8. Geen chauvinisme, maar waardeering van 't geen het buitenland
goeds oplevert.
We zullen thans aan de hand der verschillende critieken nagaan of de
Gids woord gehouden heeft en tevens uit deze beoordeelingen meer in
bizonderheden het doel en de grondslagen van deze critiek trachten
op te sporen.
[Doel der critiek.] Het doel van Potgieters critiek is verheffing
van de Nederlandsche kunst en van het Nederlandsche volk.--Zeer mooi
heeft hij zelf de strekking er van aangegeven in zijn beoordeeling
van Huygens' Cluyswerk waar hij over de miskenning klaagt, die een
recensent zoo dikwijls ondervindt. "Doe wat ge wilt," zegt hij daar,
"doe wat ge wilt, ge zult toch den laster niet ontgaan," hebben
wij dikwijls in onze gedachten de redactie van De Gids toegeroepen,
wanneer wij haar in het afbreken en in het opbouwen evenzeer hoorden
verketteren. Het beginsel waarvan zij bij beide uitging, was hetzelfde,
waaraan wij ons volksbestaan, onzen volksrijkdom, onzen volksroem,
onze volksdeugden verpligt zijn; het is het streven naar degelijkheid,
het woord, dat de lofspraak onzer vaderen in zich sluit. Aangespoord
door de overtuiging, dat er geen kwaad in het land is, hetwelk niet aan
de verdooving van dat levenwekkend beginsel te wijten valt,--opgebeurd
door het vertrouwen, dat er bij ons volk nog kracht genoeg schuilt,
om zich op de hoogte zijns tijds te handhaven, mits die sluimerende
vonken worden opgerakeld en aangeblazen, spiegelde zij ons beurtelings
ter beschaming en ter opwekking, de glorierijkste dagen van ons
gemeenebest af. Vreemd aan de vergoding onzer voorouders, ten onzent
verschoonbaar in de dagen der Fransche heerschappij--want wie staart
uit den nacht der schande niet gaarne de zweem van luister aan, die
nog aan de kimmen van het verleden wijlt, schoon er meer verwachting is
van het berouw, dat in zijne ellende aan zijne zonde gedenkt?--vreemd
aan dien vergodingsgeest, maar zelfbewust door het besef, vanwaar wij
zijn uitgevallen, wees zij ons, waar het ijver voor kennis of liefde
voor kunst gold, waar sprake was van omvang van studie of kracht van
stijl, waar schrijvers en dichters naar stoffe en beelden omzagen,
op de gulden eeuw van Frederik Hendrik. Dank zij ons volk, dat zij
sympathie vond voor haar doel,--schoon zij der laster niet ontging! Zoo
dikwijls zij afbrak--en haar beginsel dwong er haar meermalen toe, en
wij zouden de waarheid geweld aandoen, wanneer wij ontkenden, dat de
moker der critiek bijwijlen hard op het middelmatige is neergevallen,
dat hij menig bolwerk heeft omgehaald, waarachter zich aanmatiging en
verwaandheid vrij waanden--zoo dikwijls hoorden wij den kreet opgaan:
"De man is toch zoo braaf!"--of: "Hij geeft zooveel aan den arme!"--of:
"Wanneer gij wist hoe wèl hij het meende!" En of het zijne meening,
zijne menschlievendheid, zijn burgerlijk karakter had gegolden, en
niet zijn werk; ondegelijke, onverstandige, onware beschouwing van den
pligt der critiek! Zoo vaak zij opbouwde--en wijs mij een letterkundig
tijdschrift ten onzent, dat met hare warmte prijst wat het bewondert,
dat als zij de waarde van dien lof verhoogt, door den schrijver of
dichter de gave toe te kennen iets nog beters te kunnen leveren, dan
hij aanvankelijk schonk--zoo vaak hoorden wij de opmerking maken:
"Och, die zeventiende eeuw!"--of: "Het was ook niet alles goud,
wat toen blonk!"--of: "Wanneer die modellen nu leefden, het zou wel
anders luiden!" Wij verheugen ons, door de uitnoodiging een woord
over het Cluys-werk van Huygens bij te dragen, in staat te zijn het
laatste te logenstraffen."
De aanhaling is lang, maar ze was noodig, omdat in deze bladzij de
voornaamste grondslagen van Potgieters critiek liggen opgesloten,
omdat hij zelf hierin heeft aangegeven door welke middelen hij zijn
doel hoopt te bereiken. De voornaamste dezer middelen wenschen we
thans achtereenvolgens aan te geven en te bespreken.
[De 17e eeuw tot voorbeeld.] I. De 17e eeuw wordt door Potgieter
steeds als een ideaal vol kracht en schoonheid aan zijne tijdgenooten
voorgehouden, de roem der voorvaderen moet den nazaat eenerzijds
prikkelen tot daden, dat voorgeslacht waardig, aan den anderen kant
hem zijn zwakheid en krachteloosheid leeren inzien, want dan eerst
is verbetering mogelijk.
In bijna alle critieken straalt dat beginsel door. Reeds Loots werd
geprezen, omdat hij voortdurend wees op dat volschoone verleden,
omdat hij naar zijn vermogen die groote meesters trachtte te volgen
en te waardeeren. Hij "vergeleek beurtelings, in meesterlijke
trekken, het laffe tegenwoordige met het schitterend verleden" en
bestraft zijn tijdgenooten, die in dagen van schande schaamteloos
durfden feestvieren, alsof niet de vaderen minachtend op zulk een
verbasterd kroost neerzagen. En Staring! hoe wordt niet zijn liefde
voor de gouden eeuw geprezen; de criticus stelt hem daarom zelfs ten
voorbeeld aan anderen. "Wij wenschten dat onze jeugdige dichters,
zooals Staring deed, de poëten der zeventiende eeuw bestudeerden;
hunne werken getuigen van eene verstandige, opgeruimde, kloeke
levensbeschouwing, die wij ongaarne in de geschriften onzes tijds
missen." Mejuffrouw Toussaint, die in navolging van Scott de graaf
van Devonshire had geschreven, wordt er op gewezen, dat daar niet
haar weg ligt: de burgers der 17e eeuw, de mannen die Nederland tot
grootheid voerden, dat zijn de ware helden voor een Nederlandschen
roman. "Mejuffr. T. gevoelt, schoon zij het misschien niet begrijpt,
dat onze historie niet de personaadjes oplevert welke zij behoeft;
groot in dien romantischen, hier niet geheel Walter Scottschen zin,
waren eigenlijk de eerzame burgers onzer republiek nooit. Maar dat
de lauwer, die het hoofd zal omkransen, van wie de poezij, welke er
in onze eenvoudiger toestanden ligt, aanschouwelijker zal weten te
maken, niet frisscher, benijdenswaardiger, duurzamer zal zijn dan de
lof voor een aardig tafereel van riddermoed of hofintrigue, vaak en
aan velen bedeeld: wie loochent het?"
In dezelfde beoordeeling wordt het betreurd dat Van Lennep zich
eveneens te veel overgeeft aan navolging van Scott, en zich niet
toelegt op schildering van echt Hollandsche toestanden. "Indien hij
zich de helft der studie, welke hij der middeleeuwen wijdde, voor
onze zeehelden, onze handelaars, onze Staats- en Prinsgezinden,
getroost had, hoeveel verdienstelijker zoude zijn populariteit,
hoeveel duurzamer de vermaardheid zijner schriften zijn!"
Zijn allesoverheerschende bewondering voor dien geliefden tijd van
Frederik Hendrik heeft Potgieter uitgesproken in de critiek van
Huygens' Cluyswerk, het geheele artikel is bijna éen doorloopende
lofspraak op die glansperiode uit onze geschiedenis, zoo zelfs, dat
de schrijver onwillekeurig eenigszins partijdig is geworden. Huygens,
"een degelijk, een geheel, een waar man," is voor hem de incarnatie
van de 17e eeuw, alle goede eigenschappen welke Potgieter aan dien tijd
toekent, draagt hij--en meestal niet ten onrechte--over op Huygens en
juist daardoor wordt dat beeld te idealistisch en dus onwaar. Vooral
blijkt dat, als de bewondering ook overgedragen wordt op de verzen:
Potgieter eert den dichter om den mensch, een stelling, die hij anders
steeds verre van zich werpt.
[Nationale kunst.] II. In verband met het voorgaande eischt Potgieter
van ieder schrijver, dat hij nationaal, echt Hollandsch zij.
Dit echt Nederlandsche prijst hij in Staring en Huygens, "die
altijd Hollander was," hij waarschuwt Van Lennep: de middeleeuwen,
de riddertijd is voor ons niet het nationale; mej. Toussaint,
die Scott navolgt, moet op den rechten weg gebracht worden: "een
waarlijk Nederlandsche roman, door een vrouw van haren aanleg, na
ijverige studie, geschreven, zou, verbeelden wij ons, een uitnemend
werk zijn,"--van de Pastorij te Mastland wordt gezegd: "En echter
wij durven onzen schrijver opgang beloven; Hollandsche toestanden,
met een Hollandsch hoofd gedacht, met een Hollandsch hart gevoeld,
vinden nog sympathie."
[Geen chauvinisme.] III. Die zin voor 't nationale, de ware
vaderlandsliefde, mag nooit tot chauvinisme worden. In het prospectus
van de Gids werd het "lafhartige vleien der Hollandsche eigenliefde"
scherp gelaakt, en nooit zal men Potgieter kunnen beschuldigen van een
dergelijke handelwijze; hij durfde ook Nederlandsche kunst, als die ons
land onwaardig was, openlijk en luid afkeuren. "Wij hebben een afkeer
van de bekrompene nationaliteit welke het voortreffelijke loochent,
dewijl het uit den vreemde komt, en het gebrekkige opvijzelt, omdat
het inheemsch is," zoo zegt hij in een artikel over "De kopijeerlust
des dagelijkschen levens" en uitgaande van dat beginsel spreekt hij een
vernietigend vonnis uit over een bij uitstek Nederlandsche onderneming:
De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen
van verschillende standen, of zooals Potgieter het uitdrukt: de
Nederlanders dus, naar lijf en ziel. Kort en krachtig is het oordeel,
dat zeer zeker niet van chauvinisme getuigt: "Stook een vuurtje van
krullen onder de schetsen, goed hout zijn ze niet waardig!"
Van zoo iemand is het te verwachten, dat hij ook het goede in de
vreemde letterkunde zal waardeeren, geen wonder dus dat Potgieter
steeds aanspoort tot bestudeering van 't schoone, dat de buitenlandsche
literatuur te genieten geeft. Als volgende eisch van zijn critiek
noemen we daarom:
[Studie van buitenlandsche werken.] IV. Bestudeering van de
buitenlandsche letterkunde om daardoor de inheemsche schooner en
krachtiger te doen worden.
In zijn eerste critiek, een beoordeeling van de Verzameling van
Voortbrengselen van Uitheemsche Vernuften, die in de Vriend des
Vaderlands van 1833 verscheen, prees Potgieter de onderneming, welke
ten doel had: "ons in de Poëzij voor de eenzijdigheid te bewaren,
welke den dood der kunst tengevolge heeft."
In 1837 kende hij reeds de belangrijkste schrijvers uit het buitenland
en had zich ook een oordeel omtrent den toestand der literatuur in
Engeland en Frankrijk gevormd. De invloed der Duitschers is in de
eerste gedichten niet te miskennen, de neiging tot het sentimenteele,
welke in die verzen te bespeuren is, moet voor een goed deel daaraan
worden toegeschreven, zooals Potgieter trouwens zelf in zijn Leven
van Bakhuizen erkent, waar hij zegt: "Als de meeste eerstelingen
waren zij, wat de manier betreft, navolging: Feith had mij voor de
vroegste tot model gestrekt, vervolgens was ik bij de meesters onzer
oostelijke buren school gegaan...." De reis naar Zweden breidde zijn
kennis bovendien uit over een geheel nieuw en tevens rijk veld der
literatuur, waarvan Potgieter later ruim gebruik maakte.
Hoezeer de criticus ijvert voor 't bestudeeren der buitenlandsche
literatuur, toch wijst hij er nadrukkelijk op, dat dit nooit mag
ontaarden in een klakkeloos navolgen; wel moet de kunstenaar het
goede uit den vreemde waardeeren en voor zoover 't met het nationale
strookt ook overnemen, maar steeds moet hij trachten op zijn werk een
eigen cachet te drukken; steeds moet hij oorspronkelijk blijven. In
Potgieters critieken keert dan ook telkens de eisch terug:
[Oorspronkelijkheid.] V. Wees oorspronkelijk.
Drost, die veel invloed op de vorming van den jongen Potgieter heeft
gehad, ijverde steeds voor oorspronkelijkheid en wees zijn vriend met
nadruk op die eigenschap omdat deze op weg was "in Franschen geest"
te gaan werken. In dit opzicht had Drost zeker geen beteren volger
kunnen wenschen; niemand heeft meer dan Potgieter dit beginsel hoog
gehouden. Zijn ideaal was ook hier weer Huygens: "Constantijn levert
een der treffendste voorbeelden op, dat ware oorspronkelijkheid ook
onder de veelzijdigste beschaving niet te loor gaat."--Vervangen we
hier den naam Constantijn door dien van Potgieter, dan blijft de zin
even waar als zooeven: veelzijdig beschaafd en toch oorspronkelijk,
dat is zijn hoofdkenmerk als dichter en prozaïst. Alles wat hij
geschreven heeft, draagt zijn stempel, men behoeft slechts enkele
regels te lezen, of men herkent dadelijk zijn stijl, zijn taal, zijn
denkbeelden. In bijna alle critieken herhaalt hij dan ook den eisch:
wees individueel, wees u-zelf. In den Vriend des Vaderlands van 1835
bij een beoordeeling van: Keur van Scherts en Luim, door onderscheidene
Nederlandsche Dichters, hooren we 't reeds. Potgieter bespreekt daar:
Lof der schoonen en bij mijne Aanteekening als Bruidegom van A Sifflé
en keurt het vers af, want--zegt hij--"Een aangeteekende Bruidegom is
een alledaagsche situatie, ik geef het u toe, maar, mijn Hemel! waarom
moet er een vers op gemaakt, zoo men niet oorspronkelijk weet te zijn,
als Van Lennep het was bij een diergelijke gelegenheid!"
Loots werd vooral geprezen, omdat hij nationaal en oorspronkelijk
was; de 18e eeuw noemde Potgieter de eeuw der "belachelijke
navolgingszucht," de dichtgenootschappen berispten den jongen
kunstenaar en keurden zijne verzen af, "hij is oorspronkelijk, waarom
zoude hij niet navolgen als wij?" Dat wenschten ze.
Staring is een van Potgieters lievelingsdichters, hij de Geldersman,
de Nederlander in hart en nieren, heeft door de hem eigen kernachtige
wijze van zeggen, "door zijne veelzijdige beschaving en ware
oorspronkelijkheid," het hart van den criticus gestolen; deze juicht
als de gedichten van den heer Van den Wildenborch ten tweeden male
gedrukt worden, 't is voor hem een bewijs, dat er vooruitgang te
bespeuren is, dat individualiteit op prijs wordt gesteld.
Hasebroek, die volstrekt niet doorloopend geprezen wordt, stelt
Potgieter toch vrij hoog, en wel vooral wegens zijn oorspronkelijkheid;
van Beets' José wordt gezegd: "José scheen ons een geniale
eersteling. Zijn gebreken wogen misschien tegen zijn schoonheden op,
maar de eerste waren nagevolgd, de laatste oorspronkelijk", en juist
daarom is er hoop voor de toekomst; mejuffrouw Toussaint, die in den
Graaf van Devonshire Scott volgde, wordt gewaarschuwd, dat ze niet op
den goeden weg is: enkele bladzijden uit den roman getuigen, dat zij
niet behoeft na te volgen. "Waarom," vraagt Potgieter haar welmeenend,
"waarom toch navolgingen geleverd, als men zoo goed oorspronkelijk
schrijft!"
Ten Kate ontvangt een dergelijke, maar veel scherpere waarschuwing:
"Het deert ons, dat iemand, bedeeld met een zoo veel belovend talent,
als dat van Ten Kate, bij zijn optreden in onze letterkundige
kringen scheen, ondanks allen raad, naar geene ontwikkeling van
wat er oorspronkelijks in hem schuilt, streeft," zegt Potgieter in
zijn bekend artikel over "de Kopijeerlust des dagelijkschen levens,"
een zevental schetsen van Ten Kate besprekende. Veel hooger stelt de
criticus in diezelfde beoordeeling een schetsje van den onbekenden
G. H. Clemens, alleen omdat deze wel zichzelf is. "Het scheen ons,
dat de oorzaak van zijn opgang in het talent school, waarmede hij
van zijne individualiteit partij trok."
En Klikspaan: "courage monsieur," roept Potgieter hem aanmoedigend toe,
"courage monsieur, voilà de l'originalité!" Beeloo wordt geroemd, omdat
hij een "oorspronkelijk lierdichter is"; op Busken Huet eindelijk wordt
de bekende versregels van Alfred de Musset toegepast: "Mon verre n'est
pas grand, mais je bois dans mon verre," en, voegt Potgieter erbij:
"Daarop komt het aan; dat doet leven!"
We besluiten onze bespreking van dit gedeelte met een aanhaling
uit de critiek op Huygens' Cluyswerck, waarin het geheele streven
van Potgieter in enkele woorden is samengevat: "Wedijveren met den
vreemde,--geen navolging van deze--moet ons doel zijn! Waardeering,
ontwikkeling, volmaking van hetgeen er oorspronkelijks in ons schuilt,
och of zij de plaats verving van gehuichelde geestdrift, die slechts
tot naäperij leidt!"
Juist omdat Potgieter wenscht: Wedijver met den vreemde, doch geene
navolging, is hij geen beslist aanhanger van de romantiek, maar evenmin
een volgeling van Bilderdijk en zijne school. We stellen daarom als
volgend kenmerk:
[Nieuwe nationale letterkunde.] VI. Potgieter is nòch een aanhanger der
romantiek, nòch een volgeling van Bilderdijk, maar wordt de stichter
van een nieuwe nationale letterkunde.
In een paar zinnen heeft hij in de beoordeeling van den Graaf van
Devonshire zijn standpunt uiteengezet. "Wij weten niet," zegt hij,
terwijl hij zich afkeurend uitlaat over de ophemeling van Van Lenneps
geschiedkundige romans, "wij weten niet wat gevaarlijker is, òf deze
maatstaf voor onze romantiek, òf de onoordeelkundig aangeprezen
navolging van Bilderdijk voor onze poëzij. De eerste overlaadt
ons met kopijen van kopijen, de laatste bedreigt ons met overvloed
van klinkende woorden, bij armoede van gedachten; beide weren alle
zelfstandige ontwikkeling van het talent, dat er in onze jeugdige
schrijvers schuilen mogt."
Daarom waarschuwt hij telkens Van Lennep, hij tracht dezen te brengen
tot de 17e eeuw, maar het gelukt niet; bij Mejuffrouw Toussaint
slagen dezelfde pogingen beter. Byroniaansche zwartgalligheid wordt
gecritiseerd: "Levensmoeheid in de jaren, waarin men levensbloei
verwachten mogt, eene negatieve rigting, die eindigt met ook over
zich zelven onvoldaan te zijn.... valt in 1838 de studie van dien
dichter nog aan te bevelen? Laat men ons veroorloven er zedig aan
te twijfelen; misduide men het niet, wanneer wij er onze jeugdige
dichters voor waarschuwen."
Het grillige, akelige en doellooze in de romantiek wordt eveneens
bestreden; hij wenscht motiveering van de handeling, niet een louter
heerschen van 't toeval. Tegen deze overdrijving van een in vele
opzichten goed beginsel waarschuwt hij ernstig in de beoordeeling
van Beets' Guy de Vlaming. Hij zegt hieromtrent het volgende: "Een
woord over het akelige, eer wij voortgaan. Verstaat gij door akelig
een wereld bij toeval ontstaan, met wezens bevolkt, die onderling
de grilligste tegenstelling opleveren, als Quasimodo, de Esmeralde
en Claude Frollo b.v., waarin, om eene treffende verwarring te doen
plaats grijpen, een bruiloftsstoet een lijkstaatsie overrijdt;--waarin
dat erger is, zoowel de tuchtigende roede van de Nemesis der Ouden, als
het Alziend oog onzer Voorzienigheid ontbreekt, en even teugellooze als
redelooze driften aldus heerschappij voeren; neen, elkander doelloos
bestrijden;--noemt ge die wereld de wereld der Romantiek, ik zal met
u uitroepen: "horrible, horrible, most horrible!" En iets verder: "Een
rustiger tijdperk is aangebroken, het gewone leven is weer prozaïscher;
al wie idealiseert vindt een luisterend gehoor. Wij keurden daarom de
gruwelen in José af, wij prijzen in Kuser het overwigt der vrouwen,
het weinig feitelijke van den moord;--hoe verdedigen wij dan het
sombere van Guy de Vlaming?"
Potgieter heeft dus tegenover de Romantiek zijne gewone wijze van
doen gevolgd: wat hij in dit voortbrengsel van vreemden bodem goed
vond: de dichterlijke taal, de stoute beeldspraak, de kracht waarmee
de dichter door zijn overtuiging wist uit te komen, in 't algemeen
gezegd het verjongende element, heeft hij gewaardeerd en geprezen, maar
voor overdrijving, die hem schadelijk voor den bloei onzer letteren
voorkwam, meende hij te moeten waarschuwen. Mede door zijn critiek
en door zijn besliste afkeuring van 't geen hij in de romantische
richting verkeerd vond, heeft deze beweging nooit een zoo hooge
vlucht genomen, als in andere landen het geval is geweest. Tegenover
de sombere, dweepzieke romantiek der middeleeuwen stelt Potgieter
onze kerngezonde 17e eeuw. De letterkundige heeft volgens hem een
hoogere roeping dan 't uitwerken van allerlei fantasieën; zijn doel is
niet de prikkeling der zenuwen van de lezers, niet louter vermaken,
maar verbeteren. "Dubbele tanden moeten uitgetrokken." Vandaar dat
Potgieter wel wenscht realisme, maar gezien met de oogen der liefde,
met oog voor 't schoone. Hij wil de dingen niet zien zooals ze precies
zijn, maar zooals hij wenschte, dat ze waren. Potgieter is idealist,
dat getuigt bijna ieder zijner werken. Men neme eens het Leven van
Bakhuizen in handen en zie dan hoe hij alles wat daarin beschreven is,
heeft aangeraakt met den tooverstaf van zijn idealisme.
Als een volgend kenmerk van zijn critiek kunnen we dus vaststellen:
[Idealistisch realisme.] VII. Potgieter wenscht wel realisme, maar
geïdealiseerd. Naturalisme keurt hij streng af. Het duidelijkst komt
dat alles uit in het artikel: De kopijeerlust des dagelijkschen levens,
waarin de Camera van Beets, Studententypen van Klikspaan en nog enkele
schetsen besproken worden. Potgieter tracht zijne meening duidelijk
te doen uitkomen, door vergelijking met de Vlaamsche schilderschool,
die gewone huiselijke tooneelen op het doek bracht, dat is wel geen
hooge kunst, maar toch kunst, "wanneer gij talent genoeg bezit om
dat te idealiseeren; wanneer uw open zin er de natuur met liefde in
waardeert en geniet."
Dickens is de voorganger van de tegenwoordige "Schetsen of Typenmanie";
en kenmerkend voor Potgieters wijze van beschouwing is het, dat hij,
na veel in dezen schrijver te hebben afgekeurd, er op laat volgen: "Ter
vergelijking van dit alles bezit hij groote juistheid van opmerking
in kleine karaktertrekken, veelzijdigen zin voor maatschappelijke
toestanden, eenen bewonderenswaardige stijl, waaraan onze vertalers
slechts zelden regt weten te doen, en hoogste lof! een vurig geloof,
aan het goede, aan het onsterfelijke, aan het goddelijke in den
mensch! Het is vooral om die laatste, onwaardeerbare eigenschap, dat
ik moed heb hem te verwijten, dat hij de kunst van haren vorstelijken
zetel heeft afgerukt, haar--laat mij de woorden van Professor Geel
mogen bezigen:--"een festijn heeft laten geven in een gaarkeuken!"
Eerst als men goed deze beginselen van Potgieter in het oog heeft
gevat, is het mogelijk te begrijpen dat de Camera Obscura in vele
opzichten moest worden veroordeeld, terwijl de Studententypen grooten
lof verwierven. Laten we dit met de woorden van den criticus zelf
toelichten.
"Wij zijn van zelven tot de verklaring genoopt, waarom wij niet
onvoorwaardelijk met Hildebrand sympathiseren. Het boek heeft tal
van verdiensten, en wij zullen daaraan straks onbekrompen regt doen,
maar er faalt voor ons gevoel een hoofdverdienste aan, welke wij zoo
gaarne bij en boven die alle zouden huldigen.... O dat eene liefde
als die voor de taal, door zijn werk zoo heerlijk verkondigd, zich
over alles had uitgebreid, hoeveel schoonere vruchten zou het dragen,
dan wij er nu aan dank mogen weten, hoe talrijk zij zijn!"
Omdat deze liefde, dit gevoel voor 't goede in den mensch, de humane
levensbeschouwing, die afbreekt om te verbeteren en die welwillend
het goede op den voorgrond plaatst, in de beschrijving van de Familie
Stastok ontbreekt, keurt Potgieter zelfs deze, overigens uitstekende
schets, in beginsel af. "Wij zouden haar toejuichen, zoo Hildebrand
ook zich zelven een weinig edelmoediger had prijs gegeven; zoo hier
en daar een straal van licht het donkere tafereel had opgeluisterd:
"zoo het doel dier schets hooger ware." En zelfs het beroemde gedeelte,
waarin Keesje, het Diakenhuismannetje, zijn geschiedenis vertelt,
kan de goedkeuring van den criticus niet wegdragen; hier toont
Hildebrand wel gevoel, wel liefde, maar hij "verkwist het aan iemand,
die er weinig regt op heeft." Keesje had reeds jaren lang genadebrood
gegeten en zoo iemand wekt bij Potgieter geen sympathie.
Klikspaan daarentegen is een man naar 't hart van den criticus; zijn
werk stelt hij verre boven dat van Beets, niet juist omdat de eerste
beter schrijver is, maar omdat zijne ideeën omtrent de strekking der
kunst volkomen met die van Potgieter overeenstemmen. De laatste zegt
het Klikspaan na: "Dat er iets edelers en moedigers is in het uit
liefde berispen, al valt de tong of de pen wat scherp en vinnig uit,
dan in het eentoonig steken van de loftrompet."
De auteur wenscht niets als Beets eenvoudig te teekenen, te berispen,
neen, hij wil verbetering, "zijn doel reikte hooger: zoo het aan hem
stond, hij zou ons vaderland eene schooner, roemrijker, gelukkiger
toekomst willen waarborgen." "Hij wilde (den student) aanschouwelijk
maken in het goede en in het kwade, opdat al wie invloed op hem
uitoefenen, het eerste mogen waardeeren, het laatste te keer gaan,
vooral, omdat hij zich aan hem zelven spiegelen zou."
Het hooge ideaal, dat Potgieter in Beets' Camera tevergeefs zocht,
vond hij in de Studententypen, en daarom beoordeelde hij het laatste
werk zooveel gunstiger dan 't eerste. Hoe duidelijk komt het hier
aan 't licht, dat het onmogelijk is, Potgieters critieken goed te
begrijpen, als men de grondslagen er niet van kent.
Uit het bovenstaande volgt noodzakelijk, dat een eenvoudig beschrijven
van de werkelijkheid, zuiver realisme dus, niet in de lijn van
Potgieter ligt en veel minder is van hem te verwachten, dat hij het
naturalisme zal goedkeuren. Een paar aanhalingen mogen dienen om te
bewijzen, dat deze laatste bewering waar is. Beets schreef eenige
schetsen in het meermalen genoemd werk De Nederlanden, o. a. ook de
Leidsche Peuëraar en hiervan zegt de criticus alleen: "Hoe kon de blik
van Hildebrand zoo lang op de afzigtelijkheid wijlen?" Van een andere
bijdrage heet het: "Wij maakten door de Amsterdamsche kermis kennis
met den heer J. W. Kirchner, maar wij passen elkander niet. De wijze
waarop hij ons onderscheidene harer tooneelen schildert, is door en
door gemeen, zulk een veraanschouwelijking daalt beneden de kunst."
Thans een enkel woord over de verhouding van den criticus tot den
godsdienst. We wenschen dit aldus te formuleeren:
[Potgieter en de godsdienst.] VIII. Potgieter is niet ongodsdienstig;
zijn godsdienst is een practisch, werkzaam Christendom.
Werk en bid! is zijn zinspreuk; het woord dat ook Willem van Oranje tot
richtsnoer van zijn werkzaam leven had gekozen. Daarom wordt ook het
dwepend geloof van Da Costa afgekeurd; bijna al diens verzen eindigen
met een betuiging van vast vertrouwen in de komst van het duizendjarig
rijk en hiervan zegt de beoordeelaar der "Hollandsche Politieke Poëzij:
"Laat ons er opregt voor uitkomen, het staren op die toekomst, ons in
de laatste drie verzen van den heer Da Costa met zoo gloeijende verwen
afgemaald, bedreigt zijne ijverigste pogingen met vruchteloosheid,
slaat al zijne raadgevingen met den vloek van het onbepaalde, en dreigt
in een lijdelijk Christendom gaven en krachten te verteeren aan wier
degelijke werking ons arm vaderland meer dan ooit behoefte heeft."
Door deze opvatting van het godsdienstige ontstond de strenge kritiek
"Piëtistische Poëzij", die in 1853 naar aanleiding van de uitgave
der gedichten van de toen pas gestorven jonge dichteres Albertine
Kehrer geschreven werd, en die Beets en Potgieter voor goed van elkaar
verwijderde. "Er schijnt slechts ééne snaar op deze lier geweest te
zijn," zegt de criticus en nadat hij duidelijk zijn tegenzin omtrent
dit slappe, dwepende Christendom heeft uiteengezet, vervolgt hij:
"Zoo er onder onze grootste mannen geweest zijn, die getuigd hebben,
dat zij, in hunne beste daden, slechts in beoefening bragten, wat
zij leerden, staande aan de schoot hunner moeder, het geheim schuilt
daarin, dat de godsvrucht dier even vroede als vrome vrouwen niets
droomzieks noch dweepends had, dat zij zoowel in verdraagzamen als
verheven geest hervormd heeten mogt, dat bij haar, huiselijk-hollandsch
uitgedrukt, "doen vóor zeggen" ging."
Ook in dit opzicht richt Potgieter zich dus naar de zoo hoogvereerde
17e eeuw.
[Hooge eischen der critiek.] Uit al het bovenstaande is gebleken,
dat de redactie van De Gids in zijn beoordeelingen aan den kunstenaar
hooge eischen stelde en niet gemakkelijk te bevredigen was. Reeds het
simpele feit, dat een werk waardig geoordeeld werd gecritiseerd te
worden, toonde dat Potgieter het vrij hoog schatte, prullen wenschte
hij niet te beoordeelen. "Uit de kritiek van het slechte leert men
toch eigenlijk niet meer, dan dat het slechte slecht is; onvruchtbare
arbeid!" Treffen we toch een critiek over een minderwaardig werk aan,
dan had Potgieter bij 't schrijven een bijbedoeling: de beoordeeling
van Galama b.v. geschiedde niet in de eerste plaats om Schut op diens
fouten te wijzen, maar om de onbevoegdheid der toenmalige critiek
te demonstreeren; de "Piëtistische Poëzij" van Albertine Kehrer
was een welkome aanleiding om te protesteeren tegen het dweepzieke
in den godsdienst en te wijzen op het groote verschil tusschen dit
Christendom en dat, hetwelk de voorvaderen schraagde in den zwaren
strijd tegen het overmachtige Spanje.
[Strenge critiek.] Streng is de criticus zeer zeker, dat
mòest hij zijn volgens zijn beginselen: "dubbele tanden moesten
uitgetrokken"--maar als de kunstenaar werkelijk lof verdient, wordt
deze hem niet onthouden. Alleen onvermengde lof wordt hem zelden of
nooit toegezwaaid. Potgieter weet, dat volmaaktheid bij den mensch
niet bestaat en hij vindt, dat de criticus zich zelf een brevet
van onbevoegdheid uitreikt, als hij niet anders weet te doen dan
bewierooken. Dat is blind zijn voor de gebreken van een werk. Daarom
vraagt hij ook in zijne beoordeeling van Guy de Vlaming: "welke waarde
zou hij (Beets) aan onze lof mogen hechten, indien wij alles van
hem even fraai vonden?" Dit was de gewoonte der dichtgenootschappen,
door Potgieter zoo afgekeurd.
[Waarderende critiek.] Dat hij weet te waardeeren, bewijzen de
critieken van Loots, Staring, Huygens, Kneppelhout, Beets (vooral
waardeering van diens taal), Helvetius van den Bergh (De Neven),
Koetsveld, Da Costa, Beeloo, Bogaers en Busken Huet.
Dit blijkt vooral ook uit het feit, dat de beoordeelingen niet
uitsluitend afbrekend, maar bijna altijd tevens opbouwend zijn. Dit
is een bizondere, zeer te waardeeren eigenschap van Potgieter, en
vooral daardoor was zijn critiek zoo vruchtdragend. We wenschen dit
nog even meer in bizonderheden na te gaan.
[Opbouwende critiek.] IX. Potgieters critiek is meestal opbouwend.
Hij wenscht verbetering; afbreken is niet voldoende, wel is het
uitstekend den auteur te wijzen op zijn fouten en tekortkomingen, maar
tevens moeten hem de middelen aan de hand gedaan worden die hem op 't
goede spoor brengen. We behandelen deze beide onderdeelen gelijktijdig.
In de critieken treffen we tal van waarschuwingen en vingerwijzingen
aan, vooral voor de jonge schrijvers.
In de beoordeeling der Poëzij van J. P. Hasebroek legt Potgieter, na
veel goeds in den dichter te hebben geprezen, den vinger op de wonde,
hij wijst aan waar de auteur op den verkeerden weg is en zegt daarom:
"de heer Hasebroek wachte zich voor dat blinkende, zijn hoofdgebrek"
en op een andere plaats: "Zouden wij den heer Hasebroek nog behoeven
te verzekeren, welke grootsche verwachtingen onze letterkunde van
hem koestert, hoe zij bij zoovele oorspronkelijkheid hem slechts voor
overdrijving van deze, die gezochtheid wordt, heeft te waarschuwen,
om hem eene der beste plaatsen op onzen Zangberg toe te kennen?"
Om dezelfde reden raadt Potgieter de jonge dichters aan voorzichtig
te zijn bij het bestudeeren van Byron; kenmerkend voor zijn richting
is het verwijt, dat hij richt tot de vroegere critiek: "Het had de
critiek van dien tijd betaamd te waarschuwen voor eene sombere onware
levensbeschouwing, die eensklaps onder onze jeugdige dichters mode
werd"--dit natuurlijk tengevolge van den verkeerden invloed van den
Engelschen meester.
Beets wordt, zooals we reeds vroeger zagen, in de beoordeeling van de
Camera er met nadruk op gewezen wat hem ontbrak: de liefde, de ware
humaniteit, en tegenover hem wordt als een voorbeeld Klikspaan gesteld;
Ten Kate, de dichter, die zich ook aan 't schrijven van schetsen
waagde en daarin zijn bloemrijkheid van stijl niet verloochende,
wordt zeer hardhandig terecht gezet, maar toch ontbreekt ook hier
het opbouwende element niet. Men hoore slechts:
"Gemis van zin voor het eigenaardige van zulke toestanden, een
voorbeeldeloos gezwollen toon, zij maken de lezing der stukjes van
den Heer t. K. vermoeijend; hij schijnt van geen ding ter wereld meer
afkeer te hebben dan van eenvoud. Luister naar deze beschrijving:
"En nu gij uw oogen slaat op dien glazen kast, waar de geribde
kinkhoornen, de zilverglanzige schelpen, de geschubde meirminnen, de
paarlemoerkleurige doosjes, en de anderhalf duim groote visschertjens
u als de Laren en Penaten aanlachen, nu bevindt gij u geheel in
een tooverwereld, en zijt gij voorbereid op de komst der vrouw des
huizes. Zij heeft u gehoord: daar nadert zij, de nachtegaal van dit
rozenbosch, de odaliske van dezen harem; de Eva van dit Eden.... Der
schepping heerlijkheid, wat is zij, dan de vrouw?"
Al dat moois geldt een hartig, pootig wijf, dat wij, in gramme vlaag,
een vischteef noemen: De Scheveningsche Vischvrouw."
Ten Kate zal zeker bij 't lezen van deze onbarmhartige critiek geen
prettig oogenblik gehad hebben, maar toch, toen hij later kalm nadacht,
zal hij ingezien hebben dat Potgieter gelijk had; deze toonde hem,
hoewel op onzachte wijze, zijn feilen, wees aan wat hem ontbrak, en
zoodoende was verbetering mogelijk. Bovendien de bedenkelijke aard
der kwaal wettigde het krachtig ingrijpen van den geneesheer.
De schoonste triomfen heeft deze wijze van critiseeren gevierd in de
ontwikkeling der talenten van Mejuffrouw Toussaint. De beoordeeling
van haar eersten roman De Graaf van Devonshire is de stoot geweest
die haar in eens op den rechten weg bracht en haar voerde tot een
onvergankelijken roem. Dit te hebben bewerkt is een der grootste
verdiensten van den criticus Potgieter.
We nemen thans eenige regels uit het bedoelde artikel over, om nogmaals
duidelijk in 't licht te stellen, hoe echt humaan de beginselen van
den schrijver waren en met hoeveel ernst hij de hem opgedragen taak
trachtte te vervullen.
"Het vóór ons liggend boek bewijst, dat haar eene buitengewone
verbeeldingskracht bedeeld is, dat zij een sieraad onzer letterkunde
worden kan, zoo zij haren voortreffelijken aanleg door ijverige
studiën ontwikkelt en volmaakt. Het is de voorwaarde van duurzamen
roem: waarom zouden wij het uit kwalijk begrepen hoffelijkheid
verzwijgen? De weg naar de hoogten der kunst heeft dit met alle wegen
des levens gemeen, dat wij ons dien zelve moeten banen, over menig
struikelblok en langs menigen hinderpaal. Het staat niet in de magt
der vriendschap, helaas! het is zelfs der liefde niet vergund, ons
de heide, het distelveld, den woesten vloed te besparen; slechts de
ervaring mag ons bij wijlen welmeenend waarschuwen: "Niet verder op
dat pad, gij zoudt verdwalen!" Waarom wantrouwt overdreven eigenliefde
haar zoo dikwijls; waarom kost het der schrijveren ijdelheid zooveel,
te bekennen dat zij mensch zijn geweest, dat zij gedwaald hebben!"
Gelukkig Mejuffrouw Toussaint, die op haar weg zulk een ervaren en
welmeenenden raadgever ontmoette; heerlijke voldoening voor den vriend,
die mocht zien, hoe schoon de vruchten waren welke zijn raad droeg.
Potgieter wees de schrijfster er op dat ze op den verkeerden weg
was; navolgingen te schrijven van Scott en Van Lennep mocht niet
haar doel zijn, dat doel moest hooger reiken: oorspronkelijk werk
moest geleverd worden, echt Nederlandsche toestanden, tooneelen
uit onze roemrijke geschiedenis, dàt waren onderwerpen, haar talent
waardig. Wel was Mej. Toussaint in den beginne smartelijk getroffen
door de strengheid der critiek, die met vaste hand de gebreken van den
roman aanwees en zoo het heiligdom, dat zij had opgebouwd, ontwijdde;
maar ze erkende weldra dat de criticus haar een onschatbaren en tevens
welmeenenden raad had gegeven. Eere zij haar, dat ze zich niet door
"der schrijveren ijdelheid" liet verblinden en dat ze zich opmaakte
om de goede verwachtingen die de ervaren vriend van haar koesterde,
niet te beschamen. Na twee jaren reeds kon zij in Het Huis Lauernesse
een kunstwerk leveren, dat de hoogst gespannen verwachtingen verre
overtrof en met dankbaarheid dacht ze later terug aan Potgieter,
die door zijn eerlijke critiek de rechte leidsman was gebleken [12].
[Potgieter en Braga.] We merkten reeds vroeger op, dat Potgieter streng
was in zijne critiek, hij stelde hooge eischen en wees, al was hij in
een artikel vol lof over het werk van een auteur, toch steeds op de
schaduwzijden, op het minder gelukkig geslaagde. Vandaar--en vooral
ook omdat hij bij zijne beoordeelingen uitging van vaste beginselen,
die hij nimmer verloochende, en dus alleen goedkeurde wat voldeed
aan de door hem gestelde eischen,--dat hij den naam kreeg van niet
onpartijdig te zijn, dat hij volgens zijn tegenstanders deel uitmaakte
van een letterkundig bentgenootschap, waarvan de leden elkander
onderling bewierookten en al het andere afkeurden. Niemand heeft
deze zoogenaamde partijdigheid scherper gecritiseerd dan Ten Kate in
Braga, "het tijdschrift heel in rijm." In de "Karakteristiek onzer
vaderlandsche tijdschriften" wordt de Gids iemand genoemd, die "zijn
vrienden likt, de ontzette groenen dondert" en in "Eene huishoudelijke
Vergadering van de Redacteuren van den Gids; gevolgd door de plechtige
installatie van een nieuw Lid" herhaalt de dichter deze beschuldiging
nogmaals op geestige wijze. De novitius wordt aangenomen, omdat hij
den juisten maatstaf voor de Gids-critiek heeft gevonden:
"Et pro symbolo kiezabo:
"Lik-je mij, ik lik-je weêr!"
Dat zal dus de leus zijn bij 't beoordeelen van boekwerken. In het
artikel: "Een en ander over het tijdschrift "Braga", verschenen in den
23sten jaargang van "Noord en Zuid", wordt zelfs gezegd: "de Gids,
die het alleen reeds door zijn ingenomenheid met de romantische
richting bij hen verkorven zou hebben, konden ze bovendien niet
uitstaan om zijn zelfingenomenheid, zijn pedanterie en het meedoen
aan de onderlinge aanbidding eener bepaalde kliek."
Dit is m.i. totale miskenning van Potgieters werken als criticus. Wat
de ingenomenheid met de romantische richting betreft, daaromtrent
is in de voorgaande bladzijde al genoeg gesproken, om in te
zien dat deze bewering in haar consequentie onjuist is; de
zelfingenomenheid, de pedanterie, zou ik willen noemen: bewustzijn
van eigen kracht. Potgieter wist wat hij wilde en wat hij beteekende,
zijn beginselen en gaven verbergen kon noch mocht hij doen; maar wie
zijn kritieken onbevooroordeeld en gezet overleest, zal geenszins
den indruk krijgen, dat hier een pedant mensch aan 't woord is.
[Onpartijdigheid.] Partijdigheid, "onderlinge aanbidding van
een bepaalde kliek," lag wel allerminst in zijn karakter. "Naam,
levensbetrekking noch politieke opinie zullen mij doen oordeelen",
zoo schreef Drost eens aan Potgieter en deze kon dat zijn vriend met
volle overtuiging nazeggen. Men leze nog maar eens het gedeelte over
uit de critiek op Huygens' Cluyswerck, dat we reeds vroeger hebben
aangehaald. Voor partijdigheid staat een karakter als dat van Potgieter
te hoog; onderlinge aanbidding, bewierooking, haatte niemand meer
dan hij, zooals we boven met tal van voorbeelden hebben aangetoond;
hoe scherp heeft hij niet dat gebrek, het euvel der maatschappijen
en dichtgenootschappen, gecritiseerd! Bovendien de redactie van de
Gids ging in dezen zóo ver, dat het werk der redacteuren gewoonlijk
niet beoordeeld en zelfs niet in het tijdschrift aangekondigd werd.
Mochten de kritieken van Potgieter soms eenige aanleiding tot een
dergelijke beschuldiging gegeven hebben, dan vloeit dit voort uit
het zeer verklaarbare feit, dat hij een werk waarin hij zijn eigen
gedachten terugvond, dat rustte op beginselen die ook de zijne waren,
gunstig beoordeelde, terwijl hij afkeurde en moest afkeuren, wat daar
tegen indruischte. Toch wist hij ook in deze gevallen het goede in
den schrijver te waardeeren en steeds was zelfs ook dan zijn critiek
opbouwend. En dit is toch waarlijk niet het werk van een partijdigen
criticus.
[Beteekenis van Potgieters critiek.] Ten slotte nog een enkel woord
over de beteekenis van zijn critiek voor onze letterkunde. In éen zin
is het aan te geven: Potgieter is de leider van de geheele literaire
beweging gedurende het midden der 19e eeuw. Door zijn krachtig
ingrijpen is het gelukt een einde te maken aan de heerschappij der
dichtgenootschaps-poëten; voortzetting van de literatuur der 18e eeuw
was na het optreden van De Gids onmogelijk, de ondergang van Yntema's
tijdschrift De Vaderlandsche Letteroefeningen, getuigt hiervan. Het
sombere, ongemotiveerde en grillige in de Romantiek keurde hij af,
en door zijn waarschuwende stem werden de dichters ook in dit opzicht
op het rechte spoor gebracht, vandaar dat deze richting in ons land
nooit heeft kunnen domineeren. Zoodoende ontstond langzamerhand weer
een nationale letterkunde, die in de werken van Potgieter zelf en in
de romans van mevrouw Bosboom-Toussaint haar hoogtepunt bereikte.
Staring is zijn populariteit voor een groot gedeelte aan Potgieter
verschuldigd, van Huygens kan hetzelfde worden getuigd, terwijl
Cats na 't verschijnen van het Rijksmuseum veel van zijn literaire
beteekenis verloor.
[Potgieter en de jongeren.] Teekenend is het dat zelfs de generatie
van 1880, die zoovele literatoren onbarmhartig van hun voetstuk
heeft gestooten, zich nimmer over Potgieter in ongunstigen zin heeft
uitgelaten. Het is bekend hoeveel Perk hield van Potgieter, en Kloos
zegt van hem: "Nooit heeft misschien een ander schrijver geleefd,
bij wien de natuur zóo tot kunstige kunst, maar tevens die kunstige
kunst weer tot natuur was geworden, als de zeldzame Potgieter,
een man zóo eigen, zoo individueel in heel zijn innigste wezen,
dat het eenvoudigste iets ongewoons kreeg onder zijn behandeling,
zonder dat men toch ooit zich behoefde te beklagen, daar het ongewone
zou zijn geworden tot onnatuur. Over twee honderd jaar zal Potgieter
nog omhoog staan als een door geestige gevoeligheid onsterfelijk,
soms subliem auteur."
Hoogst verblijdend mag ook het feit genoemd worden, dat een der meest
ernstige werkers onder de jongeren, Albert Verwey, in zijn "Leven
van Potgieter" een kunstwerk heeft geschapen, dat getuigt van warme
liefde en diepen eerbied voor den grooten meester.