Om vorm en inhoud van dit gedicht goed te kunnen begrijpen moet men
vooral twee dingen in 't oog vatten, n.l.:
[Ontstaan.] 1. De eigenaardige wijze van ontstaan. Zooals bekend is,
werd Da Costa door den uitgever A. C. Kruseman uitgenoodigd om een
bijdrage te leveren voor de uitgave van de "Bijbelsche Vrouwen", een
reeks van gravures met dichterlijke bijschriften. De plaat, waarbij
Da Costa een gedicht zou schrijven stelde voor Hagar in de woestijn
(eerste uitdrijving, dus de aanstaande moeder van Ismaël). Van den
Bosch zegt van deze plaat in zijne uitgave (Zwolsche Herdrukken),
"'t Stelde een schoone jonge vrouw voor, tegen een schaars begroeiden
wal geleund, met wat woestijn tot achtergrond; in 't gebaar van 't
zijwaarts buigend hoofd en de langs het lijf uitgestrekte armen, met
de handen zijwaarts-af wijzend, in het gehééle gelaat in het mooie,
gloedvolle oog vooral ligt dit: "Mij rest niets meer, ze hebben mij
uitgeworpen, waar zal ik heengaan."
Juist het feit dat Da Costa geïnspireerd werd door deze plaat, dat
hij als 't ware gedurende zijn werk de gravure vóór zich had, is de
oorzaak van den eigenaardigen vorm welke 't gedicht kreeg. Vandaar
de telkens terugkeerende aanspreking: "de Moeder Ismaëls".
[Geloof van Da Costa.] 2. Het geloof en de levensbeschouwing van
Da Costa.
De dichter was een rechtzinnig Protestant en tevens een ijveraar
voor zijn geloof. Dat alles weerspiegelt zich in zijn gedicht; voor
eerst de heele beschouwing op geschiedkundig gebied, alles gebeurende
onder rechtstreeksche leiding van het Opperwezen (op dit punt komen
we uitvoeriger terug), maar ook zijn zienswijze met betrekking tot het
Katholicisme. Door de kruistochten zullen de Christenen de overwinning
niet op den Islam behalen, de tijden zijn nog niet rijp, hun geloof is
niet het ware. Het is de strijd van 't Bijgeloof (Het Katholicisme),
tegen het Wangeloof (De Islam).
Nog belangrijker dan dit alles is de verhouding van Da Costa tot het
Réveil, waarover een uitstekend opstel geschreven is door Den Hertog
in Noord en Zuid XVI, blz. 163-169. Vooral de aanhaling gedaan uit de
"Standaard" is van buitengewoon belang, omdat daardoor de geheele
levensbeschouwing van den dichter en de bouw van "Hagar" verklaard
worden. We zullen enkele regels die de kern van 't geheel vormen,
aanhalen. "Bilderdijks voorstelling, gelijk ze door Da Costa is
uitgewerkt, was meer apocalyptisch. De ontzettende gebeurtenissen,
die op het laatste der vorige en in het begin van deze eeuw
elkander opvolgden, hadden op de ernstige geesten uit dien tijd
een verpletterenden indruk gemaakt, en allengs een voorgevoel doen
ontwaken, dat de wereld ten einde liep. En nu scheen het aan de
geloofshelden uit die dagen toe, dat de ure gekomen was, waarin God
zelf zou opstaan, om door een werking van Zijn Heiligen Geest in alle
landen van Europa vooral de vorsten en Staatslieden en mannen van
invloed tot zijn Christus te bekeeren, en zoo de laatste worsteling
voor te bereiden."
[Duizendjarig rijk.] Dit is de sleutel van het werk van Da Costa. De
dichter geloofde dus in het zoogenaamde millennium of duizendjarig
rijk, en meende tevens aan de teekenen des tijds te zien, dat dit
rijk juist toen werd voorbereid en dus betrekkelijk spoedig zou
komen. Vandaar in vele zijner werken dat wijzen op de toekomst,
dat aanroepen van God: "kom Koning Jezus! kom, ja kom!" We wijzen
hier op den slotzang van de "Vijf en twintig jaren", op het laatste
gedeelte van "Wachter wat is er van den Nacht?" op de schildering
van het duizendjarig rijk in "Hagar", op de slotverzen van "1648 en
1848", van "Rouw en Trouw", op het motto van "de Chaos en het Licht",
op den slotzang van "de Slag bij Nieuwpoort".
Dat dit apocalyptische ook in "Hagar" de grondgedachte aangeeft,
als 't ware de kroon op 't geheele dichtstuk zet, zullen we straks
nader aangeven. Eerst willen we er nog op wijzen, dat Da Costa in
verschillende gebeurtenissen uit zijn tijd een rechtstreeks ingrijpen
van de godheid meende te zien. Vandaar een eenigszins lijdelijk
Christendom. "God werkte, wat zouden de menschen dan werken? Men had
slechts te bidden, te gehoorzamen." Vandaar ook, dat Potgieter in zijn
critiek op "1648 en 1848" zegt: "Laat ons er opregt voor uitkomen,
het staren op die toekomst ons in de drie laatste verzen van den heer
Da Costa met zoo gloeiende verwen afgemaald, bedreigt zijn ijverigste
pogingen met vruchteloosheid, slaat al zijne raadgevingen met den
vloek van het onbepaalde, en dreigt in een lijdelijk Christendom
gaven en krachten te verteeren, aan wier degelijke werking ons arm
vaderland meer dan ooit behoefte heeft."
Ditzelfde beginsel komt duidelijk aan 't licht in de "Hagar", als Da
Costa over de kruistochten schrijft: de tochten mislukten, omdat ze
plaats hebben "vóór 't rijpen van Gods tijden" (vgl. vs. 269). God
alleen kan de zege behalen, niet de mensch ("noch wacht triumfen,
die alleen Gods waarheid kan behalen").
Na deze inleidende woorden, die ons straks van veel dienst zullen zijn,
willen we de compositie van het gedicht nagaan.
[Grondgedachte van het gedicht.] Niet de eenvoudige geschiedenis
van de Egyptische slavin bezielde Da Costa, hij vatte zijn taak veel
ruimer op, het onderwerp van zijn gedicht werd: de strijd tusschen
het Christendom en den Islam.
Dit behoort nader aangetoond te worden. De oorsprong van den strijd is
de twist tusschen de beide stammoeders Sara en Hagar. Veertien jaren
later "herhaalt de moederzonde zich": Ismaël werpt spottende blikken op
den zuigeling Izaäk, de strijd tusschen de beide broeders begint. Dan
komt de groote uitbreiding van Ismaëls geslacht, "wiens hand is tegen
allen", hun voortdurende krijg tegen de Christenen. En ze winnen veld,
hun hoogtepunt bereiken ze in 't Westersch Khalifaat (Spanje). Maar
daarop volgt het langzame terugdringen door hun tegenstanders: eerst
Karel Martel, die de Saracenen slaat bij Poitiers, dan de wel-is-waar
mislukte kruistochten, maar die toch voor de Christenen groote en
zegenrijke gevolgen hebben, waardoor ze nieuwe krachten verzamelen voor
een volgenden aanval, en ten slotte het merkbare verval der Turksche
heerschappij: de slag bij Navarino, de bevrijding van Griekenland
en bovenal het Westersch worden van den Turk. De teekenen wijzen er
dus op: "de Halvemaan gaat onder!" en nu gaat Da Costa nog een stap
verder: ten slotte zal "Ismaël den schedel diep buigen, En van zijns
broeders eer, verrukt van zin, getuigen," dus: eindelijk zal de Islam
opgelost worden in het Christendom. En dàn komt:
"de tijd van groote schuldvergeving,
Van voor geheel deze aard volzalige herleving."
Men ziet het duizendjarig rijk bekroont de geheele Hagar, dat is weer
het slot van Da Costa's voorstelling.
De grondgedachte van 't gedicht kan men derhalve ook samenvatten in
eene vergelijking, n.l. deze: gelijk Hagar zich vernederde voor Sara,
zoo zal ook God het hart van Ismaël bewegen en hem doen terugkeeren
tot Izaäk (Ismaël = de Islam, Izaäk = het Christendom).
In verband hiermee is ééne opmerking te maken, nl. deze, dat het
gedicht volgens bovengenoemde beschouwing had moeten besloten
worden met de schildering van het millennium--de beschrijving van
de terugkeerende Hagar werkt nu eenigszins storend en belemmert het
overzicht over 't geheel. Waarschijnlijk is dit laatste gedeelte
ontstaan, doordat Da Costa zich nog niet geheel los heeft gemaakt
van de gravure; toen zijn gedicht feitelijk af was, zag hij nog eens
naar de plaat, en herinnerde zich dat hij zijn taak niet heelemaal
volgens afspraak had volbracht: hij zou immers een bijschrift
leveren. Vandaar het aanhangsel. Deze hypothese vindt steun in den
vorm van dat laatste deel:
De moeder Ismaëls!
Op u een laatsten blik!
Is 't niet, alsof de dichter ook een laatsten blik op de gravure
werpt?--In elk geval is 't zeer juist gezien de terugkeerende Hagar
te beschrijven, "die op weg is om zich te vernederen voor Sara,
en zoodoende een begin makende met de uitvoering van Gods wereldplan."
[Schema.] Voor de duidelijkheid geven we thans nog een klein overzicht
van het gedicht:
a. Strijd tusschen Sara en Hagar. Eerste uitdrijving.
b. Strijd tusschen Izaäk en Ismaël. Tweede uitdrijving.
c. Opkomst en bloei van den Islam.
d. Langzaam terugdringen door het Christendom.
e. Overwinning der Christenen (duizendjarig rijk).
f. Aanhangsel (de terugkeerende Hagar).
[Belangrijke stof voor Da Costa.] Uit het geheele gedicht blijkt
dat Da Costa de Hagar met bezieling, met vuur heeft geschreven,
een bewijs, dat de stof hem heeft geïnspireerd. En geen wonder! De
stof was voor hem belangrijk: 't was niet de eenvoudige uitdrijving
van eene slavin, maar een stuk wereldgeschiedenis, waarin duidelijk
het bestuur van de Almacht uitkomt. En bovendien, de dichter werd
door dit alles gesterkt in zijn godsdienstige overtuiging, in het
geloof aan de trouw van zijn God. Wat God heeft beloofd, volbrengt
Hij! Juist dat blijkt duidelijk uit de Hagar:
"God heeft een woord gesproken!
Geen stofken heeft er ooit bij de uitkomst aan ontbroken."
[Vertrouwen op God.] Maar er is nog iets, waardoor de dichter in zijn
geloof wordt versterkt: hij meent uit de gebeurtenissen van zijn
eigen tijd op te merken, dat Gods beloften steeds meer en meer in
vervulling gaan. Eens zal Ismaël den schedel diep buigen voor Izaäk,
zijn broeder, eens zal de Islam onderdoen voor het Kruis en ziet:
"de dag bevestigt aan den dag,
Wat Navarino eens met luid kanongedonder
Aan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder."
En nu redeneert Da Costa aldus:
God heeft steeds zijn woord gehouden, veel van 't geen Hij beloofd
heeft, is reeds in vervulling gegaan; de beloften welke nog niet
vervuld zijn, zullen in de toekomst tot werkelijkheid worden. Het
duizendjarig rijk is beloofd, dus zal het eens ook komen. (Vgl. regel
308: "Wat tijden, vast voorzegd, van groote schuldvergeving.")
[Schoonheden van het gedicht.] Thans willen we wijzen op enkele
détail-schoonheden van het dichtwerk.
a. Beschrijving van den woestijn.
Hierin treft ons vooral het aanschouwelijke.--"Wij zien en ons schroeit
de woestijn," zegt Potgieter ervan in zijn "Isaac Da Costa."
b. Schildering van Hagar in de woestenij.
"'t Penseel wijkt beschaamd voor uw schildring van smarte."
We halen weer denzelfden bevoegden rechter van zoo even aan. Vooral
de inwendige strijd, de strijd tusschen hoogmoed en berouw, is in
enkele woorden prachtig geteekend.
"-- -- -- -- -- -- Slechts éen vrouw,
Met fierheid, diep verneerd, in 't oog,--met naberouw
En kommer in de ziel, diep in die ziel bestreden,--
Richt op den sombren weg haar ongewisse schreden."
c. Herhaling van de moederzonde door Ismaël en de tweede uitdrijving.
Uit dit gedeelte zijn vooral bekend de beroemde beschrijvingen van de
kameel en het ros. Men heeft wel eens beweerd, dat deze beschrijvingen
niet in 't verband passen, dus een hors d'oeuvre zijn. Ze zijn
evenwel zeer goed te verdedigen: Ismaël zal geheel alleen staan,
zijn hand zal zijn tegen allen, geen menschelijken bondgenoot zal
hij hebben. En nu de tegenstelling: slechts twee dieren zullen hem
hunne diensten aanbieden: zijn kemel en zijn ros. De diensten welke
zij Ismaël bewijzen, hun trouw aan den meester, dat alles is zeker
niet misplaatst.
Op één minder gelukkig beeld in deze beschrijving willen we hier
wijzen: op den kameel, die "zijn ruiter knielend afwerpt en weer
opvangt"
d. De uitbreiding van den Islam.
Hier wijzen we enkele bizonder fraai gekozen beelden aan.
110 "'t Schiereiland goot hen uit."--Dit geeft zeer juist aan de
groote massa die zich dadelijk over geheel de aarde verbreidde. Het
onweerstaanbare voelen we in: "Of zoo zich de Oceaan een baan veegt
door de dijken." Vooral regel 115 is zeer fraai: de hoogten (bergen)
zich bewust van hunne kracht, probeeren te weerstaan, de glooiing
(een veel zwakkere dijk!) tracht slechts te weerhouden. Zoo zijn er
in dit gedeelte nog tal van goed gekozen beelden: tracht zelf enkele
daarvan te vinden, 't Is eene uitstekende oefening, omdat men dan
't beeld als 't ware zelf nog eens geheel doet ontstaan en dus de
rechte waarde er van begint te voelen.
Nog dient gelet op de talrijke imperatieven welke in dit gedeelte
voorkomen, en die door hun gebiedenden vorm zoo juist aangeven het
onweerstaanbare in den aanval der Moslims. "Buig Syrier!" "Torsch den
last der Oostersche moskeeën!" "Zink onredbaar, Oosterchristenheid!"
e. Beschrijving van Mohammed.
Da Costa zegt veel goeds van dezen profeet. Lees daarvoor vers 161-186.
a. Mohammed was een dichter.
b. Hij was zeer godsdienstig.
c. Hij had eerbied voor de vroegere profeten, en bovenal voor Jezus.
d. Een voorbereider van betere tijden, doordat hij zijn eigen tijd
hervormt.
e. Hij bedriegt zichzelf; is derhalve niet iemand, die geheel
verantwoordelijk is voor het verkeerde dat hij doet; er is geen opzet
in 't spel. Zijn handelingen zijn niet goed, maar verschoonbaar.
f. De schildering van het Westersch Khalifaat.
Dit gedeelte munt uit door bizondere schoonheid en geen wonder,
Da Costa moest het hoogtepunt van den Islam voorstellen als iets
buitengewoons. We trekken immers onwillekeurig de conclusie: hoe
schoon moet het duizendjarig rijk zijn dat den bloeitijd van het
Mohammedaansche rijk verre overtreft.
Hoe dichterlijk is de vergelijking aan 't slot:
"De Christenvolken slapen
Hun middeleeuwschen slaap. 't Is nacht. Maar juist die nacht
Beheerscht de Halvemaan met heel haar sterrenwacht."
g. Beschrijving der Kruistochten.
Op de kern van dit gedeelte is zoo even reeds gewezen: de oorzaak van
't mislukken der kruistochten. We willen thans alleen wijzen op de
meesterlijke wijze, waarop Da Costa de gevolgen van deze tochten in
enkele regels aangeeft:
"Der talen sleutel weêr--, de Drukkunst uitgevonden,
De Schrift der waarheid van haar windselen ontbonden,
Het Woord des levens op het aardrijk wijd verspreid,
Van 't aardrijk te gelijk de grenzen uitgebreid."
h. De beschrijving van 't Duizendjarig Rijk.
De beteekenis hiervan is boven eveneens reeds in hoofdzaken
uiteengezet; nu nog een enkele opmerking. Da Costa zegt dat
"Ismaël eens diep den schedel zal buigen voor Izaäk" en brengt dan
twee bewijzen aan, waaruit blijkt dat de Arabieren in den loop der
tijden bewezen hebben zich aan de nakomelingen van Izaäk te willen
onderwerpen: het bezoek der Koningin van Scheba aan Salomo, en de
huldiging van 't kind Jezus door de drie Koningen.
Let ten slotte op de woordkeuze in 't laatste gedeelte: de dichter
geraakt zoo in extase, dat hij zijn gedachten niet meer geregeld kan
uitdrukken, hij doet het in onvolledige, afgebroken zinnen.
i. De bekeerde Hagar.
Ook de trotsche Hagar vernederde zich eindelijk. God sprak tot haar:
"de hoogten vielen neer" en voor Sara's voet ging zij haar "dwazen
trots bekennen."
[Critiek van Potgieter.] Men leze nu de onderstaande verzen, door
Potgieter in zijn "Isaäc Da Costa" aan Hagar gewijd en merke op,
hoe juist deze dichter en criticus de hoofdbedoeling van 't gedicht
heeft aangegeven.
"O Zoon van het Oost, die de zengende stralen
Gebiedt, en wij zien en ons schroeit de woestijn,--
Wat weelde met Ismaëls moeder te dwalen,
Die moeder van tallooze volken zal zijn!
't Penseel wijkt beschaamd voor uw schild'ring van smarte,
Geen beitel, die treffender boetlinge geeft,
En tusschen die beide, voor hoofd en voor harte,
Wat hymne, die de eeuwen verklarend doorzweeft!