„Ja, hoe de geleerden hem noemen, weet ik niet; wij zeelieden noemen

die vogels zoo lang ze vlekkeloos wit zijn albatrossen.”

„Hoe, zoolang ze vlekkeloos wit zijn?” vroeg Hannius. „Veranderen zij

dan?”

„Als ze zeer jong zijn, zijn ze bruin. Na het eerste jaar, wanneer ze

het nest verlaten, worden ze al lichter en lichter, totdat ze die

fraaie rosetint vertoonen, die gij zien kunt. Op lateren leeftijd

worden de vleugels donker, ja schier zwart, dan noemen wij ze kaapsche

ganzen.”

„Ik meen, dat de kaapsche gans eene soort van de Diomedeae was. Ik meen

zelf dat die Diomedea chlororijnchos geheeten wordt.”

„God beware, dat ik mij ooit in oppositie met de geleerden zou

begeven!” antwoordde de gezagvoerder lachende. „Ik zou toch geen gelijk

krijgen. Ik heb alleen maar verteld, wat de zeelieden van die vogels

verhalen.”

„Wat zijn dat voor vogels, die daar aankomen? Zij zijn zoo zwart als

onze raven, maar zij zijn veel grooter.”

„Wel dat zijn Dominés,” antwoordde Adelien Groenewald.

„Juist juffrouw,” antwoordde kapitein Butteling.

„Ook eene variatie der Diomedeae,” zei Hannius, „en wel de Diomedea

fuliginosa.”

„Wat zijn die geleerde lui toch razend vervelend met hunne

onverstaanbare benamingen,” mompelde Emma haar rustig in het oor.

„Als de gelegenheid er zich toe leende,” zei kapitein Butteling, „dan

ware van die wel een met een haak te vangen. Die Dominé’s zijn gulzig

als... als... Zouden zij ook daaraan hun naam ontleenen?”

„Foei, kapitein,” sprak mevrouw Groenewald afkeurend.

„Maar de gelegenheid is er,” sprak Denniston, die al bezig was zijne

haakjes met spek gereed te maken en er bij voorbaat op rekende, in de

vangst van een dominé eene vergoeding voor de ondervonden

teleurstelling bij de kaapsche duiven te zullen erlangen.

„Eerstens om een albatros, eene kaapsche gans of een dominé te vangen,

is iets anders noodig dan eene lijn van zeilgaren. Daar dient de

loglijn wel voor gebezigd te worden.”

„Wel, dat kan immers?” riep de jonge luitenant, die al naar de logrol

greep.

„Laat dat maar blijven, mijnheer Denniston. Kijk eens naar de lucht. Ik

ga den barometer eens raadplegen.”

De kapitein had gelijk. In het noordwesten begon de lucht zwaar te

werken en sombere wolken aan te voeren. Toen hij boven kwam, liet hij

de bovenzeilen bergen en men was daarmeê nog niet klaar, toen de

noordwester begon in te vallen. Van de geheele visscherij kon derhalve

niets komen.

Wel verhief zich de wind niet tot stormweer; maar het schip liep nu

dagen achtereen met gereefde marszeilen gemiddeld zestig mijlen, zoodat

de zee vrij woelig was. Zooals kapitein Butteling voorspeld had, werd

op 30 November de meridiaan van het eiland Gough gesneden. Men

passeerde dat eilandje slechts op een afstand van zes mijlen, maar door

de mistige lucht was er weinig meer van te zien dan de sombere

omtrekken van eene loodkleurige massa, die zich slechts weinig boven de

oppervlakte der zee verhief.

In den morgen van den 2den December werd het oostelijk halfrond

bereikt, dat wil zeggen: dat de Fernandina Maria Emma den meridiaan van

Greenwich, die zij in het Engelsche kanaal, westwaarts opstevenende,

gesneden had, thans oostwaarts zeilende, andermaal overschreed. Op het

middaguur van dien dag stond het fregat op 43° 43′ zuiderbreedte en 2°

10′ oosterlengte. In het laatst verloopen etmaal had het 72 mijlen

afgelegd en oostzuidoost driekwart oost voorgelegen. Op 5 December

sneed de Fernandina Maria Emma den meridiaan van de Kaap de Goede Hoop

en bevond zich dien dag bij het middagbestek op 44° 1′ zuiderbreedte en

20° 26′ oosterlengte. Men had geen reden van klagen, het fregat repte

zich goed onder den noordwestenwind, die zijn best deed. Dien avond

werd ter herdenking aan den feestavond in het vaderland, den matrozen

en manschappen eene verstrekking van sigaren uitgereikt, die de Heilige

Bisschop bij de passagiers achteruit opgegaard had, waarbij kapitein

Butteling nog een flink rantsoen bier voegde.

Den volgenden dag was het zondag en bij gevolg dubbele feestdag.

Behalve hun gewoon ration wijn werd nog aan ieder man eene halve flesch

verstrekt, die evenwel in twee helften verdeeld op doelmatige tijden

uitgereikt werd om opgewondenheid te voorkomen; terwijl aan sigaren

geen gebrek was. Daags te voren had kapitein Butteling het laatste

Hollandsche varken, dat hij voor deze gelegenheid bewaard had, laten

slachten, daarbij werd een flink ration aardappelen met knolrapen

verstrekt, welk maal door een flink stuk „jan in den zak” [71] met

keukenstroop besloten werd; zoodat het zoowel vooruit als achteruit op

de Fernandina Maria Emma een ware Lucullus-dag was. Wat de feestelijke

stemming nog verhoogde, was dat, hoewel de noordwestenwind zijn best

deed en het schip een tienmijls vaart liet behouden, het toch een

prettige dag was, omdat de hemel geheel wolkeloos was en de zon zich op

deze breedte in dit jaargetij aangenaam deed gevoelen. Overal zag men

dan ook vergenoegde gezichten en het dek was dan ook met domino- en

kienspelers overdekt, welke laatste evenwel met eenige zorg te werk

moesten gaan, wilden zij hunne lottokaarten niet over boord zien

waaien.

Na het diner achteruit, waren Frank en Herman nog eenige genoegelijke

uren beschoren. Toen de speeltafeltjes in de kerk opgetuigd waren en de

kaartliefhebbers zich in slagorde daarom heen geschaard hadden, waren

onze jonge mannen met de dames naar het dek gegaan, en hadden daar

achter de kap van den kajuitstrap een oppertje gezocht, waar het

viertal jonge lieden om mevrouw Groenewald heen een kringetje geslagen

hadden, dat door hen allen in dit avonduur uiterst gezellig genoemd

mocht worden.

Of het die jongelieden wel te moede was? De gesprekken liepen nog al

uiteen. Frank en Herman waren onuitputtelijk met hunne verhalen uit

hunnen studietijd. Rolduc en Katwijk kregen afwisselend eene beurt en

de meisjes proesten het soms uit bij de snakerijen, die vooral Brinkman

uiterst geestig voordroeg, en waarin de gezalfden des Heeren meestal

eene lachwekkende rol vervulden. Maar de dames vergenoegden zich niet

alleen met te luisteren. Zij op hare beurt vertelden hare toehoorders

veel van Java, van dat gezegende land, wat voor onze beide jongelingen

nog een tooverwereld was, maar die zich onder het lieftallig gekeuvel

van de beide jonge meisjes als het ware ontsloot. Zoo ontwierp Adelien

eene verrukkelijke schilderij van eene morgenwandeling door een

koffietuin op de hellingen van den Lawoe, en vulde Emma die aan met de

betuiging, hoe heerlijk, een kop echte onvervalschte Java-koffie na

zoo’n wandeling smaakte.

„Een kop koffie, zoo als onze mama die alleen kan zetten,” sprak de

lieve meid met een soort wellust, „van gebrande mannetjeskoffie, van

onverbroken rondboon, weet ge, zonder vervalsching met gebrande stroop,

zoo als ze hier aan boord doen, of met chichorei, zooals in Limburg,

België en de Rijnprovinciën, wellicht door geheel Duitschland

geschiedt.”

Zoo ontwierp de eene een beeld van het dagelijksche leven op een

landgoed in de binnenlanden van Java, de dagelijksche bezigheden in de

pandoppo, in de binnengallerij, in de spen [72] op het erf; en schetste

de andere de gezellige avonden, wanneer de familie in de helder

verlichte voorgallerij gezeten, den tijd onder gezelligen kout

verdreef, of wanneer de beide zusters in de niet minder verlichte

bovengallerij aan hare piano plaats namen en de ouders met hun lief

spel verrukten.

„Het moet daar lief in die eenzaamheid wezen,” merkte Frank op, voor

wien zich een hemel ontsloot, en drukte daarbij een handje, dat in

zijne nabijheid langs het vouwstoeltje afhing, en dat zich volstrekt

niet aan dien greep trachtte te ontwringen.

„Gij moet op dat woord: eenzaamheid zoo niet drukken, mijnheer

Brinkman,” antwoordde Emma. „Wij hebben daar ook wel onze uren van

bevolking, ja, van overbevolking, en dan kan het er vroolijk en prettig

wezen, dat verzeker ik u. Bij voorbeeld: wanneer reizigers, ambtenaren

op tournée, inspecteurs van allerlei zaken, die niet behoeven

geïnspecteerd te worden, van natuuronderzoekers, die weinig leverden,

maar zeer veel geld verkwistten, en andere nieuwsgierigen, onze

gastvrijheid inriepen, die natuurlijk dolgraag verleend werd; wanneer

er feest op het heerenhuis was, zooals met de verjaardagen van papa en

mama; of dat wij eene danspartij gaven, waarop al de Europeesche

bewoners der omliggende landelijke ondernemingen verzocht waren en ook

verschenen; geloof mij dan was het er levendig en gezellig op

Wilatoong. Dan waren het dagen van pret!”

Met levendigheid had de lieve meid gesproken. Men gevoelde dat zij toen

pret gehad had, en dat zij nu nog pret had in de herinnering aan die

dagen. O! zij had zoo gaarne iemand in hare nabijheid het heerlijke,

het gezellige van dat familieleven in de binnenlanden van Java willen

doen beseffen, willen doen deelen. Helaas! hare hand ontmoette in het

donker van den nacht geen andere hand. Het hart dat zij zocht, bleef

voor haar gesloten. De jongman aan hare zijde bleef onaantastbaar in

zijne gemoedsrust. Zou zij er ook ooit in slagen, die gemoedsrust te

storen? Bij die vraag, welke zij zich deed, zuchtte de lieve maagd en

stond op.

„Het is laat, mama,” sprak zij. „Ik word huiverig.”

„Ja, laat ons naar beneden gaan,” sprak de moeder, terwijl zij opstond

en de beide jongelieden de hand reikte.

Een ondeelbaar oogenblik bleef Emma’s hand in die van Herman. Een

lichte rilling doorvoer het lichaam van het lieve kind bij die

aanraking. Helaas, geen druk beantwoordde haren wensch. Koel en met

plichtpleging had Riethoven die hand aangeraakt en daarbij nog koeler,

als het kon, de woorden uitgesproken:

„Goeden nacht, juffrouw Groenewald.”

Het meisje greep niet zonder drift den arm harer moeder, en stoof met

die den kajuitstrap af; terwijl Frank en Adelien het gunstig oogenblik

te baat namen, elkander om het hoekje van dien trap de hand reikten,

elkander naar zich toetrokken, waarbij twee paren lippen elkander

onrustbarend naderden en een kus wisselden, een kus van liefde, van

innige toegenegenheid, waarover de engelen in den hemel moesten

juichen.

XV.

IN DEN ZUIDOOSTPASSAAT.

Toen op den 8sten December de dag aanbrak, en de opvarenden der

Fernandina Maria Emma aan het dek kwamen, klonk de kreet van uit de

mars van den fokkemast:

„Land vooruit!”

Aller blikken keerden zich naar het aangeduide punt. En ja, daar

doemden aan den horizon de omtrekken van vast land langzaam op. Eerst

als een nevelachtige band, later als eene loodblauwe massa met scherpe

omtrekken. Nog later begonnen zich heldere stippen op dien

loodkleurigen band te vertoonen en tooiden zich vooral de toppen in het

helderste wit.

„Wat drommel kan dat voor land zijn?” vroeg kapitein Van Dam aan den

derden stuurman, die in dat morgenuur de wacht aan dek had. „Het kan

onmogelijk een der Crozet eilanden zijn, die liggen zoo wat, meen ik,

onder den 51sten lengtegraad, en nog minder Kerguelen-eiland, dat

ongeveer op 70° ligt.”

„Neen, kapitein,” antwoordde de stuurman, „geen dier beiden is het. Het

zijn de Prince Edward eilanden, die wij daar voor ons hebben.”

„Het is ter dege koud,” sprak Adelien Groenewald.

„Daar zult gij de zeer natuurlijke oorzaak weldra van zien, juffrouw,”

antwoordde stuurman Ellenbaan. „Die heldere stippen daar ginds en die

witte toppen zijn sneeuwvelden, gletschers en ijsbergen. Als wij straks

onder den wind van het eiland komen, zullen wij het nog wel kouder

krijgen.”

Het fregat naderde al meer en meer, waarbij de koude zich ook al meer

en meer deed gevoelen. Voor en na slopen de passagiers naar beneden en

verschenen weer, gewikkeld in burnou’s, overjassen, pelsmantels en

hadden de dames hare hermelijnen moffen voor den dag gehaald en

gevoelden zich niet weinig tevreden, dat zij die medegenomen hadden.

„Die dingen zullen de dames wel te pas komen op het warme Java!” spotte

kapitein Van Dam.

„Lach er niet meê, kapitein,” sprak Emma. „Wilatoong ligt 1020 M. of op

ruim 3200 voet hoog. Ik verzeker u dat het daar ’s morgens koud kan

zijn en dat, bij eene wandeling bij het opkomen der zon, eene mof niet

overbodig mag heeten.”

Tegen elf uren waren niet alleen de omtrekken van het land, hetwelk

zich voor het oog opdeed, maar ook de bijzonderheden daarvan

waarneembaar. De Fernandina Maria Emma stevende recht op eene kaap aan,

die zich aanvankelijk steil uit zee verhief, een kleine top als een

voorgebergte vormde, maar daar achter in zachte glooiingen in een

bergtop overging, die zich in het midden van het eiland verhief, en

geheel in sneeuw en ijs gehuld was. De hellingen van dien berg waren op

de ruggen der lengteribben met groen overdekt, en kon bij de scherpste

waarneming met de scheepskijkers geen enkele boom, zelfs geen struik

ontwaard worden; zoodat men tot de overtuiging moest komen, dat die

groene bedekking uit een kort gras moest bestaan. De ruimten tusschen

die lengteribben en de kloven en ravijnen, die van den bergtop

afdaalden om in het kustland te loor te gaan, waren met sneeuw gevuld,

evenwel niet zoo, dat derzelver beloop onzichtbaar geworden zoude zijn,

eerder zooveel om de relièfs van die bergmassa scherp begrensd te doen

te voorschijn treden. Langs den zeeoever wemelde het van watervogels,

die in talrijke vluchten om dat land scheerden.

Bij de middagwaarneming bleek het fregat op 46° 55′ zuiderbreedte en

37° 34′ oosterlengte te staan en lag op nog geen twee mijlen uit den

wal. Kapitein Butteling liet thans zuid-oost ten zuiden voorleggen.

„Dat voorgebergte daar,” sprak kapitein Butteling, „heet Kaap Crosier.”

„Maar, hoe heet het eiland, waartoe die kaap behoort?” vroeg kapitein

Van Dam. „Is dat Prince Edward eiland?”

„Neen, Prince Edward eiland is niet te ontwaren, het ligt thans

noordoost van ons, en wordt door dit eiland voor ons gezicht gedekt.”

„Hoe heet dit eiland dan?”

„Dit is het eiland Marion.” [73]

„Wien behoort het?”

„Niemand; het is geheel onbewoond. Dat ziet gij trouwens aan de zwermen

zeevogels, die er om zwerven.”

Toen de Fernandina Maria Emma kaap Crosier gerond had, stevende zij

zuiver oostwaarts, evenwijdig aan en niet verder dan ongeveer twee

mijlen van de zuidkust van Marion. Dat eiland, hetwelk daar met zijn

bergtop, die zich op 4200 voet boven de oppervlakte der zee verhief, en

met sneeuw en ijs overdekt was, somber uit de zee oprees, stemde door

zijne verlatenheid het hart tot weemoed. Geen hutje, geen blauwe

rookkolom, die hare spiralen omhoog kronkelde en de tegenwoordigheid

van menschelijke wezens verried, was te bespeuren. Niets dan sneeuw en

ijs op de toppen en de bergnokken, niets dan kale rotsen in de

hellingen, hier en daar met eene groene laag als met koperoxyde

overdekt; terwijl eene zeer smalle strook, die zich aan den voet van

het gebergte uitstrekte, met een kort gras overdekt scheen, en eene

eenigszins vriendelijke tint aan dat tooneel bijzette.

Duizende en duizende zeevogels zwierven in dichte kringen over het

eiland en deden de lucht van hun krijschend geschreeuw weergalmen.

Verreweg waren de kaapsche duiven en kaapsche ganzen het talrijkst

vertegenwoordigd; maar daar vlogen ook eene menigte albatrossen, en

dominé’s rond, die rondom het schip dichte en onuitwarbare kringen

beschreven. Maar, waren de vogels, die de lucht doorkliefden, om het

schip draaiden of daarboven zweefden, ontelbaar, de menigte, die aan

den wal of zwemmende langs den oever bespeurd werd, had op die

kwalificatie veel meer aanspraak. Het strand was letterlijk overdekt

met vetganzen [74], die daar met hun zakvormig lichaam, op korte pooten

rustende, waarboven een dikke hals met plompen kop en een tamelijk

langen maar te zamengedrukten snavel, een vrij koddig figuur maakten.

Men was zoo kortbij, dat die dieren met behulp der kijkers zeer goed

waar te nemen en in hunne bewegingen te volgen waren. Wat hun een zot

uitzicht verleende, waren hunne vleugels, die met hunne schubvormige

veeren er slechts het denkbeeld van gaven; zulke korte stompjes waren

het. Wandelden die dieren op het strand, dan was hun gang

lachverwekkend en niets anders dan bij een gevederden zak te

vergelijken, die zich waggelend op korte pooten voortbewoog en

waarboven een gesnavelde kop lummelachtig prijkte. Hadden zij haast en

repten zij zich, dan bogen zij voorover tot met de borst op den bodem

en gleden dan, als het ware, met veel snelheid voort, terwijl zij

alsdan met pooten en vlerken werkten. Maar zij, die in het water langs

de kust zwommen, verrukten de toeschouwers, door hunne vlugge

bewegingen en behendig duiken. Daar waren zij in hun element en

vertoonden zich ook dan niet zoo belachelijk als zij, die zich op het

land bewogen; integendeel, dan was er iets sierlijks, iets bevalligs in

hunne bewegingen, en geen enkele vogel, zelfs de zoo lieve kaapsche

duif lag dan zoo licht en zoo etherisch op het water.

„Zouden wij niet eens naar den wal kunnen?” vroeg Slierendrecht aan

kapitein Butteling.

„Bij de vaart, die wij loopen, onmogelijk,” antwoordde de zeeman. „Wij

maken ongeveer acht mijlen.”

„Maar wij zouden ten anker kunnen komen,” meende Van Diepbrugge.

„Om wat te doen?” was de driftige vraag. „Om naar den wal te gaan?”

„Wel, wij zouden ettelijke dozijnen van die vetganzen kunnen schieten.

Onder dien hoop moet elke hagelkorrel raak zijn. En zij zien er zoo dik

en zoo dodderig uit, dat zij onwillekeurig het gezegde van dien

Berlijnschen lekkerbek herinneren:

„Eine jute jebratene Janse ist eine jute Jabe Jottes.”

„En voor zoo eene jute Jabe Jottes zou ik ten anker gaan?” vroeg

kapitein Butteling lachend. „Dat zal ik wel nalaten! Vooreerst zou dat

een waagstukje zijn in deze streken, dat onverantwoordelijk voor een

ervaren zeeman zou moeten genoemd worden. Dan, al bracht gij eene

geheele sloep met ganzen aan boord, zouden wij er toch niets aan

hebben.”

„Waarom niet?”

„Wel omdat die dieren zoo traanachtig zijn, dat zij totaal oneetbaar

geacht moeten worden.”

„Hebt gij er dan van geproefd?” vroeg Denniston.

„Ook dat. Ik ben eens op het eiland Kerguelen aan wal geweest, en

meende bij die gelegenheid van een vet ganzenboutje te smullen; maar

jawel, het vleesch was zoo walgelijk, dat men er zeeziek van werd.

Alleen de eieren, die eene groenachtige schaal hebben, zijn eetbaar en

zelfs lekker te noemen.”

De Fernandina Maria Emma repte zich. Het was zoo omstreeks een uur,

toen zij onder den wind van het eiland geraakte. Maar toen deed zich

zoo’n kou gevoelen, dat het meerendeel der opvarenden naar beneden

stoof. De wind sneed letterlijk.

„De invloed van die gletschers daar,” zei Behren wijsgeerig.

Het was ongeveer twee uur, toen het fregat kaap Hooker, de

zuidoostelijkste punt van Marion passeerde. Zoodra men die kaap voorbij

was, kreeg men een blik op het eiland Prince Edward, dat zich op

ongeveer zeven mijlen afstand in het noorden vertoonde. De lucht was

niet helder genoeg om er veel van te ontwaren. Alleen kon men zien, dat

het eiland veel kleiner dan Marion was; terwijl ook een berg zich in

het midden verhief, die volgens mededeeling van kapitein Butteling 2370

voet hoog was. Tegen vijf uur waren de beide eilanden aan de kim

verdwenen. Niemand was daar rouwig om; want, behalve dat het desolate

gezicht van die sneeuw-, ijs- en rotsmassa’s onmogelijk tot

opgewektheid kon stemmen, hoe verrukkelijk overigens het gezicht van

land voor de reizigers ook was, die gedurende langen tijd niets dan

lucht en water zagen, was iedereen blij van onder den wind dier

eilanden van daan te zijn. Eigenaardig was het, dat toen het fregat de

beide eilanden een paar streken te boven was gekomen, de temperatuur

weer klom, en andermaal aan frisch lenteweder gelijk werd.

Onverdroten vervolgde de Fernandina Maria Emma haren koers. Zij bleef

nog eenige dagen nagenoeg op denzelfden breedtegraad voortstevenen;

maar hield toch nog ietwat ten zuiden aan. Zoo was den eenen dag de

koers oostzuidoost een achtste oost, een volgenden oost een derde zuid,

een anderen oostzuidoost zeven achtste oost en ging dat zoo voort, toen

op den 10den December de hoogste breedtegraad bereikt werd. Het schip

bevond zich toen op het middaguur op 48° 42′ zuiderbreedte en 46° 53′

oosterlengte. Toen meende kapitein Butteling genoeg zuid gehaald te

hebben en wijzigde nu den koers in zooverre, dat de hoofdrichting werd:

oostnoordoost drie kwart oost tot den 17en December, toen noordoost

half noord voorgelegd werd.

Op dien dag bevond het fregat zich op 39° 47′ zuiderbreedte en 85° 11′

oosterlengte en had sedert men het eiland Marion gepasseerd was,

gemiddeld 59 mijlen per etmaal afgelegd.

Op zee zijn de afwisselingen niet zeldzaam. Sedert den storm van 26

November had men vrij dragelijk weer gehad, dat zich wel eens een

enkelen keer ruw had laten aanzien; maar door de zeelieden toch

handsome genoemd werd. Den 22sten December evenwel, kort nadat het

middagbestek opgemaakt was, hetwelk 28° 36′ noorderbreedte en 93° 22′

oosterlengte aangaf, schoot de wind, die tot hiertoe vrij constant in

het noordwesten gebleven was, in het zuidwesten en begon dadelijk uit

alle macht te blazen. Kapitein Butteling, door het weerglas

gewaarschuwd, had bijtijds de zeilen doen bergen en reven; zoodat, toen

het weer losbarstte, de Fernandina Maria Emma met gereefden fok en

dichtgereefd grootmarszeil voor den wind lensde. Het was merkwaardig

binnen hoe korten tijd de zee die, door den noordwester bewogen, nog al

hol stond, zich in hooge golven uit het zuidwesten verhief.

Aanvankelijk vormden die twee deiningen, die rechthoekig op elkander

inliepen, eene moeielijke zee, waarin het schip zwaar en zeer

onregelmatig werkte; maar bij het toenemen van den storm, verdween die

noordwestelijke deining en rolde die uit het zuidwesten hare hemelhooge

baren aan.

Al spoedig werd het uiterst gevaarlijk op het dek; want bij zoo’n weer

zouden brekers niet uitbleven. Het schip slingerde vreeselijk, en de

eene monstergolf voor en de andere na grepen het van achteren aan. Met

een donderend geweld werd het soms medegesleept, schoot in de diepte,

verhief zich weer op de kruin en ondervond daarbij in alle zijne deelen

eene trilling, niet ongelijk aan die, welke in een sneltrein

ondervonden wordt. Kapitein Butteling liet dan ook de luiken verzekeren

en den kajuitstrap met presennings beschermen.

Toen de storm losbarstte had de kok al zijne ketels op het fornuis;

maar bij de heftige bewegingen, die het schip volvoerde, sprongen de

kookgereedschappen uit hunne vierkanten, en lagen de spijzen al heel

spoedig half gaar op den bodem der kombuis heen en weder te walsen. De

keukenprins had het geraden geacht zich uit de voeten te maken om de

heete snert, die juist te vuur stond, niet over het lichaam te krijgen.

Gelukkig dat eene zee een oogenblik later de kombuis bestormde, de

kolen en de houtspaanders uitbluschte, en zoo ieder gevaar van brand

deed verdwijnen, maar ook te gelijkertijd ieder uitzicht op een

maaltijd werkelijk in rook deed vervliegen.

„Wat zullen wij te dineeren krijgen?” vroeg Denniston aan den

matroos-hofmeester, die deze kombuiswederwaardigheden achteruit kwam

mededeelen.

„Ja, heeren, de snert is verongelukt,” antwoordde deze. „Dat weer is

wel wat snel op komen zetten. Ik heb niets anders dan scheepsbeschuit

met ham.”

„Smakelijk eten!” riepen allen.

„Waarom geen gerookte zalm?”

„Waarom geene saucisse de Boulogne?”

„Waarom geene gerookte tong?”

„Waarom geene sardijntjes, of haring, of ansjovis?”

Die waaroms kruisten zich allerwegen. Vatel maakte dat hij weg kwam.

Hij kon zich toch moeielijk even als zijn Fransche ambtgenoot—volgens

mevrouw de Sevigné—van kant maken; ook kon hij geen ander antwoord

geven dan dat het weer hem overvallen had en het nu onmogelijk was in

het victualieruim af te dalen.

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 23 / 26 段