[66] Slingerlatten (bladz. 325) zijn latten, nagenoeg drie vingeren

breed, die loodrecht op en langs den rand der tafel geplaatst worden.

Met het tafelblad tot bodem vormen zij een soort bak, waarin borden

enz. betrekkelijk veilig staan.

[67] Slingerborden (bladz. 325) zijn in den regel schijfvormige

plankjes, die door middel van drie touwtjes, welke zich in het

ophangspunt vereenigen, aan de dekbalken bengelen. Die slingerborden

hebben voldoende zwaarte om steeds loodrecht te blijven hangen, welke

hellingen het schip ook bij het slingeren en stampen aanneemt.

[68] IJzerhoudend water (bladz. 327). De watervoorraad aan boord is

gewoonlijk besloten in ijzeren ketels, waarin het water eene

roodachtige kleur en eenen onaangenamen smaak verkrijgt.

[69] Die voorspelling kwam uit (bladz. 329). De Stad Leiden kwam drie

dagen na de.... Fernandina Maria Emma—laten wij dien naam ook in de

aanteekeningen blijven behouden—op Batavia’s reede aan.

[70] Zuidwesters (bladz. 332) zijn bolvormige petten, gewoonlijk van

geölied doek vervaardigd, die eene ver achteruitstekende klep van

achteren hebben, zoodanig aangebracht, dat zij nek en ooren uitstekend

beschut.

[71] Jan in den zak (bladz. 350) is eene koeksoort van meeldeeg, dat in

een zak gekookt wordt. Behoort tot de lekkernijen aan boord.

[72] Spen (bladz. 351) is op Java eene verbastering van dispens.

[73] Marion (bladz. 356). In December 1872 stevende de schrijver met

het schip Kosmopoliet III langs het eiland Marion. De hiervermelde

bijzonderheden werden toen opgeteekend en thans getoetst aan de

zeekaart: Prince Edward Islands by Captn L. S. N. R. Nares of H. M. S.

Challenger.

[74] Vetganzen (bladz. 357), ook Pingouïnen genaamd, behooren tot de

familie der Alcinae. Bij de geleerden heeten zij Aptenodytes

Patagonica.

[75] De eilanden Sint Paul en Amsterdam (bladz. 367) liggen in den

Indischen Oceaan op 37° zuiderbreedte.

[76] De tjoemi-tjoemi of inktvisch (bladz. 374), is een weekdier uit de

klasse der Cephalopoda (koppootigen) en uit de afdeeling der Decapoda

(tienpootigen). Bij de geleerden heet hij in het algemeen Sepia,

waarvan de Sepia officinalis wel de meest talrijke soort is.

[77] Tandjoeng Blimbieng (bladz. 381) beteekent de Blimbieng-kaap.

Blimbieng is oen boom, die van 15 tot 20 voet hoog wordt. Hij heet bij

de geleerden Averrhoa carambola, en hoort tot de order der Oxalideeën

(klaver-zuringachtige). De vrucht—eene bes—is zeer smakelijk, vrij

groot, vijfhoekig met scherpe randen, en heeft eene zeer dunne, groene

schil, die bij het rijp worden geel wordt. Er zijn twee soorten: de

Blimbieng manies—de bovenbedoelde—en de Blimbieng assem, Averrhoa

Bilimbi.

[78] Mangistan (bladz. 382) = Garcinia Mangostana, eene overheerlijke

vrucht, die door een Engelschman Sir E. Tennent vergeleken werd met:

welriekende sneeuw.

[79] Doerian of Doeren (bladz. 382) = Doerio Zebethinus, eene lekkere,

maar zeer sterk riekende vrucht. Wij vonden ergens door een Franschman

omtrent die vrucht opgeteekend: „Il a tout à la fois la saveur de

plusieurs fruits et légumes, de la crême et en même temps une odeur de

concombre et d’ail, en sorte qu’il semble d’abord fétide et repoussant;

mais il parait qu’on s’y fait peu à peu et qu’on le trouve ensuite

délicieux.” Wij onderschrijven die uitspraak ten volle.

[80] Slamat tahoen baroe (bladz. 382) = nieuwjaars-heilwensch.

[81] Ramboetan (bladz. 382) = Nephelium lappaceum, ook eene zeer

gewilde vrucht.

[82] Tien kojangs prauwen (bladz. 384) zijn vaartuigen, die tien

kojangs kunnen laden. Een kojang = 30 pikols. Een pikol = 61,76125

kilogram. Een tien kojangs prauw kan dus ruim 18528 kilogrammen laden.

Het zijn logge vaartuigen met een mast, die een gaffel- en een

kluiverzeil voert.

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 26 / 26 段