zonder op de laatste woorden van Adelien’s vader te letten. „Ik zal
mijne militaire loopbaan voortzetten. Ik zal alle krachten inspannen om
den officiersrang te verwerven. En de dag, dat ik tot tweeden luitenant
benoemd zal zijn, zal ik u de hand uwer dochter vragen en mij verder
ter uwer beschikking stellen om onder uwe leiding eene nieuwe loopbaan
te aanvaarden. Ik heb dan eene positie in de maatschappij veroverd, die
mij tot de gelijke van Adelien maakt, en zij noch gij zult u over mij
te schamen hebben. Mijne gevoeligheid zal gevrijwaard zijn, en ik zal
op mijne beurt iets aan te bieden hebben. Ik zal aan de voeten mijner
Adelien, aan de voeten der vrouw, die ik boven allen en alles bemin de
epauletten komen neerleggen, die ik veroverd zal hebben, en zal dat met
te meer genot doen, daar ik eene opoffering voor de beminde vrouw zal
kunnen doen, te grooter naarmate die epauletten de verzinnelijking
waren van het avontuurlijke leven, dat mijn ideaal en bijgevolg de
vervulling mijner jongelingsdroomen zouden zijn, om kalm, rustig en
tevreden aan hare zijde op ’s levens pad voort te schrijden.”
Frank zweeg een poos. Hij had met geestdrift en overtuiging gesproken.
Zijn toehoorder greep zijne hand, drukte die met innigheid:
„Ik heb mij in u niet vergist,” sprak hij. „Gij zijt een brave kerel.
Ik kan niet anders dan met uw plan instemmen, hoewel mij dat, vooral
ten opzichte van de werkzaamheden, die ik u toedacht, veel
teleurstelling baart. Ik eerbiedig uwe beslissing.... toch meen ik er
op te moeten wijzen, dat er nog al tijd verloopen zal, eer dat gij uw
doel bereiken zult.”
„Niet al te lang, hoop ik,” antwoordde de jongman. „Ik moet vier jaren
in dienst zijn, waarvan twee jaren in den graad van onderofficier, om
bij welgeslaagd examen tot luitenant benoemd te kunnen worden. Ik ben
thans reeds bijna een jaar in dienst. Met de opvoeding, die ik
erlangde, heeft het examen niet veel te beduiden, en zal mij dat niet
moeilijk vallen. Ik zal dus drie jaren moeten wachten, alvorens mijn
vurigste wenschen bekroond zullen worden. Dat ik mijn gevoelens getrouw
zal blijven, zal ik wel niet behoeven te betuigen. En van de
genegenheid uwer dochter ben ik zoo overtuigd, dat ik zou kunnen
verzekeren, dat ik die drie jaren beproeving onbekommerd te gemoet
trek, wanneer het mij door u vergund werd, in briefwisseling gedurende
dien tijd met haar te staan....”
„Dat moet ik bepaald weigeren,” antwoordde de heer Groenewald met
nadruk. „Ik eerbiedig ten volle uw besluit, ik moet het zelfs in alle
deelen goedkeuren; maar alleen, wanneer gij tot mij zult komen om mij
de hand mijner Adelien te vragen, kan van eenig engagement en bij
gevolg dan ook eerst van correspondentie sprake zijn. Maar, voelt gij
lust mij te schrijven, ik zal steeds uwe brieven met genoegen
ontvangen, en gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik die voor de leden
van mijn huisgezin niet geheim zal houden; terwijl ik u beloof, dat ik,
zoo ver mijne bezigheden mij zulks zullen vergunnen, u trouw op de
hoogte van ons wedervaren zal houden. Ik hoop, dat gij zult inzien, dat
ik met het oog op de tijdruimte, die verstrijken moet, alvorens ik
toestemming tot een engagement kan geven, in uw beider belang niet
anders handelen kan en mag, dan ik doe.”
Beide mannen bezegelden het gesprokene met een welgemeenden handdruk.
„Brassen!” klonk het kommando over het dek.
Een zuchtje deed zich gevoelen, en kondigde het einde van de
jammerlijke windstilte aan, die het fregat onbewegelijk op het
watervlak gekluisterd hield.
„De noordwestmoesson komt door,” zei kapitein Butteling, die bij het
vernemen van dat kommando, zijn partijtje in den steek gelaten had, en
op het dek verscheen.
En, inderdaad, de bovenzeilen begonnen bevallig te zwellen. De
Fernandina Maria Emma hervatte koers en stevende noordoost op. De
passagiers gingen ter ruste met het zalig bewustzijn, dat zij den
volgenden morgen het lang beloofde land zouden aanschouwen.
De zon was nog lang niet ter kim gestegen. Het was nog donker, en
slechts in het oosten was een purperband zichtbaar, die de komst der
dagvorstin aankondigde. Toch waren alle opvarenden der Fernandina Maria
Emma op het dek, om het land der hope te begroeten, om het eerste
gezicht van het schoone Indië te genieten, dat volgens de verklaring
der zeelieden weldra uit de zilte baren van den Oceaan moest opdoemen.
„Dààr! dààr! zal Java straks te voorschijn treden,” sprak kapitein
Butteling, met de hand naar het oosten wijzende, waar het purper des
hemels toenam.
In dit oogenblik werd een puntje van de zonneschijf aan de kim
zichtbaar. Het was alsof een elektrieke vonk door het heelal stroomde.
In een oogenblik was alles als met gulden vinger aangeraakt. Schip,
touwen, zeilen, zee, golfjes en wolken, het alles was met goud
overtogen. De zonneschijf klom al meer en meer. Zij was thans reeds
meer dan over de helft boven den horizont gestegen.
„Land vooruit!” klonk het uit den mast.
Daar ginds in de zonneschijf werd een zwart puntje ontwaard, dat zich
al meer en meer ontwikkelde en een verbrokkelde top van een bergland
bleek te zijn, dat toen de zon daarboven gestegen was, door haar ten
volle verlicht werd. Kapitein Butteling keek aandachtig door zijn
kijker.
„Dat is Java-hoofd,” zeide hij. „Ziet, daar ginds, een streek meer
noordelijk, doemt het Prinsen eiland op.”
„Poeloe Paneitan, bij de eilanders genoemd,” zei kapitein Van Dam.
„Gaat gij de Behouden Passage door?”
„Neen, waarachtig niet, daar zou ik door dat bergachtige eiland gedekt,
gauw gebrek aan wind hebben. Neen, ik loop nog wat Java-hoofd te gemoet
om den wal beter te verkennen. Eer dat wij evenwel een uur verder zijn,
laat ik het fregat een paar streken oploeven.”
Tegen het middaguur stevende de Fernandina Maria Emma met volle zeilen
Straat Sunda in, en liep daarbij onder den invloed der westerbries
ongeveer acht mijlen. Aan stuurboordszijde was in de verte Tandjoeng
Blimbieng [77] de zuidwestelijkste spits van het eiland Sumatra te
bespeuren, en aan bakboordszijde vertoonde zich nagenoeg op denzelfden
afstand het Prinsen eiland. Dit eiland is op 6° 36′ zuiderbreedte en
105° 18′ oosterlengte gelegen; terwijl de gemelde zuidwestelijke kaap
van Sumatra zich op 5° 59′ zuiderbreedte en 104° 32′ oosterlengte
bevindt; zoodat de Straat daar in hare dwarsdoorsnede eene breedte van
bijna vijftien mijlen meet. In het noordoosten verhief zich een hoog
eiland met verbrokkelde gebergten bezet, boven de blauwe watervlakte en
richtte het fregat daarop den steven.
„Hoe heet dat eiland, juffrouw Groenewald,” vroeg Leidermooi.
„O! dat is Poeloe Krakatoea,” antwoordde Emma. „En dat daar achter is
Poeloe Sebessie of Poeloe Bessi.”
„En daar weer achter, wat wij thans nog niet zien kunnen, ligt Poeloe
Seboekoe,” zei kapitein Butteling.
„God, wat is dat hier fraai!” kreet Dr. Hannius. „Kijk, hoe die fraaie
groene eilanden zich met hunne grillige vormen bevallig op het blauwe
watervlak voordoen!”
De Fernandina Maria Emma vervolgde statig haren koers. Verscheidene
schepen waren in het gezicht, en stevenden, evenals zij,
noordoostwaarts op. Toen het fregat Prinsen eiland te boven was, viel
het een paar streken oostwaarts af en verklaarde kapitein Butteling:
„Dat daar ginds stuurboord dwars van ons is Java’s derde punt. Die
bergreeks, die daar in zee uitsteekt, heet Batoe Hideng.”
„En daar iets noordelijker die tweelingberg dat zijn de Goenoeng Poeloe
Sarie en de Goenoeng Karang,” vulde kapitein Van Dam aan. „Zie daar die
bamboehuizen; dat is Tjeringin. En daar bijna vlak vooruit, waar gij
die witte huizen met die roode daken ziet, dat is Anjer. Het is jammer
dat het fregat zooveel vaart maakt.”
„Waarom jammer?” vroeg kapitein Butteling ietwat verstoord.
„Wel, nu kunnen geen kadraaiers aan boord komen,” antwoordde kapitein
Van Dam lachende. „En ik wed dat juffrouw Adelien en ook juffrouw Emma
wel een risje mangistan [78] zouden lusten.”
„He, ja, kapitein!” antwoordden de beide jonge meisjes opgetogen.
„Of een bos pisang[44], of eenige doerianpitten, [79] met haar dik
machtig moes omgeven.”
„He, ja, kapitein,” was de herhaalde uitroep van de lieve schoonen.
Kapitein Butteling kneep een oogenblik met driftig gebaar zijnen neus
tusschen duim en voorsten vinger, alsof hij eene onaangename lucht
toegang tot zijn reukorgaan wilde ontzeggen.
„Als de wind zoo blijft doorstaan,” zei hij eindelijk, „dan denk ik
morgen ochtend u het: slamat tahoen baroe [80] op Batavia’s reede te
kunnen toeroepen. Dan kunt gijlieden naar hartelust mangistan, pisang,
ramboetan [81], doerian, enz. enz. enz. eten. Maar thans moeten wij
voort!”
In dit oogenblik stevende het fregat vlak langs Poeloe Krakatoea en
zette koers op het eiland Dwars-in-den-weg.
„Kijk eens wat fraaie kegelberg daar, bakboord nagenoeg dwars van ons,”
merkte Behren op. „Wat is hij fraai regelmatig begroeid. Het is of hij
met wijngaarden overdekt is.”
„Dat is de piek op Poeloe Bessi,” antwoordde kapitein Van Dam. „Hij is
bijna geheel met maritja beplant.”
„Met Marietjes?” vroeg Slierendrecht. „Drommels zoo’n aanplant zal
kostbaar wezen.”
„Maritja, de Javaansche naam van peper, uilskuiken,” zei kapitein Van
Dam gebelgd.
„O, nu begrijp ik die regelmatigheid van aanplant,” zei de apotheker.
„De piper nigrum, zooals wij latinisten zeggen, is een klimmende
heester, welks stengel geleed en tweevorkig vertakt is. Hij behoort tot
de piperaceën....”
„Schei uit, mijnheer Behren met uwe pipe, pipa... hoe heet het ook
weer,” viel Adelien den apotheker in de rede. „Zeg mij liever, hoe die
hooge berg daar ginds in het noorden heet.”
„Juist, juffrouw,” zei kapitein Van Dam. „Die geleerden met hunne pippe
pippa. Ik wou dat ze allemaal de pip hadden! Dat is de Radja Bassa, die
ligt op den vasten wal van Sumatra en is bijna 5000 voet hoog.”
De zon ging in het westen achter Poeloe Krakatoea onder, en overgoot de
verbrokkelde massa van dat eiland met purper, dat een verheven effekt
maakte. In dit oogenblik stevende de Fernandina Maria Emma tusschen het
eiland Dwars-in-den-weg en den Javawal door. Rakelings bijna scheerde
het vaartuig langs Toppershoedje, een zeer klein kegelvormig eiland,
dat zich als een bevallig boschje groen boven het watervlak verhief, en
stuurde thans noordwaarts op om den Sint-Nikolaas hoek te ronden. Het
was ongeveer acht uren des avonds, toen kapitein Butteling zijne
passagiers een hartelijk: welkom in de Javazee! toeriep.
Voor en na liet de scheepsgezagvoerder nu zeil minderen, om de vaart te
temperen. Toen de dag aanbrak, was Poeloe Dapoer reeds
voorbijgestevend, en koerste het fregat tusschen de eilanden
Monnikendam en Edam, en liet bij opkomst der zon het anker op Batavia’s
reede vallen.
„Welkom in Nederlandsch-Indië, en alle heil en zegen in het nieuw
ingetreden jaar!”
Dat waren de wenschen, die allerwege op het dek van de Fernandina Maria
Emma gewisseld, werden. Iedereen was nu bedrijvig met pakken om zich
tot de ontscheping voor te bereiden. Van de verwarring maakten Adelien
en Frank gebruik om een handdruk te wisselen.
„Uw besluit,” zei het jonge meisje, „heeft mij een oogenblik ontstemd,
toch moet ik het goedkeuren. Frank, mijn Frank, vertrouw op mij.”
„En gij, dierbare Adelien, op mij!”
Een uur later waren al de passagiers in „tamban-gans” (lichte
vaartuigen) gezeten, en stevenden den Javawal te gemoet. Een paar uren
later kwamen een viertal tien-kojangs-prauwen langs zijde van het
fregat [82] om het detachement militairen over te voeren, en waren
weldra de tijdelijke opvarenden van de Fernandina Maria Emma, die voor
een zeventig-tal dagen bij elkander geweest waren, uiteen gespat, en
stormden hunne toekomst te gemoet. Welke zal die toekomst zijn?
O! wij zullen den lezer niet laten smachten!
EINDE
VAN „NAAR DEN EQUATOR.”
AANTEEKENINGEN.
[1] In viam pacis.... In nomine Domini! (bladz. 8). Dit is het begin
van een gebed, dat door vrome Katholieken als reisgebed gepreveld
wordt. Die woorden beteekenen: Op den weg des vredes.... In naam des
Heeren!
[2] Mompeer, mameer, momfreer en maseur, (bladz. 8) zijn Maastrichter
uitdrukkingen, afkomstig van de Fransche uitdrukkingen: mon père, ma
mère, mon frère, ma soeur. Het komieke ten dezen is, dat de
bezittelijke voornaamwoorden daarbij behouden blijven, al hebben ze
geen recht van bestaan. Zoo zal een Maastrichtenaar zich uitdrukken:
„Wie geit et met eure mompeer? Hoe vaart uw vader?” of: „ig hub eur
maseur gepuund. Ik heb uwe zuster gezoend.”
[3] Pangue lingua (bladz. 8) zijn de beginwoorden van een lofzang, die
veelal bij de opheffing van of bij den zegen met de Hostie aangeheven
wordt.
[4] De „Lévrier” (bladz. 9) is sedert jaren het voornaamste hotel van
Maastricht.
[5] Vade retro Satanas (bladz. 11) beteekent: Wijk terug, o Satan.
[6] Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix (bladz. 17)
beteekent: „Onder uwe hoede nemen wij onze toevlucht, o Heilige moeder
Gods.” Is het begin van een gebed tot Maria.
[7] Crypte, (bladz. 24). Zoo wordt een onderaardsch gedeelte eener
Roomsche kerk genoemd, hetwelk gewoonlijk onder het koor aangetroffen
wordt. Niet alle Roomsche kerken hebben evenwel Crypten.
[8] De Eerw. heer Canoy, (bladz. 24) destijds professeur en
philosophie, was een der humaanste en liefderijkste docenten te Rolduc.
[9] Sancta Lydia, ora pro nobis (bladz. 25) beteekent: Heilige Lydia,
bid voor ons.
[10] Compareat (bladz. 33) beteekent: dat hij verschijne!
[11] Vere dignum et justum est (bladz. 41) beteekent: het is inderdaad
waardig en billijk. Het zijn de eerste woorden van een indrukwekkenden
gebedzang, die gedurende het misoffer de consecratie der Hostie
voorafgaat.
[12] Ecce agnus Dei qui tollit peccata mundi (bladz. 41) beteekent: Zie
hier het lam Gods, dat de zonden der wereld draagt.
[13] In manus tuas Domine, commendo spiritum meum (bladz. 45)
beteekent: In uwe handen, o Heer, beveel ik mijnen geest.
[14] De profondis clamavi ad te Domine, Domine exaudi vocem meam
(bladz. 45) beteekent: Uit de diepte heb ik tot u geroepen, o Heer!
Heer, verhoor mijne stem. Is het beginvers van een psalm.
[15] Zoo is menige toekomst ergerlijk verwoest geworden, (bladz. 77).
Thans is het aannemen van handgeld geen beletsel meer om officier te
worden. Die naam van handgeld is ook veranderd en heet thans premie.
[16] De Balg (bladz. 97) is eene uitgestrekte zandbank, die oostwaarts
van Nieuwediep in de Zuiderzee gelegen is.
[17] Het Enkhuizer zand (bladz. 99) is eene belangrijke zandbank, die
zich in de Zuiderzee tusschen Enkhuizen en het eiland Urk uitstrekt.
[18] Lutjeswaard (bladz. 100) is eene zandbank in de Zuiderzee ten
noorden van het eiland Wieringen.
[19] Bakboord (bladz. 106) wordt de linker- en stuurboord de rechterzij
van het schip genoemd.
[20] Brassen (bladz. 109) is de benaming van het stellen der razeilen
in de gewenschte richting om den wind op te vangen. Vierkant brassen is
de ras loodrecht op de lengteas van het schip brengen. Geschiedt
wanneer de wind vlak van achteren inkomt.
[21] Bezaanschoot aan! (bladz. 110). Het aanhalen van den schoot van
het bezaanzeil, duidt steeds op goed weer en goede gelegenheid. Daarom
wordt veelal na die manoeuvre aan de bemanning een extra oorlam
verstrekt. Dientengevolge heeft het commando van: bezaanschoot aan! de
beteekenis van eene extra verstrekking van jenever gekregen.
[22] A. V. H. (bladz. 111) de voorletters eener handelsfirma te
Rotterdam, is het merk van een der beste jeneversoorten, die naar Indië
verscheept worden. Die drie kapitale letters hebben daar eene treurige
vermaardheid.
[23] Boontje (bladz. 113). Boon, of liever witte boon, was destijds een
schimpnaam, die door het volk in Nederland jegens militairen, maar
vooral jegens infanteristen, gebezigd werd.
[24] Te kooi (bladz. 116). De zeelieden noemen hunne hangmat of
slaapstede kooi. De wacht te kooi beteekent dus: in bed liggen.
[25] Noord-Hinder (bladz. 116) is eene zandbank in de Noordzee, waarop
een lichtschip op 51° 47′ noorderbreedte en op 2° 38′ oosterlengte van
Greenwich gelegen is. In de nabijheid liggen de banken West- en
Oost-Hinder, Fairybank en Bligh Bhinks.
[26] De koebrug (bladz. 120). Op de Fernandina Maria Emma stond de
groote boot op het dek tusschen den grooten- en fokkemast gesjord.
Boven die boot was eene stelling aangebracht, waarop waarlooze stengen,
raas, rondhouten, enz. geborgen lagen, die als het ware eene brug boven
die boot vormden. Die brug werd koebrug genoemd.
[27] Rosa Damascena (bladz. 120) is de geleerde naam van onze Perzische
roos.
[28] Kerk (bladz. 121) is een vertrek in het achtergedeelte van het
schip, waarop de hutten der passagiers uitgang hebben. Bij groote
passagiers-stoombooten wordt dat vertrek met den naam salon bestempeld.
[29] Fokkemast (bladz. 123) is de naam van den voorsten mast. De tweede
heet groote mast en de derde, bij een fregat zooals de Fernandina Maria
Emma was, heet kruismast.
[30] Sandettie en Goodwin’s sand (bladz. 123) zijn zandbanken in de
Noordzee meer onder de Engelsche kust. Eerstgenoemde nagenoeg in het
midden van het vaarwater tusschen Ramsgate en Duinkerken gelegen.
[31] Grietje geien (bladz. 123). Een fregat heeft aan den kruismast de
navolgende vierkante zeilen: beneden het bezaanzeil, daarboven het
bagijnezeil, verder het kruiszeil en daarboven het grietje; aan den
grooten mast: het grootzeil, het groot marszeil, het groot bramzeil en
het groot bovenbramzeil; en aan den fokkemast: de fok, het
voormarszeil, het voorbramzeil en het voorboven bramzeil.
[32] Vaam (bladz. 124) of vadem is eene lengtemaat gelijk aan 1.83 M.
[33] Den Burg (bladz. 139) was destijds en is nog, meen ik, het
voornaamste logement te Nieuwediep.
[34] Dum nihil est in poculo! (bladz. 140) beteekent: Wijl niets meer
in den beker is!
[35] Kondeh (bladz. 142). In Indië kammen, zoowel de Europeesche dames
als de vrouwen des lands, zich het haar glad naar achteren, en binden
den geheelen haardos, die gewoonlijk rijk en prachtig moet genoemd
worden, in een wrong tegen het achterhoofd op, alwaar hij met een paar
haarspelden bevestigd wordt. Die zoo opgebonden wrong wordt kondeh
genoemd.
[36] Zeilen tegengebrast (bladz. 150). Tegenbrassen noemt men de zeilen
zoo stellen, dat de wind aan den voorkant invalt. Wanneer een gedeelte
der zeilen voor den wind en de andere tegengebrast zijn, dan
vernietigen die beide krachten elkander en blijft het schip nagenoeg
stationnair.
[37] Een melkmeisje er van maken (bladz. 159). Wanneer het schip aan
beide zijden lijzeilen voert, hetgeen slechts met zeer ruimen wind kan
geschieden, dan wordt de vergelijking van het melkmeisje, met hare
melkemmers aan weerszijden, gemaakt.
[38] Een oppertje (bladz. 168) komt van opperwal, welke term door de
zeelieden gebezigd wordt, om een eiland, eene kust, eene landtong, eene
kaap, enz. te beduiden, die boven den heerschenden wind ligt en dus
daartegen dekt. Achter zoo’n opperwal ligt een schip veilig.
Overdrachtelijk wordt nu aan boord ieder voorwerp een oppertje genoemd,
dat tegen den wind beschut.
[39] Pardoens (bladz. 174). De stengen, de verlengstukken der masten,
worden voor gesteund door de stagen en zijdelings-achterwaarts door de
pardoens. Stagen en pardoens bestaan uit zwaar touwwerk, evenwel van
mindere dikte dan dat, waaruit het want bestaat.
[40] Sapada, bawa minoeman! (bladz. 185) beteekent: Hei daar, breng
drank! Het woord sapada is verbasterd van si apa ada, hetgeen
beteekent: Wie is er? een gewone uitdrukking in Indië om een bediende
te roepen.
[41] Dobberende bij de Canarische eilanden (bladz. 191). De schrijver
bracht in October 1872 met het schip Kosmopoliet III vier dagen
tusschen de Canarische eilanden door. De bijzonderheden bij die
gelegenheid omtrent Teneriffe opgeteekend, worden hier weergegeven. Het
verhaal van de schipbreuk der Senhora Dolorès is overgenomen uit het
journaal van een scheepsgezagvoerder, die mij dat later toevertrouwde.
De aardrijkskundige bijzonderheden van die aanteekeningen en van dat
journaal werden bij het terneerstellen van dit verhaal getoetst aan de
zeekaart: the Canary-Islands surveyed by Captn A. T. E. Vidal and
Lieutt Arlett R. N. Officers of H. M. S. Etna.
[42] Theorie houden (bladz. 192) wordt in de Indische militaire wereld
genoemd: het geestdoodend opdreunen van de van buiten geleerde
reglementen.
[43] Een halfdekje slaan (bladz. 197) beteekent: Het halfdek—dat
gedeelte van het dek, hetwelk zich tusschen den grooten mast en den
spiegel uitstrekt—op en neer wandelen.
[44] Cocospalm (bladz. 201) = Cocos nucifera; Dadelpalm = Phoenix
dactylifera; Drakenbloedboom = Dracaena draco; Pisang-soorten =
Musaceën, waaronder de Musa paradisiaca.
[45] De drakenbloedboom te Orotava (bladz. 203) bestaat niet meer.
Ongeveer twaalf jaren geleden werd hij door een orkaan midden
doorgescheurd en werden zijne overblijfselen voor en na voor brandhout
gebezigd.
[46] Kaap Clear en Mizen Point (bladz. 207) zijn de zuidelijkste en
zuidwestelijkste punten van Ierland.
[47] Teneriffe-wijn (bladz. 209) is een soort Madeira-wijn.
[48] Corregidor (bladz. 217). Zoo werd in Spanje en in de koloniën van
dat rijk, voor de invoering der nieuwe gemeentewet, de voorzitter van
den stedelijken raad genoemd, die behalve met het bestuur tevens met de
rechtspraak belast was.
[49] Het kabelgat (bladz. 231) is een nauw hok voor den fokkemast,
waarin gewoonlijk kabels, touwwerk, oude zeilen, enz. geborgen worden.
Wordt veelal gebruikt tot arrestkamer om weerspannigen te straffen.
[50] Blikvuren (bladz. 240) zijn vuurwerkerssignalen met gekleurd
licht.
[51] De patrijspoortjes (bladz. 254) zijn de luiken of vensters in de
zijden van het schip, waardoor licht en lucht toetreden kan. De naam
patrijspoort is waarschijnlijk eene verbastering van batterijpoort.
[52] Het phosphoresceeren der zee (bladz. 258) wordt veroorzaakt door
microscopische zeedieren, waaronder de Noctiluca miliaris eene hoofdrol
vervult. Bijna alle groepen van zeedieren evenwel, als: infusoriën,
polypen, actiniën, kwallen, medusen, zeesterren, huidzakdieren,
schelpdieren, raderdiertjes en kreeftensoorten, werken daartoe mede.
[53] Spinnekop (bladz. 259) wordt genoemd: een blok met ingeschoren
lijntjes, waaraan de zonnetent bevestigd is. Door dit blok, hetwelk
gewoonlijk aan een der stagen bevestigd is, kan de zonnetent op- en
neergehaald worden. Het geheel lijkt veel op eene spin in haar web.
[54] Makreelen (bladz. 264) = Scomber scombrus.
[55] Menschen-haaien (bladz. 265) = Squalus carchrias.
[56] Thonijn (bladz. 266) = Thynnus vulgaris.
[57] Boniet (bladz. 266) = Thynnus pelamys.
[58] De Doraden (bladz. 271) behooren tot de Makreelen (Scomberoïdei).
De geleerden noemen die vischsoort met den algemeenen naam Coryphaena.
Er zijn vele Coryphaenae-soorten, waarvan de C. pelagica de meest
menigvuldige in den Atlantischen Oceaan is en de C. hippurus in de
Middellandsche zee.
[59] De hoogvlieger (bladz. 273). Onder de vliegende visschen is de
Exocoetus volitans.
[60] De op bladz. 277–280 en later volgende mededeelingen omtrent Rio
Janeiro zijn getrokken uit een manuscript-dagboek van een officier van
het Ned. Ind. leger, dat door den schrijver getoetst werd aan het werk:
South America by A. Gallenga London. Chapman and Hall Limited 193
Piccadilly, en aan de zeekaart: Rio de Janeiro Harbour from a chart by
J. de Lamare Captn Brazilian navy 1847, with additions and corrections
by Captn E. O. Stanley, G. H. Richards and Lieutt C. Bullock R. N.
[61] Palmwijn (bladz. 281). De hier bedoelde is afkomstig van de
Mauritia vinifera, wel het grootste, prachtigste en nuttigste specimen
van de palmsoorten. Wordt in geheel Brazilië, maar vooral langs de
Amazone in uitgestrekte bosschen, aangetroffen.
[62] Djarak (bladz. 292) = Ricinus communis.
[63] Stormzwaluwen (bladz. 303) heeten bij de geleerden Procellaria
pelagica.
[64] Ikan poes (bladz. 320). Ikan beteekent visch. Het woord poes is
afkomstig van het geluid, hetwelk de visch maakt bij het uitblazen van
de lucht door het spuitgat, hetwelk hij boven op het hoofd heeft. Van
dat woord poes heeft de Dajak het woord mapoes vervaardigd in de
beteekenis van: proestend, met gedruisch en ver wegspuwen.
[65] Kaap Agulhas, de zuidelijkste punt van Afrika, ligt op 32° 23′
zuiderbreedte en 19° 44′ oosterlengte niet ver van de Kaap de Goede
Hoop (bladz. 324).