enkele voorbeelden, waaruit blijkt, dat Paul steeds
uitkomt voor zijn geloof.
a. de ontmoeting met de dobbelende monniken in de herberg;
b. de samenspraak met Enriquez;
c. op het verlovingsfeest te Lauernesse.
En 't mooie in Pauls optreden is, dat het nooit ontaardt in
hoogmoedigheid, nooit uitdagend en stuitend wordt, zooals bij vele
anderen het geval is, die steeds willen "getuigen." Bij hem is 't
altijd natuurlijk. Vandaar ook de ongewone bekoring die uitgaat van
Paul, men moet naar hem luisteren zoodra hij spreekt; hij heeft iets
liefelijks in stem en taal, iets bovenaards, dat doet denken aan
Christus-zelf. Zijn invloed is dan ook verbazend groot en werkt op
bijna allen in den roman. We geven hier enkele aanwijzingen, die de
lezer gemakkelijk kan uitwerken.
[Invloed op anderen.] Invloed van Paul op:
1. het meisje in de herberg (Stijntje);
2. Enriquez;
3. de bruiloftsgasten;
4. Ottelijne;
5. den Vicaris en den Bisschop;
6. de familie Bakelsze;
7. de toehoorders bij zijn preeken (te Woerden b.v.);
8. den woesten Karel van Gelder, die de ketters wou "sniden ende
villen";
9. Aernoud Bakelsze, die overtuigd wordt "door de roerende
oprechtheid, die uit des jongelings trekken sprak."
[Ottelijne.] Zij is als 't ware de tweelingzuster van Paul, in haar
vinden we datzelfde zachtmoedige en teedere terug, dat hem steeds
kenmerkt. Geen wonder dat ze zoo spoedig zijne volgelinge wordt. Op
Paul heeft ze echter vóor 't sterkere lichaam, dat haar in staat
stelt het leed beter te dragen dan hij. Immers hare beproevingen zijn
niet minder zwaar dan de zijne, getuige hare verhouding tot Aernoud,
de behandeling die ze van donna Teresia moet ondervinden, getuige
eindelijk de weide bij Everdingen, waar de krankzinnige Aernoud in
hare armen sterft, en 't hof te Arnhem, waar ze Paul in de laatste
ure bijstaat--en toch, ze gaat niet onder, maar komt behouden aan
in Duitschland, leeft nog vele jaren in Wittenberg en smaakt zelfs
't geluk Luther te mogen aanschouwen.
[Opvoeding.] Nu hoe ze komt tot de Hervorming. Zooals we opmerkten,
is hierbij haar karakter van groote beteekenis, maar toch is 't vooral
de opvoeding geweest die hare levensrichting bepaalde. Haar vader,
"een veelwetend Geleerde, die elke kennis en elke wetenschap van
zijnen tijd onder zijn bereik had", gaf haar een opvoeding zooals
slechts zelden aan een meisje uit dien tijd te beurt viel. Zijn streven
was vooral haar een helder inzicht in de dingen te doen verkrijgen,
opdat ze later een zelfstandig oordeel zou kunnen uitspreken. "Zoodra
haar lief hoofdje twee denkbeelden vatten konde en verbinden, zorgde
de vader er voor, dat het heldere en juiste waren, dat de kennis
het bijgeloof afweerde en dat de wijsbegeerte tegen vooroordeelen
wapende." Zij is dus een dochter van de Renaissance en 't Humanisme,
zooals ten overvloede later blijkt uit haar omgang met jonge geleerden,
die de Scholastieke wijsbegeerte aanvallen en de groote meesters der
Italiaansche letteren, Dante en Boccaccio, bewonderen. Hier geeft
mejuffrouw Toussaint aan, dat Humanisme leidt tot vrij onderzoek en
dus tot Hervorming. Daarom zegt de Dominikaner-monnik streng tot den
heer van Viterbo, als deze uitroept: "Christus! mijn God! en ik was
vrij burger van Utrecht! Voor priesters heb ik geknield! monnikenslaaf
kan ik níet zijn!"--"met het woord vrijheid begint de ketterij!"
[Invloed van het humanisme.] Ook bij anderen voert het Humanisme
tot de Hervorming, b.v. bij den Vicaris en den Bisschop, die beiden
ontwikkelde mannen zijn, wier lievelingsbezigheid is studie der
klassieke schrijvers. Merkwaardig is dat ze, in 't bizonder de
bisschop, de kracht der Hervorming niet beseffen. "Het is zooveel
schade niet, dat de Utrechtenaars ook eens hooren, wat men in
Duitschland denkt, en de monniken en geestelijken zullen wat beter
toezien op zich zelve, als ze weten, dat het volk de oogen opent,"
zegt bisschop Filips: voor hem is dus de beweging niet een strooming
in geheel nieuwe richting, maar eenvoudig een hervorming en zuivering
in de kerk zelve.
Ottelijne zou volgens de schrijfster dus vanzelf tot de Hervorming
gebracht zijn, vooral omdat ze na den dood van haar vader met den
wijsgeerigen de Volder (Gnapheus) in aanraking kwam en met dezen over
verschillende godsdienstige vraagstukken sprak, als niet door hare
kennismaking met Aernoud al deze betrekkingen waren afgebroken. Thans
wordt het tevens duidelijk, dat Paul in de jonkvrouw van Lauernesse
weldra een ijverige volgelinge mòest vinden.
[Aernoud.] Aernoud Bakelsze, de strijder voor 't Katholicisme, is in
vele opzichten de tegenvoeter van Paul en Ottelijne.
[Wilskracht.] Zijn meest sprekende karaktertrek is de wilskracht. Hij
is uit eenvoudige, hoewel bemiddelde ouders geboren, maar weet zich
door zijn energie omhoog te werken. Uit al zijn handelingen blijkt
die taaie, onbuigbare wil. "Het noodlot zou deze gestalte kunnen
verbrijzelen, maar niet doen buigen."
Dan zijn streng zedelijke levenswandel, zoodat hij, vooral ook
door zijne buitengewone lichamelijke eigenschappen, de trots der
Utrechtsche burgers werd. Bij de schuttersfeesten werd hij zelfs tot
koning gekroond en ontving den prijs uit de handen van Ottelijne,
de schoone nicht van den bisschop.
[Eerzucht.] De ondeugd die hem ten val brengt, is zijn eerzucht. Reeds
als student te Leuven hinderde het hem, dat de jongelieden uit den
hoogsten stand hem vermeden, en voelende wat hij kòn, besloot hij
door eigen kracht zich toegang tot die kringen te verschaffen. Maar
een vleier worden lag niet in zijn aard, juist de eerzucht maakte
hem stroef en stug, hij vreesde dat de minste toeschietelijkheid als
vleierij zou kunnen beschouwd worden.
[Zijn geloof.] Merkwaardig is de groote invloed die deze eerzucht heeft
op zijn geloof. Voor wereldsche personen wil hij niet. buigen, wèl voor
de geestelijkheid. Zij immers is de vertegenwoordiger der godheid,
voor háár te buigen is geen schande. Vandaar zijn aansluiting bij de
Kerk en deze, niet ondankbaar jegens hare vereerders, beloont zijn
trouw en steunt hem. Kerk en Staat zijn éen volgens de voorstelling
van Rome. Valt de Kerk, dan ook de Staat, en tegelijkertijd zullen alle
vooruitzichten op bevordering en roem verdwijnen voor Aernoud. Iedereen
die de Kerk aanvalt, is dus zijn natuurlijke vijand: hij stèunt op
de Kerk. Vandaar zijn heftige strijd tegen de Lutheranen, vandaar
zijn meest kenmerkende eigenschap: de onverdraagzaamheid. Hij mòet
onverdraagzaam zijn, van de nieuwe denkbeelden wil hij niets weten,
van onderzoek is geen sprake--bij voorbaat is alles verworpen! Vandaar
ook de onvruchtbare pogingen van Ottelijne en van zijne familieleden
om hem zachter te stemmen.
[Steun der Kerk.] De kerk helpt en steunt hem: ze ziet in Aernoud
een geschikt werktuig--de heer van Viterbo dankt zijne bevordering
niet in de eerste plaats aan eigen kracht, aan zijn mòed, maar aan
den invloed der Dominikaner-monniken. Merkwaardig is het, dat hij,
de trotsche man die zoo fier is op eigen kracht, die voor niemand
wil bukken, die meent alles zèlf te hebben verworven, het hoofd moet
buigen, deemoedig als een kind, voor een eenvoudigen monnik, die hem
toont dat hij niets is dan een werktuig in de handen der Dominikanen.
[Verhouding tot Ottelijne.] Op het schuttersfeest waar Ottelijne
hem den prijs reikte, hebben ze elkaar voor 't eerst gezien; zij
wordt getroffen door den ernstigen man, die zoo verre uitblinkt
boven allen, hij is betooverd door de lieftalligheid der schoone
jonkvrouw. Maar eigenaardig, kenmerkend voor hem, is zijne houding:
hij wil zijn liefde niet bekennen, omdat zij zooverre in stand boven
hem verheven is: hij wil niet vooruitkomen door zijne vrouw, hij wil
zèlf zijne positie veroveren. Eerst als Ottelijne hèm bijna vraagt,
overwint z'n liefde zijn hoogmoed.
[Hoogmoed.] Zijn hoogmoed bepaalt ook zijn verder leven: hij wordt
hopman in dienst van den graaf, dat is de meest passende betrekking
voor den aanstaanden heer van Lauernesse. Zoo brengt de fiere burger
zijn vrijheid ten offer aan zijn hoogmoed. En ook later, want als
inquisiteur moet hij de plakkaten uitvoeren die strijden tegen de
privilegiën van zijn vaderstad!
[De liefde voor Ottelijne blijft.] De liefde tusschen Ottelijne en
Aernoud is waar en diep, wel worden ze later gescheiden, maar de liefde
blijft. Als Bakelsze in Nederland terugkeert als heer van Viterbo,
is die liefde bij hem eer gegroeid dan verminderd: in 't klooster te
Utrecht vraagt hij Ottelijne tot vrouw, zonder 't zoo nauw met het
geloof te nemen. En om 't gelòof had hij haar gevloekt!
[Invloed der Hervorming.] En nu de invloed van de Hervorming: deze
beide personen, die elkaar zielslief hebben, moeten afstand van elkaar
doen door 't geloof, dat ten slotte sterker blijkt dan de liefde. Zij
voelen de waarheid van 't Bijbelwoord: "Wie vader en moeder liefheeft
boven Mij, is mijns niet waardig!" Beiden lijden ze, beiden worden
ze martelaren. Ottelijne verliest alles: haar verloofde, haar naam,
hare bezittingen, niets dan 't geloof behoudt ze. Aernoud wordt
niet minder getroffen: ook hij verliest alles: zijn verloofde, zijn
broeder en zuster--bijna wordt hij zelfs een broedermoordenaar!--hij
wordt gevloekt door zijn moeder, en moet ten slotte als inquisiteur
zelfs zijn eigen bloedverwanten laten vallen. Ten slotte wordt het
leed hem te sterk en grijpt de waanzin hem aan.
Aernoud is de martelaar voor 't Katholicisme. (Vergelijk wat de
schrijfster zegt van 't slot van hoofdstuk XXIX).
[Familie Bakelsze.] Deze familie wordt ons voorgesteld als een
gelukkige, eensgezinde familie vóor de Hervorming, uiteengerukt en
verdeeld door die beweging.
Wel groot is de invloed van den godsdienst!
Aernoud gaat in Spaanschen dienst, wordt heer van Viterbo en
inquisiteur; Johanna, zijne tweelingzuster, die geheel dezelfde
karaktertrekken heeft als hij, die zijn vertrouwde was, wordt de vrouw
van een afvalligen priester, een Hervormden martelaar! De zuster den
broeder verlof vragende om de laatste oogenblikken bij haar man te
mogen doorbrengen!
Hugo, de schilder, wordt eerst Hervormd, maar keert later terug in
den schoot der Moederkerk omdat zijn kunstenaarsgevoel daar meer
bevrediging voelt.
Aafke huwt den overtuigden Protestant Laurens, maar uit haar eigen
huisgezin verdrijft het geloof de rust.
Moeder Bakelsze eindelijk, de degelijke huismoeder, die zoo mild was
voor armen en ongelukkigen, zoo braaf en rein in levenswandel--zij
heeft niet eens een rustig sterfbed. Wèl mag hier gezegd worden:
"Dat compt al tsamen uyt Luthers doctrijne!"
[Vicaris en Bisschop.] Invloed van de Hervorming op ontwikkelde
personen met name op den Vicaris en op den Bisschop.
Reeds vroeger is terloops op dien invloed gewezen en ook op 't
feit, dat geen hunner de Hervorming vijandig gezind is. Beiden zijn
Humanisten, beiden zijn voor 't vrije onderzoek, maar scheuring willen
ze niet. Filips begrijpt het grootsche van de nieuwe strooming niet,
zooals boven reeds is aangetoond, maar de Vicaris ziet beter het
onweerstaanbare der Hervorming in. Daarom wil hij ook Paul niet
toelaten bij 't sterfbed van den Bisschop, hij voelt hoe gevaarlijk
dit voor 't Katholieke geloof zou zijn. Uitstekend wordt hij getypeerd
in de volgende aanhaling: "De Vicaris Boudewijn was een edel mensch,
een man van een helder verstand, en onbevooroordeeld genoeg, om veel
goeds te zien, waar anderen niets zagen dan dwaling of boos opzet,
maar hij was tegelijk Katholiek Priester: dáárom was het hem zoo eene
grieve, dat men Luther tot het uiterste gedreven had; dat Luther
zooveel verder gegaan was dan al de anderen, die Kerkhervorming
wenschten. Kerkhervorming, ja! maar geene verandering der Kerkwet;
zuivering maar geene scheuring, geen omstooten der bestaande gebruiken,
omdat zij misbruiken geworden waren, voor nieuwe instellingen die ook
misbruiken konden worden." Door de omstandigheden wordt hij steeds
verder van de Kerk verwijderd, hij, bijna de eenige hoogstaande onder
hare zonen, wordt miskend, zooals Paul het uitdrukt: "ontrouw genoemd
te midden der vasthoudendste trouw." Hoe weinig vertrouwen de Vicaris
zelf meer stelt in de toekomst der Kerk, blijkt uit het antwoord
dat hij bij deze gelegenheid geeft aan Paul, als die hem aanspoort
over te gaan tot de Hervorming: "Gij kunt gelijk hebben. Ik wil
het toegeven. Zij verzaakt mij, of zal mij verzaken, nu ik ellendig
ben." Maar toch wil hij, en dit getuigt vóor hem, de "moeder" niet
verlaten, juist òmdat ze oud en zwak geworden is. "Rome te verlaten,
zoo als Luther het deed, was de daad van een roekelooze, maar toch
de daad van een held. Rome te verlaten, zooals ik het zoude doen,
is de daad van den verrader, van den lafhartige!"--Boudewijn van
Heerde blijft tot het laatst toe een hoogstaand karakter, maar een
ècht Katholiek is hij niet meer.
[Toestand van het Katholicisme.] Volgens de schildering door mejuffrouw
Toussaint in 't "huis Lauernesse" gegeven, mòest de Hervorming komen:
de Katholieke Kerk was voos en geen grooter vijanden had ze, dan
juist haar eigen dienaren, in 't bizonder de monniken. We geven hier
enkele bewijzen:
a. de monniken, die 's morgens in de herberg zitten te drinken en
te dobbelen, zoodat de dochter van den waard niet na kan laten te
zeggen: "Dat zijn de lieden, om wier luiheid te voeden wij groote
lasten dragen."
b. de biechtvader op 't Huis Lauernesse, die op 't verlovingsfeest
"ingesluimerd is van zatheid, nadat hij gedronken heeft als een
calenderbroeder." De burgers en edelen, die daar vereenigd zijn,
spreken met minachting over de onwaardige geestelijkheid. "Ik weet
er geen, die schuchter is voor frissche vrijsterwangen, of bang
voor een rooden neus." "Daar zijn geen betere drinkers dan zij." "De
burgers hadden voortaan behoefte aan iets hoogers en bovenzinnelijks,
die hunne grof onwetende monniken niet wisten te voldoen, en die de
schranderen en handigen met listigen baatzucht niet willens waren
te bevredigen. Ze zagen de Geestelijkheid hun voordeel doen met de
fabel Christus (zooals Leo X had gezegd), met zooveel vermetelheid,
met zoo weinig schaamte, en met zooveel losbandigen spot, als ware
het werkelijk een fabel geweest."
c. Zelfs hooge geestelijken blijken weinig eerbied voor de Kerk te
hebben. Bisschop Filips zegt: "Ik heb Rome gezien" en juist daardoor
beseft hij dat er veel ketterij moet zijn. Een hoogstaand man als
Boudewijn van Heerde gruwt van de domme, onwetende en zedelooze
monniken en voegt hun toe: "Gijlieden zoudt werkelijk wèl doen,
een kleed af te leggen, dat gij zoo weinig eert."
Aan den kant der Katholieken dus: tal van misbruiken, onderlinge
verdeeldheid en bij de beste onder hen zelfs geen geloof aan 't goed
recht van hunne zaak.
[Idealisme der Hervorming.] Tegenover dat vooze, zinkende Katholicisme,
stelt de schrijfster de frissche kracht en 't idealisme der Hervorming:
deze beweging moest overwinnen. Waar de verdediging zoo lauw was,
waar telkens geheele rijen overliepen, terwijl de aanvaller vol
geestdrift was, kon de uitslag niet twijfelachtig zijn. Paul,
Ottelijne, Pistorius, Busscher en Johanna Bakelsze zijn figuren,
die mòesten slagen. Vooral van belang is een figuur als Laurensz,
de ernstige, wilskrachtige Amsterdammer, de vertegenwoordiger van de
kern van 't Nederlandsche volk. Dan wordt ons levendig geschilderd,
hoe gretig het volk luisterde naar de predikers, naar Paul op
Lauernesse, naar Pistorius in Woerden, naar Busscher gedurende de
hagepreek te Everdingen. Eindelijk de heldenmoed der martelaren,
die een onuitwischbaren indruk moest maken op 't volk. (Zie vooral
hoofdstuk XXVII: de eerste martelaar der Hervorming).
[Verdeeldheid onder de Hervormers.] Tot slot willen we nog wijzen op
één verschijnsel: ook de Hervorming droeg reeds in zich de kiemen
van twist en verdeeldheid: Paul en Busscher vertegenwoordigen twee
stroomingen in de nieuwe leer--Busscher is voorlooper der felle
predikanten uit de 16e en 17e eeuw, de vijanden van Barnevelt en
Vondel!