HUYGENS EN ZIJN ZEESTRAET.

[Ontstaan van het gedicht.] Huygens zag 't groote gewicht in

van een goede verbinding tusschen Den Haag en Scheveningen: wie

den korten afstand tusschen die plaatsen moest afleggen had een

heelen tijd door 't zand te ploeteren, wat niet alleen lastig was

voor de Haagsche wandelaars, maar bovenal voor de Scheveningsche

visschers en vischvrouwen, die hun waar naar de stad brachten. Wie

een betere verbinding tot stand wist te brengen, zou een weldoener

zijn voor beide plaatsen: "een eewigh man, diens salighe gedencken,

Den Haegh en Scheveningh met Roosen sou beschencken." Huygens wilde

zijn geboorteplaats die weldaad bewijzen: hij ontwierp in 1653

't plan voor een "steenweg op Schevening", waarin hij uitvoerig 't

voor en tegen bespreekt en ook de kosten berekent. Tevens doet hij

't middel aan de hand om de kosten te dekken: 't instellen van een tol

op den nieuwen straatweg, die ruimschoots de rente van 't benoodigde

kapitaal zou opbrengen. Maakte men van overheidswege bezwaar tegen

deze uitgave-in-eens, dan wou Huygens tegen redelijke voorwaarden dat

geld wel leenen, zooals hij zelf zegt in zijn Zeestraet (vers 304-306):

"Soo geen' Bors op en wou, men socht het inde mijn',

Op redelick bespreck, dat niemand sou beswaren,

En doen mij schad' ontgaen, en noch wat oversparen."

Bovendien wilden ook enkele gegoede Hagenaars wel voor een deel voor

't kapitaal zorgen, wat blijkt uit een brief van 1663 door Huygens,

die toen in Parijs was, geschreven aan de Veer, baljuw van Den Haag,

waarin o.a. deze zinsnede voorkomt: .... "dat mij Luyden van conditie,

van middelen ende van geen slecht oordeel de eere deden van mijne

redenen soo veel plaets te geven, dat sij sich gewilligh aanboden om

haar part te dragen in het geringhe Capitael daertoe vereischt."

Maar toen Huygens eenige raadsleden polste, bemerkte hij al heel gauw,

dat ze niet heel warm voelden voor zijn plan. Hij zond het daarom

niet aan den magistraat, want: "Geen dingh en werdt verkracht; daer

hoort wat rijpens toe."

Tien jaren lang kwam men niets verder, maar toch zagen langzamerhand

meerderen 't gewicht van de kwestie in, en in 1663 besloot men den

straatweg aan te leggen. Huygens was in Frankrijk, waar hij voor den

jongen prins Willem het prinsdom Oranje, dat door Lodewijk XIV in

1660 bezet was, moest trachten terug te krijgen, een poging, die na

langdurige onderhandelingen werkelijk gelukte. (Men leze de uitvoerige

toelichting in de Pantheon-uitgave van Schuiling blz. 82-86 en de

Zeestraet vers 35-42). In Den Haag herinnerde men zich dat Huygens

indertijd een plan had ontworpen, en dit "bewerp" wilde men graag

inzien. 't Was echter goed weggesloten en daarom vroeg men Huygens

verlof de kast door een smid open te laten steken, wat toegestaan

werd. (Vergelijk de Zeestraet vers 369-390 en den brief van Huygens

aan de Veer).

't Ontwerp van Huygens werd in hoofdzaak gevolgd en toen deze in

1665 naar Den Haag terugkeerde, was 't werk al voltooid. Huygens

was opgetogen:

"En sien ick Schevering, en ben ick niet bedrogen,

En sien ick 't door een' laen ten einde van syn' Straet?

O edel onderwint, o eer van stadt en staet,

Waer vind ick woorden uyt om u vol uyt te prijsen?"

Geen wonder dat hij zijn gemoed lucht gaf in een gedicht, waarin de

geheele geschiedenis verhaald werd en den lof van 't werk, dat zijn

"Geboort-stadt niewen glans" verleende, werd bezongen. Zoo ontstond

dan in 1667 "de Zeestraet."

[Overzicht.] Bij 't bestudeeren van Huygens' werken is 't zeer

wenschelijk na de eerste lezing een schema samen te stellen, omdat de

inhoud anders niet te overzien is. Dat komt door de vele uitweidingen

die de schrijver zich veroorlooft en doordat hij haast nooit een

eigenlijk "verhaal" geeft. In de uitgave-Schuiling is zoo'n schema

opgenomen; wie deze uitgave niet bezit kan zelf gemakkelijk een

overzicht maken.

Eigenschappen van Huygens als dichter.

[Contact met de lezers.] I. Huygens is in voortdurend contact met de

lezers, 't is net of hij met ons zit te praten. Deze eigenschap heeft

hij met Staring gemeen, die ook voortdurend op zijn "keuvelstoel"

zit. Huygens vertelt ons de heele geschiedenis van den straatweg, geen

enkele bizonderheid wordt vergeten. Vooral wat het argumenteerende

deel betreft, is het niet veel anders dan het ontwerp van 1653,

maar dan op rijm. Daartusschen zijn allerlei zedekundige opmerkingen

ingevlochten van een oud man die veel beleefd en veel nagedacht heeft,

en nu wijze lessen aan de jeugd (en anderen!) uitdeelt. Dat deze

uitweidingen zijn lezers wel eens wat zullen vervelen, ook omdat

ze den draad heelemaal kwijt raken, weet Huygens zelf heel goed,

maar als hij op zijn praatstoel zit slaat hij wel eens wat door,

dat is nu eenmaal zijn gewoonte. Men vergelijke b.v. vers 277, waar

Huygens na een lange beschouwing over spreken en zwijgen zegt:

"Mijn leser is 't hier bey (quaet en moe), soo 'ck lichtelick

vermoede:

Oock voeld' ick 't komen; maar men houd' mij te goede

Daer viel geen houden aen: als 't hert van onderen

Aen 'tblixemen geraekt, wil 't boven donderen:

Genegenheit slaet door."

Zoo ook in vers 959-961:

"Hoe is u, Lezer-lief, begint ghij niet te swijmen,

En voelt ghij noch uw' pols in dit gedrang van rijmen,

En wenscht ghij 'tspel niet uyt en 'tLiedjen op een end?"

[Verstandspoëzie.] II. Uit het bovenstaande vloeit voort dat Huygens'

werk geen echte poëzie is, zooals 't beste van Vondel b.v., maar meer

redeneeren in versmaat.

Huygens stelt dan ook heel eigenaardige eischen aan een dichter. "Daer

zijn dichters"--zegt hij--"die selden dicht baren, meest ondicht in

rijm. Haer lof is: Sij spreken klaer en behoeven geen tolck. Maer

wie soude haer de duysterheid vergeven? haer dicht is ondicht. Soo

en ginght met de oude niet. Haer dicht was dicht, verre van ondicht,

en behoefte wat vertolcks. Wel den ghenen die sich in de moeyte

gesteken hebben." Haer dicht behoefte wat vertolcks! dát is dus

't criterium voor ware poëzie: echte gedichten moeten zijn pittig,

gedrongen, moeilijk, men moet scherp nadenken om den zin te kunnen

vatten van de "soete wijsheid" die er in neergelegd is. Deze zelfde

gedachte vinden we terug in de Zeestraat, vers 347 en volgende:

"Dit weet ick, wat Papier bevolen is geweest,

Was sekerlyck de vrucht van een bedaerden geest,

Die schrijver satt 'er toe, en waer het in 't vermogen

Van syn vernuft geweest sijn selven t' overpoogen,

En doen meer dan hij deed' en beter dan hij schreef,

Het hadd in 't witt gestaen."

Dichten is verstandswerk voor Huygens, geen "waarachtige uitstortinge

des gemoeds." Vandaar dat zijn werken allemaal dezelfde eigenschappen

vertoonen, verschil van beteekenis is bij een dergelijke wijze van

werken onmogelijk. Vandaar ook, dat Huygens van Vondels gedichten

kon schrijven: "Sy duncken my oneenparigh ende haer selven hier

ende daer beschamende." Verlaat Huygens een enkelen keer 't gewone

pad en maakt zich een echt dichterlijke aandoening van hem meester,

dan schrikt hij er weldra zelf van en haast zich uit de hoogere sferen

neer te dalen op zijn veilig weggetje. Met veel zelfkennis zegt hij in

't Costelijk Mall (vers 323-324):

"Ick struyckel op het land, wat maeck ick in de lucht?

Het kruypen is my konst, wat maeck ick in de vlucht?"

Zóó iemand alleen kan tevreden zijn met een lezer als Huygens ons

schildert in zijn Voorhout (vers 34 en vlg.).

"..... een grijze Dutter

Met de schenen voor de vlam,

Met de tanden in de butter,

In de beulingh, in de ham

In de Nieuwe-jaersche weggen."

[Duisterheid.] III. Huygens' gedichten zijn gewrongen, duister. Dit

is een natuurlijk gevolg van zijn opvatting van de poëzie, zooals

boven is aangetoond. Voorbeelden hiervoor te geven is onnoodig,

ieder lezer kan er bij tientallen vinden. Hiertegenover staat een

goede eigenschap: pittigheid, kernachtigheid. Zeurderig, zooals Cats

soms is, wordt Huygens nooit.

Over die gewrongenheid van stijl en duisterheid van uitdrukking

werd al dadelijk na 't verschijnen van Huygens' eerste gedichten

geklaagd, zoodat Cats den jongen dichter zelfs heeft moeten

verdedigen. Westerbaen, die Huygens' werk hoog stelde, zegt heel juist:

"Huygens gedichten vereischen een man, dien 't niet en moet verdrieten

dat hij somwijlen weer herkauwe dat hij at. Die leest en wederleest,

sal vinden en genieten yet goeds dat hij in 't eerst nog niet gemerckt

en had."

[Woord- en klankspelingen.] IV. Kenmerkend voor Huygens' gedichten is

't gekunstelde, de opzettelijk aangebrachte woord- en klankspelingen.

Ook dat vloeit weer voort uit Huygens' opvatting van de poëzie, al die

kunstjes verhoogden de waarde van een gedicht, ze gaven immers bewijs

van 't vernuft van den schrijver, ze maakten 't geheel nog lastiger

te begrijpen en dwongen tot herhaald lezen om de bedoeling van den

auteur geheel te kunnen vatten. Zoo'n woordspeling maakt herkauwen

vaak noodzakelijk. Leest men b.v. de twee regels (vers 191-192).

"Het sand vermeesteren met een' gebacken baen,

Waer, om begaen, niet vreemd, maer ijdel, om bestaen,"

dan zijn juist de woorden begaen en bestaen, die beide twee

verschillende beteekenissen kunnen hebben, de oorzaak dat men de

bedoeling van den "dichter" niet dadelijk begrijpt. Maar dat is,

van Huygens' standpunt gezien, juist het mooie, een bewijs van echte

poëzie. Ditzelfde geldt voor 't spelen met klanken, zooals dadelijk

in 't begin al: Wer(r)reld, werren, gewerr, ontwerren, werregaren,

twernen. Zoo zijn er weer massa's voorbeelden. Allemaal bewijzen van

vindingrijkheid, vernuft, geestigheid desnoods (lang niet altijd),

maar daarom nog geen uitingen van een dichterziel.

Een enkelen keer ontaardt deze gekunsteldheid in kunstemakerij

b.v. vers 620:

"Raept Schelpen, die het lust: en seght niet, 'T sijn maer

schelpen:

Neemt eene letter uyt, 'tzijn Schepen."

[Soms klankvolle verzen.] V. Enkele gedeelten uit de Zeestraet bewijzen

dat Huygens klankvolle verzen wist te schrijven. Zoo b.v. vers 442

en vlg.

"Zee-buren, arm geslacht tot slavernij geboren,

Was u dat seggen ernst, so moet ghij ernstich hooren

Wat ick in ernst verhael en u te hooren staet...."

of vers 121 en vlg:

Wie dorst een stukjen stael sijn schip, sijn goet, sijn leven,

Sijn' wel en qualick-vaert, soo te beleiden geven

Als 't nu gegeven werdt?

Men leze deze gedeelten maar eens luidop, dan blijkt het dat er

werkelijk klank en kracht in die breede alexandrijnen zit.

Daartusschen treft men echter plotseling regels aan, die niets zijn

dan rijmelarij en tevens bewijzen zijn van krasse smakeloosheid,

b.v. vers 651:

"Waer ick een sprekend Beest ('t scheelt weinigh, sult ghij

seggen.")

Zoo ook regel 698-700 en 950. Trouwens ook in andere werken van Huygens

komen allerlei platte grappen voor. Toch moet men hier voorzichtig

zijn met het trekken van conclusies, omdat wat wij plat vinden dat

nog niet was voor de 17e-eeuwers, en omdat ook de beteekenis van de

woorden dikwijls veranderd is.

[Satiriek.] VI. Huygens' werk is dikwijls satiriek, allerlei misbruiken

worden door hem gehekeld. Het "Costelick Mall" is een doorloopende

bespotting van de "kostbare malligheid", de mode. Deze dwaasheid

wordt ook in sommige gedeelten van de Zeestraet aan de kaak gesteld,

er worden zelfs ruim 60 regels aan gewijd (vers 554-718) en in een

ander gedeelte (361-368) wordt 't zelfde thema aangeroerd. Maar

ook over andere dingen wordt afkeurend gesproken, over den slechten

invloed van kaartspelen om grof geld (884-942), over 't verspillen van

den kostbaren tijd (843-882), over 't onzinnige om de meisjes in zee

te dragen (603-618), over 't doellooze flaneeren van de jongelui in

't Voorhout (531-541).

[Autobiografisch.] VII. Heel kenmerkend voor Huygens' gedichten is

't autobiografische: hij heeft 't heel vaak over zich-zelf. In

de Zeestraet blijkt dit zeer duidelijk: 't is in hoofdzaak

een beschrijving van zijn straatweg, doorvlochten met allerlei

mededeelingen over zijn eigen leven en verder gedachten van hem over

velerlei dingen: Hij spreekt over zijn werken als secretaris van

Frederik Hendrik en Willem II (28-33), zijn verhouding tot Willem III

(34-35), zijn pogingen om 't prinsdom Oranje terug te krijgen (35-42),

de opvoeding die hij aan zijn kinderen heeft gegeven (47-52), zijn

liefde voor Den Haag (60 en vlg.), zijn vroegere gedichten (94-95),

de uitvinding van de slingeruurwerken door zijn zoon Constantijn

(169-184), zijn afkeer van allerlei zinledig gepraat en zijn liefde

voor goede boeken (225-277) en vooral zijn geloof. Huygens is een

oprecht geloovige, een streng Calvinist en dus aanhanger van de

praedestinatie-leer. (Men vergelijke vers 107 en 1015). Potgieter noemt

hem de "opregtste en daarom leerzaamste onzer biografen." Sommige

van zijn werken zijn dan ook bijna geheel auto-biografieën, b.v.:

Dagh-werck, Cluys-werck en voor een goed deel Hof-wijck.

Samenvattende kunnen we ten slotte dit zeggen: een waarachtig dichter

was Huygens niet, wel iemand die op kernachtige, hoewel soms zeer

gewrongen en onschoone wijze, zijn gedachten in vers-maat heeft weten

uit te drukken, en juist door dat eigene iets aantrekkelijks heeft.

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 32 / 83 题