[Potgieters doel.] Potgieter had zijn vaderland lief, hij hield van
het Nederlandsche volk, en zijn geheele leven is één strijd geweest om
dat volk wakker te schudden, om de sluimerende krachten te wekken,
opdat Nederland opnieuw een eervolle plaats mocht innemen in de
rij der natiën. De nieuwjaarswensch voor 1842 is één van deze vele
pogingen. En Nederland had behoefte aan een opwekking: het jaar 1841
was in vele opzichten niet bemoedigend geweest. Jan zegt het ons zelf,
in zijn antwoord aan Jannetje: "Als ik mijne koetjes niet vroeger op
het drooge had gebragt, het zou me zwaar zijn gevallen ze in Een en
Veertig uit het water te halen." Juist òmdat de stemming niet opgewekt
was, meent Potgieter zijn landgenooten een hart onder den riem te
moeten steken: de toestand is niet zoo erg, verbetering is heel best
mogelijk, als allen den geest van sufheid en lauwheid afschudden,
als ieder maar met energie aan den arbeid gaat. De oudejaarsavond
is de meest geschikte tijd om hierover te spreken, dan slaat ieder
onwillekeurig een blik achter zich, men denkt na over 't afgeloopen
jaar, men spreekt in intiemen kring over al 't gebeurde en vooral:
men keert even in tot zich zelf--de oudejaarsavond is het oogenblik
van zelfcritiek. Dat is het wat de schrijver wenscht: nadenken over
't vervlogene, den lezer doen beseffen, dat niet iedereen heeft
gegeven wat hij kòn, en dan ten slotte het besluit van allen om den
Jan-Salie-geest af te schudden en samen te werken tot heil van 't land.
Voor deze opwekking heeft Potgieter den allegorie-vorm gekozen; hij
stelt ons Nederland voor als een echt ouderwetsch gezin: Jan, Jannetje
en hunne kinderen. Het eigenaardige is, dat men het allegorische
dadelijk voelt, dus weet dat hier een algemeen onderwerp behandeld
wordt, en toch verplaatst men zich onwillekeurig, door den schrijver
geleid, telkens in een bepaald gezin, waar men de besproken handelingen
ziet gebeuren.
Nadere bespreking van de leden van dit gezin.
[Jan.] Jan is de echte Hollander, doch niet alleen zooals Potgieter
die thans zou wenschen, maar ook zooals hij in den loop der tijden
geworden is: de historische Hollander dus. Dat de schrijver het zóó
wenscht opgevat te zien, blijkt duidelijk uit het stuk zelf.
Tot zelfs in kleinigheden is Jan de typische Hollander, hij rookt
een Gouwenaar en stopt zijn pijp met een pruik!
Jan is zoo langzamerhand zichzelf wel bewust geworden wat hij waard
is, hij drinkt dan ook een boordevolletje op eigen welzijn.
Het portret van den heer des huizes kan echter voorloopig nog
niet geheel voltooid worden: zijn zonen namelijk vertegenwoordigen
verschillende van zijne eigenschappen en die jongens worden eerst
later aan ons voorgesteld. De teekening van Jan is dus onvolledig.
[Jannetje.] Jannetje is de typisch-Hollandsche huisvrouw: Potgieter
zegt, dat om haar portret te kunnen leveren, de gaven van Rembrandt
aan die van Rubens gepaard moeten zijn: "Immers, met het gloeiend
koloriet, louter door de tot overdaad weelderige vormen van den
Vlaamschen meester, treft men Jannetje niet. Als ze gelijkend zal
worden voorgesteld, mag de nadenkende ernst van den hollandschen
schilder bij uitnemendheid, mag de rustige zielskracht, waardoor zijne
beelden de duisternis om hem heen verlichten, er niet aan ontbreken."
Nu hare eigenschappen: ze is degelijk, spaarzaam, zindelijk, vroom,
vol medelijden voor de armen en tegen de wuftheid die uit den vreemde
in ons land is overgebracht. Eén eigenschap waardeeren we bizonder
in Jannetje: ze is de steun voor haar man geweest: "zij heeft hem
het huis helpen bouwen."
Haar zwakheden heeft ze als iedereen: we wijzen op een enkele, een
overdrijving van een goede eigenschap: de moederliefde. Ze houdt
nl. zelfs van haar onwaardigen zoon, die de geheele atmosfeer in huis
bederft, van Jan Salie.
[Janmaat.] Janmaat is de oudste zoon: de zeeman. De oudste! de zee
immers heeft Nederland groot gemaakt: wat zou de plaats van ons land
in de 17e eeuw geweest zijn, als Janmaat niet had geholpen. Potgieter
zelf idealiseert die zucht naar de zee, men denke aan de bekende
bladzij in dit stuk, waar hij den jongen teekent wiens hart trekt
naar den Oceaan. Soms is Janmaat meer speciaal de vertegenwoordiger
van de Nederlandsche marine.
[Jan Contant en Jan Crediet.] Jan Contant en Jan Crediet zijn
de vertegenwoordigers van den Nederlandschen handel. De eerste
"richtte het huis van negotie op, dat Jan Crediet uitbreidde." Hoe
hoog de schrijver den koopman stelde, blijkt uit de schitterende
toespraak die hij Jan laat houden over de eigenschappen van een waren
koopman. Potgieter zelf was ook "maar een koopman!"
[Jan Compagnie.] Jan Compagnie is de vroolijkste van alle zonen: de
Nederlander die zijn fortuin zoekt in de koloniën. Ook hij is een van
Potgieters lievelingen: men leze in de Liedekens van Bontekoe hoe de
dichter hem voorstelt. In de uitgave met platen staat zijn portret:
een forsch gebouwd man met zwarten haardos en gebruind gelaat.
In "Jan en Jannetje" vinden we deze zelfde teekening terug.
[Jan Cordaat.] Jan Cordaat is de krijgsman, die gestreden heeft
onder de beroemde Oranjevorsten en die nog in 1830 heeft getoond
wat hij kon. Toch wordt de Nederlandsche soldaat niet hoog gesteld
door 't volk, wat Potgieter toeschrijft aan het feit dat tijdens de
Republiek ons leger bestond uit huurlingen, vaak het uitschot van
alle volken. Er was geen volksleger.
[Jan de Poëet.] Jan de Poëet is de dichter. Hij heeft Jan Cordaat
zoo dikwijls bezongen en verdedigt hem nu ook tegen de anderen;
hij is dat verplicht aan zijn groote voorgangers, die de heldendaden
der Nederlandsche oorlogsmannen zoo vaak bezongen hebben. (Over de
aanhalingen straks meer!)
[Jan Klaassen.] Nog enkele andere kinderen treden op: Jan Klaassen,
de vertegenwoordiger van het goedronde Hollandsche blijspel, waarvoor
velen later den neus optrokken, maar dat in de 17e eeuw toejuiching
ondervond tot zelfs in de hoogste kringen. Immers de hoveling Huygens
dichtte er zelf een: Trijntje Cornelisz!
[Jan Kritiek.] Verder Jan Kritiek, die steeds op wacht staat en er voor
zal zorgen dat iedereen getuchtigd zal worden, die den Jan-Salie-geest
gaat koesteren. In 't stuk zien we Jan Kritiek maar even optreden,
maar in werkelijkheid speelt hij de hoofdrol; de onverbiddelijke
criticus is de Gids-richting, is Potgieter zelf. En is de geheele
nieuwjaarswensch niet het werk van Jan Kritiek?
Ook minderwaardige kinderen heeft de degelijke huisvader: zitten niet
in den hoek van 't vertrek de Jantjes Goddome en de Jannen Kalebas te
klinken, dat hooren en zien vergaat? Het zijn volgens den schrijver
zelf ploerten, waar Jan echter soms nogal mee op heeft.
Eindelijk de armen, de proletariërs: Jan Hagel, Jan Rap en zijn
maat. In de dagen der Republiek zijn die arme stakkers treurig
behandeld, 't scheen wel of men toen meende, dat "geeselen en
genezen éen en 't zelfde was." Gelukkig begint Jan nu te begrijpen,
dat verlichting der massa veredeling brengt.
[Jan Salie.] En nu komt het zonderlinge in deze huishouding. Hoe is
't mogelijk dat het in dit gezin, waar een uitnemende vader en een
degelijke moeder aan 't hoofd staan, waar zooveel ferme kinderen zijn,
toch niet goed gaat? Hoe is 't mogelijk, dat iedereen klaagt over
achteruitgang? Potgieter antwoordt: door invloed van den jongsten
zoon, van Jan Salie, den "patroon der slaapmutsen, aller soepjurken,
aller sloffen ten onzent."
Jan Salie is de verpersoonlijking van de sufheid, van 't gemis
aan energie, waardoor Nederland langzaam achteruit was gegaan op
geestelijk en maatschappelijk gebied. Allen waren door dien Jan
Salie-geest aangetast, van daar de algemeene malaise. Al de zonen
van Jan klagen: "alweer een jaar, dat ik als landkrab sleet," zucht
Janmaat--die vent "lag me van Doggersbank af aan boord," voegt
hij er later bij. Jan Contant en Jan Crediet klagen niet zoo erg,
op het punt van geldzaken zijn de Nederlanders gewoonlijk niet heel
suf. Wel heeft de Jan-Saliegeest de Nederlanders er toe gebracht geen
geld meer te steken in degelijke, moeitevolle ondernemingen, doch
te trachten door allerlei speculaties gemakkelijk rijk te worden,
maar thans "heeft Jan Salie voor goed zijn afscheid van ons", zegt
Jan Crediet ten slotte, een bewijs, dat Potgieter weer vertrouwen
had in den Nederlandschen koopman.
Ook Jan Compagnie kan Jan Salie niet gebruiken; zou hij op Java anders
de man geworden zijn die hij is?
Jan Cordaat is er erger aan toe: "van den Utrechtschen Vrede af,
totdat hij met Napoleon van de Bidassoa naar de Berezine zwerven moest,
was hij aan den Jan Salie-geest ten prooi." Gelukkig is er later weer
een betere geest in den wakkeren soldaat gevaren, getuige Waterloo,
Hasselt en Leuven.
Maar slecht staat het met Jan de Poëet, die door den "patroon aller
slaapmutsen tot Jan de Rijmer is geworden." Uit hetgeen Potgieter
hieromtrent zegt, blijkt duidelijk hoe hij over de verschillende
dichters denkt. Vondel en Hooft zijn de groote mannen uit de 17e eeuw,
die van Jan Salie niets moesten hebben; Hooft "in wiens torentje
allerlei nymphen stoeiden," maar vooral Vondel, die "het leven van
den Volke leefde," wiens oogen bliksemden als iemand zijn geliefd
Nederland en vooral zijn geliefd Amsterdam bedreigde, die alle groote
daden uit den heldentijd heeft bezongen: Vondel en Jan Salie!
Cats echter hield van 't stille, huiselijke, bescheidene jongsken;
hij maakte er versjes zonder tal voor." Hier komt duidelijk uit,
hoe Potgieter Cats als dichter beschouwt; we vinden precies hetzelfde
terug in zijn "Rijksmuseum".
De echte Jan Salie-geest was er in de 18e eeuw, toen de mannen der
dichtgenootschappen zelfs geen oor hadden voor een dichter als Van
Haren. Bilderdijk schudde de geesten weer wakker, maar langzamerhand
kwam in 't begin van de 19e eeuw weer de geest van tevredene sufheid
over de Nederlandsche poëten; gelukkig dat thans Jan Kritiek, de
Gidsrichting, klaar staat, om iedereen die 't voor Jan Salie opneemt,
eens goed onderhanden te nemen.
Uit het bovenstaaande blijkt, hoe alles was doortrokken van dien
geest van "lamzaligheid"--Vader Jan heeft zitten nadenken, toen al
die ellende verteld werd, hij begrijpt dat het zoo niet langer gaat:
er moet een flink besluit genomen worden. En er is maar éen middel:
Jan Salie moet weg. Jan Compagnie beurt zijn vader op: éen slechte
vrucht onder honderd, wat zou dat? Zijn de oudere jongens geen ferme
kerels? Er ligt een schoone toekomst open voor 't geheele gezin, als
iedereen maar aanpakt. Nu vermant de vader zich, hij neemt het eenig
goede besluit dat genomen kán worden: Jan Salie bederft iedereen,
hij wordt uitgestooten, hij zal geplaatst worden in een hofje,
de eenige plaats die voor hem geschikt is. Daar hoort hij, bij de
besjes; daar kan hij met de oude mummelende vrouwtjes gezellig een
kopje slemp drinken. Jan schaamt zich over zijn zoon. Dat moet ook
het geneesmiddel zijn voor de Nederlanders: ze kunnen opnieuw een
deel van hun ouden roem verwerven, als ze maar éen ding doen: den
Jan Salie-geest afschudden. Dan komt alles wel weer in orde.
[Potgieters ideeën.] Ten slotte willen we nog even nagaan, welke de
voornaamste denkbeelden van Potgieter zijn geweest, voor zoover we
deze uit "Jan en Jannetje" kunnen afleiden. Hiermede vergelijke men
't geen over Potgieter als criticus is gezegd.
1. Het groote doel van den schrijver: verheffing van het Nederlandsche
volk, het ideaal waaraan Potgieter zijn leven lang heeft gewerkt. Dat
doel blijkt zoo duidelijk uit het geheele behandelde stuk, dat er
niet nader over gesproken behoeft te worden. We brengen alleen in
herinnering een citaat van Huygens door Potgieter hier aangehaald:
"Ick spaer de roede niet, ik heb het volk te lief."
2. De 17e eeuw is het ideaal van den schrijver: toen was Nederland
groot, het is de bloeitijd van Janmaat, Jan Crediet, Jan Contant, Jan
Compagnie, Jan Cordaat en vooral voor Jan de Poëet. Dit vinden we in
de meeste werken van Potgieter terug, men leze b.v. nog eens na, wat
de schrijver zegt in zijn Rijksmuseum over "Hollands roemrijkste eeuw."
3. Nederland is burgerlijk, de bùrgers hebben 't land groot gemaakt,
de kòoplui, niet de edelen, zooals in vele andere streken wel het
geval is.
4. Tegen 't chauvinisme is ook hier Potgieter: Jan kan langzamerhand
tegen het ophemelen, hij weet, dat de lof wegwalmt als de lamp en
niets achterlaat.
5. Zijn meening over de verschillende letterkundigen is zooeven
besproken: we wijzen echter nog op de vele citaten die Potgieter
aanhaalt, meestal van zijn lievelingsschrijvers. Ze bewijzen hoe goed
hij zijn dichters kende, hoe juist hij hunne verzen te pas wist te
brengen. De meeste aanhalingen zijn van Vondel, Hooft en Huygens,
de vertegenwoordigers van onzen glorietijd.
[Potgieters liberale beginselen.] Uit het geheele werk blijkt,
dat Potgieter is een man van vooruitgang, een liberaal. Hij
wil ontwikkeling van het geheele volk, zooals duidelijk blijkt
als over Jan Hagel en Jan Rap en zijn Maat gesproken wordt: "het
pleit voor Jans vaderingewanden, dat hij hunne kinderen op school
neemt." Datzelfde vinden we terug in den tijdzang "Aan Twente,"
waarin Potgieter er telkens bij de fabrikanten op aandringt, dat
ze toch hunne arbeiders menschelijk moeten behandelen, en vooral,
dat ze de kinderen der werklui moeten ontwikkelen. Dat is 't eenige
middel om voor die verwaarloosden "een leidstar op hun zee" te doen
verrijzen. We geven hier enkele regels:
"Er woelt op 't lommerlooze plein
Een gansche wereld in het klein.
Geeft schaduw, geeft iets beters.... scholen;
Gij aarzelt niet, speelt ge eens maar mêe:
Hoe ver zou drift bij drift doen dolen,
Verrees geen leidstar op hun zee."
Ook omtrent de zooeven genoemde liberale beginselen van Potgieter
blijkt iets uit ditzelfde gedicht: hij is een vereerder van
Thorbecke en prijst het in koning Willem II, dat hij zijn stem voor
grondwetsherziening heeft gegeven. Duidelijk komt dat uit in de
volgende regels:
"Toen de ure der hervorming sloeg,
Toen 't nieuwe leven leiding vroeg,
Toen vragen voor den vroedste rezen,
Was tweede Willem groot genoeg
Te kiezen, wien de tijden wezen:
't Verstand, dat diepte aan klaarheid paart,
De deeglijkheid, vertrouwen waard,
Het hoofd, dat iedere school der Ouden
En elken nieuwen Staat doorzocht,
De hand, die nog het roer zou houden,
Wanneer beginsel buigen mocht."
In de slotverzen zinspeelt Potgieter op de April-beweging van 1853,
waardoor 't ministerie-Thorbecke ten val werd gebracht.
En wie weten wil, hoe Potgieter dacht over een grondwet in vrijzinnigen
geest, leze zijn "Ter Gedachtenisse," vooral couplet 5. De kern van
't gedicht halen we aan:
"Een staatsvorm die, door vrije keuze,
De vroedsten op het kussen brengt,
En 't algemeen zijn zegen plengt,
's Lands wél hun lust, 's lands roem hun leuze!...."