De heer Groenewald had den tijd niet om die vraag te eindigen, toen een

golf tegen het middenschip opspatte, zijne schuimende kuif over de

verschansing wipte, en het geheele dek daar overstroomde. Gelukkig, dat

het achterschip, hetwelk toen juist opgeheven werd, gespaard bleef.

Maar bij het donderend geweld, hetwelk het nederploffende water maakte,

vermengd met het gehuil van den wind en het gekraak van het tuig,

vlogen de twee ouders, door een gemakkelijk te verklaren angst bewogen,

op en vluchtten naar den kajuitstrap. De jonge dames, meer heldhaftig

van aard, wisselden, alvorens den aftocht te volgen, een handdruk met

de jongelieden; waarbij Frank, van den donkeren nacht gebruik makende,

zijn arm om het middel van Adelien sloeg en het lieve kind een kus op

de lippen drukte, die niet onbeantwoord bleef. Onthutst en als dronken

door die aanraking, stoof het jonge meisje den trap af. In een

ondeelbaar oogenblik was dat geschied. Toch had Emma daarvan iets

ontwaard, en verkreeg volkomen zekerheid, toen zij, in de kajuit

gekomen, het blozende gelaat harer zuster bemerkte. Was het werkelijk

bezorgdheid van de oudere jegens de jongere zuster, of was het

jaloerschheid, dat Herman volgens haar de stoutmoedigheid miste om een

kus te rooven! Zooveel is zeker, dat zij meende verplicht te zijn, hare

moeder van het gebeurde kennis te geven.

Toen den volgenden morgen—23 November—de dag aanbrak, waren het groot

en het bezaanzeil gegeid, en lag de Fernandina Maria Emma onder hare

marszeilen, maar met gereefde bramzeilen en stevende steeds zuidoost

op. Het uitzicht van den Oceaan was bar. Hemelhooge golven verhieven

zich en huppelden met onbesuisde vaart op het schip aan, alsof zij dat

bestormen wilden; terwijl zij zich bij haar doldriftig pogen om

voorwaarts te ijlen, krulden, braken en zich met wit schuim kuifden,

dat haar een woest en dreigend aanzien verleende. Maar het schip hield

zich uitmuntend. Wel werd het hevig geslingerd, wel beschreven de

masttoppen schrikbarende bogen en ellipsen in het luchtruim en helde

het fregat soms zoodanig naar bakboordzijde over, dat een

onwillekeurige kreet aan veler mond ontvlood; wel stampte het bij die

beweging om zijne breedteas om iemand het hart in het lijf te doen

bonsen en dook daarbij, wanneer het achterschip door eene aanrollende

baar opgeheven werd, met den voorsteven onder water, alsof het daarin

verdwijnen wilde, of steigerde met dien steven omhoog, wanneer de

waterberg naar het voorschip rolde, alsof het uit het vloeibare element

wilde springen; maar repte zich met spoed voorwaarts op de baan, die

het nog af te leggen had. Het uitspansel was in de bovenluchtlagen

egaal loodkleurig, terwijl in de benedenlagen dikke en zwarte wolken

met eene drift zuidwaarts door het luchtruim vlogen, die wel bewezen

dat daarboven de wind niet minder den teugel vierde dan aan de

oppervlakte der zee.

Hoewel het niet regende, was het toch kletsnat op het dek van het

schuim der baren, hetwelk door den wind als het ware van de golftoppen

afgescheurd werd, om in den vorm van een uiterst fijnen zilten regen in

horizontale richting voortgezweept te worden. Alle opvarenden, die aan

dek kwamen, zochten dan ook in allerijl een oppertje, niet om zich voor

den wind te beschutten, die nog niet koud was, maar om die waterige

stofdeeltjes te ontgaan, die iemands kleeding en haren in weinige

oogenblikken met een zilver vliesje, als ware het rijp, overdekten.

Toen stuurman Ellenbaan bij het eindigen der morgenwacht liet loggen,

had de Fernandina Maria Emma eene vaart van twaalf mijlen.

„Drommels stuur! dat snort er van door,” zei kapitein Van Dam.

„Ja, mijnheer,” was des stuurmans antwoord, „maar gedurende de

hondenwacht is 13½ mijl gelogd; men heeft toen evenwel de bezaan en het

grootzeil moeten geien, omdat het schip te veel op zijn roer wrong en

drie man aan het stuurrad niet te veel waren.”

„Dat is nu toch waarlijk storm, nietwaar?” vroeg Denniston, die erg

bleek was en wel er naar uitzag, dat hij andermaal een bezoek van de

zeeziekte zoude krijgen.

„Het mocht wat!” antwoordde de stuurman. „Dit is niets dan eene stijve

bramzeilskoelte. Kijk mijnheer, als al de zeilen geborgen zijn en

alleen aan den grooten mast dat kleine barkzeil, dat men nu bezig is

aan te slaan, en wat ook stormzeil genoemd wordt, bijstaat, dan waait

er storm.”

„Verwacht men dan storm, dat men zich zoo beijvert om dat aan te

slaan?” vroeg Leidermooi.

„Men weet niet wat er van groeien kan. De barometer is steeds langzaam

dalende, terwijl de bovenlucht nog onaangenaam strak voorkomt. Maar....

ik heb nog geen stormvogels gezien, dat stelt mij gerust.”

„Stormvogels?” vroeg Hannius.

„Ja, of beter genoemd stormzwaluwen [63],” antwoordde stuurman

Ellenbaan. „Het zijn kleine witgrijze vogels, die door hunne vlucht op

een afstand wel iets van een zwaluw hebben. Zij vliegen steeds....

Drommels daar hebt gij er een paar! Nu ontsnappen wij den dans niet!

Sta nu maar vast.”

„Kom stuurman, ik heb er in mijn leven nog al gezien,” zei kapitein Van

Dam geruststellend, „en....”

„Maar dan heeft het toch ook geblazen, toen gij die zaagt, kapitein.”

„Wat mij verwondert, dat is, dat wij nog geene kaapsche duiven gezien

hebben. Die worden toch tot op de breedte van Rio Janeiro aangetroffen,

niet waar?”

„Ja, kapitein, wanneer de zon in het noordelijke halfrond staat; nu

wij, evenwel November hebben, moeten wij haar meer zuidwaarts zoeken.

Het zal evenwel niet lang meer duren. Met de vaart, die wij maken,

misschien morgen of overmorgen al.”

De stormvogeltjes scheerden over het water, vlogen een paar malen om

het schip en verdwenen in noordelijke richting.

Zoo omstreeks tegen elf uur begon het wolkendak in de bovenluchtlagen,

dat tot nu toe onbeweeglijk en aschgrauw gebleven was, te scheuren en

vingen de wolken daar met die van de benedenluchtlagen een wedstrijd in

het hardloopen aan. In ijlende vaart wentelden de dikke grauwe en

zwarte massa’s door de lucht en stoven zuidwaarts op; terwijl het schip

steeds zuidoost voor lag. Door het zonnetje verlokt, dat nu en dan

tusschen de wolken door kwam kijken, en haar dan met een lief helder

blinkend randje verguldde, kwamen de dames Groenewald aan dek; maar zij

moesten verklaren, dat het er onvriendelijk uitzag. De zee ging zoo

aan, de wind huilde zoo door het want en was niets luw meer;

integendeel hij begon zich al frisch te doen gevoelen, zoodat papa

Groenewald gauw naar beneden ging en even spoedig weer verscheen,

geheel in zijn demi-saison; terwijl hij de regenmantels zijner dames op

den arm droeg. Bij de stijve bries, die er stond, was het evenwel geen

gemakkelijk werk om zoo’n kleedingstuk om het lijf te krijgen.

Verscheidene malen poogde toch de wind het aan de lieve vingertjes te

ontrukken, en de dames slaagden eerst, toen zij eene toevlucht op den

kajuitstrap namen en daar elkander hielpen. Toen die mantels goed om

hare ledematen sloten, waren de teere wezens volgens het oordeel van

haren papa voldoende beschut om een uurtje in de buitenlucht door te

brengen. Het middagbestek toonde aan dat de Fernandina Maria Emma op

27° 21′ zuiderbreedte en op 37° 41′ westerlengte stond. De barometer

was steeds langzaam dalende.

De arrestanten, die tot nu toe aan het dek, in de boeien gesloten,

verwijld hadden, werden thans in het kabelgat in verzekerde bewaring

gesteld, tot dat het schip weer in milder streken zou zijn aangeland.

De gekwetsten hadden van het stormachtige weer niet veel te lijden. De

kogels waren gelukkig uit de wonden verwijderd en liet het zich

aanzien, dat alle vier voor de aankomst te Batavia genezen zouden zijn.

XII.

EEN ONDERHOUD—BRUINVISSCHEN.

„Gaat gij nog naar het dek, papa?” vroeg Adelien Groenewald, toen zij

dezen na de lunch zijn overjas zag aantrekken en zich gereed maken om

naar boven te gaan.

„Ik ga boven eene sigaar rooken,” was het antwoord.

„Kunt gij dat hier niet doen? Het waait boven zoo.”

„Gij weet wel, dat beneden niet mag gerookt worden,” antwoordde de

vader, terwijl hij een belangstellenden blik op zijne dochter liet

vallen. „Neen, ik ga naar boven.”

„Maar het waait zoo! Gij zult een kou vatten.”

„Dat zal wel losloopen. Ik ben geen verwend weekeling, die voor wat

wind bang behoeft te zijn. Weest gerust; ik zal onafgebroken heen en

weer trippelen.”

Toen de heer Groenewald aan het dek kwam, was dat grootendeels

verlaten. De meeste soldaten waren naar beneden gegaan, of zochten

achter de verschansing aan de windzijde of achter andere voorwerpen,

zooals de groote boot, beschutting. Van de passagiers wandelden alleen

kapitein Van Dam met den apotheker Behren, die in een druk gesprek

schenen, op en neer, en stond stuurman Bagman bij den man aan het roer.

De anderen waren of naar kooi gegaan, om door den slaap zich aan de

verveling te onttrekken, ook om er een middel tegen de zeeziekte te

vinden; terwijl anderen zich in de kerk of in de kajuit met dam- of

dominospel of ook wel met lezen onledig hielden.

De heer Groenewald kuierde het dek op en neer. Toen hij Frank Brinkman

ontwaarde, die met een zijner collega’s stond te praten, riep hij dezen

tot zich.

„Ik wenschte wel een onderhoud met u te hebben, mijn jonge vriend,”

sprak hij. „Kom, volg mij op het achterdek, dan kunnen wij meer

ongestoord praten. De heeren Van Dam en Behren wandelen te loevert, wij

zullen een halfdekje slaan aan den lijkant.”

Frank volgde, natuurlijk uiterst bevreemd wat er komen zou.

„Mijnheer Frank,” begon de heer Groenewald, „ik ben u wegens het redden

van mijn kind veel dankbaarheid verschuldigd, en ik wenschte mij van

die schuld te kunnen kwijten. Niet, dat ik mij van die dankbaarheid

ontslagen wenschte; maar ik zou zoo gaarne iets bij willen dragen om

uwe toekomst te verzekeren.”

Frank boog met dankbaar gebaar.

„Ik heb u en uwen vriend als twee degelijk welopgevoede jongelieden

leeren kennen, waaromtrent mij door kapitein Van Dam de meest gunstige

inlichtingen verstrekt zijn. Is de militaire loopbaan, welke gij

ingetreden zijt, wel die uwer keuze? Vergeef mij de onbescheidenheid

dier vraag. Het doel daarvan zal u straks blijken. Is er niet de eene

of andere teleurstelling in het spel, die u beiden in de gelederen van

het koloniale leger bracht?”

„Voorzeker,” antwoordde Frank, tot vertrouwen door den goedhartigen

toon van Adelien’s vader verlokt, „dacht ik een tiental maanden geleden

er niet aan, ooit den militairen rok aan te trekken. Ik had de studie

der humaniora achter den rug, en zou aan een der hoogescholen in ons

vaderland de studie der rechtswetenschappen aanvaarden; toen mijn vader

op het onverwachtst kwam te overlijden en met hem de geheele

welgesteldheid van mij en mijne broeders en zusters ten grave daalde.

Van verder studeeren kon onmogelijk iets komen. Heel mistroostig maakte

mij die laatste teleurstelling niet. Mijn plan was geweest als advokaat

naar Indië te vertrekken. Welnu, ik zou Indië bezoeken! Ik nam een koen

besluit, ging naar Harderwijk, en verbond mij bij het Indische leger,

vast overtuigd, dat met de opvoeding die ik ontvangen had, en met

dienstijver en goed gedrag daarbij ook eene eervolle loopbaan te

volbrengen zou zijn. Ziedaar, mijnheer Groenewald, de beweegredenen,

die mij tot het omhelzen van den militairen stand gevoerd hebben.”

„Maar uw vriend Riethoven?”

„Die geschiedenis is even eenvoudig, hoewel geheel anders luidende.

Mijn vriend Herman studeerde aanvankelijk voor Roomsch geestelijke. Hij

leerde evenwel een meisje kennen, en.... ja en.... toen liet hij die

vrome plannen varen. Toen hij evenwel de hand van het lieve kind dacht

te verwerven, waren dat en hare ouders zoo door de geestelijkheid

bewerkt, dat hij een formeel blauwtje liep. Daarbij kwam nu nog, dat

zijne ouders weigerden hem eene hoogeschool te laten bezoeken, omdat

hij gevaarlijk voor de Kerk kon worden. In zijne wanhoop reisde hij

naar Harderwijk en....”

„Dus, het is geene bepaalde roeping, die u beiden in de gelederen

bracht? Het heilige vuur ontbrak u...”

„Vergeef mij, mijnheer Groenewald, dat heb ik niet gezegd,” antwoordde

Frank met een glimlach. „Ik durf beweren, dat niemand met meer

toewijding in de gelederen dient dan wij tweeën. Het is waar, dat onze

oorspronkelijke opleiding ons niet naar die loopbaan dreef, zooals

helaas! zoo dikwerf en met zoo velen geschiedt. Waren onze vaders

militairen geweest, of hadden wij militairen onder de leden onzer

familie geteld, dan voorzeker zou de officiers-épaulet het ideaal onzer

jongelingsjaren geweest zijn, wat nu niet het geval kon zijn. Later,

toen wij in de wereld hadden leeren rondzien, kozen wij dien stand

geheel vrijwillig, zonder eenigen dwang hoe genaamd ook. Ik druk

hierop, want voor ons, die een bedrijvig leven wenschten in te treden,

die dus tegen moeiten noch gevaren opzagen, had met onze opvoeding,

zich wel een andere kring geopend, wanneer wij dien hadden willen

zoeken. Goddank! zoo ver was het nog met geen van ons beiden gekomen,

dat broodsgebrek ons in de kazerne bracht!”

Frank was langzamerhand in vuur geraakt; want de gedachte verdroot hem,

dat Adelien’s vader hem over een kam zou kunnen scheren met de velen,

die door honger, wangedrag of door erger genoopt, blij waren nog bij

het Koloniaal Werfdepôt te Harderwijk te recht te kunnen komen.

Met welgevallen zag de heer Groenewald den jongman aan. Men kon het hem

aanzien, dat hij het er op gezet had, Frank tot die stemming te

verlokken. Hij leerde zoo den man kennen, wien hij het geluk van zijn

kind wenschte toe te vertrouwen.

„Ik heb dat zeer goed begrepen en ingezien,” hernam hij, „en ik twijfel

aan uw beider lust voor den militairen stand niet. Maar.... als u nu

eens een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan werd geopend, zoudt

gijlieden er dan tegen opzien om het krijgsmanskleed vaarwel te

zeggen?”

„Een even nuttige, een even bedrijvige loopbaan, mijnheer

Groenewald?....”

„Een even nuttig, een even bedrijvig, maar een meer zelfstandig leven!”

antwoordde de heer Groenewald, „een leven, waarin gij met eigen

krachten, met eigen inzichten kunt optreden, waarin gij niet van de

luimen van eene menigte anderen, in den beginne hoogstens van slechts

één afhankelijk zijt, waarin gij met uw streven nuttig zijt niet

alleen, maar dat nut onmiddellijk ontwaart in de welvaart uwer

omgeving, in uw eigen welvaart, waarin gij de vruchten van uw pogen

aanschouwen en die ook genieten kunt, en door anderen zien genieten.

Zeg, ik herhaal mijn vraag, zoudt gij bij de overtuiging daarvan,

aarzelen kunnen om, terwijl het voor ulieden nog tijd is, de eene

loopbaan voor de andere te verwisselen?”

„Verklaar u toch nader, mijnheer Groenewald,” zei Frank, wiens hart

begon te popelen, met aandoening.

„Ziehier, mijn jonge vriend,” ging de heer Groenewald voort. „Ik ben

bezitter van een aanzienlijke koffie-aanplant op de hellingen van den

Lawoe. Ik wenschte u beiden over te halen om het militaire leven te

verlaten, en bij mij in dienst te treden om uwe loopbaan als opzichter

te beginnen.”

„Bij u in dienst treden.... mijnheer Groenewald?...” vroeg Frank, voor

wiens geest het liefelijke beeld van Adelien verrees.

„Gij bekomt vrije woning, vrije voeding en in den beginne eene

remuneratie van honderd gulden ’s maands. Wel, wat zegt ge?....”

„Uw voorstel, mijnheer Groenewald is zoo fraai, maar zoo onverwacht,

dat het mij eenigermate bedremmelt,” antwoordde Frank. „Dat is geene

zaak om met een ja of een neen af te doen.... Gij zult mij dus

vergunnen, dat voorstel in gezette overweging te nemen.... Ik moet

daarenboven mijn vriend Riethoven raadplegen.... uw voorstel betrof

toch ons beiden, als ik goed begrepen heb, nietwaar?....”

De heer Groenewald knikte ja.

„Welnu, gunt ons eenige dagen om uw voorstel te overwegen.”

„Neem den tijd, dien gij noodig oordeelt, als gij mij maar antwoord

gegeven hebt voor onze aankomst te Batavia. Gij hebt dus nog ettelijke

weken voor u.”

„Maar.... intusschen wenschte ik u eene bekentenis te doen, mijnheer

Groenewald, die wellicht van invloed op uwe beslissing kan zijn, en

derhalve.... iedere nadere bespreking omtrent uw voorstel overbodig zou

kunnen maken.”

„En die bekentenis is?”

„Gij zult mij dwaas vinden, gij zult misschien oordeelen, dat ik bij de

plaats, die ik op de maatschappelijke ladder inneem, de oogen te hoog

ophef. Gij kunt daarin gelijk hebben; maar.... het gevoel dat mij

overmeesterd heeft, is zoo onweerstaanbaar, zoo overweldigend geweest,

dat ik er niets aan heb kunnen doen of beter gezegd, dat ik niet eens

beproefd heb er mij aan te onttrekken.”

„Wat is het dan toch?” vroeg de heer Groenewald met een glimlach op het

gelaat, dien Frank evenwel niet zag, daar eerstbedoelde juist in dat

oogenblik het hoofd afgewend had en over de verschansing buiten boord

keek.

„Ja, die bekentenis moet mij van het hart.... De gedachte, dat gij mij

later zoudt kunnen verdenken, niet openhartig met u omgegaan te hebben,

zou mij onverdragelijk wezen.”

„Wat is het dan toch?” herhaalde de heer Groenewald. „Kom, vooruit met

die bekentenis; wellicht is zij niet eenmaal zoo moeilijk.”

Frank greep zijn moed met beide handen.

„Ik heb eene innige genegenheid voor juffrouw Adelien, uwe dochter

opgevat, en....”

„Zoooo!” sprak de heer Groenewald met langgerekte stem.

Brinkman keek hem ter sluiks aan. Daar was evenwel niets onrustbarends

op dat gelaat te lezen, hetwelk dat „zoooo!” vergezelde. Integendeel

dat gelaat teekende veel goedhartigheid en veel welwillendheid.

„En....” wilde de jonkman voortgaan.

„En die genegenheid wordt ten volle gedeeld, dat is het, wat gij er bij

voegen wildet, niet waar?” viel de heer Groenewald in de reden.

„Dat meende ik niet te beweren,” antwoordde Frank.

„Dat behoeft ook niet. Moederlijke oogen zien scherp, mijnheer

Brinkman,” ging de vader voort. „Daarenboven Adelien heeft hare ouders

niet onkundig met den toestand van haar hart gelaten.”

Dat was eene kleine onwaarheid om later Adelien’s gevoel tegenover den

jongman te redden. Zij had nog gezwegen, niet uit zucht tot

geheimzinnigheid; maar omdat de geheele verstandhouding tusschen haar

en Frank zich nog slechts tot het wisselen van een paar handdrukken en

een kus bepaald hadden. Woorden van toegenegenheid, van liefde waren

nog niet gesproken, daartoe had tijd en gelegenheid ontbroken.

„Zoodat?...” riep Frank aarzelend uit.

„Zoodat?... ja, wat zoodat?...” hernam de heer Groenewald door die

vraag verrast. „Zoodat.... het van u afhangt, mijnheer Brinkman, of die

ontluikende genegenheid de goedkeuring van mijne vrouw en mij zal

kunnen verwerven ja of neen. Beiden zouden wij er wel tegen opzien,

onze dochters aan officieren af te staan.”

Frank dacht diep na, hij liep naast den heer Groenewald eenige malen

het achterdek op en neer, zonder een woord te spreken. Adeliens vader

eerbiedigde dat zwijgen; er werd hier over eene geheele toekomst

gehandeld.

Het schip in zijne pijlsnelle vaart, door de stijve bramzeilskoelte,

die al meer aanwakkerde en door de woest aanrollende zeeën, die aan

stuurboord van achteren dwars inkwamen, genoopt, maakte kabriolen,

steigerde, maar ging daarbij soms zoodanig naar lij over, alsof het zou

omkantelen, zou kapzijzen, zooals de zeelui dat noemen, en waarbij onze

wandelaars onmogelijk de rechte lijn konden houden; maar dan, hoe

zeevast hunne voeten ook bleken, naar lij afweken, en bij wijlen

onzacht tegen de verschansing aankwamen.

Eindelijk verbrak Frank dat zwijgen.

„Ik zal uw voorstel in gezette overweging nemen,” sprak hij. „Er is

natuurlijk veel, wat mij daarin toelacht; ik moet evenwel mijn vriend

Riethoven spreken.... wij waren steeds vrienden... en.”

„Is hij met uw hartgeheim bekend?”

Frank knikte bevestigend.

„En... zijt gij met zijn hartgeheimen bekend?”

„Wij hebben geene hartgeheimen voor elkander; maar in den

tegenwoordigen tijd heeft hij er geen,” antwoordde Frank. „Hij leeft

nog te veel onder den indruk van de ondergane teleurstelling.”

De heer Groenewald zuchtte eens. Die zucht ging evenwel in het gefluit

van den wind verloren.

Beneden had intusschen een ander tooneel plaats.

Toen de heer Groenewald zich naar het dek begaf, zat zijne dochter Emma

in de kerk met kapitein Van Dam, dokter Hannius en den apotheker Behren

te praten. Mevrouw Groenewald had Adelien een teeken gegeven, en beide

waren naar de hut der ouders gegaan, alwaar de moeder in weinige

woorden aan hare dochter mededeelde, wat het doel was van het gaan van

den vader naar het dek, namelijk om te trachten de sergeanten Brinkman

en Riethoven over te halen, den krijgsdienst vaarwel te zeggen en de

betrekking van opzichter op zijne koffie-onderneming te aanvaarden.

Toen het jonge meisje dat hoorde, verborg zij haar gelaat aan den

boezem harer moeder en rispelde zacht:

„O! wat ben ik gelukkig! wat ben ik gelukkig!”

Mevrouw Groenewald sloeg haar arm om de leest van haar kind, drukte

haar innig aan het hart; maar vroeg haar met een ondeugend lachje,

alsof zij van niets wist, wat die mededeeling hare Adelien toch zoo

gelukkig kon maken. Er was zoo weinig noodig om dat jeugdige

oorspronkelijke gemoed tot mededeelzaamheid te verlokken.

Mededeelzaamheid is toch der jeugd, vooral wanneer zij zich gelukkig

gevoelt, zoo eigen. En voor wie zou het lieve kind ook eerder haar hart

opengelegd hebben dan voor de vrouw, die haar het leven had geschonken,

die haar met haar bloed gevoed had, die hare eerste wankelende schreden

schraagde, toen de kleine voetjes nog onmachtig waren het kinderlijke

lichaampje te dragen, die haar later opkweekte en opvoedde, en haar die

kiemen in het hart lei, die thans het jeugdige meisje tot eene

aanminnige, lieftallige en bekoorlijke maagd hadden doen ontluiken, en

die haar tot eene lieve en degelijke vrouw zouden doen rijpen? Neen,

voor die moeder, die hare taak met zooveel liefde en toewijding, met

zooveel tact en zacht geduld volbracht had, die zich langzamerhand,

naarmate het meisje ontwikkelde, tot hare vriendin, tot hare beste

vriendin vervormd had, kon haar hart bij de wichtigste levensuiting,

die zich nog bij haar openbaarde, niet gesloten zijn! Dat alles ging

als bij intuïtie in een ondeelbaar oogenblik in het gemoed van het

jonge meisje om. Zij bereidde zich eene zitplaats op den moederlijken

schoot, dook daarin als een vogeltje in het ouderlijke nestje, hield

nog altijd het hoofdje aan den moederlijken boezem verscholen, en deed

nu, terwijl hare fraaie oogjes van geluk straalden, maar zich ook van

aandoening parelden, een verhaal van hare ontluikende genegenheid voor

Frank. Och! dat zulke verheven oogenblikken voor den voornaamsten

belangstellenden immer een geheim moeten blijven? Dat hij die

verrukkelijke ontboezeming niet kan vernemen, dat de fijne

schakeeringen daarbij voor hem immer onbekend en ongenoten moeten

blijven, al wordt hem ook later honderdmaal dat onderhoud medegedeeld!

Want welke menschelijke tong is in staat zoo’n gesprek tusschen moeder

en dochter weer te geven? Welke stem, hoe liefelijk ruischend ook, is

bij machte de intonatie te doen hooren, zooals zij luidde, toen de

woorden schuchter, zacht en schier onhoorbaar lispelden: „o! moeder, ik

heb hem zoo lief!” Neen, welke liefde, welke innigheid, welke

vertrouwelijkheid tusschen de gelieven moge ontstaan, die innige

heilige ongedwongen mededeelzaamheid, welke daar in dat uur aan den

moederlijken boezem te voorschijn treedt, zullen zij nimmer

ondervinden. De band tusschen moeder en dochter is nog iets heiliger,

dan die tusschen man en vrouw!

In weinige oogenblikken wist mevrouw Groenewald alles, van den eersten

indruk af, dien de jongman op het jeugdige ontvankelijke gemoed harer

Adelien gemaakt had, tot het wisselen van den eersten kus toe. De

zorgzame moeder vernam toen ook, dat nog geen enkel woord van liefde of

genegenheid tusschen de jongelieden gesproken was. Zelf gaf Adelien

daar een bevredigenden uitleg van door de bemerking, dat Frank

verhinderd was geworden over zijne genegenheid te spreken, door dat het

samenzijn aan boord zich niet eigende om zoo’n belangrijk gesprek te

voeren, wijl er immer iemand in de onmiddellijke nabijheid was.

„Ik ben benieuwd met welke tijding papa straks terug zal komen.”

„Zij schijnen het druk te hebben.... althans met wandelen,” antwoordde

Adelien glimlachend.... „Hoort ze eens heen en weer trappelen.”

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 20 / 26 段