DE ROOS VAN DEKAMA.

[Ontstaan van den roman.] Van Lennep doet het in 't begin van zijn

verhaal voorkomen, alsof de roman genomen is uit een oud receptenboek

van 't klooster St. Odulf, waarin de slag door graaf Willem IV bij dat

klooster tegen de Friezen geleverd, verhaald wordt. Dit boek zou in

handen gekomen zijn van Dirk Broddelsma, een afstammeling der Galama's,

en deze laat het lezen aan twee Leidsche studenten, die een reisje

door Friesland doen en in een herberg in Gaasterland den eigenaar van

het boek ontmoeten. Natuurlijk is dit alles niets dan een gefingeerd

verhaal; Van Lennep hield van dergelijke voorstellingen. (Men

vergelijke b.v. het verhaal omtrent mej. Stauffacher in Ferdinand

Huyck).

[Personen. Madzy en Adeelen.] Madzy Dekama, of "De Roos van

Dekama"--een naam haar door een reizenden minnezanger gegeven--was

de eenige dochter van Sjoerd Dekama, wiens stins te Jelsum, even

ten Noorden van Leeuwarden, stond, en haar geboorte kostte aan de

moeder 't leven. Daarom werd ze opgevoed door de moeder van Seerp van

Adeelen. Vandaar de eigenaardige verhouding tusschen Madzy en Seerp,

van jongsaf hebben ze elkaar gekend en het kleine meisje had dikwijls

een invloed ten goede op den driftigen grooten "broer". Juist daarom

achtte de moeder van Adeelen Madzy later een uitstekende vrouw voor

haar zoon, en op haar sterfbed wist ze beiden te verloven. Bij Madzy

is het dus meer eerbied voor de moederlijke vriendin, dan werkelijke

liefde, die haar Seerp de hand doet schenken. Het sterven van Seerps

moeder bracht een groote verandering te weeg: Madzy ging naar haar

vader op Dekama-stins, doch daar deze reeds binnen een jaar stierf,

kwam ze bij haar voogd Aylva, een veel meer beschaafd man dan

de edelen die ze tot nog toe had leeren kennen. Op Aylva's stins

kwam ze in een veel beschaafdere omgeving, daar ontwikkelde zich

haar natuurlijke aanleg, en 't noodzakelijke gevolg was, dat hare

verhouding tot Adeelen geheel veranderde. Terwijl ze vroeger tegen

hem, die 10 jaar ouder was dan zij, opzag, werd hij langzamerhand

voor haar niets anders dan een lompe, onhebbelijke landedelman,

dien ze onmogelijk kon achten en nog veel minder liefhebben.

Zoo is de toestand bij 't begin van den roman, als de Friesche

edelen met Madzy in Holland zijn aangekomen. Men moet dus goed in

't oog houden, dat Madzy's hart niettegenstaande hare verloving,

feitelijk vrij is.

[Madzy en Deodaat.] In 't eerste deel van den roman wordt ons nu

beschreven, hoe Madzy kennis maakt met Deodaat en verder de ontwakende

liefde voor dien ridder. Eerst het betooverende gezang van Madzy,

als Reinout en Deodaat wachten in den kloostertuin, dan de ontmoeting

in de hut van den boschwachter Walger, het toevallige samentreffen

in de duinen bij Haarlem, waardoor een meer vertrouwelijk onderhoud

ontstaat, verder op 't feest ten hove, waar Madzy door de list van

Reinout verschijnt en ten slotte het gesprek nadat Adeelen Madzy als

zijne bruid heeft voorgesteld aan den graaf. Telkens is een meerdere

toenadering te bespeuren, hoewel èn Madzy èn Deodaat zich beiden

hunne liefde nog trachten te ontveinzen. "Het zoude in Deodaat, die

wellicht niets anders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij

in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in

mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren"--zoo

tracht Madzy haar gevoelens weg te redeneeren en Deodaat vraagt Madzy

in de balzaal reeds, of ze Adeelen als haar minnaar, als haar gade

bemint. Geen wonder, dat hij, hoewel hij meent geen schuld te hebben,

"huivert bij de gedachte van Reinout te ontmoeten!" Als Reinout zich

dan ook door een dolksteek wreekt op zijn ontrouwen vriend, blijkt het

dat hij in één opzicht goed gezien heeft: Madzy en Deodaat beminnen

elkaar. Juist door den moordaanslag wordt Madzy's genegenheid nog

versterkt, zooals blijkt uit hare ontmoeting met Deodaat voor Utrecht.

[Karaktertrekken van Madzy.] Een enkel woord over haar karakter. Ze

wordt voorgesteld als een edel meisje, maar toch staat ze ons

eenigszins vaag voor oogen, omdat ze zoo weinig handelend optreedt. En

juist naar de daden moet men iemand beoordeelen, niet naar 't geen

van hem wordt verteld. Haar goed hart blijkt uit de wijze waarop

ze de ongelukkige vrouw van boschwachter Walger verpleegt, haar

vastberadenheid en moed uit haar optreden tegen den bisschop van

Utrecht. Ook tegenover Adeelen geeft ze soms blijken van fierheid en

zelfstandigheid. Gehoorzaamheid behoort Seerp voorloopig nog niet

van haar te verwachten: "zoolang Madzy Dekama nog den naam haars

vaders draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand

eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is," voegt

ze hem toe, als hij zegt dat de naam verloofde hem eenige aanspraak

geeft op hare onderwerping. Nog een karaktertrek moeten we vermelden:

fierheid op haar afkomst, ze is een echte Friezin en als Friezin mag

ze alleen in Friesland haar gade vinden. "Een dochter van Friesland,

die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan,

zou veracht worden." Hierom meent ze Deodaat te moeten afwijzen,

als deze in 't kamp voor Utrecht hare hand vraagt.

[Deodaat en Reinout. Hun afkomst.] 't Zijn vondelingen, eerst opgevoed

door den dapperen Carlo della Scala, later door Beaumont, oom van graaf

Willem IV, en door den graaf zelf tot belooning hunner dapperheid tot

ridder geslagen. 't Geheim hunner geboorte is bekend aan Barbanera,

die dit geheim hoopt te verkoopen. Later blijkt, zooals men trouwens

moet verwachten, dat de blonde en kalme Deodaat een Fries is, nl. de

zoon van Aylva en Bianca di Salerno, terwijl de vurige en donkere

Reinout de kamenier van Bianca tot moeder heeft. Gelukkig is hij,

zooals hij een tijdlang vreesde, geen zoon van Barbanera.

[Karaktertrekken.] Karaktertrekken en vergelijking tusschen Deodaat

en Reinout.

Deodaat is de blonde zoon van 't Noorden, Reinout de donkere Italiaan,

en beiden vertoonen de traditioneele eigenschappen van hun ras: Deodaat

is kalm en goedhartig, Reinout hartstochtelijk en driftig. Heel goed

blijkt 't kenmerkend verschil in hun karakter bij 't aanhooren van

Madzy's lied. Deodaat "verlangde, ja, de zangster te leeren kennen,

welke zoo bevallig zoo juist had gezongen; doch hij vergat geenszins

dat hij in den boomgaard stond van een voormalig klooster, naast

een bed, waarop aardbeziën groeiden," "de bruisende ziel van Reinout

daarentegen gevoelde zich in eene andere wereld overgeplaatst."

[Deodaat te passief.] Eigenaardig is het, dat onze sympathie niet

altijd aan de zijde is van Deodaat, den held van 't verhaal, maar we

dikwijls den "moordenaar" Reinout verre boven hem stellen. De oorzaak

hiervan is dat Deodaat evenals Madzy te weinig handelend optreedt,

te lijdelijk is. Reinout daarentegen is een man van de daad, een echt

ridder, veel meer dan Deodaat. Dat hij zich door zijn hartstocht tot

een moordaanslag op zijn boezemvriend laat vervoeren, is natuurlijk af

te keuren, maar toch, zijn houding is voor iemand van zijn karakter te

begrijpen en gedeeltelijk te verschoonen. Deodaat immers heeft beloofd

afstand te zullen doen van het meisje en toch ziet Reinout hem telkens

samen met Madzy. Als hij ze ten slotte samen in een donker laantje

ziet wandelen, meent hij zekerheid te hebben van Deodaats verraad en

doorsteekt den ontrouwen vriend.

[Reinout ridderlijk.] Later komt het goede en ridderlijke in Reinout

boven en weet hij zich verre te verheffen boven Deodaat. Zijn daden

bewijzen zulks: hij redt Deodaat, die te Stavoren gevangen wordt

genomen, van den dood; zoodra hij uit het papier van Daamke's kist

bemerkt dat niet hij, maar Deodaat de zoon is van Aylva, vernietigt

hij dit bewijsstuk niet, maar zendt het dadelijk naar den Olderman en

draagt daarmee al zijn rechten over op zijn mededinger. Wederrechtelijk

wenscht hij geen bezittingen noch een bruid te verwerven. Nu hij vrij

staat tegenover de Friezen bedenkt hij zich geen oogenblik en redt

zijn ouden leermeester Beaumont. Ten slotte is hij het ook en niet

Deodaat, die in latere jaren de oude vriendschap hernieuwt. Reinout

is de man van de daad, Deodaat ziet lijdelijk toe. En waar de laatste

zou moeten optreden, maakt de schrijver het hem onmogelijk: door zijn

gevaarlijke wonde is hij lang ziek, we verliezen hem geheel uit het

oog, en als hij in Friesland mee moet strijden en er dus een conflict

zal ontstaan tusschen zijn liefde voor Madzy en de trouw aan den graaf,

wordt hij gevangengenomen en is dus weer geheel lijdelijk en werkeloos.

[Seerp van Adeelen.] 't Type van den onbuigbaren Frieschen edelman, die

fier is op zijn vrijheid en die vrijheid stelt boven alles. Hij is dit

vooral geworden door zijne opvoeding en zijn aanleg. Zijn vader was een

drinker, maar Seerp kwam al vroeg op de stins van Sjoerd Dekama, een

echten Fries van den ouden stempel, een der weinigen, die niet wilde

buigen voor graaf Willem III en die een beroerte kreeg van woede, toen

hij hoorde dat de burgers van Stavoren den Hollandschen Graaf gehuldigd

hadden. Als jongen was Seerp al koppig en eigenzinnig, geen wonder,

dat de opvoeding die Dekama hem gaf, zijn eigenwaan nog sterkte en hem

de Hollanders met een gloeienden haat deed haten. Daarbij komt, dat

hij van minstens even hooge geboorte is als de graven van Holland, daar

zijn stamboom tot den Frieschen koning Adegild kan worden opgevoerd. 't

Is duidelijk, dat zoo iemand nooit den graaf als zijn meerdere zal

erkennen. Hij is 't dan ook, die telkens staat tegenover Willem IV,

die den graaf bij iedere gelegenheid tergt en hem tot daden vervoert,

die deze anders nooit gedaan zou hebben. Seerp van Adeelen is als

't ware de booze geest van graaf Willem.

[Willem IV.] Hij is de ridder, uitmuntende boven alle anderen;

hij heeft een Cesar-natuur, weigert den hertogstitel, omdat hij

liever de eerste onder de graven dan een onbeteekenende hertog wil

zijn. Juist het grootsche in Willem is zeer goed geteekend, altijd

overwint hij, waarom dan ook nu niet tegen de Friezen! [Willem en

Adeelen.] En daarnaast staat Adeelen, die hem prikkelt en dwingt tot

den oorlog. Bewijzen hiervoor:

a. De eerste ontmoeting met den graaf, die als heer van Treslong staat

tusschen zijne Edelen en met wien Adeelen dadelijk woorden krijgt.

b. Adeelen en de andere Friezen zijn door dien grap geprikkeld,

zelfs zoo, dat de eerste de hand van den graaf weigert.

c. De aanspraak van de afgevaardigden tot den graaf, waarin ze hem

niet als hun heer erkennen. Willem heeft juist den hertogstitel

geweigerd, hij gevoelt zich almachtig en nu die weigering van den

kant der Friezen! Adeelen is 't weer, die den graaf prikkelt, door

deze weigering nog eens in scherpere bewoordingen te herhalen. "Vraag

geen onderwerping van een vrijen Fries."

d. De beleediging den Friezen en vooral Adeelen aangedaan door Madzy

heimelijk op 't bal te doen verschijnen.

e. Als gevolg hiervan de uitdaging door Adeelen gericht tot graaf

Willem.

f. Seerp kondigt den graaf zijn aanstaand huwelijk met Madzy Dekama

aan, juist op het oogenblik dat Willem tijding gekregen heeft

van moeilijkheden in Utrecht en dus in een opgewonden toestand

verkeert, waardoor eindelijk de bom losbarst. De graaf had Madzy

bestemd tot vrouw voor Deodaat, om zoodoende zelf vasten voet in

Friesland te krijgen en ziet nu door Adeelens optreden al zijn plannen

verijdeld. Hij behandelt de afgezanten zóó onheusch, dat ze onmogelijk

langer aan 't hof kunnen blijven, wat Willem hun den volgenden dag na

het tweegevecht dan ook onomwonden zegt. Zij moeten hem òf dadelijk

uit naam der Edelen en steden van Friesland als heer huldigen, òf

het hof verlaten. Het laatste geschiedt dan ook onmiddellijk.

[Aylva.] De wereldwijze edelman, die veel gezien en vooral veel geleden

heeft. (Het verijdelde huwelijk met Bianca di Salerno). Juist door

zijn vele reizen in zijn gezichtskring verwijd, is hij meer staatsman

geworden dan de meeste zijner landgenooten. Maar toch is hij een echte

Fries gebleven, die de eer van zijn land hoog zal houden. Dat blijkt

uit de wijze, waarop hij de onderhandelingen met Willem IV leidt,

uit zijn vastberaden optreden als door Adeelen alles bedorven is. Dan

zegt Aylva: "Graaf, het vrije volk van Friesland zou uwe Genade

met welgevallen tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar

het ontvangt van niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen

Heer".... Ook zijn strijd voor de vrijheid van zijn land, terwijl

zijn lichaam uitgeput is, getuigt van ongewone geestkracht en innige

liefde voor zijn geboortegrond.

[De Abt van St. Odulf.] Een bizonder mooi type en een echt komische

figuur! Hij meent alles te weten, veel hooger te staan dan anderen en

een volkomen zelfstandig mensch te zijn, terwijl hij geheel geleid

wordt door vader Syard. 't Leukst is dat hij Syard tracht voor te

stellen als een onbeteekenend persoon: "broeder Syard is een vroom

en getrouw man, die mijne bedoelingen en inzichten volkomen weet

te vatten." Als verdediger van Sint Odulf herwint de goedige abt

onze sympathie.

[Broeder Syard.] Een zeer belangrijke figuur is broeder Syard die zich

bescheiden op den achtergrond houdt, maar in werkelijkheid de leider

is. In St. Odulf is hij de alles regelende persoon, stilzwijgend

erkent iedereen zijn meerderheid en dat te liever, omdat hij steeds

even bescheiden en welwillend tegenover iedereen is. Zijn groote

gaven en 't belangrijke van zijn werken komt duidelijk aan 't licht

in den roman en vooral zijn verhouding tot den bisschop van Utrecht

is van gewicht. 't Aantrekkelijke in deze figuur is zijn groot doel:

het heil van Friesland. Hij wil een oorlog met Holland; "omdat alleen

die oorlog in staat is, de binnenlandsche beroeringen te doen ophouden

en de Friezen van 't juk van Holland te ontslaan." Enkele bewijzen voor

't gewicht van zijne handelingen:

[Invloed van Syard.] a. Hij tracht den oorlog te bewerken, tracht

samen te werken met Van Arkel en zoo een bondgenootschap tusschen de

Friezen en 't Sticht tot stand te brengen.

b. Hij is de man, die de aanspraak der gezanten tot Willem IV heeft

opgesteld, een aanspraak, waarin feitelijk geen beloften worden gedaan

en waardoor de graaf geprikkeld moet worden. Maar dat is juist het

doel van Syard, hij wìl immers den oorlog!

c. Hij stelt de uitdaging op voor Adeelen en helpt dus alweer om den

graaf te tergen.

d. Hij heeft de twisten in Friesland bijgelegd, in 't bizonder die

tusschen Adeelen en den abt van Lidlum, omdat hij niet wilde dat men

elkander verzwakte. Voor een strijd met Holland waren alle krachten

noodig!

e. Hij is de man, die de tijding in Friesland brengt, dat de sterke

grafelijke vloot in aantocht is. In plaats van naar Frankrijk zeilde

Graaf Willem naar Friesland.

f. Als in St. Odulf alles in de grootste verwarring is, weet broeder

Syard de orde te herstellen en 't klooster geruimen tijd tegen de

Hollanders te verdedigen.

g. Hij redt Deodaat met behulp van Reinout, als de Friesche abten en

edelen den ridder willen veroordeelen.

[Arkels invloed.] Arkel, de bisschop van Utrecht, is iedereen te

slim af, zelfs vader Syard. Graaf Willem trachtte in hem een geschikt

werktuig te vinden, maar blijkt zich geducht vergist te hebben.

a. Hij onderhandelt met vader Syard en hitst Adeelen op tegen den graaf

(hoofdstuk 12).

b. Door Barbanera, die in Arkels dienst is, tracht hij Willem en zijn

edelen te verontmoedigen (voorspellingen!). Als de graaf op zee is,

herinnert Arkel hem nogmaals aan 't orakel van den graaf van Gelder,

die gezegd had dat zijn petekind Willem IV eens door 't zwaard der

Friezen zou omkomen (hoofdstuk 32).

c. Hij benadeelt den graaf door een opstand in Utrecht te verwekken en

strijdt als onbekend ridder mee tegen de Hollanders. Als eindelijk de

burgers zich moeten overgeven, is hij als bisschop reeds aangekomen

in 't leger van Willem IV, zoodat hij de vruchten der overwinning

van den graaf mee kan plukken en meerdere macht in zijn bisdom weet

te verkrijgen.

d. Met den graaf zeilt hij mee naar Friesland, weet zooals we reeds

zagen zijn tegenstander eenigszins te ontmoedigen door hem aan de

voorspelling van Reinout van Gelder te herinneren, maar als bij toeval

weet hij zich gedurende den storm te verwijderen van de vloot en

"drijft af" naar Kuinre, zoodat hij in den strijd tusschen Willem

en de Friezen slechts toeschouwer behoeft te zijn en eerst partij

behoeft te kiezen als de beslissing al gevallen is.

e. Zoo weet hij ook uit deze gebeurtenissen partij te trekken: zoodra

er bericht komt, dat Willem gesneuveld is en de Hollanders zijn

geslagen, trekt hij als geestelijk vorst Friesland binnen, weet het

vertrouwen der Friezen door zijn tactvol optreden te winnen en zijn

macht onder de Friesche geestelijken te vergrooten. En terwijl hij

hier optreedt als vredevorst, ontstaat door zijn toedoen in Utrecht

een nieuwe opstand tegen Holland.

f. Zelfs de schrandere vader Syard wordt door van Arkel bedrogen en

door den bisschop op 't slot Nyenstein opgesloten.

g. Hij gebruikt Reinout als zijn werktuig, geeft hem den brief

waardoor Aylva hem als zoon zal moeten erkennen, in de hoop dat hij

(de bisschop) daardoor den steun der Friezen zal verkrijgen en deze

een leger tot ontzet van Utrecht zullen uitzenden (hoofdstuk 25).

h. Zooals reeds vermeld is staat ook Barbanera in dienst van den

bisschop, maar de laatste is ook zelfs den sluwen Italiaan veel te

slim af en weet dien op dezelfde wijze als vader Syard onschadelijk

te maken (hoofdstuk 22).

[Eigenaardige van de karakterteekening.] Nog enkele woorden over de

karakterteekening. Een bezwaar tegen Van Lenneps karakterteekening is,

dat hij meer typen dan werkelijke personen teekent, d. w. z. één

bepaalde eigenschap overheerscht alle andere en volgens deze

ééne eigenschap handelen ze voortdurend. Dit is geheel anders

dan men in 't dagelijksch leven kan opmerken; een mensch heeft

tal van karaktertrekken en juist door botsing van die verschillende

eigenschappen ontstaat een inwendige strijd die zijn daden bepaalt. Van

Lenneps personen zijn dus dikwijls gepersonifieerde eigenschappen,

wat in "de Roos van Dekama" al heel duidelijk aan 't licht treedt.

Deodaat en Madzy zijn steeds deugdzaam, Reinout is altijd

hartstochtelijk, Adeelen koppig en oploopend, Aylva is de wereldwijze,

Arkel verpersoonlijkt de slimheid, Syard de schranderheid en

onbaatzuchtigheid, abt Volkert de onbeduidendheid, Barbanera is altijd

gemeen en hebzuchtig.

[Het toeval in den roman.] 't Gevolg hiervan moet zijn, dat de

handelingen der verschillende personen niet altijd een uitvloeisel zijn

van hun karakter, maar te veel afhangen van toevallige omstandigheden,

zoo b.v. de verwijdering van Deodaat en Reinout. Beets heeft dus

wel gelijk, als hij beweert, dat in Van Lenneps roman meer actie dan

passie is. Het toeval speelt een te groote rol.

[Oordeel van Bakhuizen.] Bakhuizen van den Brink keurt het af

dat Van Lennep zijn stof heeft genomen uit de Middeleeuwen; de

Middeleeuwen immers zijn niet het meest belangrijke deel onzer

geschiedenis, ons land is geen land van ridders, maar van kooplui,

het is een burgerlijk land. Onze bloeitijd valt in de 17e eeuw, aan

dien tijd had de schrijver zijn stof moeten ontleenen. M.a.w. Van

Lenneps werk is niet nationaal genoeg. Volkomen in overeenstemming

hiermee zegt Potgieter in zijn kritieken: "Indien hij zich de helft

der studie, welke hij der Middeleeuwen wijdde, voor onze zeehelden,

onze wereldhandelaars, onze Staats- en Prinsgezinden getroost had,

hoeveel verdienstelijker zoude zijn populariteit, hoeveel duurzamer

de vermaardheid zijner verdiensten zijn." Bakhuizen wijst o. a. op

Claes Gerritz, den Haarlemschen Marktschrijver, die onder van Lenneps

handen een caricatuur geworden is, omdat hij altijd te pas en te

onpas met de stedelijke privilegiën aan komt dragen. En toch is

deze Claes Gerritz de vertegenwoordiger van de opkomende burgerij,

die stellig geheel anders behoorde geteekend te worden. Een bewijs,

hoe averechts Van Lennep de toestanden voorstelt. Tegen deze wijze

van kritiseeren is heel wat in te brengen. Wel degelijk is de 14e eeuw

in onze geschiedenis van veel beteekenis, 't is de tijd der Hoeksche

en Kabeljauwsche twisten, de strijd tusschen opkomende burgerij en

zinkende ridderschap. Maar die strijd had dan ook in den roman in een

helder licht moeten worden gesteld, in een historischen roman behoort

men de groote ideeën uit dien tijd terug te vinden. En nu is de groote

fout in "de Roos van Dekama", dat men totaal geen beeld krijgt van

den maatschappelijken toestand in dien tijd, wel treden vele personen

op, vooral edelen, maar de 14e eeuw leeft toch niet voor onze oogen,

zooals dat b.v. wel 't geval is met de 17e eeuw in Sinjeur Semeyns. De

roman is dus niet af te keuren omdat de greep niet gelukkig geweest

is, maar omdat er geen leven zit in het historische gedeelte.

[Strekking.] Eigenaardig is de strekking van den roman, die door

Van Lennep van 't slot aan zijn inleiding aangegeven wordt in de

woorden: "Wacht en stille sitt", m.a.w. men moet kalm afwachten,

lijdelijk toezien, dan zullen ons de rijke vruchten, als de tijd

dáár is, vanzelf in den schoot vallen. Op dit beginsel is de roman

gebouwd: Deodaat is in hoofdzaak passief, hij is gedurende een groot

deel van den roman, zooals we reeds boven hebben aangetoond, een

lijdelijk toeschouwer en toch wordt alles wat hij maar wenschen kon,

vervuld: hij wordt een machtig Friesch edelman en huwt Madzy. Reinout

daarentegen is de man van de daad, ziet alles mislukken, natuurlijk

omdat hij niet afwacht. Het is duidelijk, dat de roman geen bewijs

van de bedoelde stelling is: Van Lennep had alles heel goed anders

af kunnen laten loopen; bovendien anderen in dezen roman zijn

volstrekt geen "stilzitters" en ze bereikten toch hun doel. We denken

b.v. aan Van Arkel en broeder Syard. Maar zóo meende Van Lennep het

feitelijk ook niet; in zijn voorrede laat hij iets aan de stelling

voorafgaan, n.l. dat "degene, die zich laat overmeesteren door

eenige hartstocht, al ware die zelf uit zijn oorsprong te billijken,

altijd zal achterstaan bij hem, die uit welk beginsel dan ook, de

omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en,

gelijk de schrijver zich uitdrukt, van wien we ons motto ontleenen:

"Wacht en stille sitt." Hier staat dus niet, dat iemand die lijdelijk

toeziet alles vanzelf zal verwerven, maar dat men zijn tijd, het

gunstige oogenblik, moet afwachten en dit doet Arkel ook!

[Willem IV en Adeelen de hoofdpersonen.] Uit het bovenstaande vloeit

noodzakelijk voort, dat niet Madzy en Deodaat de hoofdpersonen kunnen

zijn, daarvoor zijn ze te veel passief. In 't eerste deel groepeert

zich alles om Graaf Willem IV en Seerp van Adeelen; we zien hun haat

steeds aangroeien en alles wijst er op, dat ten slotte een openlijke

breuk en hierdoor een oorlog moet ontstaan. Daarnaast is vooral

belangrijk de jaloezie van Reinout jegens Deodaat.

[Later Arkel.] In het tweede deel speelt Arkel de voornaamste rol,

Madzy wordt bijpersoon en Deodaat verliezen we geheel uit het oog,

totdat we hem even weerzien voor Utrecht en later in Friesland,

maar zonder dat hij eenigen invloed heeft op de handeling. Aan 't

slot treden weer Willem en Adeelen op den voorgrond, en na hun dood

zien we nogmaals den sluwen Arkel als overwinnaar. Als een soort

toegift volgt het slot van de geschiedenis van Deodaat en Madzy;

door het toeval en niet door Deodaat zelf zijn alle hinderpalen uit

den weg geruimd, zoodat thans de "stil-sitter" zijn loon kan ontvangen.

Men ziet, er zijn heel wat bezwaren in te brengen tegen Van Lenneps

werk en toch--zijn werk wordt gelezen en boeit dikwijls degenen, die

't in beginsel afkeuren. Dat komt door de eigenaardige verdiensten

van den schrijver:

[Boeiende roman.] 1. De intrigue is boeiend, men weet bijna nooit,

wat er komen zal en meent men eindelijk den draad gevonden te hebben,

dan komt er weer een nieuwe verwikkeling, waardoor alles geheel in

de war gebracht wordt. Zoo b.v. het optreden van twee Barbanera's,

de geheimzinnige verhouding tusschen Van Arkel en den Italiaan, de

verstandhouding tusschen Syard en den Bisschop, het ontvoeren van

Madzy door Van Arkel, het opsluiten van Syard en Barbanera.

[Van Lennep als verteller.] 2. Van Lennep schrijft gemakkelijk en

dikwijls geestig, zijn zin voor humor en leukheid trekt ons aan. Zijn

stijl is vaak los en natuurlijk, hoewel er in zijn dialogen soms

iets stijfs is, maar men moet niet vergeten, dat het werk in 1836

werd geschreven en als men Van Lenneps werk vergelijkt met het vele

deftige en onnatuurlijke dat in dien tijd geschreven werd, zal men

hem de minder gelukkige zinswendingen gaarne vergeven.

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 52 / 83 题