"'t Is 't ouwe liedje, dat de dichters altijd zingen;
Een boeremeid wordt ligt door hen een koningin,
Een herder koning."
3. 't Zelfde gebeurt met de rederijkerij door 't prachtige minnedicht,
dat Jan vervaardigd heeft.
4. Verder de spelling-verbeteraars, die zooveel wijzigingen
voorstellen, dat volgens Klaartje, het "a. b. c. in grooten nood is."
5. De afzetterij door sommige logementhouders. De Waard zal zijn
klanten "Snijen van de beurs," "dat is te Utrecht zo de wijs." 't Is
een waard als in de "Wiskunstenaars"; volgens den knecht Filippijn
hangt voor diens logement "de schaar uit" en de Waard uit ons
tooneelstuk is bezitter van "de Gouden Muizenval." Een veelzeggende
naam voor een herberg!