Neen, die vertraging was niet te betreuren. Vooreerst toch was er

dadelijk bij de gekwetsten, door de aanwending van ijs op hunne wonden,

eene zoodanige gunstige verandering waar te nemen, dat dokter Hannius

verzekerde, hij den volgenden morgen er toe zou kunnen overgaan om de

kogels uit te halen, waarna spoedig genezing zou volgen. Dan waren de

approviandeering van versch vleesch en de bergen aardappelen, koolen,

jams, peenen, knolrapen, uien, kalebassen, enz. enz., die te Rio

Janeiro ingekocht waren, met het oog op den gezondheidstoestand der

opvarenden, niet genoeg te waardeeren. Wat al dadelijk een glans van

vergenoegen op ieders gelaat te voorschijn deed komen, was de heerlijke

lucht, die zich over het dek verspreidde, van de beefsteak, die zich de

kok in zijne kombuis beijverde klaar te maken voor den lunch van de

passagiers achteruit; terwijl de manschappen van het detachement, in

weerwil dat het zondag was, onder het zingen van een vroolijk lied

bezig waren de aardappelen te jassen, die straks, met de noodige

knolrapen er bij gekookt, een heerlijke ratjetoe zouden opleveren; maar

voorafgegaan zouden worden door een ration lekkere soep, waartoe ruim

het vierde gedeelte van een geheelen os gebruikt werd.

XI.

WEER NAAR ZEE.

Het was zondag—het werd hierboven reeds gezegd—dien dag, waarop de

Fernandina Maria Emma de baai van Rio Janeiro verliet om haar reis te

vervolgen. De passagiers zaten op het dek gezellig bij elkander, het

langzaam verdwijnende land van Zuid-Amerika te bewonderen. Op verzoek

van den heer Groenewald, had kapitein Van Dam de sergeanten Riethoven

en Brinkman een wenk gegeven, die weldra ook plaats genomen hadden op

het achterdek en wel bij de familie Groenewald, welker gasten zij

waren.

„Hebben de dames zich goed geamuseerd?” vroeg kapitein Van Dam aan de

jonge meisjes.

„O! uitnemend, kapitein!” antwoordde Emma.

„Papa heeft een rijtuig genomen bij het aan wal stappen,” verhaalde

Adelien, „waarmede wij een prachtigen toer èn door de plaats èn door de

omstreken van Rio Janeiro gemaakt hebben. Wij hebben daarbij wezenlijk

genoten.”

Het meisje wierp bij die laatste woorden een vluchtigen, ja bijna

onmerkbaren blik op Frank, die dezen beduidde, dat het genot van het

lieve kind nog grooter ware geweest, wanneer hij aan dat uitstapje had

mogen deelnemen.

„Het is een fraai land,” bevestigde dokter Hannius.

„Maar zou juffrouw Groenewald de minder gelukkigen, die van de partij

niet konden zijn, niet willen mededeelen, wat zij bij dien toer gezien

heeft?” vroeg Frank aan Adelien.

Het meisje bloosde. Zij was nog te jong om gewoon te zijn in een zoo

talrijk gezelschap het woord alleen te voeren.

„Gij zult aan mijne mededeeling weinig hebben,” antwoordde zij

schuchter, maar toch met bevallige stembuiging. „De indrukken van een

meisje zijn zoo wuft, dat zij de heeren niet zullen kunnen boeien.”

„De oogen der vrouw zien scherper dan de man,” betuigde dokter Hannius.

„Zij omvatten beter de algemeene omtrekken der tafereelen, die haar

onder de oogen komen; terwijl de mannen meer hunne aandacht op

bijzonderheden vestigen en zich dan veelal in studiën verdiepen, of....

daarvan den schijn aannemen.”

„Mooi gezegd,” sprak kapitein Van Dam. „Ik wed dat ons Behrtje niet

veel van de algemeene indrukken heeft opgevangen. Ik heb hem althans

met een bos groenten aan boord zien terugkomen, dat het denkbeeld bij

mij moest opkomen, hij met de voeding der slachtossen belast was.”

„Geen spotternij met de wetenschap, kapitein,” antwoordde de apotheker

met een glimlach. „Het moge waar zijn, dat ik bij mijne uitstapjes van

gisteren en voorgisteren minder op de algemeene omtrekken van het

landschap, dat mij omgaf, gelet heb, dat mij de bevalligheid en de

verhevenheid van zoo’n bergterrein ontgaan zijn, dat ik geen blik had

voor de werken der menschen, voor de kunst, die de natuur zoude

verfraaid en verbeterd hebben, zoo als ik dat gisteren door sommigen in

hunne opgetogenheid hoorde uitdrukken, voor die menigvuldige villa’s,

die de hoogten der bergtoppen kroonden, of op hare hellingen verrezen;

maar....”

„Maar?” vroeg Emma Groenewald niet zonder ietwat spotternij in hare

stem.

„Maar, ik ben plantenkundige en de hartstocht voor de gaven van Flora

treedt bij mij op den voorgrond. Toen ik buiten de stad kwam, en mij

daar te midden van die prachtige intertropische natuur bevond, waarvan

ik wel veel gelezen had, maar die het mij nu voor de eerste maal

gegeven was van nabij te beschouwen, toen—ik wil het gaarne

bekennen—had ik slechts oog voor hetgeen die plantenwereld te

bewonderen gaf.”

„Zeker is het,” vulde Adelien met een soort van geestdrift aan, „dat,

hetzij men in den Botanischen Tuin rondwandelde, hetzij men meer

binnenslands of langs de oevers der baai ronddoolde, men wanen kon,

zich in een eindeloos groot park te bevinden, waar iedere schrede een

nieuw wonder te aanschouwen gaf.”

„Ik heb nimmer tropische planten gezien dan in serres,” ging Behren

voort, „arme kwijnende dochters der zon, die het aan licht en lucht

ontbrak, en die in dien kunstmatigen atmospheer van steenkolenwalm een

jammerlijk bestaan voortsleepten. Ik kan mij dus geen oordeel

aanmatigen, over wat de keerkrings-natuur te aanschouwen geeft; maar ik

vermeen, altijd naar wat mijne boeken mij geleerd hebben, dat nergens

ter wereld de Flora zoo ontwikkeld is, als daar in de omstreken van Rio

Janeiro!”

„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam. „Stop! De apotheker gaat er van door!”

„Dat er nergens zoo hooge en slanke palmen, dat er nergens zoo

schilderachtige banaanboomen, dat er nergens zulke dichte

bamboebosschen aangetroffen worden!”

Ja, de apotheker was er van door.

„Stop!” riep de heer Groenewald op zijne beurt. „Spreek niet te

overijld. Alvorens zoo’n oordeel te vellen, moet gij wachten, tot dat

gij ’s lands Plantentuin te Buitenzorg gezien zult hebben. Die is

oneindig fraaier dan de Botanische Tuin te Rio Janeiro.”

„Ja, maar de Flora buiten dien tuin?”

„Laat op Java ook niets te wenschen over, en staat in niets achter, bij

hetgeen gij gisteren gezien hebt.”

„Ik heb bloemen en struiken gezien, die....”

„O! ja, de groenten, die Behrtje voor de slachtossen heeft

meêgebracht,” spotte kapitein Van Dam.

De apotheker vloog op, klom op de verschansing, dook onder het zeil,

dat de sloep, die daar in de davids buiten boord hing, voor de werking

der zonnestralen moest beschermen, en haalde daaronder een bos planten

uit, die met fraaie karmozijnroode bloemen prijkten.

„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei hij tot Emma, die een takje wilde

kapen; maar zich gevoelig aan de doornen prikte en haastig haren duim

in den mond stak.

„Pas op, er zijn doornen aan!”

„Dat waarschuwt ge wel wat laat, mijnheer Behren,” pruilde het jonge

meisje.

„Maar, wat fraaie bloemen!” kreet Adelien, die evenwel voorzichtig hare

handjes te huis hield.

„Niet waar?” ging de apotheker voort. „Niet waar, wat fraaie bloemen?

Kijk eens, kapitein Van Dam. Dat is de Caesalpinia pulcherrima of de

prachtige Pauwenkuif, zooals wij Nederlanders die heeten. Het is niet

voor niets, dat de Franschen haar: poincillade of Fleur du Paradis

noemen. Ziet dien karmozijnrooden bloesem eens met zijnen gladden kelk

en stompe slippen, waarvan de voorste fraai gewelfd zijn, ziet die

bevallig geplooide bloembladeren eens! En die lange helmdraden en

stijl! Is dat niet mooi? Kijk, die peul is veelhokkig en de zaden zijn

omgekeerd eivormig, geknepen en....”

De botanicus was aan het doceeren. Het werd tijd dat men hem zijn

stokpaardje ontnam.

„Ho! stop!” riep kapitein Van Dam, die een blik op de vertoonde bloemen

geworpen had. „Jij met je geknepen, eivormige, omgekeerde zaden, met je

Caesa...caeso... Hoe heet je dat ding ook?”

„Caesalpinia pulcherrima, kapitein. Dat is eene zeldzame plant.”

„Het mocht wat! Die Caesalpinia polkamama...”

„Pulcherrima, kapitein.”

„Nu, pulcherrima dan... is eenvoudig de Patra kombala der Javanen, de

Boenga Merak der Maleiers. Die bloemen vindt men in Indië in schier

alle tuinen en groeien in sommige streken in het wild langs den weg. De

Javaantjes houden veel van die plant.”

„Waarom?”

„Waarom? Weet jij apotheker dat niet?.. Niet? Nou dokters,” ging

kapitein Van Dam voort en wendde zich tot de heeren Hannius en Van

Pinksteren, „vertel jullie Behrtje eens, waartoe de Javanen een

aftreksel van de bladeren van de Patra kombala bezigen.”

De beide Esculapen keken elkander aan.

„Wij weten het niet,” betuigden beiden.

„Weet jullie dat ook niet?... Wel dat weet in Indië iedere baboe en

iedere nènèh! Wat leer jullie toch op die hoogescholen met al dien

geleerden poespas, die daar verkocht wordt, als gij dat niet leert?”

„Dat is moeielijk te omschrijven, waarde kapitein,” antwoordde dokter

Van Pinksteren lachende. „Maar zeg ons nu, wat de baboe’s en nènèh’s

wel en wij niet weten. Waartoe dient dat aftreksel van folia

Caesalpiniae pulcherrimae?”

„Wel, om schoon schip te maken.”

„Schoon schip?” vroeg Denniston. „Dus, zoo iets als een bezem of

zwabber?”

„Juist, een zwabber, maar inwendig. Dat aftreksel heeft dezelfde

werking als het Glaubers wonderzout of als de djarak-olie.” [62]

Allen lachten, en Behrtje en Hannius niet het minste, hoewel ze de

laatstgenoemde olie niet kenden, en dat maar onaangeroerd lieten.

„Ik ben van plan,” zeide laatstgenoemde, „dadelijk eene proef te nemen.

Er zijn een paar patiënten, die den invloed van den scheepskost geducht

ondervinden. Hebt ge veel folia Caesalpiniae pulcherrimae

medegebracht?”

„O! meer dan genoeg voor eene proef!”

„Dan gaan wij dadelijk aan het koken.”

„Wacht dan toch eerst, dat de kok met zijne beefsteak klaar is,” zei

kapitein Butteling. „Gij mocht u eens vergissen... Daarbij, het wordt

tijd, om te gaan lunchen. Ik heb reeds een wenk bekomen, dat het

middaguur nabij is.”

Stuurman Abels had inderdaad den scheepsgezagvoerder een teeken

gegeven, dat het kwart voor twaalf was.

„Is dat zonschieten heden wel noodig?” vroeg Leidermooi. „Wij hebben

den wal nog in het gezicht.”

„Waar dan toch?” vroeg stuurman Abels. „Waar dan toch die wal?”

Allen keken uit. Er was niets meer te zien. Enkelen meenden nog

achteruit, in het noorden, dicht bij de kim eene blauwe strook te zien;

maar de stuurman was van meening, dat dit eene wolkenbank was, die

opdoemde.

„Uit dien hoek krijgen wij van nacht of morgen poetssteen,” zeide hij.

Toen het middag-bestek opgemaakt was, stond het fregat op 24° 19′

zuiderbreedte en op 41° 48′ westerlengte.

Bij het naar beneden gaan om de lunch te gebruiken, merkte Frank

Brinkman juffrouw Adelien op, dat zij hare mededeelingen omtrent Rio

Janeiro niet voltooid had.

„Is het mijne schuld?” vroeg het meisje met een bekoorlijken glimlach,

„dat de heeren het zoo druk gehad hebben over de Patra kombala? Als de

geleerden aan den gang zijn, dan is er geen speld tusschen te brengen.

Maar.... wij kunnen heden avond het gesprek voortzetten. Al de heeren

zijn aan den wal geweest. Die kunnen mijne mededeelingen wel missen.

Kapitein Van Dam alleen bleef aan boord; maar die—daarvan ben ik

overtuigd—houdt meer van spadille en manille, dan van een verhaal door

eene jeugdige onervarene reizigster geleverd. Heb dus geduld, totdat de

partijtjesmakers heden avond achter hunne speeltafeltjes zullen plaats

genomen hebben. Is dat uitstel niet goed?”

Een innige handdruk, onbemerkt bij het neerdalen van den trap naar de

kajuit gewisseld, was het eenige antwoord, dat de jongman geven kon, en

was misschien ook wel het meest gewenschte.

Dat de lunch onze onderofficieren, die niet mede aan den wal geweest

waren en bij gevolg geen afwisseling van den scheepskost erlangd

hadden, door het aanzitten aan eene Braziliaansche table-d’hôte, zooals

de andere passagiers was te beurt gevallen, uitmuntend smaakte, behoeft

ter nauwernood gezegd te worden. Zij betuigden, dat zij in hun leven

geen lekkerder beefsteak hadden gegeten, hoewel de kok toch verklaard

had, dat hij het vleesch als stokvisch had moeten beuken om het

eenigermate zijne lederachtigheid te doen verliezen, daar anders de

beefsteak veel van gebakken oude schoenzolen zoude gehad hebben.

„Die Braziliaansche zwartkoppen hebben den kapitein in het ootje

genomen,” zeide de zee-Vatel met overtuiging. „Die os is voorzeker een

tijdgenoot van Methusalem geweest, en heeft met dien oudvader

waarschijnlijk school gegaan.”

Ook het diner was eene ware smulpartij voor onze onderofficieren. Toen

de hofmeester de soepterrine op tafel zette, fluisterde Herman

Riethoven Emma zijn buurmeisje in het oor:

„De traditioneele schildpadsoep!”

„Als dat waar is,” viel Behren in, die deze woorden opgevangen had,

„dan zet ik den hofmeester de geheele terrine het onderste boven op het

hoofd bij wijze van slaapmuts!”

De gewraakte schildpadsoep, die gewoonlijk op de zondagstafel

verscheen, was eene dunne pap van bruine boonen, die uitermate gepeperd

was, en waarin eenige uitgekookte stukjes gerookt spek dreven, die

dienst voor schildpadvleesch moesten doen.

De apotheker werd evenwel gerustgesteld. Het was eene uitstekende

potage à la jardinière, verklaarde de hofmeester met eene gejaagdheid,

alsof hij de slaapmuts, waarmede hem gedreigd was, reeds op zijn hoofd

gevoelde.

„En als de hofmeester ons nu eens dezer dagen echte schildpadsoep

voorzet?” vroeg kapitein Butteling.

„Echte schildpadsoep!.... Maar, om hazenpeper te maken,” zei Behren,

„is in de eerste plaats een haas noodig, niet waar?”

„En om schildpadsoep te maken, eene schildpad, is het niet zoo?

Waarschijnlijk sliep ons Behrtje nog, toen de sloepen met

levensmiddelen aan boord kwamen; anders had hij moeten zien, dat eene

monsterachtige schildpad overgescheept is, die nu in het kabelgat ligt

haar lot af te wachten.”

„Zoodat wij dan eens eene lekkere schildpadsoep zullen krijgen. In

afwachting zullen wij deze potage met dankbaarheid genieten.”

„Maar....” vroeg de apotheker, terwijl hij zich beijverde zijne soep

naar binnen te werken. „Maar.... kapitein Butteling. Is uwe schildpad

eene ware, geene nagemaakte?”

Allen lachten.

„Neen,” zei dokter Hannius. „Ik heb ze gezien, het is eene echte

zeeschildpad, eene Chelone viridis, die ongeveer 80 Ned. pond zal

wegen.”

„Hoerah! dan voor de Chelone viridis!” riep Behrtje in geestdrift.

„Behalve het bruineboonenbrouwsel heb ik nimmer schildpadsoep gegeten!”

Het diner liep tot aller genoegen af. Kok en hofmeester hadden er alle

eer van. Hoewel de kok over taaiheid van het ossenvleesch klaagde, was

de voorgediende roastbeef uitmuntend en zoo malsch als boter bevonden.

De opmerking daaromtrent bleef niet uit.

„Dat geloof ik wel,” zei kapitein Butteling. „Door de ondervinding, bij

de lunch opgedaan, geleerd, heb ik den kok het vleesch in

papaya-bladeren doen wikkelen.”

„In papaya-bladeren? Groeien die aan den fokkemast of aan de

bagijne-ra?” vroeg Behren leuk. „Dan ga ik herboriseeren.”

„Neen, heer apotheker,” antwoordde de scheepsgezagvoerder, „ze groeien

daar juist niet, blijf dus stil zitten; maar ik heb aan den wal een

goeden voorraad ingekocht, die beneden in het ruim op de koelste plaats

van het schip opgeborgen is. Gij weet, dat het vleesch hetgeen in die

bladeren gewikkeld, gebraden wordt, overheerlijk malsch wordt, al is

het nog zoo taai.”

„Kan ik morgen van die bladeren te zien krijgen, kapitein?”

„Wel zeker. Bij het dessert krijgen wij zelfs eenige rijpe vruchten,

die zeer smakelijk zijn, niet waar kapitein Van Dam?”

„Zeker is de Kattès lekker, vooral wanneer zij rijp aan den boom

geworden is,” antwoordde deze. „Maar wat ook lekker is, dat zijn de

onrijpe vruchten met aardappelen gekookt. Zij vervangen dan onze

peentjes en leveren een overheerlijken hutspot.”

„Ik heb er aan gedacht!” riep kapitein Butteling uit, terwijl hij zich

in de handen wreef. „Wij hebben ettelijke zakken in voorraad.”

Bij het dessert werd de Kattès zeer lekker gevonden, hoewel zij, die

haar nog niet geproefd hadden, er een eenigszins vreemden smaak aan

vonden.

„Zoo iets van sterrekers!” verklaarden zij.

Toen de reizigers boven kwamen, was de avond gevallen, en was het zoo

donker aan het dek, dat men werkelijk bij het overboord kijken de zee

niet ontwaren kon. De wind was inmiddels aangewakkerd en floot door het

want. Alle zeilen stonden evenwel nog bij, zoodat het loggen aantoonde,

dat het schip eene vaart van elf mijlen had.

„Het snijdt er goed van door, stuurman,” merkte kapitein Van Dam op.

„Ja, kapitein,” antwoordde stuurman Abels, „als het zoo blijft, hebben

we niet te klagen. Maar.... de barometer daalt langzaam maar gestadig.

En als wij wat meer onder den wal uit zijn, zullen wij ook wel hooger

zee krijgen. Het schip ligt nu nog vrij stil.”

De passagiers rookten eene sigaar aan dek, slurpten een kop koffie,

waarna al spoedig van een partijtje gesproken werd. Het was zoo

ongezellig in het donker op het dek, men zag enkel het vurig uiteinde

van de sigaar in elkanders handen. Het duurde dan ook niet lang, of

alle speeltafeltjes waren beneden bezet, terwijl de familie Groenewald

zich op het dek met Frank Brinkman en Herman Riethoven in een kringetje

sloot. Of de jongelieden het ook ongezellig op dat donkere dek vonden?

Daarvan was niets te bespeuren; integendeel, er heerschte daar veel

innigheid tusschen de ouders en hunne kinderen, maar ook tusschen de

geredden en hare redders.

„Gij hebt mij beloofd, juffrouw Groenewald,” vroeg Frank Brinkman aan

Adelien, „dat gij ons uwe indrukken bij uw uitstapje te Rio Janeiro

zoudt mededeelen. O! dat ik toch zoo gelukkig ware geweest u te

vergezellen. Wat moet het daar mooi geweest zijn te midden van die

keerkrings-natuur. Ik heb mij laten vertellen, dat er geen fraaier

plekje op de wereld bestaat, dat noch Napels, waarvan een dichter

schreef:

Vedi Napoli e poi muori (Napels zien en daarna sterven.)

noch de Taag bij Lissabon, noch de Bosphorus tusschen Scutari en

Constantinopel, hoe fraai die plaatsen ook door de reizigers

afgeschilderd worden, er bij halen.”

„Van de Taag en van den Bosphorus kunnen wij niet spreken,” zei Emma;

„maar wij kunnen bevestigen, dat de baai van Rio Janeiro fraaier is dan

die van Napels. Ik geloof niet, dat er ergens zoo’n grootsche kustrand

aangetroffen wordt als daar, dat er ergens eene baai bestaat, die door

een meer schilderachtigen band van steigerend gebergte van het overige

der wereld gescheiden wordt, die door zoo’n menigte van inhammen en van

vooruitspringende kapen, van heuvelachtige en laag gelegen eilanden

bezaaid is, zoodat hare boorden als met de mazen van een kolossaal maar

bekoorlijk net omgeven schijnen. Spreekt gij van die natuur, dan hebt

gij gelijk, mijnheer Brinkman. Spreekt gij evenwel van de

plantenwereld, dan geloof ik u te kunnen verzekeren, dat ons Indië u

eene even schoone zoo niet schoonere zal te zien geven. Een tochtje

door de Preanger Regentschappen in West Java, of een tochtje door de

Residentiën Semarang en Kedoe in Midden Java zou u gezichten leveren,

die in geenen deele bij de fraaiste van de omstreken van Rio Janeiro

achterstaan.

„Terwijl een bezoek aan de Padangsche Bovenlanden u waterbekkens zou

leeren kennen, wel geen inhammen van de zee, maar zoetwatermeren, die

in trotsche verhevenheid en in stoute natuurtafereelen bij de prachtige

baai van Rio Janeiro niet achterstaan,” vulde de heer Groenewald aan.

„Komt gij ooit in de gelegenheid daartoe, jongelui, verzuimt dan niet

de meren van Singkarah en Manindjoe een bezoek te brengen.”

„Wat de stad zelve betreft, die eigenlijk Sao Sebastiao do Rio de

Janeiro heet,” zei Adelien op hare beurt, „zij vormt slechts een

schaakbord van akelige nauwe straten, waarin het even moeielijk is zich

te bewegen als adem te halen, en waarin geen enkel gebouw of monument

aanwezig is, dat der aandacht waardig kan genoemd worden. Het is een

druk, vuil en kwalijkriekend nest, wien alle de ongeriefelijkheden van

eene ouderwetsche stad aankleven, welke door de voorrechten, die zij

als hoofdstad van het rijk geniet, niet opgewogen worden. De meeste

huizen zijn van onderen van granietblokken en verder van hout

opgetrokken, terwijl de straten ook met graniet geplaveid en slechts

schaars van trottoirs voorzien zijn.”

„Dat is al een zeer ongunstige beschrijving, die gij ons daar levert,

juffrouw Adelien,” zei Frank.

„Och,” antwoordde hare moeder, „zij was niet in haar humeur. Zij heeft

alles door een donker gekleurden bril bekeken. Want, evenals elders is

te Rio Janeiro ook veel schoons te zien.”

„Met mijne donker gekleurde beschrijving,” ging het jonge meisje met

een glimlach voort, „bedoelde ik de oude stad, die wel van de nieuwe

stad te onderscheiden valt. Het plein Campo da Santa Anna scheidt deze

van gene. De nieuwe stad bestaat hoofdzakelijk uit de voorsteden

Gloria, Cateti, Flamingo, Botafogo, die zich langs de kleine en

liefelijke baaien, die de kust ten zuiden van Rio Janeiro, tot aan den

Pao de Açucar vormt, uitstrekken. Ten zuiden van de stad, maar meer

landwaarts in, treft men de fraaie voorstad San Theresa, met een

prachtig klooster in hare nabijheid aan, en komt men van die in Baïro

de Mattocarpos, eene voorstad, die westwaarts van de hoofdplaats ligt

en gemeenschap met de voorstad Catoembi heeft, die het keizerlijk

paleis San Christovao en daarachter op een heuvel de keizerlijke villa

Boa Vista bevat. Het genotvolste is evenwel geweest: de wandelrit naar

den Tijucaberg, die 3300 voet hoog en op ongeveer vijf mijlen ten

westen van de stad gelegen is, en van waar men een prachtig gezicht

heeft, aan den eenen kant over de baai van Rio Janeiro en haren toegang

tot den Oceaan, en aan de andere zijde over het omliggend bergachtig

terrein, dat hij evenwel beheerscht.”

„De kerken moeten er prachtig zijn?” vroeg Herman, die zijne

seminaristen-natuur nog niet geheel afgeschud had.

„Wij hebben er geene bezocht,” antwoordde Emma. „Ik heb evenwel

gehoord, dat de stad er ongeveer vijftig bevat, waaronder de kapellen

natuurlijk medegerekend zijn.”

„Vijftig kerken en kapellen!” riep Frank uit. „Maar hoeveel inwoners

telt Rio Janeiro dan wel?”

„De stad is zeer groot en ver uit elkander gebouwd,” antwoordde

Adelien. „Over hare grootste lengte gemeten is zij vier mijlen lang en

bevat eene bevolking van ongeveer 275,000 zielen.”

„Waaronder ongeveer 50,000 slaven,” vulde de heer Groenewald aan.

Een schril gefluit weerklonk over het dek.

„Bovenbramzeilen en grietje geien!” liet zich het commando van stuurman

Abels over het dek hooren.

Ons gezelschap keek eens rond. De wind was al meer en meer opgestoken

en floot met kracht door het want, waarbij hij de stijfgespannen touwen

van het tuig onder zijn adem deed trillen. De zee begon daarbij woester

aan te schieten en zich in hooge baren te verheffen, zoodat het schip

bij het vele zeil, dat het voerde, onder den aandrang van zee en wind

soms zulke slingeringen ondervond, dat voor de veiligheid der

bovenstengen met recht gevreesd kon worden.

„Hoe is het met den barometer?” vroeg de heer Groenewald aan den

stuurman.

„Langzaam, maar steeds dalende,” was het antwoord. „Wij gaan langen

tijd slecht weer hebben.”

„Eene mooie voorspelling!” zei Emma.

„Wat er aan te doen,” hernam de stuurman, „anders dan te berusten?

Maar.... mag ik de dames een goeden raad geven. Dat is om naar beneden

te gaan. Het schip schiet goed vooruit; maar het werkt zwaar. En bij

den noordenwind, die doorstaat en den zuidoosten koers, dien wij

volgen, is het aan zoo’n dwars aanrollende zee niet onmogelijk om over

te komen. De dames zouden bijgevolg gevaar loopen om andermaal....

gedoopt te worden.”

„Daar zijn wij niet bang voor,” antwoordden de jonge meisjes lachende.

„Ja, maar dat niet alleen.... ook om andermaal over het dek gerold of

over de versch....”

„O! die nare stuurman, om ons dat te herinneren!” zei Adelien. Maar met

geestdrift vervolgde zij: „Onze redders zijn nabij!”

„Ja, die zijn nabij! en die zullen niet in gebreke blijven,” antwoordde

Frank met niet minder vuur.

Twee handen zochten elkander in het donker en wisselden een innigen

druk.

„Jawel, jawel!” lachte de stuurman. „Ik twijfel aan den goeden wil dier

redders niet. Maar.... het mocht eens minder goed afloopen.”

„Zoodat gij meent, dat er gevaar best....”

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 19 / 26 段