stof; maar met den wind nam ook de zee toe, zoodat het inspanning en
moeite kostte om voortdurend op de been te blijven en de wandeling te
vervolgen. Ergens gaan zitten was niet doenlijk, daar het daartoe te
koud was. De beide mannen hadden daarenboven het noodzakelijke
besproken, zoodat de heer Groenewald zich haastte om een eind aan het
onderhoud te maken.
„Gij hebt welgedaan, mij omtrent die aangelegenheden op de hoogte te
brengen,” sprak hij. „Evenwel moet gij mij beloven, dat gij u door uwe
genegenheid niet zoover zult laten vervoeren om te trachten Adelien
alleen te spreken. De goede naam van een meisje is teer, bedenk dat
steeds. Overigens wacht ik uw antwoord op mijn voorstel, om nadere
beschikkingen te treffen. Goeden dag, mijnheer Brinkman!”
Een handdruk werd gewisseld, waarna beiden opgetogen over elkander van
het dek verdwenen.
Den volgenden morgen heerschte bij het krieken van den dag hetzelfde
weder. Loeiende wind uit het noorden en hooge zeeën van denzelfden
kant. De hemel zag aschgrauw, hoewel het wolkendak geen aaneengesloten
geheel vormde, maar hier en daar scheuren liet ontwaren, waar de zon
somwijlen doorbrak, en dan met hare stralen dat tooneel van opgezweepte
golven bescheen, en het woeste van die met schuim gekuifde koppen nog
meer deed uitkomen.
„Is dat nog altijd stijve bramzeilskoelte, die waait?” vroeg Denniston,
toen hij aan het dek kwam en dat tooneel overzag, aan stuurman Abels.
„Kijk maar, mijnheer, de bramzeilen staan nog bij,” antwoordde de
stuurman. „Of zij evenwel nog lang bij zullen blijven, daaraan begin ik
te twijfelen....”
„Hoe dat zoo?” vroeg Behren, die dat antwoord opgevangen had.
„Wel, de barometer daalt aanhoudend. Het gaat langzaam, evenwel hij
daalt maar altijd door. Als ik kapitein was, dan had ik de brammen
reeds geborgen.”
„Zoo bang, stuur?” vroeg kapitein Van Dam.
„Ik ben evenmin bang als een ander,” antwoordde Abels;.... „maar....
kijk, daar zijn weer een paar stormvogels.... Verwenschte dieren, ik
zou ze wel kunnen doodschieten!”
„Maar, wat is dat daar?” kreet op eens Behren; terwijl hij in de
richting naar het zuidoosten wees. „Daar ginds bij den horizon? Het is
alsof daar punten boven het water uitkomen en weer verdwijnen. Kijk,
hoe regelmatig dat gaat! Dat nadert!... zie... het komt hier heen. Wat
is dat toch, stuurman?”
Stuurman Abels keek in de aangeduide richting.
„Dat!” zeide hij. „Wel dat is eene school bruinvisschen. De „boer met
zijn varkens” zooals de matrozen ze noemen.”
„Wijst dat op goed of op slecht weer?” vroeg Denniston.
„Och! die vertoonen zich bij ieder weer,” antwoordde de stuurman. „Aan
hunne verschijning kent de zeeman geen voorteeken toe. Gij hebt ze al
meer gezien, nietwaar? Maar niet in zoo groote menigte bij elkander als
thans. Kijk, zij naderen al meer en meer.”
„Hoe regelmatig duiken zij allen te gelijkertijd tusschen twee golven
op, om hunne rugvin even te vertoonen, weer onder te duiken, en dan
hunne staartvin te laten zien. Kijk, kijk, daar hebt ge ze weer!”
Al de opvarenden van de Fernandina Maria Emma hadden hunne aandacht aan
het opmerkelijke schouwspel gewijd. Al de militairen, zelfs de matrozen
der equipage en de passagiers achteruit lagen over de
stuurboords-verschansing naar die bruinvisschen te kijken. Deze
naderden al meer en meer. Het was eene geduchte school, die daar in
dichtgesloten gelederen aangerukt kwam, en een heel segment van de
zeeoppervlakte, die zich voor de oogen der turenden uitbreidde, innam.
Als die ontelbare vinnen in de dalen tusschen twee, drie en vier golven
zich lieten ontwaren, dan was het of een onderzeesch leger in aantocht
was, welker wapenspitsen boven het water uitstaken. Soms werd de een of
andere visch door de niet te berekenen beweging der woeste golven
verrast, en vertoonde dan zijn ronden dikken kop met grooten muil, zijn
glad zakvormig lichaam, zijne wigvormige rugvin en zijn horizontalen
staart.
De bootsman en eenige matrozen hadden intusschen een paar harpoenen te
voorschijn gehaald, die zij aan eene lange lijn vastmaakten, en
waarmede zij zich op de verschansing bij den boeg van het schip
plaatsten, om te pogen een visch te verrassen.
„Het is dwaasheid,” zei stuurman Abels, „bij dit weer en bij deze zee
te willen harpoeneeren. Maar laat ze het maar probeeren!”
De bruinvisschen naderden intusschen steeds. Eindelijk waren zij bij
het schip. Het was nu een vermakelijk schouwspel die dieren bij
voorkeur te zien duikelen in de dichte schuimgolven, die het
voortgezweepte schip voor zich uitwierp. Soms schoot de school langs
beide zijden van het fregat af, vereenigde zich in het kielzog, waarin
de doorsneden golven geweldig kookten en kolkten, schoten weer vooruit,
doken onder het vaartuig door, verzamelden zich weer voor den boeg om
het spel van voren af aan weer te beginnen. Voornamelijk hielden zij
zich in het boegwater op, waarin zij dan regelmatig opdoken en
onderdompelden, en met het fregat een wedloop schenen te houden.
Eensklaps verdwenen al de visschen als bij tooverslag, terwijl op het
voorschip een gejuich onder de bemanning opging. Het was werkelijk den
bootsman, na ontelbare misworpen, gelukt een dier bruinvisschen aan
zijn harpoen te rijgen. Het doorboorde dier spartelde aan de lijn, en
was de oorzaak van de verdwijning zijner verschrikte makkers. Ras waren
een groot aantal handen aan de lijn geslagen, waaraan de harpoen
bevestigd was, en weldra lag de visch stervend op het achterdek.
„Is die visch eetbaar?” vroeg een der dames.
„De matrozen versmaden hem niet,” antwoordde Abels. „Hij is evenwel
zeer tranig, en ik zou u bepaald afraden er van te proeven.”
Dokter Hannius was bij het zieltogende dier neergeknield, en bekeek het
aandachtig.
„Wilt ge dien bruinvisch ook den pols voelen?” vroeg kapitein Van Dam
aan den Esculaap.
De Germaan lette op die scherts niet.
„De bruinvisch,” zei hij, „behoort tot de dolfijnen-familie, die tot de
vischachtige zoogdieren behoort. Zijn wetenschappelijke naam is....”
„De boer met zijn varkens,” viel kapitein Butteling in.
.... „Is Phocaena communis. Hij wordt in alle zeeën van den aardbol
aangetroffen, zoowel in de poolzeeën als in de gematigde luchtstreken,
en tusschen de keerkringen....”
„Gij kunt er bijvoegen tot in de rivieren toe,” voegde kapitein Van Dam
er bij. „In de grootsche stroomen van Zuid-Borneo heb ik menigmaal de
bruinvisschen een paar dagreizen ver in het binnenland zien dartelen.
Zij heeten daar bij de bevolking „ikan poes” [64].
„Hij behoort,” ging de dokter voort, „tot de walvischachtige dieren, en
is voorzien van een enkel spuitgat boven op den kop. Hij heeft even als
alle vischachtige zoogdieren een vischvormig lichaam met een loodrechte
rugvin en met horizontalen staart en borstvinnen, welke laatste als de
overblijfselen van voorpooten kunnen beschouwd worden. De dikke kop is
zonder hals op den romp gehecht, uitwendige ooren ontbreken en de oogen
zijn, zooals gij zien kunt, betrekkelijk klein. De wijfjes hebben....”
Een zeetje, dat overspatte en het geheele gezelschap kletsnat maakte,
onderbrak de verhandeling gelukkig, toen de zoöloog in tegenwoordigheid
der dames zou verklaren, wat de wijfjes hadden en de mannetjes niet.
Allen spoedden naar beneden, om de natgeworden kleeding te verwisselen.
Omstreeks negen uur liet kapitein Butteling, na den barometer nogmaals
geraadpleegd te hebben, de bramzeilen innemen. Wind en zee namen
bestendig toe.
„Ik heb nimmer in mijn leven den barometer zoo bestendig zien dalen,
als bij deze gelegenheid,” zei de scheepsgezagvoerder.
„Wij zijn in de zone der veranderlijke winden,” meende kapitein Van
Dam.
„Juist daarom. In deze zone heb ik het wel gehad, dat de barometer
binnen het uur daling en rijzing, en daarna weer daling aanwees. Die
aanhoudende daling thans verwondert mij des te meer.”
Bij het middagbestek stond het schip, het was den 24sten November, op
31° 50′ zuiderbreedte en 30° 39′ westerlengte.
Het was of stuurman Ellenbaan gelijk had, toen hij daags te voren
voorspelde, dat heden of morgen kaapsche duiven zouden ontwaard worden.
In den namiddag kwamen er ettelijke in het gezicht. Het was verrassend
te zien hoe spoedig die diertjes, toen zij het schip in het oog kregen,
in de nabijheid kwamen zweven, om op den afval der kombuis te azen.
„Wat bevallige dieren zijn dat toch,” merkte Emma Groenewald op,
terwijl zij met hare ouders en zuster en met de overige passagiers de
kringen, welke deze zeevogels beschreven, naoogde. „Ik zou er wel een
van nabij willen zien.”
„Ik ga beproeven om een duifje te vangen, om het u aan te kunnen
bieden,” zei Denniston galant.
Goeden wil was bij zoo’n bedrijf evenwel niet voldoende. De gelegenheid
moest in de eerste plaats bestaan, en dan behoorde er ook nog wat geluk
toe om zoo’n vogel te vangen. Wel liet luitenant Denniston, door zijn
collega Leidermooi geholpen, eenige vischhaken aan zeilgaren
vastgemaakt, en behoorlijk van een dobbelsteentje spek voorzien, achter
den spiegel in het kielwater slieren. Het schip had evenwel te veel
vaart. Pijlsnel door het zeewater voortgesleurd was het zeilgaren
spoedig doorgeschuurd of het stukje spek van den haak gespoeld. Toen
veel sterker kabelgaren door den luitenant genomen en het spek aan den
haak met een draad vastgebonden was, draaiden de vogels wel in
bevallige kringen boven het aas, buitelden ook wel eens naar omlaag,
alsof zij het wilden grijpen, maar raakten het, hoe gulzig zij
overigens ook waren, niet aan. De reden daarvan was, dat èn garen èn
spek, in die wilde vaart voortgesleept, eene te zichtbare vore door het
water trokken en dat het stukje spek, van golftop tot golftop
springende, de beestjes maar al te duidelijk de list, die gebezigd werd
om hen te krijgen, liet ontwaren.
„Maar is spek wel het goede aas?” vroeg Denniston wantrouwend aan
stuurman Ellenbaan.
„Zou de heer luitenant ook soms denken, dat die duiven de Joodsche
Godsdienst belijden?” vroeg de stuurman te midden eener plotseling
opkomende lachbui.
„Het zijn misschien Mohamedanen?” voegde kapitein Van Dam, die een
oogenblik naar die wanhopige visscherij had staan turen, en de vraag
van Denniston gehoord had, er bij.
„Och, wat ’n malligheid!” antwoordde deze. „Neen kapitein, ziet u, wie
zou die dieren hebben leeren spek eten? Dat zal wel het voedsel zijn,
hetwelk zij het allerminst op den Oceaan, alwaar geen biggen grazen,
zullen aantreffen.”
Die grazende biggen op de oppervlakte van den Oceaan moesten een
geestig antwoord vormen op de Semitische of Mohamedaansche duiven.
„Zoo!” sprak stuurman Ellenbaan. „Dan heeft de heer luitenant nog
nimmer eens opgelet op den keukenafval, die dagelijks over boord
geworpen wordt. Daarin zit menig kaantje spek of stukje vet van het
gezouten vleesch. Daarbij, die beestjes azen op alles, wat hun maar
eetbaar voorkomt. Gooit een doode kip in zee, zij zitten er dadelijk
op; valt er een mensch over boord, helaas! zij werpen zich dadelijk op
hem, munten eerst op zijne oogen, die zij met hunnen gehaakten scherpen
snavel al spoedig te pakken hebben, en verslinden daarna den
ongelukkige levend. Gij zult toch niet beweren, dat hun veel kippen of
over boord gevallen menschen onder het bereik gekomen zullen zijn.
Neen, uwe poging om die diertjes te vangen, is te doorzichtig; zij zien
dat garen, hetwelk eene voren ploegt, zij zien dat stuk spek, hetwelk
van golftop tot golftop springt. Zoo dom laten zij zich niet
verschalken.”
De stuurman had gelijk. De beide officieren deden nog een paar
pogingen, die evenzeer mislukten, waarna zij hun vischtuig inpalmden en
de poging staakten. Het speet Denniston toch, dat hij juffrouw Emma
kennis moest geven, dat hij haren wensch thans niet bevredigen kon.
XIII.
STORM.—OM DE ZUID.
De wind wakkerde steeds aan, en de barometer bleef steeds zijne dalende
beweging volvoeren. Tegen het vallen van den avond, liet de kapitein de
Fernandina Maria Emma, die tot nu toe, sedert het verlaten van Rio
Janeiro, zuidwest gekoerst had, zuiver zuid voorleggen.
„Drommels, gaat gij meer zuid halen?” vroeg kapitein Van Dam. „Wij
moeten nu zoo wat op de breedte van de kaap de Goede Hoop [65] zijn.”
„Dat zijn wij ook. Maar ik ga lenzen. Die dwarsche zeeën deden het
schip te veel slingeren en werken. Voelt gij wel, nu het voor den
golfslag wegvliedt, hoe stil het ligt.”
„Het weer schijnt meer te bedaren,” merkte mevrouw Groenewald op.
„Volstrekt niet, mevrouw. Wij liggen stiller, omdat het fregat nu voor
den wind gaat. De barometer daalt zelfs onrustbarend,” zei kapitein
Butteling. „De passagiers zouden mij genoegen doen, wanneer zij thans
naar beneden gingen.”
Aan dien wenk werd gehoorzaamd. Ook de soldaten verdwenen van het dek.
Alleen zij, die de wacht hadden, zaten op het voorschip achter een
oppertje geborgen voor den woesten wind.
Het schip hield zich uitmuntend. Sedert het lenste, slingerde het
zooveel niet meer; het doorsneed thans de golven, waarbij het
steigerend omhoog steeg, wanneer het op den rug van zoo’n baar opgetild
werd, of met zijn boeg omlaag dook, wanneer het van dien rug afgleed,
alsof het in de diepte onder wilde duiken. Die beweging was evenwel
niet lastig of onaangenaam, omdat de golven breed en verheven rolden,
met niet te steile hellingen, waartegen het schip licht als een zwaan
opgevoerd werd en geen eigenlijk stampen ondervond. Die bewegingen
waren evenwel omvangrijk, zoodat het soms moeielijk was op het dek op
de been te blijven.
Bij het middagbestek van dien dag—den 25sten November—stond het schip
op 35° 25′ zuiderbreedte en 29° 21′ westerlengte, en had bijgevolg
onder klein zeil een afstand van ruim 43 mijlen afgelegd.
Toen de passagiers naar beneden gingen om de lunch te gebruiken, was de
tafel van slingerlatten [66] voorzien, om te beletten dat bij de
bewegingen van het schip het geheel servies op den grond rolde. Sedert
eenige dagen reeds waren de reizigers gewoon, alle vochtinhoudende
voorwerpen als: glazen en kopjes op de slingerborden, [67] die boven de
tafel zweefden, uit de hand te zetten.
„Jongens, jongens, die latjes duiden op slecht weer,” zei kapitein Van
Dam, aan tafel plaats nemende. „Dat zal bij het diner straks met de
soep lastig worden.”
„Als wij dan soep krijgen,” antwoordde kapitein Butteling lachende. „De
barometer daalt steeds en de wind wakkert steeds aan. Het zou wel eens
kunnen, dat het kooken in de kombuis onmogelijk werd.”
„Maar, hoe dan met de manschappen van het detachement?” vroeg Van Dam.
„Heden krijgen zij nog snert,” antwoordde de gezagvoerder. „Houdt dit
weer evenwel aan of verergert het, zoo als te voorspellen is, dan kan
er aan kooken niet gedacht worden. Gij moet eens zien, welke moeite het
thans reeds kost om bij de kabriolen, die het schip maakt, de
kookketels in hunne vierkante ramen en het vuur in de fornuizen te
houden. Er is voortdurend tegen brand te waken.”
„God beware ons!” zei mevrouw Groenewald.
„Er is geen gevaar, mevrouw,” stelde haar kapitein Butteling gerust.
„Er staan genoeg wachten rondom. Maar ik zal blij zijn, als de
erwtesoep gaar zal zijn, en de vuren gebluscht zullen worden. Alle
maatregelen zijn reeds door stuurman Abels getroffen om scheepsbeschuit
met ham en gerookt spek voor ettelijke dagen in voorraad te hebben.”
„Smakelijk eten!” lachte Jan Slierendrecht.
„Hebben wij ook veel kans op een koude keuken?” vroeg Adelien
Groenewald in de handen klappende.
„De kok wilde reeds heden daarmeê beginnen,” antwoordde kapitein
Butteling lachende. „Hij knort erg, dat hij zijn kookgerij niet op het
vuur kan houden.”
„Het zal het brandgevaar verminderen, niet waar kapitein, wanneer voor
ons niet gekookt wordt?” vroeg mevrouw Groenewald.
„Voorzeker, mevrouw.”
„Mag ik u dan uit naam der dames verzoeken, ons zoolang dit weer
aanhoudt, eene koude keuken te verstrekken,” zei de voorzichtige
moeder.
De heeren betuigden hunne instemming met dat verzoek.
„Dat is dan aangenomen!” sprak kapitein Butteling.
„Maar laat eens hooren, waaruit het menu zal bestaan?” vroeg Denniston.
„Wat zal b.v. het dejeuner opleveren?”
„Scheepsbeschuit!”
„Met?....”
„Met scheepsbeschuit!”
„Zonder koffij?”
„Het water daartoe moet gekookt worden,” merkte mevrouw Groenewald aan.
„Dus geen koffij; maar wat dan? Er moet toch iets zijn om die
scheepsbeschuit door te spoelen.”
„Een glas bier, een glas selterswater, of een glas ijzerhoudend water
[68] uit onzen scheepsvoorraad,” zei kapitein Butteling.
„Voor dat laatste pas ik,” antwoordde Denniston. „Maar nu de lunch?
Waaruit zal die bestaan?”
„Uit scheepsbeschuit!”
„Met?....”
„Met sardijntjes.”
„En?....”
„Een glas bier, een glas selterswater of een glas ijzerhoudend water
uit den scheepsvoorraad!” proestte het kapitein Van Dam uit.
„En nu het diner? Dat zal de overige ontberingen wel vergoeden, niet
waar? Kom, kapitein Butteling, waaruit zal dat bestaan?”
„Uit scheepsbeschuit!”
„Met?...”
„Met sardijntjes, afgewisseld met gerookte ham, gerookte tong, gerookt
vleesch, gerookten zalm, gerookten elft, of gerookten bokking.”
„Daar is ten minste variatie in al die gerookte lekkernijen.”
„En de beste manier om zelf niet gerookt te worden,” zei Emma
Groenewald.
„Maar, kapitein Butteling....” vroeg Denniston. „Gij zeidet daar
zooeven: afgewisseld met al die lekkere gerookte zaken. Hebben wij dus
het vooruitzicht die afwisselingen lang te genieten?”
„Ai!... ik ben geen weerprofeet, mijnheer Denniston,” antwoordde de
gezagvoerder, „maar de barometer is sedert dagen langzaam dalende. Hij
daalde heden ochtend nog. Nu schijnt hij stationnair, hoewel de
oppervlakte der kwikkolom nog lang den bolvorm niet, eerder eene holte
vertoont, wat op nog meer neiging tot dalen wijst. Hij staat nu zoo
laag—op 728—als ik hem ooit zoo constant gezien heb. Ik heb hem wel
lager gezien, maar dat was slechts kortstondig, bij sprongen om zoo te
zeggen, om spoedig daarna weer te rijzen. Uit die langzame daling mag
met eenigen grond afgeleid worden, dat wij gedurende langen tijd slecht
weer zullen hebben en.... daarmee zal ons menu van scheepsbeschuit
met... gerookte lekkernijen rekening dienen te houden.”
„Dat lenzen, wat wij nu doen,” vroeg kapitein Van Dam, „zet ons toch
uit den koers, niet waar?”
„Volstrekt niet,” antwoordde de scheepsgezaghebber.
„Maar we moesten meer oost halen, dunkt me?”
„Zonder dat weer was ik tóch van plan geweest, om, eenmaal onder den
Amerikaansche wal uit, meer zuid te halen, dan gewoonlijk bij
Oost-Indische reizen gedaan wordt. In den regel wordt den meridiaan van
kaap de Goede Hoop op den 39sten graad zuiderbreedte gepasseerd. Ik heb
mij in mijn hoofd gesteld tien graden zuidelijker te gaan.”
„Dat is toch een groote omweg,” meende kapitein Van Dam.
„Toch niet. Schijnbaar maar. Ik beweer dat ik eene spoediger reis
daardoor zal maken. Gij zult zien. De Stad Leiden lag bij ons bij de
Canarische eilanden. Dat is een welbezeilde bark. Het is te
veronderstellen dat die nagenoeg dezelfde gelegenheid tot heden heeft
getroffen als wij hadden, met dat onderscheid evenwel, dat zij die vier
dagen verlies niet gehad heeft, die wij met ons uitstapje naar Rio
Janeiro ondervonden hebben. Welnu, ik durf een discretie verwedden, dat
wij voor haar op de reede van Batavia zijn.” [69]
„Maar als haar gezagvoerder nu ook eens uwe meening opgevat heeft?”
vroeg Behren.
„Dat heb ik niet te vreezen. Ik ken hem; hij is een degelijk zeeman;
maar om zonder daartoe genoodzaakt te zijn van de baan af te wijken,
die hem door zijne voorgangers aangewezen is, daartoe is hij niet in
staat.”
„Hoe zult ge evenwel bewijzen: dat langs die langere baan een kortere
reis te maken is, zooals gij beweert.”
„Wel vooreerst worden de lengtegraden, hoe zuidelijker ik aanhoud al
kleiner en kleiner. Bij den Evenaar meet zoo’n graad 15 geographische
mijlen, bij de polen of op 90° afstand van den Equator is die graad
nul. De afplatting der aarde niet meegerekend, bedraagt dus een
lengtegraad op 45° zuider- of noorderbreedte de helft maar van zijne
waarde aan den Evenaar, en bij gevolg dus slechts 7½ mijl. Dat verschil
geeft mij reeds veel; want ik heb op 49° breedte 1⅓ mijl minder af te
leggen per graad, dan op 39°. Maar, dat is nog niet alles. Wij zijn
hier in de zone der veranderlijke winden. Wij treffen nu goede
gelegenheid; maar het kon ook anders. Ieder oogenblik kan de wind uit
een anderen hoek schieten. Ik heb het hier wel beleefd, dat wij dagen
lang stormweer hadden en daarbij tegenwind, zoodat we moesten
bijleggen. Volgens mijne windkaart heb ik veel kans beneden den 45sten
breedtegraad westelijke of noordwestelijke winden aan te treffen,
waarmee dan wat lengte afgezeild kan worden, dat verzeker ik u.”
Op dat oogenblik trad de derde stuurman binnen en fluisterde den
kapitein iets in het oor. Deze stond dadelijk op, trad in zijne kajuit,
om een blik op den barometer te slaan en spoedde daarna naar het dek,
waarheen hem ettelijke zijner passagiers volgden.
De wind stak al meer en meer op, en de zee rolde in hemelhooge baren
achterop. Het fregat begon zwaar te werken. Het steigerde als het ware
met het voorschip, wanneer zoo’n golf dat optilde, terwijl zijn
boegspriet, met het kluif- en jaaghout verlengd, een oogenblik
hemelwaarts wees, alsof die vooruitstekende punt een gat in de wolken
wilde steken. Een oogenblik later gleed het tusschen twee golven in een
afgrond, alsof het daarin wilde verdwijnen.
„Marszeilen en fok reven!” kommandeerde kapitein Butteling.
„Het zeil, dat wij voeren, wordt al minder en minder,” zei kapitein Van
Dam, toen de zeeman op het achterdek kwam om de bevolen manoeuvre gade
te slaan.
„Ik heb wel zin, om maar in eens de marszeilen dicht te laten reven,
want over een paar uren zal dat toch moeten geschieden en het is een
zwaar werk.”
Hij riep stuurman Bagman tot zich, en deelde hem dienaangaande de
noodige bevelen mede. Was straks de stem van den kapitein nog
waarneembaar geweest voor zijne manschappen, toen zij aan het dek
waren, nu kon geen menschelijk orgaan zich voor die mannen, die daar
boven over de raas gebogen lagen, doen hooren, hoe de stuurman zijn
stem ook uitzette. Het gehuil van den wind en het geloei van den Oceaan
overvleugelde alles. Stuurman Bagman greep den scheepsroeper, ging op
het achterdek bovenwinds staan, en nu gelukte het hem na eenige
vergeefsche pogingen het bevel van den kapitein aan die mannen daar
boven bekend te maken.
Het was een zwaar stuk werk, bij zoo’n weer, die zoo sterk gespannen
zeilen dicht te reven. Wat kracht moesten die vuisten niet uitoefenen
om dat zware en stijve zeildoek te grijpen en te houden, en dat met de
riftouwtjes in te binden. Wat klapperden en donderden die zeilen daar
boven, toen de toppenends gevierd waren. Het was alsof die lappen
zeildoek uit elkaar gezweept moesten worden. De matrozen over de raas
gebogen liggende, met de voeten gesteund op de paarden, die zich onder
de raas uitstrekten, spanden alle hunne krachten in om die woest
klappende zeilen in bedwang te krijgen, waarbij twee armen waarachtig
niet te veel waren.
„Hoe is het toch mogelijk,” merkte Denniston op, „zich daar boven bij
dat weer, in evenwicht te houden?”
Eindelijk lukte het toch. Na een rond uur tobbens was de bevolen arbeid
verricht, en daalden de matrozen langs het want op het dek neer.
„Het zijn flinke, pootige kerels!” zei kapitein Van Dam, „die wel een
oorlam verdiend hebben.”
„Zij ontgaat hun niet,” antwoordde de gezagvoerder lachend, terwijl hij
een teeken aan stuurman Ellenbaan gaf, die ook op de ra geweest was.
„Noem jullie zoo’n weer nu nog eene koelte?” vroeg Denniston aan
stuurman Bagman, nadat die gezorgd had, dat alle lijnen en touwen weer
behoorlijk aan hunne nagelpinnen opgeborgen waren, en nu op het
achterdek verscheen.
„Wel, mijnheer, het waait nog maar eene gereefde marszeilskoelte,” was
het antwoord van den zeeman.
„Het mocht wat! Het blaast of de hel losgebroken is.”
„Eerst hadden wij bramzeilskoelte, die is overgegaan in stijve
bramzeilskoelte. Toen de brammetjes ingenomen waren, heette het
marszeilskoelte. Had de kapitein één rif laten steken, dan zouden wij
van gereefde marszeilskoelte spreken; had hij twee reven laten nemen,
dan heette het dubbel gereefde marszeilskoelte; en nu al de reven
gestoken zijn, noemen wij dat dichtgereefde marszeilskoelte.”