[Doel.] Langendijk ging bij 't schrijven van zijn blijspelen uit
van de idee dat men de menschen kon verbeteren door hun lachende de
waarheid te zeggen. De ondeugden moeten op 't tooneel bespottelijk
gemaakt worden, zoodat de menschen ook in 't werkelijke leven er om
gaan lachen en de ondeugd dus onschadelijk wordt. In de inleiding
van 't hier te behandelen drama geeft Langendijk duidelijk te kennen
bovenstaande meening toegedaan te zijn: het tooneel moet dienen ter
verbetering der zeden; de gierigaards, hoogmoedigen en dergelijken
behooren op 't tooneel te worden gebracht. Hij wijst dan op Hooft en
Bredero, die in den Warenar en Spaanschen Brabander "spelen van dat
slag" dichtten. Aan 't slot van de voorrede geeft Langendijk aan,
welke ondeugd hij aan de kaak wil stellen n.l. "een gebrek, dat al
veel bij onzen landaart is ingeloopen, namelijk kaal en groots te zijn,
en het laatste door bedrog staande te houden."
Om nu een goed inzicht in den bouw van 't werk te krijgen, moet men
vooral dit doel goed in 't oog houden, omdat juist in dit tooneelstuk
de strekking bizonder op den voorgrond is geschoven en al 't andere
daaraan ondergeschikt is gemaakt.
De hoofdpersonen zijn zeer zeker kaal en grootsch en trachten het
laatste door bedrog staande te houden.
[Karakterteekening. Lodewijk.] Lodewijk is geboren in Utrecht
en van "oud en ad'lijk bloed", maar doodarm. Hij heeft vroeg
uit armoede het ouderlijk huis moeten verlaten, heeft als kadet
gediend en zoo getracht op fatsoenlijke manier te leven, maar hij
werd gevangen genomen en naar Frankrijk gevoerd ('t is in den tijd
van den Spaanschen Successie-oorlog, vgl. b.v. 1091-1113, waar over
de verschillende veldslagen uit dien oorlog gesproken wordt). Hij is
geheel aan lager wal geraakt en moet door kaartspelen in zijn onderhoud
voorzien. Zoo is de edelman al meer en meer gezonken, zóó zelfs dat hij
een compagnieschap heeft moeten aangaan met een verloopen soldaat, die
't paard van zijn kapitein heeft gestolen. 't Gevolg is dan ook dat Jan
heel familiaar tegen zijn adellijken vriend is en hem toe durft voegen:
"Wat zou 't je helpen, heer? je beurs is plat en schraal."
Dat Lodewijk deze verhouding allesbehalve aangenaam vindt, blijkt
uit zijn verzuchting:
"Het spijt me dat ik mij van dien lakkei laat plagen,
En niet durf spreken, omdat hij geheimen weet,
Die niemand weten mag."
Over de wijze waarop de heeren aan den kost trachten te komen, leze
men b.v. vers 126-128
"-- -- -- -- -- -- wij zullen alles deelen,
Zoo wy iets winnen als voorheenen met de kaart,
En and're kneepen."
't Zijn dus valsche spelers. Toch is Jan erger dan Lodewijk, voor
wiens gevoel valsch spelen haast met stelen gelijk staat. Maar al
vindt Lodewijk zijn levenswijze niet zooals het hoort, hij moet wel
meedoen, hij is "hovaerdig en daar bij geen kleintje kaal", er moet
geld komen en als een gewoon mensch zijn brood verdienen, dat duldt
zijn trots niet.
We weten dus in 't begin van 't stuk dadelijk al hoe 't met Lodewijk
gesteld is, en nu zien we verder zijn pogingen om een rijk huwelijk te
sluiten. Maar om dit te kunnen doen moet hij den indruk bij anderen en
speciaal bij het meisje weten te vestigen, dat hij heel rijk is. Dat
is het "huwelijksbedrog" van zijn kant. Vandaar dat hij voorgeeft een
rijke Poolsche graaf te zijn. Jan wordt een baron, en om den stand op
te houden dienen ook lakeien gehuurd te worden, die mee in "den Gouden
Muizenval" gehuisvest worden. We wijzen nu nog op enkele trucjes door
Lodewijk aangewend om te doen gelooven dat hij schatrijk is.
a. Hij koopt juweelen voor Charlotte.
b. Zoo terloops zegt Lodewijk dat hij op 't oogenblik niet meer dan een
bagatel van 1000 guinjes bezit en dat de wissel dus juist van pas komt.
c. Het laten vallen van den brief van een gefingeerden bankier.
d. De weddenschap tusschen Lodewijk en Jan om duizend gulden.
[Charlotte.] Het eigenaardige nu is, dat deze bedrieger zelf
bedrogen wordt en nog wel op dezelfde wijze als hij 't anderen
tracht te doen. Dat maakt het geval voor de toeschouwers, die den
juisten toestand kennen, komisch. De bedrieger wordt bedrogen:
Charlotte is eveneens doodarm. De toeschouwers worden al dadelijk
ingelicht door 't gesprek van Charlotte met de meid, en vooral door
't geen Klaartje daarna nog zegt. Ook bij Charlotte dus weer "kaale
grootsheid." Hoe slecht het er bij haar in huis wel uitziet, hooren
we later uit den mond van Klaar: bijna alle goederen zijn in den
lommerd; de schuldeischers moeten bizonder lang op betaling wachten,
en de meesteres moet zelfs geld leenen van de dienstmeid.
't Gevolg hiervan is dat het dienstmeisje niet minder familiaar is met
Charlotte dan Jan met Lodewijk. Charlotte en haar moeder Konstance
probeeren evenals Lodewijk tegenover de buitenwereld de meening te
doen vestigen dat ze rijk zijn, ze hebben rondgestrooid dat ze veel
geld geërfd hebben van een oom die in Oost-Indië gestorven is, vandaar
ook dat de waard dit later volkomen te goeder trouw vertelt. Vooral
Lodewijk moet den indruk krijgen met een gegoede familie te doen
hebben, vandaar de luide bevelen van Charlotte tegen Klaar opdat
Lodewijk zal hooren hoe rojaal de familie leeft, het zoogenaamde stelen
van het parelsnoer, het te koop aanbieden van juweelen in Lodewijks
tegenwoordigheid, de betaling van de pacht door den gewaanden boer,
om den indruk te vestigen dat Konstance landerijen bezit, en vooral
het geld-tellen tijdens de liefdesverklaring van Lodewijk.
Wel kan dus gesproken worden van een "Wederzijdsch Huwelijksbedrog"!
Men ziet dat het geheele stuk draait om dat elkaar-bedriegen,
't andere is dan ook bijwerk.
[Konstance.] Konstance is volstrekt niet beter dan Charlotte,
misschien zelfs nog een graadje erger. Zij ziet er immers niet tegen
op de eer van haar dochter op 't spel te zetten, alleen opdat later
geen bruidschat behoeft te worden betaald, of feitelijk alleen om
hare armoedt nog een poosje langer te verbergen, want de bruidschat
zou ze toch nooit kunnen geven. Charlotte staat in dit opzicht boven
hare moeder: zij wil zich eerst niet laten schaken; later geeft ze wel
toe blijkens het gesprek van Klaar met Lodewijk, maar weet eindelijk
toch de zaak uit te stellen totdat haar broer gekomen zal zijn.
[Klaar en Jan.] Van Klaar en Jan is in den loop der bespreking al een
en ander gezegd, zoodat we over hen kort zullen zijn. Zij vormen,
zooals gewoonlijk met de knechts- en meidenrollen in 't blijspel
't geval is, voor een goed deel 't komische element b.v. hunne
liefdesverklaringen en ook die van Hans en Klaar in tegenstelling met
de deftige betuigingen van Lodewijk en Charlotte. Klaar is een echte
brutale en slimme dienstmeid. Van haar brutaliteit, die vooral ontstaat
uit de eigenaardige verhouding waarin ze staat tot Charlotte, hebben
we al enkele staaltjes gegeven, we wijzen nog op de familiare wijze,
waarop ze tegen Karel spreekt in 't bijzijn van hare meesteres. Slim
is ze, dat bewijst hare houding tegenover Lodewijk; ze begrijpt
ook dadelijk waarom Charlotte zoo luid spreekt. Altijd zijn hare
opmerkingen, die dikwijls ter zijde gezegd worden, snedig. Men leze
b.v. nog eens haar gesprek met Hans! Merkwaardig is, dat ook deze
slimme meid bedrogen wordt en dat nog wel door een dwaas als Jan:
't is weer de hoogmoed! Barones te worden, al is 't dan ook barones
van Schraalenstein, lacht haar toe en bovendien, ze is immers feitelijk
ook van adel!
Jan wordt vooral komisch als baron. Hij, de verloopen soldaat, weet
zich in hoogere kringen natuurlijk niet goed te bewegen, bovendien
meent hij allerlei moois van Lodewijk te moeten vertellen, zoodat
hij soms de zotste dingen zegt. Gelukkig dat Lodewijk vooruit gezegd
heeft dat zijn vriend de baron soms niet al te goed bij 't hoofd
is. Men was dus voorbereid! Komisch is ook de wijze waarop Jan zich
verraadt. Tot het einde toe blijft hij de geslepen, gemeene bedrieger,
die er ten slotte nog met het geld vandoor gaat.
[Karel.] Karel speelt tot op zekere hoogte de mooie rol: hij immers
ontmaskert de beide bedriegers, maar.... blijkt toch zelf ook een
bedrieger te zijn, ook hij is door de "kale grootschheid" aangetast
en heeft zijn vrouw wijsgemaakt dat zijn moeder heel rijk is. Maar
juist daardoor kan hij Lodewijks handelingen des te beter begrijpen
en vergeven, zoodat alles nog terecht komt.
['t Komische.] We wijzen hier nog op enkele middelen waardoor
Langendijk het komische van 't stuk tracht te verhoogen.
1. Door 't radbraken van een vreemde taal, iets wat in vele blijspelen
gebeurt.
2. 't Niet voleindigen van een zin, zoodat een misverstand ontstaat
(b.v. vers 8-23). In 't begin van de "Wiskunstenaars" van Langendijk
komt een dergelijk trucje voor.