2. 't Bespottelijk maken van de herdersromans.

"'t Is 't ouwe liedje, dat de dichters altijd zingen;

Een boeremeid wordt ligt door hen een koningin,

Een herder koning."

3. 't Zelfde gebeurt met de rederijkerij door 't prachtige minnedicht,

dat Jan vervaardigd heeft.

4. Verder de spelling-verbeteraars, die zooveel wijzigingen

voorstellen, dat volgens Klaartje, het "a. b. c. in grooten nood is."

5. De afzetterij door sommige logementhouders. De Waard zal zijn

klanten "Snijen van de beurs," "dat is te Utrecht zo de wijs." 't Is

een waard als in de "Wiskunstenaars"; volgens den knecht Filippijn

hangt voor diens logement "de schaar uit" en de Waard uit ons

tooneelstuk is bezitter van "de Gouden Muizenval." Een veelzeggende

naam voor een herberg!

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 37 / 83 题