verscheen? Het schip maakte zulke kabriolen, dat het onmogelijk was een
bord in bedwang te houden en mes en vork te hanteeren. De broodbakken
met scheepsbeschuit en de borden met gesneden ham stonden op de
slingerborden. Ieder die eetlust had, bediende zich, en verorberde zijn
diner uit het vuistje. Zoo ging het ook in het tusschendek. Aan de
soldaten—aan hen namelijk, die door de slingeringen van het schip niet
van streek waren,—werden ook een paar dikke maar harde
scheepsbeschuiten uitgedeeld. Voor beiden waren gezonde tanden en een
flink kakebeensvermogen noodig.
Dat weer hield volle vier en twintig uren aan. Daarna begon de wind te
minderen, en zoodanig om te loopen, dat hij in het zuidoosten te recht
kwam. Nog voor dat het avond werd, waren de laatste sporen van den
storm aan den hemel verdwenen, en ging de zon achter eene volmaakt
zuivere en scherp afgeteekende kim ten onder.
Alleen de zee, die nog hol uit het zuidwesten aanrolde, was minder
aangenaam, daar bij de zwakte der bries het schip nog maar weinig steun
in zijne zeilen had, die inmiddels zooveel maar mogelijk was, bijgezet
waren. Maar de deining slechtte langzamerhand ook af, zoodat die storm
weldra vergeten was.
„Wij zijn met glans in den zuidoostpassaat geraakt,” merkte stuurman
Abels de passagiers op. „Ik moet erkennen, dat wij het al bijzonder
goed treffen.”
„Dat komt waarschijnlijk, omdat ik aan boord ben,” sprak Adelien
Groenewald lachend. „Als ik op reis ben, gaat alles voorspoedig.”
„Dat mag dan ook wel,” antwoordde de stuurman.
„Wat mag dan ook wel?” vroeg het jonge meisje.
„Dat weer en wind galant jegens jonge dames zijn!” antwoordde Abels.
„Dat de goede God zooveel voor den schoonsten zijner engelen over
heeft,” voegde Leidermooi er bij.
„Dank u voor het kompliment, mijnheer Leidermooi en mijnheer Abels.”
„Wat geheel op zijne plaats en volkomen verdiend is, juffrouw
Groenewald,” betuigden beiden.
Adelien luisterde ter nauwernood naar dat kwinkeleeren. Hare aandacht
was elders. Zij zag Frank met Herman ter hoogte van den grooten mast
staan, die beiden op de verschansing geleund, in een ernstig gesprek
schenen. Met een blik wees zij hare zuster in die richting. Bij
intuïtie kregen de jonge meisjes een gevoel, alsof daar hare toekomst
beslist werd. Haar voorgevoel bedroog haar niet. Het gesprek was daar
zeer ernstig. Frank had zijnen vriend dadelijk het onderhoud
medegedeeld, hetwelk hij ettelijke dagen te voren met den heer
Groenewald gehad had. Deze had zonder dralen ieder aanbod terstond van
de hand gewezen en betuigd, dat hij militair in hart en ziel en niet
genegen was om die loopbaan vaarwel te zeggen.
„Ook niet, wanneer u zooals onderwerpelijk, eene zooveel betere
loopbaan aangeboden wordt?” vroeg Frank.
„Wij zullen maar geen discussie openen over het betere of het mindere
van deze of gene loopbaan. In onze eeuw is iedere eerlijke loopbaan de
beste, die met onze neigingen en wenschen het meest overeenkomt, en die
door ons ongedwongen, bij keuze aanvaard wordt. Neen, ik ben niet
genegen om den krijgsmansrok tegen een anderen te verwisselen.”
„Ook niet, wanneer gij met die betere positie de hand kunt verwerven
van een lief, aardig en zeer schoon meisje?” vroeg Frank met iets
ondeugends in zijne stem.
„Wat bedoelt gij daarmeê?”
„Kom Herman, speel den onnoozelen nu niet. Alsof ge niet bemerkt zoudt
hebben, dat gij Emma niet onverschillig zijt.”
Een oogenblik stond Riethoven roerloos stil. In zijn brein rees de
gedachte: „als mij dat eens van Lydia gezegd was geworden! Wat vreugde
zou ik dan niet ondervonden hebben!” Met het geestesoog dwaalde hij af
naar het noordelijk halfrond, naar het bescheidenste stadje van het
bescheidene rijkje van het kleinste werelddeel. Een paar lieve donkere
oogen, die onder een diadeem van prachtige bruine krullen fonkelden,
staarden hem aan. Die oogen waren ernstig gestemd, het gebaar van de
schoone maagd wees naar boven en hare lippen prevelden: „à Dieu!”
„Dat ’s immers altemaal maar gekheid!” barstte hij uit. „Ik juffrouw
Emma niet onverschillig zijn! Kom, kom, je vriendschap voor mij
vervoert je. Nimmer heb ik dat meisje aanleiding gegeven te
veronderstellen, dat ik ooit een gedachte aan haar gewijd heb. Hoe zou
zij eenige genegenheid voor mij eenvoudig onderofficier opgevat
hebben?”
„Drommels, de liefde ziet niet naar....”
„En al ware dat zoo,” viel Herman zijn vriend in de rede, „dan zou ik
het voor Emma Groenewald betreuren; want bij mij is alles dood! Ik
geloof geen vrouw meer te kunnen liefhebben. Eene speelpop er van
maken.... ja, misschien in de toekomst;... later... als ik meer
vergeten zal hebben. Maar... daarvoor is Emma Groenewald te goed, te
edel, te rein.”
Die laatste woorden werden niet zonder geestdrift uitgesproken. Frank
keek zijn vriend verbaasd aan.
„Dus,” hernam hij, „van eene vereeniging met Emma zullen wij maar niet
meer spreken. Ik begrijp je gevoelen volkomen, en kan dat ook
eenigermate goedkeuren. Maar nu de aangebodene betrekking?”
„Die weiger ik glad weg. Ik wil en mag door eene aanneming geen
verwachtingen opwekken, die ik onmogelijk vervullen kan. Daarenboven ik
blijf militair. In mijn oog is er geen loopbaan, die het bij deze halen
kan.”
„Maar... welken raad zoudt gij mij geven?”
„Gij?... gij zijt in een heel anderen toestand! Gij bemint Adelien en
voor de beminde vrouw kan geen te zwaar offer gebracht worden. Of
beter, het is geen offer dat gebracht wordt; het is een genot, een
wellust iets te kunnen verrichten, wat strekken kan haar te naderen, al
strookt die handeling ook niet altijd met onze gemaakte plannen. Het is
eene soort piëteit: alles voor het geliefde voorwerp over te hebben!”
„Dus gij zoudt mij raden?...”
„Wacht! ik raad u om kalm den toestand te overdenken. Met uwen
onderofficiersjas aan in die familie opgenomen te worden, staat, dunkt
mij, met een afstand van uwe onafhankelijkheid tamelijk gelijk. Gij
treedt dan arm en berooid dat gezin binnen, en zijt daaraan alles
verschuldigd. Zal die gedachte in de dagen van rampspoed, uw brein of
dat van Adelien niet bestormen? Zullen....”
„O! zwijg, zwijg! wat ik je bidden mag,” sprak Frank smeekend. „Je
woorden hebben mij wakker geschud. Ik weet thans wat mij te doen
staat.”
XVI.
STRAAT SUNDA.
Stuurman Abels had gelijk gehad. De storm op 22 en 23 December had de
Fernandina Maria Emma, wel wat hardhandig, in den zuidoostpassaat
gevoerd. Maar niet alleen in den passaat, maar ook tusschen de
keerkringen. Op den 24sten toch stond het fregat bij het middagbestek
op 20° 48′ zuiderbreedte en 96° 15′ oosterlengte en lei noordnoordoost
een achtste oost voor.
Het was ook of met den storm, de kaapsche duiven, die daags te voren
nog in menigte rondom het schip zwierven, afscheid genomen hadden. Geen
hunner werd meer ontwaard. De albatrossen, kaapsche ganzen en dominé’s
waren reeds sedert verscheidene dagen weg gebleven.
„Die verlaten de schepen in den regel op de breedte van de eilanden St.
Paul en Amsterdam,” [75] vertelde stuurman Bagman.
Eenmaal in den zuidoostpassaat, stevende het schip flink door en legde
in de eerste dagen gemiddeld 47 mijlen in het etmaal af. Bij het
middagbestek, op zondag den 27sten December, bevond het fregat zich op
12° 55′ zuiderbreedte en 100° 22′ oosterlengte, en naderde dus het
einddoel der reis snel. Des avonds bij het diner heerschte dan ook een
zekere opgewektheid, die zich in menig welsprekend woord uitte.
„Dames en heeren! het zal wel de laatste zondag zijn, dien wij
gezamenlijk aan boord doorbrengen,” sprak kapitein Butteling bij het
dessert, terwijl hij met een schuimenden beker echte Veuve Cliquot in
de hand opstond. „Wij zullen nog ettelijke dagen te samen zijn, maar èn
de maatschappelijke omstandigheden, èn de drukten, die de onmiddellijk
volgende dagen gaan kenmerken, zullen een zoo gezellig samenzijn,
waarin wij ons thans verheugen, waarschijnlijk niet meer gedoogen. Ik
grijp dan ook de gelegenheid aan, om mij van een dankbaarheidsplicht te
kwijten, waartoe mijn hart mij in deze oogenblikken aanzet. Op
voorspraak van den heer Groenewald hebben wij in onzen kring opgenomen
de sergeanten Brinkman en Riethoven. Geen oogenblik hebben wij daarover
ook maar eene gedachte van teleurstelling ondervonden. Wij hebben die
twee onderofficieren leeren kennen als degelijke welopgevoede
jongelieden, die op bescheiden manier hier hunne plaats wisten in te
nemen en daarbij iedereen voor zich innamen.
„Bij de tooneelen van muitzucht, die wij helaas! beleefd hebben, hebben
die mannen ons allen gered, niet alleen door het ontmaskeren van het
gesmede complot, wat hun plicht was; maar vooral door de tactvolle
behandeling dier aangelegenheid, waardoor het, zonder dat ontijdige
onrust veroorzaakt werd, of dat den belhamels verraden konden worden,
dat hunne ontwerpen bekend waren, kapitein Van Dam en mij mogelijk
werd, die maatregelen te beramen, welke ieder oproerige beweging in de
geboorte moesten smoren. Later bij het kortstondige gevecht stonden zij
als mannen tegenover de verdoolden, en gaven blijken, dat ook bij
lichamelijke gevaren op hunne toewijding te rekenen viel. Ik betuig,
dat die jongelieden zoo begaafd en zoo doordrongen van plichtgevoel,
waardige leden zijn van die groote familie in de maatschappij, van de
militaire wereld en voorspel, dat zij daarin, wanneer zij die loopbaan
zullen blijven betreden, eene edele en waardige plaats zullen
vervullen.
„En mocht een hunner of beiden bij aankomst in Indië of later verlokt
worden,”—bij deze woorden krulde een schier onmerkbare glimlach de
lippen van den spreker—„om het krijgsmanskleed aan den kapstok te
hangen en eene andere loopbaan te betreden, dan ben ik overtuigd, dat
zij ook in de burgermaatschappij eene waardige plaats zullen innemen,
en dat de namen van Brinkman en Riethoven steeds namen van goeden klank
zullen zijn.
„Ik zou de gelegenheid kunnen aangrijpen om op hun reddingswerk te
doelen, toen zij, bij gelegenheid dat eene ongalante stortzee aan boord
kwam, ter hulpe snelden van twee lieve kinderen, die door het pekelnat
onmeedoogend voortgesleurd werden: ik wil evenwel het
dankbaarheidsterrein der geredden jegens hunne redders niet betreden.
Ik twijfel er niet aan, of het dankbare hart zal wel eene formule weten
te vinden, om zich van die schuld te kwijten. Ik evenwel betuig den
jongelieden mijn dank, dat zij toen mijn bodem, mijne sierlijke
Fernandina Maria Emma verhoed hebben, het tooneel te zijn van een
jammerlijke ramp, die niet uitgebleven zoude zijn, wanneer hunne
tijdige hulp ontbroken hadde.
„Jonge mannen, het ga u wel! Gij hebt hier een kring vriendenharten om
u verworven, die u van harte de hand toesteken en toeroepen: „Op de
toekomst der sergeanten Brinkman en Riethoven in het schoone
Nederlandsch-Indië!””
Zal het noodig zijn te vertellen, dat die dronk, met overtuiging door
den waardigen zeeman uitgesproken, aller instemming verwierf? Kapitein
Van Dam sprong op, bracht zijn glas vooruit en klonk met de
jongelieden, welk voorbeeld door allen en niet het minst door de dames
Groenewald gevolgd werd.
„Op uwe toekomst in het schoone Indië!” klonk het allerwege.
Getroffen door die betuiging van waardeering waren de jongelingen
opgestaan. Zij klonken met de hen omringenden en beantwoordden
bescheiden en gepast in weinige woorden kapitein Butteling en betuigden
daarbij, dat zij alle pogingen zouden aanwenden, om steeds de goede
meeningen, omtrent hen geuit, waardig te blijven.
Toen, na het diner, de traditioneele kop koffie aan het dek verorberd
en daar nog een halfuurtje gekout was, vormden zich de gewone
speelpartijtjes in de kerk, en zaten de dames weldra in gezelschap van
de beide jongelieden de heerlijke avondlucht te genieten, en waren daar
niet rouwig om.
„Wat een verschil met ettelijke dagen geleden,” sprak Herman. „Het is
of het gisteren pas was, dat wij langs het eiland Marion stevenden en
van de koude rilden bij het gezicht van die sneeuwvelden en die
ijstoppen en thans....”
„Thans zijn wij tusschen de keerkringen, in die gezegende streek, waar
de mensch het niet koud en de arme geen gebrek heeft,” zei mevrouw
Groenewald ernstig.
„Ja, wat een verschil,” sprak Emma. „Het is inderdaad, alsof wij in
eene andere wereld overgegaan zijn. Van de grenzen der Poolzee....”
„Ho! ho! juffrouw Emma,” viel Herman lachende in, „de grenzen der
Poolzee worden gerekend eerst op 67° 30′ te beginnen. Wij hebben nog
niet geheel 49° zuiderbreedte gehaald. Met het noordelijk halfrond
vergeleken zijn wij zoo wat op denzelfden afstand van den Evenaar
geweest als Parijs daarvan verwijderd ligt.”
„Zeer juist, mijnheer Riethoven,” antwoordde Emma. „Maar vergeet niet,
dat in het zuidelijk halfrond de ijsgordel zich veel verder uitstrekt
dan in het noordelijk. Gij hebt gezien, dat in het volle zomersaisoen,
in de maand December, die gelijk staat met de maand Juni daar ginds, de
niet zeer hooge toppen van Marion allerwege nog met sneeuw en ijs
bedekt waren; terwijl op IJsland, dat den noordpoolcirkel aanraakt, de
eerste sneeuwgrens op ruim 3000 voet hoogte aangetroffen wordt. In ons
Europa wordt de grens van het drijfijs eerst benoorden de Noordkaap,
dus benoorden den 70sten graad noorderbreedte aangetroffen. Hadden wij
de reis een zestal maanden vroeger of later ondernomen, dan zouden wij
zoo zuidelijk niet hebben kunnen gaan, zonder ijsbergen en wellicht
pakijs ontmoet te hebben; ja in het wintersaisoen gebeurt het wel, dat
drijvend ijs in de nabijheid van de Kaap de Goede Hoop gezien wordt.”
„En de gevolgtrekking van dat alles is, juffrouw Groenewald?” vroeg
Herman.
„Wel, dat ik in weerwil der zeer geleerde aardrijkskundigen geen
ongelijk had, toen ik er op duidde, dat de Fernandina Maria Emma op de
grenzen der IJszee geweest is.”
„Uitmuntend verdedigd!” kwam stuurman Abels tusschen beide, die de
wacht aan dek had en zich in de nabijheid van den roerganger ophield.
„Uitmuntend verdedigd! Wat het varen een mensch toch vormt! Dat is uwe
tweede zeereis, die gij maakt, en waarachtig! er is menige derde
stuurman, die uwe verhandeling zoo voor het vuistje niet uit zijn mouw
zou kunnen schudden. Gij zijt zoo geleerd als gij lief, goed en schoon
zijt, juffrouw Groenewald.”
Wanneer het dag ware geweest, dan zou een lichte blos op Emma’s koonen
niet onopgemerkt gebleven zijn. Het ongekunstelde zeemans-kompliment
streelde haar. Toch had zij wel gewild, dat iemand anders het haar had
toegevoegd. Maar ach! die zat daar zoo koud en onverschillig. Zij
zweeg, maar een zucht steeg onhoorbaar uit hare borst, en werd door de
bries opgenomen om wellicht in het marszeil te fluisteren, wat in het
maagdelijk hart omging.
Frank was dien avond buitengewoon stil, ernstig en vaak afgetrokken,
hetgeen Adelien, die niet onkundig gebleven was met het gesprek, dat
hij met haren papa gevoerd had, wel verbaasde. Geen blik had den hare
beantwoord, hare hand had niet altijd gevonden die, welke zij in het
donker zocht. Zij verbeeldde zich zelfs, dat een enkele maal Frank
zijne hand als met schrik bij de aanraking met de hare teruggetrokken
had, hoewel hij een oogenblik later dat lieve kleine handje met vuur,
met innigheid, met vervoering gedrukt had. Dat er wat gaande was,
begreep het jonge meisje maar al te goed. In hare onervarenheid evenwel
maakte zij zich beangst, en gaf aan de somberste voorgevoelens toegang
tot dat hart, hetwelk van liefde blaakte. Toen het oogenblik daar was,
om zich ter ruste te begeven, kon zij niet nalaten de gelegenheid van
een ondeelbaar oogenblik aan te grijpen om de hand van Frank te grijpen
en hem fluisterend te vragen:
„Wat is er toch? Gij beangstigt mij zoo!”
Mevrouw Groenewald en Emma stonden reeds op den trap, en wisselden een
afscheidsgroet met Herman Riethoven. Innig drukte Frank de hand van het
lieve meisje, trok haar naar zich toe, sloeg zijn anderen arm om hare
leest, prangde haar aan de borst en fluisterde haar toe, terwijl hunne
lippen in een innigen kus op elkander sloten:
„Wees niet ongerust, lieve. Ik moet uwen vader spreken. Ik ben
overtuigd, dat ieder woord, hetwelk ik hem zeggen zal, uwe goedkeuring
zal wegdragen. Goeden nacht, mijne Adelien!”
„Goeden nacht, mijn Frank!”
Andermaal werd een kus gewisseld, waarna het meisje den trap afstoof.
„Hebt gij daar weer niet ondoordacht gehandeld?” vroeg Riethoven, wien
dat bedrijf niet ontsnapt was, zijnen vriend. „Was dat niet tegen uwe
voornemens handelen, zeg Frank?”
„Ge hebt gelijk. Maar, o! Herman, ik kon den aandrang van mijn hart
geen weerstand bieden. Ik moest dat lieve kind, dat mij zoo
onuitsprekelijk bemint, in mijn armen drukken!”
„En een kus ontfutselen?”
„Ja, en een kus ontfutselen! Maar wij hebben elkander zoo innig, innig
lief. Ik voel dat wat er ook gebeuren gaat, wij elkander zullen blijven
beminnen.”
„Dat wensch ik u lieden van harte. Blijf evenwel steeds, welke
aanvechtingen gij te bestrijden zult hebben, welke gelegenheden zich
ook aanbieden zullen, de inspraak der eer, dat hoogste kleinood, dat
gij bezit, volgen.”
„Ik dank je, Herman. Ik hoop die raadgevingen trouw na te komen. Kom,
laten wij het algemeen voorbeeld volgen en gaan rusten.”
De zuidoostpassaat was langzamerhand verzwakt en nam al meer en meer
af, naarmate men den Indischen Archipel naderde. Bij het middagbestek
op den 27sten werd bevonden, dat de Fernandina Maria Emma in het
laatste etmaal 35 mijlen had afgelegd. Op den 28sten kromp dat tot 30,
op den 29sten tot 26 en op den 30sten tot 22 mijlen in. Op
laatstgenoemden datum wees het middagbestek 7° 46′ zuiderbreedte en
102° 34′ oosterlengte aan. De koers was noordnoordoost-half oost
geweest, en werd toen in noordoost ten oosten veranderd.
„Hoe ver zijn wij nog uit den wal?” vroeg de heer Groenewald aan
kapitein Butteling.
„Ongeveer 32 mijlen,” was het antwoord. „Blijft de passaat eenigszins
aanhouden, dan zullen wij wel land in het zicht hebben voor
zonsondergang.”
De voorspelling kwam niet uit. De passaat kwijnde langzamerhand weg,
zoodat het fregat zoo omstreeks tegen twee uur in katzjammer lag. Eene
menigte zeevogels, die rondom het schip zwierven, duidden evenwel de
nabijheid van land aan. Het waren wonderlijke vogels, zoo geheel anders
zich vertoonende dan de reizigers gewoon waren te zien. Vooral trok de
staart dier zwervers de aandacht. Die had meestal den vorm van een
zwaluwstaart, maar was zeer lang. Het scheepsvolk noemde hen:
marlpriemen, kleermakers, loodsen, schoorsteenvegers, enz.; terwijl
niemand aan boord was, die in staat was, den wetenschappelijken naam er
van op te geven, of ook maar mede te deelen tot welke familie of soort
zij behoorden. Slierendrecht schoot er een, die aan dek neerviel. Het
dier had de grootte van eene duif, was grijs als eene musch, gewapend
met een krommen bek als een valk, en had een paar krachtige klauwen
zonder zwemvliezen. Toen Hannius hem opende, vond hij de maag gevuld
met eene menigte inktvisschen, die er op wezen, dat die vogel een
behendig visscher en duikelaar moest wezen. Toen mevrouw Groenewald die
inktvisschen zag, zeide zij:
„Dat zijn tjoemi-tjoemi, [76] die behoorlijk gebraden bij de rijsttafel
uiterst lekker smaken.”
„Met die vangarmen hebben zij wel wat van spinnekoppen,” zei Denniston.
Na het diner wandelde mijnheer Groenewald op het dek, klampte daar de
beide onderofficieren aan, en noodigde hen uit met hem een halfdekje te
slaan, terwijl de overige passagiers in hun partijtje verdiept waren.
„Wel jongelieden,” vroeg hij na eenige plichtpleging en na de
gebruikelijke entrée en matière over wind, weer, gelegenheid, hoop van
aankomst doorloopen te hebben, „die aankomst is vrij nabij. Wij zijn in
den westmoesson; ik heb zoo’n idée dat, nu wij den passaat ontloopen
hebben, de noordwester ons spoedig zal bezoeken. Het wordt nu tijd, dat
gij mij een antwoord op mijn voorstel geeft. Gij hebt uwen vriend toch
op de hoogte gesteld, nietwaar?”
Deze vraag was tot Frank gericht, die ja knikte.
„Welnu, wat denkt gij over mijn voorstel, mijnheer Riethoven?”
„Ik ben u uiterst dankbaar, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik
heb er ernstig over gedacht en moet u mededeelen, dat ik het niet kan
aannemen.”
„Wat! niet kan aannemen! Gijlieden weet nog niet eens de voorwaarden.
Luistert, gij krijgt....”
„Ik ben vastbesloten militair te blijven, mijnheer Groenewald,” viel
hem Herman in de rede. „Geene voorwaarden hoe gunstig, hoe aanlokkelijk
ook, zullen mij in dat besluit doen wankelen.”
„Maar dat is waanzin.”
„Wel mogelijk. Ik heb vrijwillig den militairen rok aangetrokken, die
stand is voor mij eene roeping geworden. Wat ik u dus bidden mag, dring
niet verder aan. Gij zoudt mij noodzaken u te weigeren, en toch ben ik
u zooveel goede oogenblikken, hier aan boord doorgebracht,
verschuldigd, dat mij zulks innig leed zoude doen. Mijnheer Groenewald,
geef mij eene hand, en dat onze achting jegens elkander in weerwil van
dat besluit, ongeschonden blijve!”
Hoewel eenigszins onthutst reikte de koffieplanter den jonkman toch de
hand.
„En gij?” vroeg hij aan Frank.
„Veroorloof mij,” ging Herman voort, „u beiden het onderhoud te samen
te laten vervolgen. Een derde is daarbij overbodig.”
Hij boog en ging naar voren.
„En gij?” herhaalde de heer Groenewald zijne vraag aan Frank.
„Ik, mijnheer Groenewald,” antwoordde deze. „Ik zal niet verklaren, dat
ik besloten ben de militaire loopbaan te blijven betreden. Ik heb u
mijne gevoelens bloot gelegd, en nu gij op uw voorstel terug komt, is
mij dat een bewijs, dat die gevoelens geen hinderpaal opleveren, niet
waar?....”
„Neen, maar ga voort.”
„Zoodat ik met dankbaarheid dat voorstel aanneem. Evenwel....”
„Gij zult dus te Batavia er werk van maken, den militairen dienst te
verlaten? Wij blijven er eenige weken. Als gij spoedig genoeg slaagt,
kunt gij nog de reis met ons door Java naar de Vorstenlanden maken.”
„Vergeef mij, mijnheer Groenewald; maar gij hebt mij niet laten
uitspreken. Gaarne neem ik uw voorstel om op uwe landelijke onderneming
werkzaam gesteld te worden aan; maar.... niet dadelijk....”
„Niet dadelijk!... Hoe bedoelt gij dat?”
„Luister goed naar mij, mijnheer Groenewald, en versta mij in ’s hemels
naam niet verkeerd. Ik ben thans slechts onderofficier. Ik bekleed dus
slechts een graad, die, zooals mij verzekerd wordt, in Indië volstrekt
niet gezien is, zoo zelfs dat de onderofficieren daar met de mindere
militairen tot de paria’s der maatschappij gerekend worden. Welke zal
onder die omstandigheid later, wanneer de roes der wittebroodsweken
doorleefd zal zijn, wanneer het proza des levens tot zijne rechten zal
komen en de liefdeshymne der eerste dagen zal vervangen hebben, mijne
verhouding wezen tot mijne vrouw, die mij uit die nederige sfeer tot
zich ophief? Zal dan in haar hart niet liefdedoodend weerklinken, wat
rondom haar gefluisterd, wellicht reeds met trotschen eigenwaan vrij
duidelijk vertolkt werd: zij trouwde met een sergeant, met wien zij
kennis aan boord maakte. Zie, als ik den gemeenen glimlach bedenk,
welke die insinuatie-volle woorden zoude kunnen begeleiden, dan stijgt
mij het bloed naar het hoofd, dan....”
„Maar ge zult niet als sergeant met mijne....”
„Laat mij eindigen mijnheer Groenewald. Ik heb Adelien te lief, dan dat
door mijn toedoen ook maar eene verdenking jegens haar zou kunnen
geopperd worden. Zoo iets moet en zal voorkomen worden. Ik wil
daarenboven niet dat ooit de gedachte ingang bij haar vinde, dat zij
mij berooid en behoeftig tot haar ophief, dat ik alles aan haar
verschuldigd zoude zijn, wellicht dat mijne liefde gehuicheld was, en
dat mijne toenadering tot haar haren grondslag in mijne minder
schitterende omstandigheden vond...”
„Is dat de toekomst niet te donker inzien, mijnheer Brinkman?”
„Misschien hebt gij gelijk. Maar ik kan zoo uwe familie niet binnen
treden.”
„Maar dat zal ook niet gebeuren. Gij zult eerst uwe leerjaren te
doorworstelen hebben.”