"Gehuld in Sint Franciscus dos,
Zat, die eens wandlen moest, parmantig op een ros,
En spaarde dus bij 't Missiewerk zijn beenen."
Dit zegt Staring ons van vriend Jaromir: we weten dus, dat de volgeling
van den Heiligen Franciscus, die naar 't voorbeeld van den stichter
zijner orde in armoede als een bedelmonnik had behooren te leven,
te paard gaat rijden, zich fraai gaat kleeden (dos!), en zelfs geheel
anders dan de nederige Franciscus zich verhoovaardigt op zijn positie.
3. Hij heeft de menschen weten te bedriegen: iedereen ziet in hem
een Heilige, men noemt hem zelfs zoo ... maar het volgende vers
"De Biechtstoel, die zijn heersch- gelijk zijn hebzucht paait!"
licht ons wel anders in; de pater gebruikt zijn macht voor allesbehalve
heilige en vrome doeleinden. Hij weet door middel van de biecht invloed
uit te oefenen op hen die om vergiffenis van zonden smeeken, grijpt
deze gelegenheid zelfs aan om zich te verrijken! Wel is het noodig,
dat zoo iemand eenigen tijd aan de verleidingen van den Booze wordt
blootgesteld, een zoodanige herder zal gemakkelijk zelf dolen en eerst
na vele beproevingen weer op het rechte pad terug kunnen keeren. Het
is van Staring dus goed gezien deze slechte eigenschappen aan den
pater toe te kennen, juist daardoor wordt zijn val gemotiveerd.
4. In Jaromir te Zutfen blijkt nogmaals dat onze held zijn "gezonde"
maag heeft behouden; ga zelf na hoe deze hem ten val brengt. Let ook
op het gebruik van de uitdrukking "zijn tanden waatren!" (vs 70)--net
iets voor den lekkerbek Jaromir.
5. Een andere uitdrukking uit dit gedeelte bewijst, dat onze pater
als student niet hard heeft gewerkt, en later als priester niet
heel ijverig geweest is om 't vroeger verzuimde in te halen: Jaromir
"poogt zich te bezinnen op 't kwaad latijn!"
6. Eindelijk komt er een einde aan Jaromirs lijden: hij heeft geboet
voor zijne zonden--en ze waren vele! zooals we gezien hebben--maar
zijn berouw is oprecht gemeend. En nu kent hij Latijn ook!
[Eigenschappen van Staring als dichter.] Thans wenschen we aan de
hand van dit gedicht de voornaamste eigenschappen van den dichter
Staring na te gaan.
[Fantasie.] I. Zijn vindingrijkheid, fantasie en scheppingskracht,
welke gebleken zijn uit het feit, dat Staring uit zoo beperkte gegevens
een keurig, logisch geheel als de Jaromir wist samen te stellen.
[Geestigheid.] II. Zijn geestigheid. Hiervan zijn tal van voorbeelden
bij te brengen; we zullen er uit elk der vier gedeelten een paar geven.
Uit Jaromir te Praag:
a. "'t Gordijn viel neder" (vers 63). Een woordspeling: 't gordijn valt
neer, omdat de eerste helft van de klucht afgespeeld is, en bovendien:
Jaromir springt te kooi en laat het gordijn neervallen.
b. De vrees van den waard had "dubbelen grond": Jochem was aan den
haal gegaan omdat hij één paardepoot zag, zijn baas zag er dubbel
zooveel: twee!
c. De invalide, die nergens bang voor is, strijkt voor hij de kamer
binnengaat, zelfbewust zijn knevels op, maar zoodra hij bij de twee
hoeven nog een kwispelenden staart ziet, "rijst zijn kuif zonder
strijken!"
Uit Jaromir te Lochem.
a. De komische figuur van den hoogmoedigen priester, zijn deftig
uiterlijk, zijn zelfbewust optreden en dan vooral de overdrijving in
de voorstelling van 't bedrevene (vers 57-59).
b. "Wat hòòg steeg, zal te làger zinken!" (vers 74) zegt Jaromir van
de klokken en nu laat Staring dezen vloek letterlijk in vervulling
gaan. Vooral 't "lager zinken" van de klepels, juist op "den
platgeschoren bol" van den pater, is zeer komisch.
c. De echt leuke uitdrukking: "Wie scherp van oor is, hoort ze brommen"
(vs. 100) dus.... als iemand niets hoort, is dit nog volstrekt geen
bewijs, dat Staring onwaarheid heeft gesproken; degene die 't zegt,
is alleen wat doof!
Uit Jaromir te Zutfen.
a. De pater roept "met ontplooiden mond" (vers 19), dit geeft teekenend
weer hoe de deftige plooi in Jaromirs gelaat voor iets anders heeft
plaats gemaakt.
b. "Een arm--een been, dat aanvangt zich te rekken," echt
aanschouwelijke voorstelling, dat de "levensvonk het lichaam nog niet
ontsnapt is." (vs 32).
c. De wijze waarop Jaromir gedwongen wordt het hoen op te peuzelen. Ga
dat gedeelte eens precies na en tracht het u zoo aanschouwelijk
mogelijk voor te stellen.
Uit Jaromir Gewroken.
a. De wijze waarop het herstel van den uitgevasten priester wordt
voorgesteld, bv. het "uit de plooien zwellen van den buik ten
statelijken cirkel" (vs. 32).
b. De komische verbinding: bluts en lauwerkrans (vs. 40-42).
c. De bezeten monnik, die "Maria niet groet," maar "Ave, ave, Leonore"
uitgalmt.
d. De zingende kapelaan, die rondzwerft gevolgd door een troepje
meeblèrende jongens! Echt aanschouwelijk.
[Kernachtigheid.] III. De kernachtigheid van Staring.
Nooit is zijn verhaal gerekt, alles is even bondig. "Staring herhaalt
nooit", zei eens Potgieter en stelde hem daarom aan jonge dichters
ten voorbeeld. Staring zelf had in dezen vooral Horatius en onzen
pittigen Huygens tot leermeesters gekozen. Het is niet noodig
hier de kernachtigheid van den dichter te bewijzen, omdat ieder
dit onmiddellijk bij lezing van Starings werken zelf gevoelt. Als
voorbeeld wijzen we op Jaromir te Praag, vers 48-68; alles volgt hier
vlug zonder onnoodige uitweidingen of afdwalingen op elkaar.
Maar deze goede eigenschap kan worden tot een slechte: duisterheid,
en die treffen we bij Staring dan ook vrij vaak aan, hoewel niet zoo
dikwijls als bij z'n leermeester Huygens. "Starings verzen zijn geen
muziek om van 't blad te spelen," zei Beets, en Potgieter beweert
hetzelfde in andere bewoordingen: "Staring rekent op een denkend
publiek." Maar niet alleen denken is noodig--dat zou 't ergste niet
zijn!--doch ook vrij veel kennis van allerlei bizonderheden. We wijzen
b.v. in Jaromir te Lochem op vs. 33-38. Niemand zal, al is hij nog
zoo scherpzinnig, deze regels goed kunnen verklaren, indien hij niet
met het feit bekend is dat de kans door de ouden voorgesteld werd als
een persoon met een kaal achterhoofd en een vlecht haar van voren:
was hij dus maar even voorbij, dan waren alle pogingen om hem te
grijpen vruchteloos; alleen op het juiste oogenblik kan men hem bij
de vlecht pakken.
Zoo ook Jaromir te Zutfen, regel 46-49. Hiervoor moet men weten:
a. Dat te Zutfen in het "Kerkgewelf" een groote bibliotheek bestaat
waar de boeken aan kettingen liggen.
b. Dat in de "grafcel te Bremen" de lijken niet vergaan, en dat deze
grafcel daardoor groote vermaardheid heeft.
c. Dat de zeegod Proteus alleen tot profeteeren was te dwingen,
indien men hem eerst ketende. Evenals hij gaven de boeken te Zutfen,
"de wijsheid", geketend antwoord.
[Keurigheid.] IV. De keurigheid van stijl.
Behalve uit het gedicht zelf, blijkt het vooral uit de veranderingen,
die Staring later zelf heeft aangebracht. (In de uitgave der
Zwolsche Herdrukken staan de varianten aan den voet der bladzijden
opgegeven.) We zullen enkele hiervan nagaan.
Jaromir te Praag, vers 3. De oude lezing is: "aan Karels School
te Praag Sinds lang vergeten", de nieuwe heeft in plaats daarvan:
"voor twee paar eeuwen". De verbetering springt in 't oog:
1. "Sints lang vergeten" is fout: de school bestaat nog en verkeert
in bloeienden toestand.
2. "Voor twee paar eeuwen" geeft bovendien ongeveer aan in welken
tijd we het verhaal moeten plaatsen.
Jaromir te Praag, vers 35. Eerst stond er: "Hier viel thans Jaromir"
enz. Dit werd veranderd in 't veel meer aanschouwelijke: valt.
Hetzelfde gedeelte vers 78. Jochem sprak eerst van "een paardenpoot,
dikker vast dan hier mijn lijf," maar die dikte was 't niet, wat den
knecht zoo in 't oog gevallen was--"een paardenpoot met lange, zwarte
haren!" dat was 't, wat hem een doodschrik op 't lijf gejaagd had.
Jaromir te Lochem vers 1-4.
"Vriend Lezer, kent gij ook een zeekren Jaromir?
Gij kondt, ik stem het toe, een beetre kennis maken:
Intusschen waar 't me lief, en 'k onderstel het hier,
Om van een voorrede af te raken."
dit schreef Staring eerst. Hoeveel beter zijn de verzen zooals wij
ze nu kennen, en vooral, thans geven ze juist de bedoeling van den
dichter weer, n.l. dat het eerste gedeelte moest dienen tot inleiding
van de drie laatste: "En heb een naam, waaraan 't geen volgt, is vast
te haken."
[Contact met den lezer.] V. Staring is telkens in contact met zijn
lezers, beschouwt ze meer als zijn hoorders, spreekt met hen en
laat omgekeerd ook zijn lezers dikwijls iets in 't midden brengen,
om daarop dan zelf weer te kunnen repliceeren.
a. Jaromir te Praag, vers 42. "Wat vond hij dan?" Dat is een vraag,
welke de lezers die meeleven in 't verhaal, aan Staring stellen en
waarop deze dadelijk antwoordt. 't Is duidelijk dat de levendigheid
van 't verhaal hierdoor verhoogd wordt.
b. Jaromir te Lochem, vers 1-4. Deze verzen zijn boven reeds besproken;
we merkten echter terloops op, dat juist aan 't begin en aan 't einde
van een gedeelte Staring zijn lezers in 't verhaal betrekt. 't Is voor
hem dikwijls een middel om weer "op gang" of "aan den slag" te komen.
c. Jaromir te Zutphen, vers 1-13. Deze aanhaling bevestigt de juistheid
van 't geen zooeven beweerd is. Ook hier weer 't begin van een nieuw
gedeelte; aan 't einde hiervan (vers 150-151) worden de lezers opnieuw
aangesproken en eveneens aan 't begin van Jaromir Gewroken vs. 1.
Heel eigenaardig klinken soms de enkele vragen, die de lezer plotseling
doet, b.v. Jaromir te Zutfen vs. 118-119
"Maar zijn die sleutels min dan klepels kerkengoed?
En waarom die genaast, en deze weggesmeten?"
en vooral Jaromir Gewroken vs. 156
"En nu de kapellaan?"
[Punctuatie.] VI. Staring gebruikt eene eigen punctuatie, geheel
afwijkend van 't gebruik der leesteekens bij andere schrijvers. We
wijzen hier slechts op enkele eigenaardigheden, omdat ieder lezer
dit punt gemakkelijk zelf kan nagaan. Puntkomma's worden zeer veel
gebruikt en hebben ongeveer dezelfde waarde als bij andere schrijvers
een punt, meestal dienen ze om aan te wijzen dat een gedeelte feitelijk
als één geheel beschouwd moet worden.
De dubbele punt wordt eveneens veel gebruikt en geeft meestal te
kennen dat er tusschen beide gedeelten een oorzakelijk verband bestaat;
dikwijls vervangt de dubbele punt bij Staring het voegwoord.
Het uitroepteeken is een waarschuwingsteeken en komt dus veel overeen
met de dubbele punt: 't is "let op, hier bedoel ik iets bizonders mee,
lees er niet overheen!" Zoo b.v. Jaromir te Praag vers 86: "'t Had
dubbelen grond!" de waard zag immers niet één, maar twee hoeven.
De aanhalingsteekens dienen dikwijls om den lezer sprekende te
laten optreden en juist daardoor wordt Staring in staat gesteld,
dat kort en kernachtig te doen. 't Is een vraag, die te midden van
't verhaal den verteller plotseling door een belangstellende gedaan
wordt, b.v. Jaromir Gewroken vs. 156 "En na de Kapellaan?"
Ook verschillende lettersoorten roept Staring te hulp om zijn lezers
iets duidelijk onder 't oog te brengen. Woorden die van buitengewoon
belang zijn, krijgen een anderen druk, b.v. Jaromir te Lochem vers
26 en 28, omdat daarin de kern van 't heele verhaal aan 't licht komt.
Heel vaak worden woorden die eene tegenstelling vormen, met een
bizondere letter aangegeven, b.v. Jaromir te Praag, vs. 4-5, gezonde
maag, zieke beurs; vs. 55 en 57: loon en dienstbewijs.
Hoofdletters worden eveneens tot dit doel aangewend: ieder woord
dat bizonder de aandacht behoort te trekken, krijgt bij Staring een
hoofdletter. We behoeven hiervan zeker geen voorbeelden te geven,
iedere lezer bemerkt dit zelf dadelijk.