En alsof een gedienstige geest den wensch van den stuurman verhoorde;

daar verhief zich een zwerm op een kleinen afstand van het voorschip,

schoor er overheen, waarbij een groot gedeelte evenwel tegen het

touwwerk en de bolle zeilen aankwam, en in zee terugviel. Een twaalftal

kwam echter binnen boord terecht, waar zij spoedig door de soldaten en

door janmaat buit gemaakt werden.

Behren en Hannius spoedden naar voren om een paar exemplaren machtig te

worden, ten einde die in liquor te bewaren. Eene tweede school streek

evenwel een oogenblik later over het achterschip heen. Deze leed bij

die manoeuvre meer verliezen, daar een groot dertigtal tegen de

verschansing aan lij en bijgevolg op het dek terecht kwam. Ieder sprong

toe, en een oogenblik later stonden al de heeren met een of twee

visschen in de hand.

„Kom, dokter Hannius,” sprak kapitein Van Dam, „de gelegenheid is te

mooi, om niet van wal te steken met eene mooie verhandeling over die

vlinders onder de visschen.”

„Ich bin entomoloog, Herr Kapitein, nicht ichthyoloog,” antwoordde de

Germaan in zijn koeterhollandsch. „Aber ik wil mitdeelen, was ik

weisz.”

„Vooruit dan maar!”

„De fliegende Fische gehooren tot het geslecht, Exocoetus genannt; zij

zijn parentirt an die Scomberesoces aus die afdeeling der

Pharyngognati....”

De dames konden bij die barbaarsche namen een ongelukkige beweging van

de onderkaak niet bedwingen.

„Poeah!” riep kapitein Van Dam uit. „Wat een heksenmoes! Gooi dat maar

in je kwartiermuts, en laat het je oppasser straks uitzoeken.”

Allen lachten.

„Aber, ik weisz niks meer.”

„Dan zal ik er nog wat bijvoegen,” zei Behren.

„Maar geen latijn, apotheker,” zei kapitein Van Dam, „anders stuur ik

je naar je hut. Ik mag de lieve dames niet aan een tweeden geeuwaanval

blootstellen.”

„De vliegende visch gelijkt veel op een haring,” ging Behrtje voort,

„maar is meer gedrongen van lichaamsbouw en heeft sterk ontwikkelde

borst-, buik- en staartvinnen. Deze laatste is, zooals gij zien kunt,

diep ingesneden. Hij heeft kleine tanden, maar groote oogen,

gemakkelijk loslatende schubben en eene zeer groote zwemblaas. Er

bestaan ongeveer dertig soorten van, waarvan de Exo....”

Een luidruchtig en algemeen gegeeuw onderbrak den apotheker.

„Pas op, Behrtje! Niks van Exodus. Je bent niet aan het preeken, man.

Je weet, wat ik je gezegd heb,” dreigde kapitein Van Dam.

„Waarvan de hoogvliegers [59] de meest bekende soort zijn. Deze worden

ongeveer 50 Ned. duim lang, zijn op den rug hemelsblauw en hebben een

zilverwitten buik. Volgens de fijnproevers is deze visch een lekker

hapje, dat door de menschelijke bewoners van de kusten van Zuid-Amerika

met graagte gesmuld wordt. Ziedaar dames en heeren, wat ik er van weet.

Ik ben zeer benieuwd of de roem omtrent de fijnheid van dezen visch

niet overdreven is, en daarom ga ik een gedeelte van mijn aandeel—ik

heb vier stuks—bij den kok brengen. Ik hoop dat mijn voorbeeld

navolging zal vinden.”

Een hoerrah beantwoordde dat voorstel, en toen het middagbestek

opgemaakt was, was het gewone menu van de lunch, dat gewoonlijk uit

lapskous bestond, met een flinken schotel lekker gebraden vliegende

visschen verrijkt. Allen betuigden dat die visch overheerlijk was, en

uitten den wensch, dat nog eene school aan boord mocht komen.

Helaas! die wensch zou niet verhoord worden. Wel kwam later in den

Indischen Oceaan nog wel een enkele visch aan boord; maar geen scholen

om wat versnapering bij of afwisseling van de lapskous te brengen.

Den 17en November had het middagbestek aangegeven dat de Fernandina

Maria Emma zich op 20° 36′ zuiderbreedte en op 33° 13′ westerlengte

bevond. Dien dag hadden dokter Hannius en dokter Van Pinksteren eene

samenkomst met den scheepsgezagvoerder en den kapitein Van Dam

verzocht. De toestand der gekwetsten vorderde andere zorgen, dan hun

tot nu toe gewijd hadden kunnen worden. Het lijnkoekenpanaceum van den

scheepsdokter was onvoldoende gebleken bij de hardnekkige wondkoortsen,

die zich geopenbaard hadden, toen dokter Hannius, hoe knap heelmeester

hij ook geroemd werd, er niet in geslaagd was de kogels te verwijderen.

Een hevige, roosachtige ontsteking was spoedig na het peilen der wonden

ingetreden, en bracht het leven der gekwetsten in groot gevaar. De

geneesheeren verklaarden dat het meest ernstige te vreezen stond,

wanneer de wonden niet met ijs, als het beste ontstekingwerend middel,

behandeld konden worden.

De beide kapiteins keken elkander aan.

„Als er mogelijkheid toe bestaat,” meende kapitein Van Dam, „dan valt

niet te aarzelen.”

„Mogelijkheid! mogelijkheid!” zei kapitein Butteling, „mogelijkheid is

er altijd, waar wij ons thans bevinden. Maar het gaat ons nog al

vertraging berokkenen.”

En zijn kaarten grijpende, wees hij met den vinger daarop.

„Naar Bahia afhouden, dat op den 12den graad zuiderbreedte ligt, zou op

onze schreden terugkeeren zijn. Daarenboven ben ik er niet zeker van,

dat wij daar ijs zullen kunnen bekomen. Rio Janeiro ligt op 23°

zuiderbreedte en ongeveer.... laat zien.... op 43° westerlengte. Welnu,

wij zullen maar niet lang beraadslagen; als de heeren geneeskundigen

mij op schrift willen geven dat er urgentie bestaat, dan liggen wij

binnen het kwartier zuidwest ten westen voor en dan loopen wij, als de

bries zoo blijft, morgen avond kaap Frio in het gezicht. Ik heb die

verklaring noodig ter mijner verantwoording, zoowel bij mijne reeders

als bij de assuradeuren, bij mogelijke averij.”

Het gevraagde stuk werd dadelijk gegeven. Al zeer spoedig daarop was de

equipage bezig met de zeilen iets meer vierkant te brassen en stevende

de Fernandina Maria Emma het Amerikaansche vasteland te gemoet.

Kapitein Butteling’s voorspelling kwam uit. Bij het middagbestek op den

18den November stond het fregat op 22° 17′ noorderbreedte en op 37° 4′

westerlengte. De zuidoost-passaat blies goed door en bleef goed

doorstaan. Toen dan ook daags daarna de dageraad aan de oosterkim

gloorde, riep de matroos, die op uitkijk op de mars van den fokkemast

zat:

„Land! stuurboord vooruit!”

Dat was eene heugelijke tijding. Sedert de reizigers de piek van

Teneriffe aan de kim hadden zien verdwijnen—nu volle een en twintig

dagen geleden—hadden zij geen anderen gezichteinder gehad, dan die

onbestemde lijn, waar lucht en water elkander schenen aan te raken.

Allen aan boord, zelfs de matrozen, liepen naar de verschansing en

keken begeerig uit. En ja, in de aangewezen richting werd laag bij den

horizon eene blauwe lijn ontwaard, die even goed den omtrek eener wolk

als den omtrek van land kon aangeven. De onervarene was zelfs geneigd,

bij het ijle van het beeld, hetwelk zich daar in het west ten zuiden

vertoonde, dit voor eene nevelbank te houden. Maar een zeeman kon zich

onmogelijk vergissen.

Die lijn naderde, naderde. Zij verhief zich al meer en meer boven den

horizon. Toen de klok zes glazen (zeven uur) sloeg, was het fregat al

zoover genaderd, dat daar ginds een dubbele bergketen te onderscheiden

was. De massa, die zich voor het oog voordeed, was door alle

schakeeringen van het blauw gegaan en vertoonde nu die loodkleurige,

sombere tint, hetwelk eenig berglandschap, op een zekeren afstand van

uit zee gezien, gewoonlijk aanneemt. Hier en daar begonnen zich evenwel

lichtstreepen in die donkere massa te vertoonen, welke veroorzaakt

werden door de zonnestralen, die de ribben en andere uitspringende

gedeelten, met haar licht overgoten. De nokrand van dat gebergte was

zeer gekarteld, en verhief zich in verscheidene toppen, die zich scherp

tegen de blauwe lucht afteekenden. Aan den voet van het gebergte werd

eene strook laag land ontwaard, die zich in zee uitstrekte.

„Hoe zouden die beide bergketenen, die daar evenwijdig loopen, heeten?”

vroeg een der passagiers aan kapitein Butteling, die met zijn kijker

den blik over de zeeoppervlakte liet waren.

„Ik ben hier nimmer geweest,” antwoordde de kapitein. „Maar mijne

kaarten zeggen mij, dat die voorste Sierra do Mar en de achterste

Sierra Mantiqueira heet. Die eene top daar in het west ten noorden heet

Hatiajossu en is ruim 8664 voet of 2712 M. hoog.”

„Een zeil!” riep de uitkijk.

„Waar?” vroeg kapitein Butteling door zijn scheepsroeper.

„Stuurboord dwars!” klonk het uit den fokkemast.

Alle kijkers werden in de aangeduide richting gekeerd. Aller oogen

peilden en doorzochten den horizon en jawel, daar bij die

vooruitstekende punt verscheen een klein scheepje op de oppervlakte van

den oceaan, dat zeer scherp bij den wind zeilde. Het was slechts een

wit stipje dat ontwaard werd.

„De loodsvlag in top,” kommandeerde kapitein Butteling, „en vierkant

brassen!”

Het fregat maakte eene wending en liep nu nagenoeg noordwest op, vlak

op den wal toe. Het sloeg juist twee glazen, negen uur, toen de loods

aan boord stapte.

Het schip was door die beweging kaap Frio veel naderbij gekomen. Het

landschap begon vorm aan te nemen. Hier en daar werden te midden van

het groen, dat zich nu langzamerhand uit den loodkleurigen band

ontwikkelde, glinsterend witte stippen ontwaard, die de aanwezigheid

van huizen verrieden. De Fernandina Maria Emma naderde nog meer. Zij

was de lage kaap Frio reeds te boven. De bergwanden begonnen hunne

blauwe kleur te verliezen en tooiden zich in het heerlijkste groen. Zij

naderden, naderden, en eindelijk openbaarde zich daar voor den

bewonderenden blik der opvarenden een schouwspel van ongemeene pracht.

Een bergwand rees met zachte hellingen uit zee op. Het was alsof hij

een muur daarstelde en het fregat toeriep: Tot hier en niet verder.

Maar, weldra kwam er eene opening in dien muur. Het was, terwijl het

schip voortgleed, alsof eene onmetelijke gordijn opengeschoven werd.

Eerst traden eenige heuvelachtige eilandjes op den voorgrond. Het waren

voornamelijk aan stuurboord de eilandjes May en Pay, die als eene

voortzetting van de Taypoepunt te beschouwen waren, en aan bakboord de

eilandjes Raza, Radonda, Comprida en eene menigte kleinere. Daarna

kreeg de Fernandina Maria Emma den ingang der fraaiste baai van de

wereld voor zich. De loods wendde zich tot kapitein Butteling en

fluisterde hem iets in het oor.

„Grootzeil, bezaan en fok geien!” klonk het kommando.

In een oogwenk waren alle hens bedrijvig. Zij waren ter nauwernood

klaar:

„Bagijnezeil, groot- en voormarszeil geien!” klonk het andermaal.

Het fregat temperde merkbaar zijn vaart. Het voerde nog maar het

kruiszeil, het grietje, het grootbramzeil en grootbovenbramzeil, het

voorbramzeil en voorbovenbramzeil en den kluiver. Thans schoot het,

terwijl het ’t eiland Contoendoeboe voorbijstevende, den ingang der

baai in, die zich voor het vaartuig geheel opende, slechts 700 M. breed

was en door twee naakte granietrotsen, de Pao de Açucar, bij de

Engelschen Sugar Loaf geheeten, en den Pico Santa Cruz begrensd werd.

Het was een grootsch en verheven schouwspel, dat zich nu voor de oogen

onzer reizigers voordeed. De beide granietrotsen, waartusschen het

fregat doorstevende, waren de eerste 1270 en de andere 749 voet hoog

boven den spiegel der zee, en vormden eene soort van poort, waardoor de

blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan toegang verkregen. Bij het

binnenkomen werd het oog achter den Pao de Açucar eene kleine baai

gewaar, Praia de San Joao genaamd, die door eene landtong gevormd werd,

welke zich naar den Pico de Santa Cruz boog, en het nauwste gedeelte

der poort vormde. Op een heuvelrug, die de kleine baai omzoomde,

verhief zich het fort of beter de batterij San Juan, die, met het fort

Santa Cruz, hetwelk aan den voet van de piek van denzelfden naam

gelegen was, den toegang tot die poort bij vijandelijke aanranding

moest verdedigen; terwijl nog in de baai de forten Villegagnon en

Cobras op de eilandjes van denzelfden naam gebouwd, het eerste ten

zuidoosten en het tweede ten noordoosten op een kleinen afstand van Rio

Janeiro gelegen, tot eene krachtige verdediging konden medewerken.

Bij het binnenkomen deed de baai zich voor het oog nagenoeg peervormig

voor en mat over hare lengteas ongeveer 30 en over hare grootste

breedte 22 Ned. mijlen en was met liefelijke eilandjes bezaaid, waarvan

het Ilha do Governador het grootste was; terwijl de baai met haar blauw

water diep landwaarts indringende, van alle kanten door terrasgewijs

opklimmend gebergte als door een verheven gekartelden band van smaragd

omgeven was.

Vlak bij den ingang der baai strekte zich de stad Rio Janeiro in een

langwerpig vierkant van het noordoosten naar het zuidwesten op eene

landtong uit, die in haar zuidelijk gedeelte met het vasteland

verbonden was. Die landtong was zeer heuvelachtig, en het was tegen de

hellingen dier heuvels dat de stad zich verhief, en zoo onzen reizigers

een uitermate betooverend en schilderachtig gezicht opleverde, waaraan

zij zich, na gedurende zoo langen tijd niets dan water en lucht gezien

te hebben, niet verzadigen konden.

De Fernandina Maria Emma, door een sleepbootje geholpen, dewijl de wind

in die baai de zeilen geheel ontvloden was, gleed nu het Ilha

Villegagnon voorbij, ten noorden waarvan zich de ankerplaats der

oorlogsschepen uitstrekte, daarna de Cathabouco punt, eene rotsachtige

kaap, die zich hoog verhief, en ver in zee uitstrekte. Om die kaap,

waarop het signaal-station en het observatorium zich verhieven,

groepeerde zich als het ware de geheele stad. Het fregat stevende

steeds voort zuiver noordwaarts op. Toen ’t het Ilha das Cobras dwars

had, wendde het westwaarts en liet ten noordwesten van dat eiland

gekomen, het anker op de reede voor de koopvaardijschepen vallen. [60]

Toen het anker in den grond zat, kwam een dokter met de haven-politie

aan boord. De Fernandina Maria Emma kwam evenwel uit Europa en had

geene besmettelijke ziektegevallen aan boord: zoodat het verlof om naar

den wal te gaan weldra verleend was. Een paar sloepen waren weldra

gestreken en gereed om te vertrekken.

„Wie wil medegaan?” vroeg kapitein Butteling aan zijne passagiers.

„Ik blijf aan boord,” sprak kapitein Van Dam, „en verzoek luitenant

Denniston dit insgelijks te doen.”

„Waarom zoudt gij aan boord blijven?” vroeg de heer Groenewald.

„Het is mogelijk,” antwoordde de officier, „dat iedere gisting onder

het detachement verdwenen is; maar het kan ook wel niet zoo zijn.

Straks zal het fregat door allerhande vaartuigjes omringd zijn om

vruchten en andere versnaperingen, alsook kramerijen te verkoopen. Ik

wensch zelf het toezicht te houden om desertie te voorkomen. De

gelegenheid daartoe is te aanlokkelijk.”

De overige kajuitspassagiers maakten gebruik van het aanbod van

kapitein Butteling. Zelfs de dames Groenewald stapten in, en namen

plaats onder de zonnetent der sloep om eenige uren aan den wal door te

brengen. Mevrouw Groenewald had haren echtgenoot nog afgezonden om aan

kapitein Van Dam verlof voor de sergeanten Brinkman en Riethoven te

vragen om mede naar den wal te gaan.

„Dat moet ik u tot mijn leedwezen weigeren,” sprak de officier. „Zoo’n

gunstbetoon zou te veel naijver, misschien wel nijd opwekken. Ik heb

bovendien die jongelieden, van wier toewijding ik mij overtuigd houd,

hoogst noodig bij het toezicht dat, zoolang wij hier in die baai zijn,

gehouden moet worden. Het spijt mij, maar ik kan onmogelijk anders

handelen.”

De boot stak af, en de beide jongelieden zagen haar niet zonder

teleurstelling verwijderen. Vooral Frank had zoo gaarne dat tochtje

medegemaakt. Maar hij had zelfs niet lang tijd om die boot met haren

lieven last na te turen. In weinige oogenblikken was de Fernandina

Maria Emma door eene ware vloot van vaartuigen omringd, welker

opvarenden allen om het hardst kakelden, schreeuwden en verzochten om

aan boord te mogen komen, ten einde hunne waren aan den man te brengen.

Zoowel de stuurlieden als de officieren en onderofficieren hadden de

handen vol om de orde te bewaren, en om te verhoeden, zoowel dat

verboden waren, zooals dronkenmakende palmwijn, [61] aan boord gebracht

werden, als dat manschappen, zich door middel der vaartuigen heimelijk

zouden kunnen verwijderen. Alles liep evenwel in de beste orde af; maar

de opzichthebbenden waren blij, toen de avond gevallen was en die

venters verdwenen waren.

Het was ongeveer tien uur des avonds, toen kapitein Butteling met zijne

passagiers aan boord terug was. Hij was, wat het voornaamste gedeelte

zijner zending naar den wal betrof, geslaagd, namelijk: om eene goede

portie ijs machtig te worden. In de sloep had hij reeds een paar kisten

medegebracht, kristalheldere blokken, zorgvuldig in houtzaagsel

bewaard; zoodat de beide geneesheeren al dadelijk hunne patiënten

konden verzorgen. Den volgenden morgen zoude meer aangebracht worden.

Maar de waardige kapitein had nog voor andere zaken gezorgd. Sedert de

Fernandina Maria Emma het Nieuwediep verlaten had, hadden èn de

equipage, èn het detachement troepen, èn de passagiers zich moeten

vergenoegen met den zoogenaamden scheepskost, en waren erwtensoep,

bruine boonen, grauwe erwten, met gezouten vleesch en gerookt spek

schering en inslag van het dagelijksch menu. Wel is waar, werd door den

kok daarin zooveel mogelijk voor de kajuitspassagiers afwisseling

gebracht door groenten- en vleesch-blikken te verstrekken; ook werden

wekelijks of een varken of eenige kippen of ganzen geslacht; maar dat

kon weinig verlokken: de verduurzaamde levensmiddelen waren zoo zacht,

alsof zij reeds eenmaal de bewerking der masticatie ondergaan hadden;

en als men het arme gevogelte met zijne vuile overeindstaande veeren in

de kippenhokken aan het dek maar bekeek, dan behoorde er moed toe om

later, bij de herinnering aan dat gezicht, een kippenboutje, dat

eigenlijk niets anders was dan wat vel over een beentje getrokken, naar

den mond te brengen, zoo berooid en teringachtig zagen de arme dieren

er uit. Alleen het varkensvleesch had nog steeds genade bij de

lekkerbekken gevonden; maar.... de voorraad, door de reeders tot

uitrusting van het schip verstrekt, was zoo zuinig geweest, dat toen

het fregat de baai van Rio Janeiro instevende er zich nog maar één

varken aan boord bevond. Dat was buitengewoon groot en vet geworden, en

was bestemd om op een feestdag, zooals Sint Nikolaas- of Nieuwjaarsdag

een lekkeren beet te verschaffen. Een algemeen gejuich ging dan ook op,

toen kapitein Butteling mededeelde, dat hij er in geslaagd was een

viertal flinke ossen, waarvan een den volgenden morgen nog aan wal zou

geslacht worden, een zestal varkens, eene menigte gezonde kippen en

eenden machtig te worden; terwijl hij tevens eene groote hoeveelheid

aardappelen en groenten had aangekocht, zoodat vooreerst in het menu

eenige afwisseling kon gebracht worden.

De dames en de passagiers, die aan wal geweest waren, gevoelden zich

geducht vermoeid; geen wonder dus dat die zich zoo spoedig mogelijk ter

ruste begaven. Kapitein Van Dam liep pruttelend het achterdek op en

neer, omdat hij zijn gewoon quadrille-partijtje miste.

Den volgenden morgen stond kapitein Butteling al vroeg te trappelen van

ongeduld. Hij stond met zijn kijker naar de Praia de Vallongo, de

aanlegplaats der sloepen van de koopvaardijschepen, die op de reede

lagen, te turen, of de booten, die het ijs, het slachtvee en verdere

levensmiddelen aan boord moesten brengen, nog niet opdaagden. Hij had

zoo aanbevolen, dat die vaartuigen reeds bij zonsopgang langs zij van

het fregat moesten liggen. En kijk, daar steeg de dagvorstin reeds

boven den oostelijken bergnok en nog was van de booten niets te zien.

Het werd zeven uur, het werd acht; toen eerst zag men eene kleine vlet

naar boord stevenen. Toen die iets later het fregat op zij gekomen was,

werd den kapitein medegedeeld, dat eene vertraging in de toezending èn

van het slachtvee èn van de groenten, die uit de binnenlanden moesten

aangevoerd worden, niet toeliet, dat het bestelde dien dag aan boord

zoude gebracht kunnen worden; maar dat het stellig den volgenden

ochtend zoo vroeg mogelijk bezorgd zoude zijn. Of kapitein Butteling

zich ook al boos maakte, of hij ook al met den voet stampte; het hielp

hem niets. Er bleef niets anders over dan geduld te oefenen.

De passagiers evenwel juichten. Al ras omringden zij den

scheepsgezagvoerder en verzochten hem de sloepen andermaal ter hunner

beschikking te willen stellen, om den dag aan wal te kunnen

doorbrengen. Ditmaal zou luitenant Leidermooi kapitein Van Dam aan

boord gezelschap houden, ten einde hem te helpen orde en tucht onder

het detachement te bewaren. Wel deden de meeste passagiers veel moeite

om den detachements-kommandant over te halen, hen ditmaal bij hun

uitstapje te volgen; wel bood kapitein Butteling aan, hem in allen

deele bij het toezicht te vervangen en het dek geen oogenblik te

verlaten; de waardige krijgsman weigerde gladweg.

„De duivel zit altijd om een hoekje te gluren,” antwoordde hij met een

glimlach, „om iemand een kool te stoven, als hij er het minst op

verdacht is. Er moesten eens wanordelijkheden tengevolge van

dronkenschap voorkomen, of er moesten een paar van mijne snuiters

drossen! Niet alleen dat ik mij zwaar bij het Militair Departement te

Batavia te verantwoorden zoude hebben, wegens het finantieele nadeel,

dat het lieve vaderland zoude lijden; maar ik zou het mijzelven niet

vergeven.”

„Toe kapitein!” smeekten de jonge dames.

„Lieve dames, ik ben stijfhoofdig als een oud muildier. Laat af, wat ik

u bidden mag. Eens en vooral, ik blijf aan boord!” kregen zij ten

antwoord.

Bij zoo’n plichtsopvatting hielp geen verder aandringen. De sloepen

staken af en legden na een korten overtocht aan de Praia de Vallongo

aan. De opvarenden waren spoedig aan wal gestapt, en verdwenen weldra

te midden der bonte menigte, die op die kade wemelde, voor de

naoogenden aan boord.

Het was ruim elf uur des avonds, toen de pierewaaiers weer aan boord

terug waren.

Den volgenden morgen waren een viertal vaartuigen al heel vroeg met het

verlangde op zijde, en werd de overlading bewerkstelligd, waarbij met

de slachtossen al heel weinig omslag gemaakt werd. Er werd hun

eenvoudig een strik om de horens geslagen, waarin een haak greep, die

aan eene lijn vastgemaakt was, welke door een blok aan het einde van de

groote ra geschoren was. Of de arme dieren ook al spartelden en

tegenstribbelden, weldra hingen zij aan hunne horens in de lucht te

zweven en waren nog niet van hunne ontsteltenis bekomen, toen de lijn

gevierd werd en zij op het dek neerkwamen. Met de varkens ging het

gemakkelijker, die zaten in manden opgesloten en werden zoo naar boven

geheschen.

Het was ongeveer half acht toen de overlading geëindigd was. Eene

kleine sleepboot, de „Esperanza”, kwam toen op zijde, nam de

sleeptrossen over, terwijl de equipage van het fregat, geholpen door

een aantal soldaten, in het gangspil liep om het anker te winden.

Eindelijk liet dat uit den zanderigen bodem los, en begonnen de raderen

van de „Esperanza” zich in beweging te stellen. De Fernandina Maria

Emma aldus gesleept, stevende terwijl hare zeilen losgeworpen werden,

de baai door, op den ingang toe, wisselde met het fort Santa Cruz den

gebruikelijken groet en was weldra in volle zee. De zeilen werden

vierkant gebrast, de sleeptrossen losgegooid, waarna het fregat koers

naar het zuidoosten zette.

Maar het fregat trof het wel. In den regel staat in deze streken de

passaatwind, wanneer de zon zich in hare baan bezuiden den Evenaar

bevindt, tot bij den Steenbokskeerkring en soms zuidelijker daarvan

door. Daarna hebben de zeevarenden gewoonlijk een gordel te

doorworstelen, waarin meestal stilten of veranderlijke winden

heerschen. Bij het uitkomen van de baai van Rio Janeiro trof de

Fernandina Maria Emma een noorden wind aan, die vrij sterk doorstond en

het schip negen mijlen in de wacht deed afleggen.

„Als dat zoo treft,” zei kapitein Butteling met een glimlach van

tevredenheid, „dan zullen wij die vier dagen verlies, die wij buiten

den koers geweest zijn, spoedig ingehaald hebben, en betreur ik die

vertraging niet.”

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 18 / 26 段