[Doel.] In zijn voorbericht "tot den goetwillighen leser" zegt
Bredero dat hij zijn tooneelstuk geschreven heeft "niet uyt haet,
noch om yemandt te vertoornen noch te verbitteren, maar om my en alle
menschen te verlustighen en verbeteren." En ook vinden we daarin deze
woorden: "Ick stel u hier naacktelijk en schilderachtich voor oogen de
misbruycken van dese laatste en verdorven werelt; de gebreckelijckheyt
van onse tijdt en de Kerck, en straat-mare mishandelinghen van de
gemeene man."
Het doel van Bredero is dus geweest: zijn tijdgenooten lachende de
waarheid te zeggen, ze op hunne verkeerdheden te wijzen, in de hoop
dat ze zich daardoor zullen beteren.
Op dat didactisch karakter van den Brabander wijst duidelijk het
gedicht, dat aan 't stuk voorafgaat en dat aanvangt met deze regels:
"Is 't dat ghy yet merckt, leest, of siet,
Dat quaat is, schuwt dat, doetet niet.
Ick heb 't met lust tot leer ghedaan,
En niet om dien wegh in te slaan."
[Hekeling der oplichters.] 't Hoofddoel was in zijn
blijspel te hekelen de oplichterij, het misbruik maken van
't vertrouwen der eenvoudige burgers. Fel is de schrijver in
zijn oordeel. "Ick kent, het is een slapheyt in myn, dat ick de
eereloose-geen-noot-hebbende-moet-willige-Banckeroetiers (die haar
goet aensien en gheloof by de lieden met eeren misbruyken en diefs
ghewijs de vromen 't haren onbruyck arm en ellendigh maken) niet en
kan troetelen noch na de mondt spreken, ghelijckerwijs alsser veel
fielen en rabauwen doen, die de buyt t' samen staan of die aan 't
selve euvel sieck zijn en wel lichtelijck den eenen dag of den anderen
het opgheven en deurgaen sullen. Ick ben soo kleen als ick mach, maar
soo groot en goedt van ghemoedt, dat ick so een stucke-drochs niet en
kan toestaan soo een verdoemelijcke schelmery, noch ick en kan niet
onbeklaaght noch onbeschreyt laten de ghene, die door ongevallen tot
een bedroeft verloop moeten komen."
Niet alleen in de voorrede, maar ook in 't stuk zelf vinden we
dergelijke krasse woorden. Zoo in 't gesprek van de "drie ouwe
Klouwers", waarin Jan Knol zijn hart uitstort.
"Neen Thomas, wat mienje, ick ben voor geen banckerotier vervaert,
Wat rijdt mijn dat volck? dat ik schoon maer een vriend an mijn
geslacht hat,
En speelden hij banckerot sonder noot, ick sou hem hangen, dat
ick de macht hat.
Men hangt wel duysent diefjes, die door de armoede doolen,
En die soo veel niet en hebben als so een schellem gestolen."
En verder:
Ick segh, men hoort de moedwillighe banckrotiers te bannen van
de straat,
Iewers alleen, en soo sy dan buyten haar bepaalt besteck ginghen,
Soo hooren heur de jonghens met slick te goyen en met andere
dingen."
Karel V wist wel raad met zulke oplichters: gehangen behoorden ze te
worden, zooals hij dan ook in zijn keur van 1531 bepaalde.
[Jerolimo als oplichter.] Zoo'n oplichter heeft Bredero ons geteekend
in Jerolimo Rodrigo, zijn Spaanschen Brabander. Reeds in Antwerpen
was hij, volgens zijn eigen bekentenis "schandelayck ghefalgeert"
en nu komt hij in Amsterdam om de goe gemeente beet te nemen, wat hem
dan ook heel wel gelukt. Hij weet van verschillende personen goederen
te krijgen, die later betaald zullen worden, of die hem eenvoudig op
zicht worden gezonden, verhuurd of geleend.
Balich, de tinnegieter, verhuurt hem tinnen schotels, kandelaars en
tafelborden; Jasper tapijten en goudleer; de schilder Otje zendt hem
waardevolle schilderijen, terwijl buurman Joost zilveren schalen,
zoutvaten, kannen en dergelijke huishoudelijke artikelen leent. Allen
zijn vol vertrouwen, want Jerolimo gedraagt zich als een grand
seigneur en geeft hoog op van de belangrijke handelszaken die hij
doet. Zelfs verhuurt Gierighe Geraert hem een huis, en ook aan de
slimme Byateris, die zich anders niet gemakkelijk laat beetnemen, is
hij geld schuldig. Aan 't einde van 't vierde bedrijf toont Jerolimo
zich als echte oplichter, door mee te deelen, dat hij "verrayst
nô Kuylenburgh en Vyanen", de vrijplaatsen waarheen bankroetiers
gewoonlijk vluchtten. In 't laatste bedrijf laat Bredero al de
bedrogenen op 't tooneel verschijnen en zien we dus met eigen oogen
de ellende door een eerloozen schurk over nijvere burgers gebracht.
['t Wijzen op andere verkeerde toestanden.] Zeer zeker is dus
de hoofdstrekking van den "Brabander" het aan de kaak stellen van
dergelijke personen, maar Bredero heeft daarnaast nog op vele andere
verkeerdheden gewezen. In Geeraert hekelt hij de dwaze gierigheid,
Floris Harmensz, de "hondtslager" vertelt ons veel van de kakelende,
kwaadsprekende vrouwen en niet minder van de "ouwe praters", de
"ouwe klouwers", terwijl we in 't gesprek van de drie "Patriotten"
heel wat dingen hooren, die niet door den beugel kunnen. Veel wordt
geklaagd over onbeschaamde landloopende vreemdelingen, "Moffen,
Poepen en Knoeten", die bij heele troepen de stad binnenkomend,
overal bedelen en de oorzaak zijn, dat de werkelijk hulpbehoevenden
weinig krijgen. Zelfs laat Bredero een stedelijke ordonnantie
voorlezen, waarbij geordonneerd wordt "dat nu voortaan geen Bedelaers,
Landtloopers, Bayertboeven, Trogghel-saecken, Huyckevaken, 't sy oudt
ofte jongh, blint, kreupel, manck, melaats ofte anders, en sullen mogen
ommegaan, omme de aalmoesen te vergaderen op Marckten, Bruggen, voor
Kercken, Poorten, hoecken van straten, maar dadelijk te vertrecken,
op pene van openbaarlijck geschavotteert ende strengelijck gegeesselt
te worden." Met welke vreugde zouden de toenmalige Amsterdammers een
dergelijke ordonnantie, maar dan wèrkelijk door Schout en Schepenen
uitgevaardigd, begroet hebben!
Op nog meer verkeerde toestanden wijst de dichter: o. a. op het
ontduiken der belastingen door de brouwers en de importeurs van
"Fransche en Rijnsche wijnen", die zich bovendien nog aan andere
ongeoorloofde praktijken schuldig maken.
"En hadden sommighe haar handen recht ghehouwen,
Sy souwen in soo kort gheen groote huysen bouwen."
Geen wonder dat, waar Bredero zoo véel en zoo vélen over den hekel
haalde, verschillenden zich persoonlijk beleedigd gevoelden. In de
voorrede verdedigt de schrijver zich nadrukkelijk, hij heeft geen
persoonlijkheden willen zeggen, maar in 't algemeen gesproken. "Nu
heb ik inder waarheyt op niemant in 't besonder gemeent, maar heb de
knuppel in 't hondert blindelingh gheworpen, luck raack; die getroffen
is, volght het rijmpje: Doetet u seer, wachtet u meer."
[Geen satire op Rodenburg.] Men heeft zelfs wel beweerd dat Bredero in
den hoofdpersoon zijn letterkundigen tegenstander Theodoor Rodenburg
heeft uitgebeeld, omdat deze evenals Jerolimo in Antwerpen was geboren
en ook bekend was om zijn hoogmoed. Er is echter tusschen hen beiden te
groot verschil, om aan deze bewering meer dan een schijn van waarheid
te geven: Rodenburg is door opvoeding een echt Amsterdammer geworden,
die stellig geen dwaas Brabantsch, maar goed Amsterdamsch sprak en
hij moge dan ook al niet rijk geweest zijn, een bankroetier was hij
zeker niet.
[Tijd waarin 't stuk speelt.] Opzettelijk heeft Bredero zijn
stuk in een vroegeren tijd laten spelen "op dat men te minder
beduydenisse op de teghenwoordighe levende soude maken." In April
1617 was de Spaansche Brabander voltooid, de handeling moet volgens
verschillende aanduidingen een veertigtal jaren vroeger plaats gevonden
hebben. Daarom spreekt de Schout over
"..... een deel Wilde Geusen en guyts, die uyt een duyvelsche lust
Met haar predicatie en t'samen-rotten perturberen de gemeene rust,
Tot achterdeel van de Moer de Kerck en de heylige Inquisicy,"
en klaagt hij
"Daar is gisteren weer een Geus-Liedtboeck verspreyt,
Dat bitter schemt en schiet op onze Geestelijckheyt."
Niet altijd houdt Bredero zich stipt aan dezen tijd, zoo laat hij
b.v. Tryn Snaps aan Jut Jans vragen, of ze Arminiaansch is, maar
dergelijke anachronismen komen toch weinig voor.
Bespreking der verschillende personen.
[Jerolimo.] De twee hoofdpersonen, Jerolimo en Robbeknol, zijn ware
contrasten. Jerolimo is het type van een kaal, verwaand heer, die zich
zelf zeer gewichtig vindt en juist daardoor belachelijk wordt. Hij is
de zoon van een pasteibakker uit Hoboken bij Antwerpen, maar beschouwt
zich toch als een edelman, dat zegt hem zijn "generose couragie". In
kleeding en manieren tracht hij de Spaansche dons na te bootsen, want
"de Spanjers is een magnifijke nacy!!" Robbeknol wil hij fatsoeneeren,
van den Amsterdamschen botmuil moet een "parmantighe, gracelijcke"
Brabander gemaakt worden; vooral het botte Hollandsch is hem een
ergernis, het Brabantsch, dat is iets anders!
"O de Brabantsche taal die is heeroyck, modest en vol perfeccy,
Soo vriendelayck, soo galjaart, soo minjert en so vol correccy,
Dament niet gheseggen en kan."
Al heel gauw blijkt de hoorders, hoeveel verschil er is tusschen
Jerolimo's manier van optreden en zijn werkelijken toestand: hij is
doodarm, zijn beurs vertoont niets dan duizend vouwen, eten is er
niet in huis en de meester smult zelfs van de lekkere beetjes die
zijn knecht door bedelen gekregen heeft. En toch blijft hij dezelfde
pochhans, zijn aangeboren hoogmoed verlaat hem nooit. Dàt is juist
het komische in Jerolimo.
Dat hij behalve de lachlust ook de verontwaardiging opwekt door zijn
oplichterij, maakt hem nog meer antipathiek.
[Robbeknol.] Robbeknol vormt in vele opzichten een tegenstelling met
Jerolimo, tegenover den pochenden Brabander staat de eenvoudige,
goedronde, geestige Amsterdamsche jongen, die door zijn snedige
zetten en zijn goed hart de lieveling van het schouwburgpubliek moest
worden. Veel geluk heeft hij in zijn leven niet gehad, zijn meesters
waren niet gemakkelijk, maar steeds behoudt hij zijn onverstoorbaar
goed humeur en weet hij met een kwinkslag zijn leed te verdrijven. Van
lekker eten houdt hij veel, wat trouwens een kenmerkende trek is in
vele knechtsrollen.
[Geeraert.] Geeraert is het type van een vrek die in vele opzichten
overeenkomt met Hoofts Warenar. Waarschijnlijk heeft de bekende
Amsterdamsche vrek Willem Barendszoon, die ± 1601 stierf, en van
wie vele verwonderlijke staaltjes verteld werden, zoowel Hooft als
Bredero tot model gediend.
[Byateris.] Byateris staat op de "rollijst" vermeld als
"uytdraaghster", maar zelf vertelt ze ons dat ze vooral geld verdient
als koppelaarster. Overigens is het een oudevrouwenfiguur als Reym
in den Warenar, minder sympathiek, maar even praatlustig.
[Notaris en Schout.] Bizonder goed geteekend zijn enkele bijfiguren
b.v. de notaris en de schout, die beide dringende bezigheden voorwenden
en eerst na lang vragen er in toestemmen met Geeraert mee te gaan,
om hem later een gepeperde rekening te kunnen voorleggen.
[Bijpersonen.] Verschillende personen hebben met de eigenlijke
handeling weinig te maken, sommige belemmeren zelfs het overzicht van
't tooneelstuk. Zoo b.v. de drie "ouwe klouwers" of "patriotten",
de knikkerende jongens, de "hondtslager" en de spinsters.
[Geen eenheid.] Eenheid is er door dit alles weinig in den
"Brabander", maar wel is 't Bredero gelukt, juist in deze
bijpersonen een buitengewoon levendige schildering te geven van het
Amsterdamsche volksleven, en dit Amsterdam vormt als 't ware den
achtergrond, waartegen de scherpe trekken van Jerolimo des te beter
uitkomen. Bovendien geven ze een doorslaand bewijs van Bredero's
talenten als realist.
[Ontstaan.] Tot slot enkele woorden over het ontstaan van 't
tooneelstuk. Geheel eigen werk is 't niet, vertaling evenmin. Bredero
las in een Hollandsche vertaling de lotgevallen van een Spaanschen
bedeljongen Lazarillo de Tormes, die in dienst komt van een
hoogmoedigen, doodarmen schildknaap (Escudero.). De schildknaap werd in
zijn blijspel Jerolimo, de bedeljongen Robbeknol. Uit een vergelijking
met den prozaroman blijkt dat Bredero in hoofdzaak het verhaal volgt
en sommige deelen heel nauwkeurig, soms bijna letterlijk weergeeft,
maar andere gedeelten, met name de realistische schildering van
Amsterdamsche toestanden, zijn geheel van eigen vinding.