„En zoo even zeidet gij: gereefde marszeilskoelte?”

„Nu ja, de kapitein heeft, om te voorkomen, dat Janmaat straks weer

naar boven moest, al de reven laten steken. Met den wind die blaast,

had hij heel goed kunnen volstaan met één rif te nemen. Wij liggen dus

onder dichtgereefde marszeilen, maar het waait slechts eene gereefde

marszeilskoelte. Maar, weet ge wel wat dat beteekent?”

„Nu, wat dan?”

„Dat er nog niet veel uitzicht bestaat, om beter weer te krijgen.”

„Hoe staat de barometer?” vroeg kapitein Van Dam aan den

scheepsgezagvoerder.

„Steeds op 728, met eenige neiging tot rijzen.”

Het was ellendig naar aan het dek. De wind huilde en gierde als een

bezetene door het want. Het was alsof hij eene monsterachtige

Eolus-harp bespeelde. De zee loeide, donderde en klotste op ontzettende

wijze, en vormde den grondtoon bij het schrikwekkende akkoord, hetwelk

de verbolgen elementen aansloegen. Kapitein Butteling en zijne drie

stuurlieden hadden hunne zuidwesters [70] op en over de ooren

getrokken, hunne oliejassen en waterlaarzen aan, en stonden daar bij

elkander, gereed om den kamp te aanvaarden, die de natuur hun bood.

„De heeren zouden mij genoegen doen, door het dek te verlaten,” sprak

kapitein Butteling. „Eene stortzee is thans niet onmogelijk en dan

zouden ongelukken onvermijdelijk zijn.”

Toen de passagiers verdwenen waren, liet hij eene presenning over de

trappenkap bevestigen, om het indringen van het water tegen te gaan.

Hetzelfde werd vooruit ook gedaan. Bij het grootluik werd die

presenning met een paar spijkers vastgezet, om de levende lading

beneden te houden.

Zoo werd de nacht ingegaan. Dat bij het huilen van den wind en het

bulderen der zee niet veel van slapen kwam, is wel te begrijpen. Die

oprecht waren, legden zich de bekentenis af, dat zij uiterst beangst

waren, dat menig gemoed in die bange oogenblikken eene gedachte had

voor Hem, in wiens hand aller bestaan was.

Toen het dag werd—een akelige, grauwe dag, droevig en somber als een

Novemberdag onder noordelijke breedten, hoewel hier in het zuidelijk

halfrond 26 November als 26 Mei, in het noordelijk halfrond mag

rekenen—werd de presenning van de kap van den kajuitstrap en ook die

van het grootluik een weinig weggeschoven, om wat versche lucht naar

beneden in dat menschenhok te laten doordringen; ook om hen naar boven

te laten komen, die aan natuurlijke behoeften te voldoen hadden. Van de

soldaten waren er slechts weinigen die verschenen. De zeeziekte hield

in dat tusschendek zoodanig huis, dat eene beschrijving van dat

woonoord van menschen tot de onmogelijkheid behoort. De weinigen, die

zich vertoonden, zagen zoo ontdaan en zoo bleek, alsof zij eene

langdurige ziekte doorworsteld hadden. Zij verzochten den

scheepskapitein, boven te mogen blijven, althans niet meer opgesloten

te mogen worden in dat tusschendek, hetwelk aan eene hel mocht gelijk

gesteld worden.

„Jongens, aan het dek is ook niet veel heil te halen,” antwoordde de

kapitein. „Het is er bepaald gevaarlijk. Kijk maar eens de

stuurboordsverschansing en de kippenhokken aan dien kant zijn geheel

weggeslagen.”

„Om het even, kapitein, het is in die verpeste lucht daar beneden niet

uit te houden!”

Het waren er maar weinig, die dit verzoek deden. De overigen lagen meer

dan halfdood in hunne hangmat te jammeren en te weeklagen.

„Nu dan, mij wel,” antwoordde kapitein Butteling. „Maar goed

vasthouden. Ik wou jullie wel laten vastsjorren!”

Het meerendeel der mannelijke passagiers van achteruit kwamen ook

langzamerhand op het dek om wat versche lucht te happen en eens

poolshoogte te nemen. Dat laatste viel niet mee. Het schip had alle

zeilen geborgen, lenste thans voor top en takel en lag zuidoost ten

oosten voor. Het was een uiterst naar gezicht dat zwaar werkend schip

met zijn kale masten te midden van die verbolgen zee. Wat voelde de

mensch zich klein in zijn kamp met de ontzettende elementen.

„Zoo van alle falbalas ontdaan,” sprak kapitein Van Dam tot stuurman

Abels, die in de nabijheid van het stuurrad zich ophield, waaraan twee

matrozen stonden, die daaraan vastgesjord waren, „ziet onze Fernandina

Maria Emma er niet zeer aantrekkelijk uit.”

„Maar zij houdt zich toch dapper; in weerwil van die zware zeeën ligt

zij als een meeuw op het water. Met dat schip is wat uit te voeren!”

„Ze kan zoo zonder zeil onmogelijk hard loopen,” meende Behren.

„Dat valt nog al meê,” antwoordde de stuurman. „Wij zullen eens

loggen?”

„Loggen!!!” commandeerde hij met brullende stem.

Een paar matrozen en de scheepsjongen verschenen. De log werd

uitgeworpen. Het duurde naar aller meening lang, eer dat die jongen

zijn „stop!” liet hooren. Toen dat eindelijk weerklonk, zei stuurman

Abels:

„Twaalf en een halve mijl! dat gaat, niet waar? Heden nacht hebben we

meer gelogd. Maar toen stonden de dichtgereefde marszeilen nog bij.”

De beweging van het schip was zoo sterk, dat de passagiers niet dan met

moeite ter been konden blijven. Behren en Hannius probeerden om tot bij

den grooten mast te gaan. Bij het overgaan van het schip, smakten zij

beiden tegen het dek op het oogenblik, dat zij den rand van de

kajuitskap los lieten om naar de verschansing over te steken en zich

daar vast te klemmen. Bij het zware slingeren van het schip, gierden

die beide eenige malen over de natte planken van het dek heen en weer,

zonder dat zij van wege de gladheid weer vermochten op te krabbelen, en

waarbij zij telkenmale zeer onzacht tegen de verschansingen aankwamen.

Met behulp van den stuurman en kapitein Butteling, die juist van het

voorschip kwam, krabbelden zij weer ter been; maar moesten zelf mee

lachen over het zonderlinge gezicht dat die glijpartij heen en weer

opgeleverd had; hoewel zij zich schouders, ellebogen en knieën, die,

bij de aanraking met dek en verschansing, gevoelig te land waren

gekomen, wreven.

„Ik wed dat ik overal blauwe plekken heb,” zei Behren.

Dokter Hannius sprak geen woord, maar wreef zich des te meer.

„Ik zou een stuk lijnkoek aan dokter Van Pinksteren gaan vragen!”

raadde kapitein Van Dam aan, die zich evenwel zorgvuldig aan een

nagelpen der verschansing vast hield.

„Ik ga niet meer van mijne plaats,” zei Behren, zich aan de kajuitskap

vastklemmende: „Voor geen geld van de wereld zou ik een tocht naar den

boeg ondernemen, daar is levensgevaar bij.”

„Voor de onervarenen, is er zeker gevaar bij,” antwoordde kapitein

Butteling, „om hard te vallen althans en armen, beenen en ribben te

breken. Wanneer er echter eene zee overkomt, dan klimt dat gevaar tot

levensgevaar. Gij hadt dat spektakel heden nacht maar eens moeten

bijwonen!”

„Wat is er dan gebeurd?” vroegen allen te gelijk.

„Ja, ik meen zoo iets gehoord te hebben,” zei Leidermooi.

„Zoo omstreeks twee glazen in de hondenwacht loefde het schip te veel

op en kregen wij een zee binnen, die niet alleen eene aanmerkelijke

verwoesting aan boord aangericht, maar ook onzen bijkok over boord

gespoeld heeft.”

„En?....” vroegen de passagiers ademloos.

„En.... Redding bij dat weer was onmogelijk. Slechts weinigen hebben

den gil gehoord, dien de ongelukkige geslaakt heeft.”

„Hadt gij niet kunnen bijleggen?” vroeg Behren.

„Bijleggen in dit weer!” antwoordde kapitein Butteling. „Bedenk toch

dat het schip dan dwarszee’s moest komen. Dan zou èn verschansing èn

tuig èn alles wat aan het dek is, over boord gegaan zijn. Dan zou het

schip in het grootste gevaar gekomen zijn, en mocht ik dat wagen? Om

een man pogen te redden, het leven van zoovele aan groot gevaar bloot

te stellen! Maar verondersteld ook al eens, dat ik het schip met den

boeg in den wind had kunnen krijgen; dat is een manoeuvre, waartoe op

zijn minst een half uur noodig is. Wat zou er inmiddels van den

ongelukkige geworden zijn in die kokende zee? En wat dan verder te

doen? Eene sloep uitzetten? om hem in den donkeren nacht op te sporen?

Neen, daar was geen redding mogelijk. Onverbiddelijk als het noodlot

moest het fregat op zijne baan voort en den ongelukkige aan zijn lot

overlaten!”

„Schrikkelijk! schrikkelijk!”

„Kunt gij begrijpen, wat er in de ziel omgaat van den gezagvoerder bij

zoo’n gebeurtenis, van den man, die zich als het ware verantwoordelijk

voor het leven van ieder zijner opvarenden gevoelt? Wat er omgaat in

zijne ziel; wanneer hij geen hand tot redding kan uitsteken, wanneer

hij den kreet van den ongelukkigen slechts beantwoorden kan en moet met

een kort: „niets aan te doen?”

„Vreeselijk!”

„Zoo ziet ge wat het leven van den zeeman is,” vervolgde kapitein

Butteling in een sombere bui. „Och! aan wal overlijden de lieden ook,

staan zij ook bloot om een ongeluk te krijgen. Maar dan ziet men hen

sterven, dan aanschouwt men hun lijk; maar zoo weggerukt te worden

zonder een spoor na te laten, zoo zonder ach en wee te verdwijnen,

ziet, dat zijn van die aangrijpende omstandigheden, die toch wel het

meest gestaalde gemoed tot nadenken moeten stemmen....”

Stuurman Abels trad in dit oogenblik op den gezagvoerder toe,

fluisterde hem eenige woorden in het oor, en wees daarbij achteruit

naar zee. Kapitein Butteling keek in de aangeduide richting. Wild en

woest verhieven zich steeds de golven en schenen aan bergen gelijk, die

in toomelooze vaart op het schip aanrolden. Er begonnen zich nu evenwel

brekers te vormen, en die omstandigheid bracht eene plooi van

bezorgdheid op het voorhoofd van den zeeman, wiens gemoed toch al zoo

somber gestemd was. Juist brak in dat oogenblik een golf met donderend

geweld vlak achter het schip, en overdekte den oceaan in een wijden

kring, met wit schuim, dat onder den grauwen hemel eene fletsche

doodsche tint vertoonde alsof het eene lijkwa was. Op dat gezicht

spoedde de kapitein naar beneden.

„Als er zoo’n breker ons achterop aan boord komt, dan zijn wij voor de

haaien, tegen zoo’n geweld is geen schip, hoe hecht ook, bestand,” zei

Abels.

De passagiers keken elkander aan, en lieten ontzet den blik over de

woedende zee waren. Kapitein Butteling verscheen spoedig weer op het

dek.

„De barometer staat steeds op 728,” deelde hij mede, „maar de holte der

kwikkolom is verdwenen, dus bestaat er neiging tot rijzen. Ik geloof,

dat wij het ergste gehad hebben. Stuurman, laat het grootbarkzeil

bijzetten.”

Het was een weidsche naam voor het kleine stormzeil, dat thans met zeer

veel moeite losgemaakt en aan den wind prijs gegeven werd.

„Nu hebben we toch storm, stuurman Bagman,” zei Leidermooi, „is het

niet?”

„Het mocht wat!” antwoordde deze op luchtigen toon. „Ik wed dat

kapitein Butteling mij straks niets anders in het journaal zal laten

inschrijven dan: dichtgereefde marszeilskoelte met harde buien.”

De gezagvoerder ging aandachtig de uitwerking van het bijgezette zeil

na, en tuurde met scherpen blik op de aanrollende baren. Na een poos

ging hij andermaal naar beneden; maar kwam spoedig weer boven.

„Het kwik rondt af,” sprak hij vergenoegd. „Stuurman, laat het

dichtgereefde voormarszeil bijzetten!”

Toen dat bijstond, boog de voorsteng onrustbarend. Kapitein Van Dam

maakte den gezagvoerder daar attent op.

„Ik zie het wel,” antwoordde deze. „Maar het schip moet meer vaart

maken. Het moet die rollers vooruit blijven! Daarenboven, het fregat is

nieuw, het is zijne tweede reis. Alles: masten, stengen en touwwerk

zijn beproefd sterk; er kan wat gewaagd worden. Wij willen eens laten

loggen.”

Het schip liep toen vijftien mijlen.

De barometer had ditmaal juist aangeduid. Tegen tien uur ongeveer begon

het wolkendak te breken, en liet van tijd tot tijd een zonnestraal

door. Voor den leek was er nog niet veel verandering in de kracht van

den wind te bespeuren; voor den zeeman evenwel begon de winddruk te

verminderen. Nog voor dat de middag-waarneming geschiedde, was het

dichtgereefde grootmarszeil en de gereefde fok bijgezet.

„Gij laat niets verloren gaan, kapitein Butteling,” zei de heer

Groenewald op dat gezicht.

„Dat mag ook niet,” antwoordde deze lachend.

Toen het middagzonnetje een oogenblik gloorde, werd bevonden dat de

Fernandina Maria Emma op 36° 1′ zuiderbreedte en 24° 43′ westerlengte

stond, en ruim 90 mijlen in het laatste etmaal had afgelegd.

XIV.

KAAPSCHE DUIVEN EN ALBATROSSEN.

De voorspelling van kapitein Butteling kwam uit. De Fernandina Maria

Emma had het zwaarste doorstaan. Langzamerhand rees de barometer en nam

de kracht van den wind af. Den volgenden morgen lag het fregat reeds

onder zijne gereefde mars-, bagijne-, groot- en fokzeilen, en konden de

passagiers met een warme kop koffie verrast worden, terwijl de kok

groene erwten te water zette om al de opvarenden eene flinke dikke

snert te kunnen voorzetten. In de plaats van den overboord geslagen

bijkok was een soldaat voor die dienst aangewezen.

Hoewel de wind aanmerkelijk afgebuid was, zoo bleef hij toch nog steeds

uit het noorden waaien, en was aan die omstandigheid toe te schrijven,

volgens kapitein Butteling, dat de barometer niet dan uiterst langzaam

rees. Dien dag maakte het schip nog 62 mijlen; maar de twee volgende

dagen viel de wind zoodanig, dat het den eenen slechts 36 en den

anderen 32 mijlen liep, in weerwil dat alle zeilen, voor zoover dit in

die veranderlijke zone raadzaam was, bijgezet waren.

Dien laatstbedoelden dag—29 November—lag het schip des morgens

omstreeks negen uur kalm onder zijne lichtgevulde zeilen en maakte ter

nauwernood vier mijlen in de wacht.

Luitenant Denniston was druk in de weer, met zijn vischtuig in orde te

maken. Hij zou zoo gaarne eene kaapsche duif willen vangen om haar aan

de voeten van juffrouw Emma neer te leggen. Hij was laatst niet

geslaagd; dat zou, dacht hij, nu beter gaan. Hij zat achter op de

spiegelverschansing en liet zijn zeilgaren, van haak en spek voorzien,

ver achter het schip aanslepen. Maar of de bevallige diertjes geen

honger hadden, dan wel, of de strik, die hen gespannen werd, te

doorzichtig was, is moeielijk uit te maken. Genoeg zij het, dat zij bij

dozijnen rondom het verleidelijke aas vlogen, zich daarbij op de

watervlakte neerzetten, er ook naar pikten en er onder elkander om

vochten; maar zich zorgvuldig onthielden den verraderlijken haak in den

bek te nemen. De duivenvisscher was wanhopend. Hoe verleidelijk het

dobbelsteentje spek ook was, dat hij aan den haak sloeg, hoe uittartend

hij dat stukje spek door herhaaldelijk aan zijn touwtje te trekken, ook

op de oppervlakte des waters liet dansen; alles te vergeefs! De lieve

duifjes vlogen er om heen, scheerden er langs, bewogen zich in

bevallige kringen boven dien uitdagenden lekkeren beet, kwamen met

vluggen wiekslag op het achterschip af, dwarrelden daarboven, alsof zij

een kijkje wilden nemen van hetgeen daar beraamd en uitgebroed werd,

krijschten daarbij met schelle doordringende stem, alsof zij haren

belager uitjouwen en hem zijne gemeene streken verwijten wilden. Dan

draaiden zij in wijdloopige kringen rondom de masten van het schip,

beschreven een doolhof van bevallige kronkelende lijnen daar om heen,

stortten zich gulzig op den afval, dien de kok over boord wierp, doken,

slokten, schreeuwden en krijschten daarbij, vochten woedend met

elkander om eene bruine boon of een stukje spek, dat niet tot aas

strekte en vrijelijk daar heen dreef, en leverden die gevechten

natuurlijk tot overgroote ergernis van Denniston, vlak naast zijn aas,

tot waar de keukenafval bij de vaart van het schip dreef, zonder

evenwel dien verraderlijken beet nog maar met een blik te verwaardigen.

Het was waarlijk om razend te worden; te meer nog daar de jonge dames

de pogingen van den ongelukkigen duivenhengelaar gadesloegen, en hij

menigen spottenden glimlach om de schoone lippen meende te bespeuren.

Plotseling verhief zich op het voorschip een luid gejuich; en voor dat

men achteruit nog recht wist wat er gaande kon zijn, kwamen Brinkman en

Riethoven ieder met eene kaapsche duif in de hand aanloopen, die zij

voor de twee meisjes neerzetten.

„O! wat mooie diertjes!” kreet Emma opgetogen uit, en greep een dier

fraaie zwart en wit gevederde vogels en wilde hem als een torteltje aan

haren boezem koesteren. Het diertje scheen die behandeling lang niet

aardig te vinden, krijschte oorverscheurend, en trachtte de lieve

vingeren, die het omsloten hielden, met den haakvormigen gekromden bek

gevoelig te treffen.

„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei stuurman Ellenbaan, die zich in de

nabijheid bevond, met lachende stem.

„O! ik ben niet bang voor den beet van zoo’n diertje,” antwoordde Emma

lachende.

„Dat zou toch kunnen tegenvallen,” hernam de stuurman. „Maar het is

niet daarvoor dat ik waarschuwde; kijk...”

De vogel, die door Frank voor Adelien neergezet was, had eenige

pogingen gedaan om op te vliegen, hetgeen hem door de lengte zijner

vleugelen niet gelukte, daarop maakte hij eenige bewegingen met kop en

hals, en eindigde met een helder groen-bruinachtig vocht uit te braken,

dat in dikte en walgelijken reuk zeer veel overeenkomst had met traan.

„Kijk....” herhaalde stuurman Ellenbaan.

„O!...” zei Emma met walging.

Maar zij had ter nauwernood uitgesproken, toen de vogel, dien zij

koesterde, dezelfde beweging volbracht, en kleeren en handen van zijn

verzorgster met dezelfde laag onsmakelijk vocht overdekte. De jonkvrouw

had, door een kortstondig stilzijn verleid, den vogel dicht bij hare

wang gebracht; zoodat, toen het arme dier zijne beweging volbracht, zij

een gulp langs den fraaien hals kreeg, die zich tusschen haar kraagje

verder een weg baande.

„Poeah!” riep het arme kind, smeet den vogel weg, die op het dek eene

tweede editie van zijn brakingsvermogen leverde, en stormde naar

beneden om zich te reinigen.

„Dat is de Procellaria Capensis,” verklaarde middelerwijl dokter

Hannius zeer geleerd en pedant. „Die dieren behooren, zoo als de naam

reeds aanduidt, tot de Procellaridae, een vogelengeslacht, dat door de

ornithologen gerekend wordt te behooren tot de familie der

Longipennes....”

„Zoo?” vroeg stuurman Bagman, „is dat hun familienaam... Langepennis?

Dan is Kaapsche duif zeker hun toenaam, zoo als ik Pieter heet?”

Allen lachten. Hannius, hoewel verontwaardigd, ging voort met doceeren:

„Tot de familie der Longipennes, wat langvleugeligen beteekent, en tot

de orde der Natatores....”

„Dat is dus hun Pieter?” viel stuurman Bagman andermaal in. „Nou, die

Naakte torens maken het dek gloeiend smerig! Ik zal ze....”

En onder eene daverende toejuiching van wege de omstanders over zijne

nieuwe naamsverbastering, bukte hij zich om de vogels te grijpen. Twee

paren armen hielden hem evenwel terug, terwijl twee stemmen zich lieten

hooren.

„Och, laat die arme diertjes met vrede!” smeekte Adelien. „Doe hen geen

kwaad!”

„Wat wilt gij met die Natatores beginnen?” vroeg Hannius vrij driftig.

„Ik wil die Naakte torens over boord zetten, kijk eens wat smerige boel

daar op het dek.”

Het viel niet te ontkennen; het waren een paar aardige traanplassen,

die daar op de zoo helder witgeschuurde planken prijkten.

„Laat af!” riep de dokter, terwijl hij den stuurman andermaal

tegenhield. „Ik wil ze opzetten!”

„Die wreedaard!” riep Adelien verontwaardigd; terwijl zij zich snel

bukte, de beide procellariae, in weerwil dat die beangste diertjes haar

geducht in de vingeren beten, greep, op de verschansing toetrad en ze

over boord smeet.

„Daar, zet ze nu maar op!” zei ze triomfantelijk tegen den dokter.

De beide diertjes tuimelden een poos naar beneden, alsof zij door die

onverwachte uitkomst bedwelmd waren, spreidden evenwel spoedig de

vlerken uit, hervatten hunne vlucht, en draaiden eenige malen boven en

rondom het achterschip, alsof zij nog eens een kijkje wilden wagen in

de gevangenis, waarin zij zich zoo naar hadden bevonden. Aller oogen

volgden hen, tot dat zij krijschend heenvlogen en uit het gezicht

verdwenen.

„Hoe hebt ge die lieve diertjes toch gevangen?” vroeg Adelien aan Frank

Brinkman, die thans bezig was de bloedende vingertjes van het jonge

meisje te verbinden en daartoe eenig verbandlinnen bezigde, dat hij met

eene menigte andere kleine benoodigdheden in zijn reistaschje steeds

bij zich droeg.

„Ik heb ze niet gevangen, juffrouw Groenewald,” antwoordde hij, zijne

taak liefderijk en behendig voortzettende. „Een der matrozen had eenige

lange einden zeilgaren uit het tuig in den wind laten fladderen. Daar

zijn die diertjes tegen aangevlogen en hebben zich daarin verward.

Herman en ik hebben ze dien matroos spoedig afhandig gemaakt om ze u te

komen aanbieden.”

„Mijnheer Riethoven ook?” vroeg Adelien met eene gedachte aan hare

zuster, den blik op den jonkman slaande, die eenige schreden verder

stond.

„Ja, Riethoven ook,” antwoordde Frank. „Doen uwe vingers u nog zeer?”

Een onmerkbare druk met die vingeren was het eenige antwoord.

„O! die lieve kleine vingertjes!” fluisterde Frank slechts hoorbaar

voor haar, die hij zoo liefderijk verzorgde.

Een dankbare blik glinsterde gedurende eene sekonde in de lieve oogen

van het jonge meisje.

Een matroos was middelerwijl bezig om met zijn zwabber het dek schoon

te maken.

„Wat drommel!” zei Behren, „die diertjes hebben ons een leelijk en

kwalijkriekend cadeau achtergelaten!”

„Kaapsche duiven worden steeds zeeziek, wanneer zij aan boord van een

schip komen,” verklaarde stuurman Bagman. „Ik heb ze nog nooit anders

dan zoo onfatsoenlijk zien handelen. Net een landrot!”

„Zou dat wel een effekt van zeeziekte zijn?” vroeg Behren.

„Ik heb wel eens hooren beweren,” sprak kapitein Butteling, „dat die

braking dien vogels tot verdedigingswapen zou gegeven zijn. Dat vind ik

evenwel minder aanneembaar. Die vieze geschiedenis kan alleen den

mensch weerhouden en nog niet iedereen om den vogel aan te grijpen;

maar de mensch is de natuurlijke vijand van deze dieren niet. Die

vinden zij eerder in grootere roofvogels, in groote visschen enz. en

die zullen zich wel niet aan wat traansaus storen. Ik zou er eerder toe

overhellen, dat de ongewone beweging van het schip bij hen hetzelfde

gevoel van misselijkheid te weeg brengt, als bij den mensch.”

„Maar kapitein Butteling, wat nemen die zwermen kaapsche duiven toe!”

merkte Leidermooi op. „Zij zwerven thans met honderden rondom het

schip.”

„Wij zijn vrij dicht bij de eilanden, waar zij hunne woonplaats hebben.

Wij hebben Tristan d’Acunha op ongeveer vijftien mijlen noordoost van

ons liggen, en zetten koers op het eiland Gough, dat wij morgen

voorbijstevenen zullen.”

„Krijgen wij dat te zien, kapitein?” vroeg Adelien.

„Waarschijnlijk, als de lucht helder is;” antwoordde de kapitein. „Op

die eilanden, waarop de menschen zelden een voet zetten, wemelt het van

zeevogels. Het is een wonder, dat wij nog geen albatros gezien hebben.”

„En wat zijn dat dan?” vroeg kapitein Van Dam, terwijl hij in de

richting van het noorden wees.

Allen keken uit.

Daar draaiden in overgroote kringen twee vogels in de verte, die in

grootte alles overtroffen, wat onze reizigers op het gebied van de

vogelenwereld ooit gezien hadden. Hunne kringen kruisten zich,

verengden zich. Nu eens scheerden zij in bevallige wendingen en

zwenkingen rakelings over de oppervlakte van het water, welks

golftoppen zij met lichten wiekslag aanraakten, dan weer verhieven zij

zich tot op een vijftig voet daarboven, draaiden daar in onberispelijk

afgeteekende krommingen rond, om een meer uitgebreid veld aan hare

onderzoekingen te onderwerpen om dan bij ontdekking en pijlsnelle vaart

naar beneden te vallen en toe te tasten. Zoo naderden zij langzamerhand

het fregat, en bleven zich op een korten afstand daarvan boven het

kielzog bewegen, wat zij zorgvuldig afvischten.

„Kijk eens wat twee fraaie vogels,” zei Adelien tot Emma, die

intusschen weer op dek verschenen was. „Ziet, hoe fraai wit, van dat

wit, hetwelk zoo beelderig licht roseächtig getint is. En zie eens,

welk een verbazende vlucht die dieren hebben. En wat lange gehaakte

snavel zij hebben!”

„Dat is de gewone albatros,” lichtte kapitein Butteling toe. „Hij

heeft, wanneer hij volwassen is, eene vlucht van ruim twintig voet, en

gelijkt wel eenigszins op een zwaan, hoewel zijne veeren en zijn dons

ongemeen prachtiger zijn.”

„Dat is de Diomedea exulans,” bracht Hannius zijne geleerdheid te

berde.

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 22 / 26 段