SAARTJE BURGERHART.

[Doel.] In de voorrede aan de "Nederlandsche Juffers" geven de

schrijfsters het doel van haar roman aan, ze hopen aan te tonen, "dat

een overmaat van leventigheid, en eene daaruit ontstaande sterke drift

tot verstrooiende vermaken, door de Mode en de Luxe gewettigd, de beste

meisjes meermaal in gevaar brengen, om in de allerdroevigste rampen

te storten." Tevens zullen ze in 't licht stellen, dat dergelijke

meisjes de leiding noodig hebben van "vrouwen, die voorzichtigheid aan

minzaamheid, en goedhartigheid aan eene beredeneerde onverzettelijkheid

verbinden." (Men zie de voorrede blz. XXXIV). Dat juist Betje Wolff

een dergelijke geschiedenis schrijft is heel natuurlijk, daar zij als

jong meisje bijna door een schurk, den vaandrig Gargon, ongelukkig was

geworden; de historie van Saartje bevat dan ook heel wat herinneringen

aan Betje's eigen leven; ook zij was iemand met "een overmaat van

levendigheid en met een sterke drift tot verstrooiende vermaken!"

[Briefvorm.] De schrijfsters hebben als kunstvorm gekozen den roman

in brieven, een modevorm in dien tijd, maar die tevens voor haar

doel uitstekend geschikt was. Zij wilden immers vooral het innerlijk

leven van de personen schilderen, en daarvoor leent zich de briefvorm

zeer goed. In brieven aan hunne vrienden of vriendinnen leggen de

verschillende personen hun intiemste zieleleven bloot en geven de

drijfveeren aan voor hunne handelingen. De briefvorm is dus bij

uitstek geschikt om de karakters goed te doen uitkomen. Hetzelfde

kan gezegd worden van den "dagboekvorm" die in de laatste jaren nogal

eens gebruikt wordt.

[Oorspronkelijkheid.] Bovendien wilden de schrijfsters een echt

Nederlandschen roman leveren, ieder volk heeft iets eigenaardigs, moet

dus ook eigen schrijvers hebben. Vertaalde werken kunnen uitstekend

zijn en dienen vooral om den letterkundigen smaak van een volk te

verbeteren, maar een hoogstaand landgenoot kan nog méer geven, omdat

hij de eigenaardigheden van zijn volk kent. (Zie vooral de voorrede

blz. XXXII-XXXIII).

Het "niet vertaalt" op 't titelblad wijst dus op een bepaald beginsel.

Bespreking van de verschillende personen.

[Saartje.] Het streven der schrijfsters moet in de eerste plaats

zijn bij ons sympathie te wekken voor dat meisje; gebeurde dit niet,

dan zullen we in haar lotgevallen weinig belang stellen en een

mogelijk ongeluk van Saartje zou ons vrijwel koud laten. Maar al

dadelijk voelen wij voor haar sympathie, vooreerst om haar karakter

en dan wegens de treurige omstandigheden, waarin zij geplaatst is:

Saartje is ouderloos, woont bij een gierige, kwezelachtige tante,

die haar infaam behandelt, en de eenige die haar zou kunnen helpen,

de voogd Abraham Blankaert, is ver weg, in Parijs.

Bijna niemand zou 't bij tante Hofland uitgehouden hebben en Saartje

wel 't allerminst. Haar voornaamste eigenschap is levenslust, ze is

een jong, vroolijk, elegant meisje, dat zich graag smaakvol kleedt,

veel houdt van muziek, en van 't leven wil genieten. Lief hebben wil

ze en geliefd worden, maar bij tante Hofland is geen liefde! Haar

goed hart leeren we kennen, als de weduwe Spilgoed ernstig ziek wordt,

dan verpleegt Saartje haar. En gevoelig is ze: men leze hare brieven

aan Anna Willis (13e en 63e brief).

't Is dan ook heel natuurlijk dat dit meisje 't huis van haar

tante ontvlucht. Maar de verandering is te groot om geen schade te

veroorzaken! Bij tante niet de minste vrijheid en nu plotseling te

veel. De weduwe Spilgoed heeft immers feitelijk niets te zeggen over

Saartje, ze is de houdster van een pension: de dames zijn volkomen

vrij. Vandaar ook de waarschuwing van de verstandige Anna Willis:

"zal uwe ziel, die smacht naar zinnelijke vermaken, en die daaraan

zoo lang gebrek geleden heeft, zich niet, bij de ruime en keurige

opdissching daarvan, overladen?" Saartje zelf ziet er niet het minste

kwaad in, haar eenig doel is: een weinig van 't leven te genieten;

"als de kring afgeloopen is", zal ze wel tot rust komen. Maar dat is

niet het geval: juist deze voortdurende vermaken wakkeren haren lust

tot uitspanningen aan, zoodat ze ten slotte heel anders leeft dan ze

zelf wil. Daarom hebben de woorden van Anna Willis en van de weduwe

Spilgoed geen voldoende uitwerking, en is er een harde les noodig,

die haar de oogen opent en voor vallen behoedt.

Die les is 't geval met den verleider. "Dat het meisje gelukkig ter

plaatse harer bestemming geraakt is dus zuiver toeval" (vgl. vooral de

voorrede blz. XXXIV-XXXV). Zoo bewijzen de schrijfsters door Saartjes

geschiedenis, dat de bescherming van een liefdevolle verstandige

moeder voor jonge meisjes noodzakelijk is.

[De weduwe Spilgoed.] De weduwe Spilgoed wordt ons geschilderd als een

"engelachtige vrouw", van wie iedereen met lof spreekt, maar ze heeft

over Saartje niet het gezag dat een moeder heeft, en kan haar dus niet

voldoende beschermen. Het te veel uitgaan van het meisje keurt ze niet

goed, ook niet den omgang met den heer R., maar ze heeft niet de macht

om aan dat alles een einde te maken. Hoewel ze niets weet ten nadeele

van den verleider, is er toch iets in hem wat haar wantrouwend maakt,

waarom ze dan ook Saartje vergezelt naar den schouwburg, zoodat het

plan van R. voorloopig verijdeld wordt. Trouwens haar eigen vroeger

leven is een voortdurende waarschuwing voor de jonge meisjes: zij

was door onnadenkendheid en door de domheid harer ouders ongelukkig

geworden.

[De weduwe Willis.] Naast deze dame leeren we een andere verstandige

vrouw kennen, die hare kinderen uitstekend opvoedt, nl. de weduwe

Willis. Vooral hare houding tegenover haren zoon Willem, die Saartje

lief heeft en haar tot vrouw wenscht, geeft blijk van haar helder

oordeel. Saartje en Willem moeten niet huwen en zullen onmogelijk

gelukkig kunnen worden, ze passen niet bij elkaar. Liever wil ze

haar zoon een voorbijgaand verdriet aandoen, dan hem voor altijd

ongelukkig maken.

[Anna Willis.] De waardige dochter dezer verstandige moeder is Anna

Willis, maar toch heeft deze jonge dame niet onze volle sympathie. En

dat niet zoo zeer, omdat ze voor hare jaren wat onnatuurlijk wijs

en deftig is, maar vooral, omdat ze zich op hare braafheid laat

voorstaan. Dat blijkt uit hare houding tegenover Saartje: breed

worden de slechte handelingen van de laatste uitgemeten, terwijl

aan Anna zelf niets dan goed is. Hier geldt weer 't spreekwoord van

den splinter en den balk! Juist door deze eigenaardigheid van Anna

ontstaat zelfs een vrij ernstige verwijdering tusschen haar en Saartje

(58e en 63e brief). De "ontdekkende predikatiën" van Saartje hebben

blijkbaar een goeden invloed op 't hart van hare vriendin.

[Letje Bruinier.] Een geheel ander meisje is Letje Bruinier, zij

is meer iemand als Saartje, ook ouderloos, ook als deze eenigszins

"luchtig", maar ze is veel oppervlakkiger. Gelukkig voor haar dat ze in

aanraking komt met Saartje, van wie ze heel wat leert. Zoo wordt ook

dit meisje ten slotte nog een geschikte vrouw voor den goedhartigen

Willem Willis en later eene degelijke huismoeder.

[Abraham Blankaert.] Abraham Blankaert is 't type van den eerlijken,

ronden koopman die 't leven van den vroolijken kant opvat en met

een krachtigen wil alle bezwaren weet te overwinnen. Waar hij komt,

vluchten de zorgen. Mooi praten geeft niet veel bij hem, daden zijn

hoofdzaak. En hij kan de menschen ongemakkelijk de waarheid zeggen,

een blad neemt hij nooit voor zijn mond, daarvan kunnen tante Hofland

en Jan Edeling meepraten. Maar ook Saartje spaart hij niet als hij

slechte dingen van haar hoort. Altijd is hij bereid anderen te helpen:

zijne houding tegenover Saartje is een en al liefde en welwillendheid;

Willem Willis en Letje Bruinier worden door zijn toedoen in staat

gesteld een huishouden op te zetten; alle bedienden vereeren hem om

zijn goedheid. Eén ding is er dat ons in zijn brieven wel eens hindert,

maar dat we toch gaarne over 't hoofd zien: het te koop loopen met

zijn eigen deugden.

Maar hij meent dat waarschijnlijk zoo erg niet, 't is meer een

eigenaardige wijze van uitdrukken. Onrecht kan Blankaert niet dulden

en huichelarij maakt hem giftig. Vandaar zijn uitvallen tegen de

"fijnen", die den godsdienst gebruiken om allerlei leelijks te

verbergen. Hij is dan ook "eens door zoo een fijnbaard schrikkelijk

bedrogen". Maar godsdienstig is hij wel, hij vraagt Saartje b.v.:

"Ga je wel in de kerk kind? Dat moet je vooral en vooral doen." Men

vergelijke ook zijn brief aan Jan Edeling.

[Hendrik Edeling.] Hendrik Edeling is "een onzer allerbeste

jongelieden", "een braaf, verstandig man". Hij is juist de echtgenoot

die geschikt is voor Saartje: zij, met haar levendig karakter en vlug

verstand, moet geleid worden door een ernstig, verstandig man, ze moet

haar man hoogachten, hij moet haar leermeester zijn en zich toch niet

boven haar stellen. Daarom kon iemand als de goedmoedige Willem Willis,

die Saartje niet geleid zou hebben en al hare grillen zou hebben

ingewilligd, nooit haar man worden. En Jacob Bruinier (Cootje!) is goed

als speelpop, waarmee Saartje zich een oogenblikje vermaakt, maar voor

zoo iemand zal ze nooit achting kunnen gevoelen. Wij halen hier nog

enkele woorden aan uit een brief, die de verstandige weduwe Willis aan

Abraham Blankaert schrijft: "Saartje zal een man moeten hebben, die in

staat is om haar te leiden; een man, die niet alleen hare liefde maar

ook haar achting waardig is. Een voortreffelijk man, met één woord,

die haar, mag ik het zoo noemen, in eenige dingen overschijnt."

[Suzanna Hofland.] Tegenover al deze deugdzame menschen staan Suzanna

Hofland, Cornelia Slimpslamp, Broeder Benjamin, Brecht, en de heer

R. die de "gemeene" rollen vervullen. Suzanna Hofland was als oudere

zuster van Saartje's moeder zeer jaloersch toen deze trouwde, terwijl

"om haar geen liefhebbers kwamen", misschien wel omdat ze "juist niet

heel ooglijk was". Zij voegde zich daarom bij de "fijnen", niet uit

innerlijke overtuiging, maar uit een soort van wraakzucht. Misschien

ook hoopte ze aan een der "broertjes" te behagen! In elk geval schijnt

tante Suzanna in haar jeugd nog al "een rare schommel" geweest te

zijn. Ook later deed ze zich niet van een gunstige zijde kennen, vooral

niet tijdens de ziekte harer zuster. En bovendien komt er nog een

hoofdzonde bij: de gierigheid. Blankaert betitelt haar met den eerenaam

"geveinsde inhalige feeks;" zevenhonderd gulden wordt er jaarlijks

voor Saartje betaald en 't meisje "lijdt juist geen honger, maar 't

scheelt niet veel". Ook uit haar brief aan Blankaert na de vlucht van

Saartje geschreven, blijkt duidelijk haar inhaligheid. 't Is daarom

goed gezien van de schrijfsters later juffrouw Hofland juist op die

kwetsbare plek te treffen, "de Heere bezoekt haar om hare gierigheid."

[Cornelia Slimpslamp en Broeder Benjamin.] Cornelia Slimpslamp en

broeder Benjamin zijn huichelaars, "die onder den dekmantel der

godzaligheid" de gemeenste streken uithalen. In hen wordt dan ook de

geveinsde vroomheid gegeeseld. Heel vroom zijn ze oogenschijnlijk,

"dierbare" briefjes schrijven ze aan tante Hofland, (men lette

vooral op de taal!) en ondertusschen is deze niets dan "een zot

dier, dat hen dient om de smul". Blankaert waarschuwt tante genoeg:

"Waarachtig, Sanne, de fijnen loopen op uw zak, meid! ze zullen je zoo

arm maken als een mier," maar "Sanne" luistert niet. Vooral Benjamin

trekt haar aan, zoodat zelfs het gerucht loopt dat tante met hem zal

trouwen. Waarschijnlijk is 't vooral Cornelia Slimpslamp geweest die

dit verhinderd heeft. Broeder Benjamin is zoo mogelijk nog gemeener

dan zijn waardige gezellin Cornelia, de laatste heeft immers nog

den moed te zeggen wat ze meent, terwijl Benjamin zelfs tegen zijn

medeplichtige "den fijnen Filebout uithangt". (Men vergelijke vooral

den toon van brief 110 met dien van brief 111).

[Brecht.] Brecht eindelijk is een "oude, leelijke, zotte hottentot

van een meid, een dronken todde", die bij tante een lekker lui

leventje heeft, bizonder van een glaasje houdt, en ten slotte dan

ook naar eene bierkroeg verhuist. Vermakelijk is hare voorstelling

alsof Saartje en later ook Broeder Benjamin en Zuster Cornelia haar

"wijn hebben ingeperst".

[De Heer R.] De heer R. behoort tot de lichtmissen, zooals Blankaert

die in een brief aan Saartje beschrijft. Hij is geheel een man van de

wereld, voor 't oog een gentleman, altijd even voorkomend--een wolf

in schaapskleeren. Alleen in zijn brieven aan "den heer G." toont

hij zich in zijn ware gedaante.

[Hekelend karakter.] Zooals we onder de hand reeds zagen treedt

dikwijls in den roman 't hekelend karakter naar voren. In dit

opzicht ligt Saartje Burgerhart geheel in de lijn der Spectatoriale

geschriften uit dien tijd, waarin de ondeugden aan de kaak werden

gesteld en waartegenover dikwijls ook werd gewezen op 't vele goede

in de maatschappij. Dat dit in den roman 't geval is, is te minder

te verwonderen als men zich herinnert dat Betje Wolf meermalen zelf

dergelijke vertoogen heeft geschreven. We wijzen hier op enkele dingen

waarover gesproken wordt.

1. Over den Godsdienst. De schrijfsters willen "geen lijdend, maar

een werkend Christendom", in 't algemeen stellen ze een deugdzaam

leven op den voorgrond. Stijntje Doorzicht is voor haar 't type

van een oprecht, vroom mensch en staat als zoodanig tegenover de

huichelende vromen. Men leze vooral wat Stijntje in den 133sten brief

over deze "fijnen" schrijft aan Suzanne Hofland. Gematigdheid stellen

de schrijfsters hoog, daarom prijzen ze ook mannen als dominee Redelijk

en den proponent Smit, daarom laten ze Abraham Blankaert den koppigen

Jan Edeling eens flink de les lezen.

2. Over het onhebbelijk gedrag van velen in den schouwburg en bij

concerten, (43e brief).

3. Over de geleerde vrouwen, die gehekeld worden in juffrouw Hartog. De

schrijfsters vinden dat de eenvoudige Lotje nog "veel meer nut in de

wereld doet, als ze kinderonderkousjes breit, dan juffrouw Hartog,

als die dissertatiën over de zonnestofjes schrijft."

4. Over de bekrompenheid op godsdienstig gebied van 't eenvoudige volk,

vooral wat uiterlijkheden betreft. Men leze 't vermakelijke gesprek

van proponent Smit met den ouden visscher in Maassluis (58e brief).

5. Over de wijze waarop de vele rijke burgers hun gasten onthalen

(43e brief). Men vergelijke het avondje dat in de "Familie Stastok"

beschreven wordt.

Bij 't lezen treft ons dadelijk het eigenaardige van sommige namen, zoo

is Lotje Rien-du-Tout werkelijk een "niemendal", en behoort Mejuffrouw

Buigzaam tot "het geslacht der Buigzamen." De namen zijn gekozen in

verband met het karakter der personen, men denke b.v. aan Edeling,

Blankaert, Spilgoed, Redeling, broeder Benjamin, Cornelia Slimpslamp

en Stijntje Doorzicht.

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 38 / 83 题