„Maar heel veel ceremoniëel vergt toch zoo’n begrafenis niet,” meende

de oudste der dames Groenewald.

„De man is het graf van een eerlijk zeeman deelachtig geworden,

juffrouw Emma,” was het ernstige antwoord. „Hij ligt op bijna

onpeilbare diepte in den schoot der blauwe wateren. Meer konden wij

niet voor hem doen. Ik laat de vraag onbesproken of hij het graf, dat

wij hem gaven wel verdiende. Hadden wij stilte gehad, of op eene reede

gelegen, dan zouden wij de ra’s kruislings gehaald hebben. Bij deze

flinke bries evenwel ware dat Gods weldaden versmaden geweest. Wij

mochten daarvan geen zuchtje verloren laten gaan.”

De Fernandina Maria Emma repte zich intusschen voort. De

zuidoostpassaat stond flink door, en het schip maakte dagen achtereen

gemiddeld 52 mijlen in het etmaal; hetgeen bij de scherp gebraste

zeilen een goede vaart mocht genoemd worden. De dagen volgden de een na

den anderen en geleken elkander volkomen. De zeilen stonden strak, het

schip lag bestendig over een oor,—zooals de zeelui dat noemen,—en wierp

met kracht geheele vlokken schuim voor zijn boeg, en ploegde zich een

kielwater, dat achteruit tot aan den horizon met het oog te volgen was.

Het was of die vore, die met blinkend wit schuim overdekt was, en

waartegen de passaatgolfjes als het ware kwamen breken, den langen weg

aanwees, die terug naar het verafgelegen vaderland voerde. Het was den

reizigers, alsof zich dat kielzog ook nog verder daar achter den

horizon afteekende, en als een waarneembaar merk daarstelde voor hen,

die hun geboortegrond verlieten.

Vooral des avonds, wanneer de zon was ondergegaan en geen maanlicht de

donkerheid der nachten temperde, was die vore bewonderenswaardig. Zij

was dan in den regel aan een stroom vloeibaar zilver gelijk, te midden

waarvan schitterende vuurbollen draaiden en wentelden, uit elkander

sprongen, zich weer vereenigden, om zich weer in ontelbare glinsterende

punten te verdeelen. Phosphoresceerde [52] de zee daarbij, wat in deze

warme streken niet zeldzaam gebeurde, dan was het schouwspel, hetwelk

zich aan de verbaasde blikken voordeed, onbeschrijfelijk fraai. Dan was

die zogstreep van het schip nog helderder dan anders, dan waren de

daarin draaiende en wentelende bollen nog schitterender; maar dan was

daarenboven die vore met eene schitterend vurige franje omzoomd,

afkomstig van de golfjes, die er tegen braken. Iedere golf, die zich

over dag met een licht randje van wit schuim kuifde, was dan getooid

met een zacht schijnend phosphorlicht, dat een vreemden tint aan het

donkere water verleende. Dan was, wanneer men zich over de verschansing

boog, de romp van het schip, zoo ver hij in het water dook, van

gloeiend metaal; dan was de golf, dien de boeg bruisend voor zich

uitwierp aan eene vuurbaar van eene schitterende witte tint gelijk, en

kon men wanen, als salamanders over eene vuurzee te zweven. Zelfs de

golfjes, die dartelend tegen de scheepswanden opspatten, waren aan

schitterende vonken gelijk, die in een vurigen regen nedervielen.

Op den 15en November—het was weer een Zondag—was het buitengewoon warm

geweest, hoewel de zuidoostenwind, flink doorblazende, zich beijverd

had de temperatuur af te koelen. Maar op dien dag stond de zon, die

zich in het hemelteeken de Schorpioen, evenwel dicht bij den Schutter

bevond, des middags nagenoeg loodrecht boven het schip en blakerde de

zonnetent, zoodat het daaronder gedurende de middaguren bijna niet uit

te houden was. Tegen den avond kwam er evenwel verademing. Toen de

zonnetent opgerold en middels den spinnekop [53] omhoog gehaald was,

kon de zuidoostpassaat naar hartelust over het dek zwieren en

frischheid aanbrengen. Dien avond phosphoresceerde de zee

allerprachtigst, en lagen de reizigers langen tijd over de verschansing

gebogen, dat fraaie schouwspel te bewonderen. Maar het whist- en

quadrillespel riep eindelijk de liefhebbers, en weldra was het vrij

eenzaam op het dek, alwaar evenwel de jonge dames Groenewald in

gezelschap van Herman Riethoven en Frank Brinkman achtergebleven waren,

om nog meer van het fraaie vuurwerk, wat de zee aanbood, te genieten.

Adelien en Emma waren evenwel onder de hoede harer moeder, die bij den

koekoek in een wipstoel zat te wiegelen. De edele vrouw had in de

harten harer dochters gelezen. Zij had daarin eene teedere genegenheid

bij ieder harer zien ontluiken. Och! zij was ook jong geweest. Onder

haar moederlijk oog mochten hare telgen zich wel aan hare gevoelens

overgeven. Toch was de aanblik van die gelukkige kinderen met eenigen

weemoed vermengd:

„Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”

zong toch Van der Hoop.

„O! kijk eens! wat is dat mooi!” kreet Adelien, terwijl zij achter het

schip wees, waar de draaikolken door de waterverplaatsing bij de vaart

van het schip veroorzaakt, in vurige streepen kronkelden.

„En die golfjes, welker kuiven zich vertoonen, als mat zilver,” zei

Emma. „Het is of ze door de maan beschenen worden, die zich in hare

schuine vlakken weerspiegelt.”

„En kijk dames, daar voren die golven eens, die door den voorsteven

opgeworpen worden!” zei Herman. „Hoorde men het gebruis van het water

niet, dan zou men in de donker kunnen wanen, dat het vurige wol of

katoen is, die daar voor den boeg met ongekende kracht en vaart opkrult

en oprolt, om een oogenblik later in stroomen en beken van vloeibaar

metaal langs de zijden van het schip voorbij te schieten.”

„Kijk, wat is daar ginds, daar in de verte, bij het achterschip?.... O!

wat is dat mooi,” riep Adelien, terwijl zij in geestdriftvolle

bewondering de hand van Frank Brinkman greep, die in hare onmiddellijke

nabijheid stond. „O! wat is dat fraai!”

De jongman scheen daar niet op te letten. Toch voer eene lichte rilling

hem door de leden, toen die lieve hand hem aanraakte. Hij was geheel

oog voor het schouwspel, dat zich voor zijn oog ontrolde.

„Ja, wat is dat mooi!” herhaalde Emma, terwijl zij haar hoofdje naar

Herman Riethoven keerde, die vlak naast haar stond, en onbewust in hare

opgetogenheid tegen zijnen schouder aanleunde.

En werkelijk het gezicht, hetwelk de Oceaan in dat oogenblik aanbood

was schoon. Daar naderde eene school van honderde, van duizende

visschen, die ongeveer een halve meter lang waren en vrij dicht op

elkaar gedrongen, het schip behoedzaam nabij zwommen. Zij hielden zich

zoo omstreeks op de diepte van een voet beneden de oppervlakte des

waters, zoodat zij duidelijk zichtbaar waren. Het was een wonderschoon

schouwspel. Iedere visch vertoonde zich daar in het donkere water,

alsof hij in een pantser van gouden schubben gestoken was, terwijl bij

iedere beweging der borst-, rug- of staartvinnen, de visch door een

lichtend hulsel als door een phosphorischen nevel omgeven werd, waarin

zijn spoelvormig lichaam helder uitkwam. Lagen de visschen

bewegingloos,—wat bij het naderen van het schip nu en dan

gebeurde,—want zij schenen dat gevaarte, hetwelk zij ontwaarden, te

willen verkennen, dan was het of zij in schitterend goud gegoten waren.

Langzaam, zeer langzaam naderden die visschen, zij naderden nog meer en

eindelijk waren zij zoo nabij het schip gekomen, dat de toeschouwers

zich over de verschansing moesten buigen om het schoone schouwspel gade

te slaan.

„O! mama, kom toch kijken,” riep Adelien, terwijl zij plotseling haar

lief kopje omwendde, waarbij hare blonde krullen in eene lichte bijna

onmerkbare aanraking met Frank’s wang kwamen, die eene siddering van

verrukking ondervond.

Mevrouw Groenewald stond op en keek, naast de jongelieden plaats

nemende, over de verschansing.

„Inderdaad,” zei ze, „dat is zeer fraai.”

Plotseling openbaarde zich eene hevige beweging onder de steeds

naderende visschen. Zij schenen den aard van het schip, dat hunne

aandacht trok, herkend te hebben, of wellicht ook door eene andere

oorzaak bewogen, zwommen zij bliksemsnel op den romp aan, schoten hem

opzijde, zwommen hem voorbij, dartelden met de meest mogelijke

levendigheid in den vuurgolf, die voor het schip uitgeworpen werd,

stoeiden en krioelden, vloden en vervolgden elkander, schoten en

dwarrelden dooreen, zoodat het oog niet altijd de vurige visschen, en

de lichtende lijnen, die zij in het water vormden, kon volgen. Soms

schoot de geheele school als op kommando gelijktijdig vooruit, en was

het of een wedstrijd met het schip moest gehouden worden. Ware zij dan

den boeg voorbij—want in snelheid behaalden zij gemakkelijk de

overwinning—; dan wendden de dichte gelederen, schoten bliksemsnel

langs de andere zijde van het schip, verschenen een oogenblik in het

kielzog om het dartele spel van voren af aan weer te beginnen.

Dat duurde zoo een poos voort. Bij iedere beweging, die de school

visschen maakte, bewogen de jongelieden om haar met de oogen te volgen.

De hoofden gingen nu eens rechts, nu eens links, waarbij nu eens een

schouder met een anderen schouder, dan weer eene dartele krul met een

oor, dat er niet bij hoorde, ook wel bij eene enkele plotselinge

beweging eene wang met eene andere wang in aanraking kwam. De opgetogen

jongelieden letten daar bijna niet op. De hand, die Adelien bij het

begin van hare bewondering gegrepen had, had zij in hare vervoering

niet losgelaten. Bij eene beweging, die het meisje maakte, om vlak

beneden haar te zien, en waarbij zij zich onvoorzichtig ver over de

verschansing boog, omvatte die hand bezorgd haar middel, terwijl Frank

met iets angstigs in zijne stem fluisterde:

„Wees toch voorzichtig, juffrouw Adelien. Als gij uw evenwicht

verloort, ware redding onmogelijk!”

Half verschrikt greep het meisje den arm, die haar omvatte, drukte dien

zacht, boog zich naar Frank en antwoordde zoo zacht, dat niemand der

naastbijzijnde personen iets kon hooren:

„Ik dank u, mijnheer Frank, voor uwe bezorgdheid!”

In dit oogenblik maakte het schip, door een grooten golf opgetild,

onverwachts de beweging van stampen. De hoofden naderden elkander

onbewust en onwillekeurig, en de laatste lispelende woorden van de

lieve maagd gingen verloren in een kus, die beiden onmachtig geweest

waren in dat plechtig oogenblik te weerhouden. Ware het dag geweest,

dan zou Adelien den blos niet hebben kunnen verbergen, die haar gelaat

overtoog. Toch meende Frank, bij den weerschijn van de lichtende zee,

daarvan iets te ontwaren, terwijl het lieve kind vol aandoening hem de

hand krampachtig drukte, welke hij gegrepen had. Dat alles was

bliksemsnel geschied; niemand had daarvan iets bespeurd; maar ongezocht

hadden zich daar twee zielen voor elkander geopenbaard, en hadden

zonder een woord te spreken, in tegenwoordigheid der moeder van het

meisje, een verbond gesloten, dat op hunne toekomst van veel invloed

zou zijn. De handen waren nog ineengestrengeld, toen mevrouw Groenewald

vroeg:

„Wat zouden dat voor visschen zijn?”

„Ik ken ze niet, mevrouw,” antwoordde Herman, die, meer teruggetrokken

van aard dan zijn vriend Frank, bij de eerste aanraking van Emma’s

hoofdje tegen zijn schouder, ietwat terzijde geweken was.

Het moet er bij verteld worden, dat de oudste der beide jonge dames,

hoewel hartstochtelijker van aard, hare gevoelens meer in bedwang had.

Herman’s schuchtere beweging had zij met een bliksemsnellen blik en

onmerkbaren glimlach beantwoord.

„Ik ken die visschen niet,” had hij mevrouw Groenewald geantwoord.

„Maar.... daar komt stuurman Abels aan. Die zal ons wel kunnen

inlichten.”

„Wat is er van het believen der dames?” vroeg hij.

„Wat zijn dat voor visschen, stuurman?” herhaalde mevrouw Groenewald

hare vraag.

Abels keek over boord.

„Drommels!” zei hij, „dat is fraai!”

En naar den kajuitstrap stormende:

„Heeren!” riep hij, „komt spoedig boven. Er is iets moois te zien!”

In een oogwenk waren de kaarten neergelegd en verschenen de spelers op

het dek.

„Mooi!”

„Prachtig!”

„Heerlijk!”

„Overschoon!”

Die bewonderende uitroepen kruisten elkander allerwege, en wekten de

nieuwsgierigheid van de manschappen, die zich nog aan dek bevonden.

Weldra was de geheele verschansing met voorovergebogen hoofden getooid

om het bewonderenswaardige schouwspel te genieten.

„Stuurman Abels, gij hebt ons nog niet gezegd, welke visschen dat

zijn,” merkte mevrouw Groenewald met zachte stem op.

„O! vergeef mij mevrouw. De wensch om de andere passagiers dat

prachtvolle tooneel ook te laten genieten, heeft mij vervoerd. Die

visschen noemt men makreelen. [54] Zoo als gij ziet, worden zij tot

ongeveer een halven meter lang en wegen dan omstreeks 2 Ned. pond. Zij

vertoonen bij daglicht een blauwen rug met zwarte dwarsbanden, terwijl

de buik wit is. Zij worden veel in de Middellandsche zee aangetroffen;

maar, zooals gij zien kunt, trekken zij ook in den Atlantischen Oceaan

in groote scholen rond. Ik heb er bij het eiland Sint Helena

ongeloofelijke hoeveelheden bij elkander gezien. Het vleesch dier

visschen is malsch en zeer smakelijk, doch wel een weinig weekachtig,

zoodat zij zich minder eigenen om gerookt te worden. Gezouten evenwel

worden ze van dat eiland veelvuldig verzonden...”

„Wat is dat? Wat is dat?” riepen de passagiers.

De steeds helglinsterende visschen schoten als bliksemschichten door

elkaar. Het was alsof de vurige slangetjes van een onmetelijk vuurwerk

door elkander krioelden. Allen schoten in de diepte.

„O! ik zie wat de oorzaak van die vlucht is. Ziet, daar, twee haaien!”

En werkelijk daar kwamen twee van die monsters te voorschijn. Hun

lichaam was ook ten gevolge van het phosphoresceeren der zee, alsof het

van gloeiend metaal was. Toen zij het schip naderden, waren de

makreelen, als met een tooverstaf aangeraakt, verdwenen. De beide

haaien zwommen een enkele maal zeer langzaam langs het schip op en

neer, en volgden vervolgens het schip op eenigen afstand in het

kielzog, waarin hun glinsterend lichaam volkomen zichtbaar bleef.

„Dat zijn zoogenaamde menschenhaaien [55]” verklaarde kapitein

Butteling. „Zij hebben een grauwkleurig lichaam, daarbij een breeden

rug en een platten kop, die van voren driehoekig is. Zij hebben een

wijden bek, die bij bejaarde visschen wel eens met zes rijen tanden in

iedere kaak gewapend is. De voorste rijen dier tanden, die zaagvormig

zijn, staan onbewegelijk in het kaakbeen; terwijl de achterste

beweegbaar zijn en door het dier naar willekeur kunnen opgericht of

neergeslagen worden. Iedere rij bevat minstens 30 tanden. Zij volgen nu

het schip. Dat zal dagen lang duren, en zij zullen ons niet verlaten

voor dat de verminderende warmtegraad van het water hen daartoe

noodzaken zal. Wee den ongelukkigen, die thans overboord valt. Voor hem

is geen redding. Voor dat hulp zou kunnen verleend worden, zou hij door

die monsters gehavend en naar de diepte gesleurd zijn.”

„Zouden wij niet een haak kunnen uitwerpen?” vroeg Slierendrecht.

„Bij de vaart, die het schip thans loopt, is dat niet doenlijk;

daarenboven zou ik ongaarne in dit avonduur zoo’n beestje aan boord

laten halen. Morgen, als de passaat ietwat mocht verflauwen, dan zou

zulks te doen zijn.”

„Juist! morgen ochtend,” zei kapitein Van Dam als speler gehaast. „Kom,

laat ons ons partijtje vervolgen.”

„Wordt die haaiensoort slechts tusschen de keerkringen aangetroffen?”

vroeg Van Diepbrugge nog.

„Hier wel het meest. Maar men vindt ze toch ook in de Middellandsche

zee, alwaar er zelfs van monsterachtige grootte zijn aangetroffen. Het

voornaamste voedsel dezer haaien schijnt de thonijn [56], waarvan eene

soort door den zeeman boniet [57] genaamd te zijn. Nimmer toch werd

zoo’n haai gevangen of steeds werden een aantal van die visschen in

zijn maag aangetroffen. Dat is te merkwaardiger, daar de thonijn tot de

stekelvinnigen behoort en dientengevolge venijnig scherpe rugvinnen

bezit, die hij bij het minste gevaar overeind zet, even als de

waterbaars in ons vaderland bij de nadering van een snoek. Morgen

zullen wij waarschijnlijk geheele scholen vliegende visschen te zien

krijgen.”

„Waaruit leidt gij dat af, kapitein Butteling?” vroeg Slierendrecht.

„Wel, uit de aanwezigheid van die school makreelen. Waar die ontmoet

worden, zijn de vliegende visschen niet ver af. En omgekeerd, waar de

vliegende visschen in groote menigte ontmoet worden, zijn de makreelen

en ook de bonieten in de nabijheid.”

„Wij hebben nog niet veel vliegende visschen gezien,” meende Van

Diepbrugge.

„Toch. Zij worden vooral veel en dan met geheele scholen bij zonsopgang

waargenomen. Dan....”

„Krijgen wij nu eene verhandeling over de vliegende visschen?” vroeg

kapitein Van Dam ongeduldig. „Kom laat ons dan alvorens onze robber

uitspelen.”

Aan die uitnoodiging was geen weerstand te bieden. Alle heeren stoven

naar beneden. Ook mevrouw Groenewald verliet met hare twee dochters het

dek. Zij meende, in weerwil van het protest der jonge meisjes, dat het

tijd was om te gaan rusten.

X.

NAAR BRAZILIË’S HOOFDSTAD.

Wel was het donker dien avond geweest; toch waren de gevoelens, die

hare dochters bewogen hadden, mevrouw Groenewald als liefderijke moeder

niet ontsnapt.

„Ik geloof, dat Adelien en Frank het met elkander eens zijn,” sprak zij

zacht, toen zij des avonds met haren echtvriend in hunne

gemeenschappelijke hut alleen waren.

„Wat brengt u op dat vermoeden?” vroeg de heer Groenewald.

Zijne echtgenoote vertelde hem de bijzonderheden, die zij waargenomen

had.

„Het alles geschiedde, zoo ongezocht, zoo onverwacht van beide zijden,

dat al had ik er mij tegen willen verzetten, ik dat onmogelijk had

kunnen doen.”

„Maar, gaat dat niet wat al te voorspoedig?”

„Hoe meent ge dat?”

„Wel, dat wij den jongman nog zoo weinig kennen.”

„Gij hebt kapitein Van Dam toch geraadpleegd?”

„Voorzeker; alle inlichtingen zijn gunstig. Maar, ik kon den kapitein

toch niet zeggen, waarom ik die inlichtingen vroeg. Ik liet alleen

doorschemeren, dat ik van zins was, die twee jongelieden voor te

stellen op mijne koffie-ondernemingen werkzaam gesteld te worden. Nu

kan een goed, degelijk opzichter of, als ge wilt, zelfs een goed

administrateur, een afschuwelijk echtgenoot voor een onzer kinderen

zijn. Hier kunnen geen inlichtingen van kapitein Van Dam helpen.”

„Als we slechts overtuigd zijn, dat wij met een eerlijken, onbesproken

borst te doen hebben, dan dienen wij het overige, evenals bij alle

huwelijken, eenigermate aan het toeval over te laten. Zijt ge dat met

mij eens?”

„Ja, volkomen. En toch is er iets, wat mij in die zaak hindert. Zoo’n

onderofficier.... zal daar het geheele publiek der Vorstenlanden den

neus niet tegen ophalen?”

„O! wringt de schoen daar, manlief? Gij zoudt immers die jongelieden

eerst op een uwer landelijke ondernemingen nemen, ten einde hen te

bekwamen, nietwaar? Welnu, dan is het de sergeant niet meer, die de

hand onzer dochter erlangt, maar de administrateur of wel uw deelgenoot

in uwe zaken. Als daarvoor de neus opgetrokken moest worden, dan deed

voorzeker de eene helft der Vorstenlanden het tegen de andere.

Daarenboven, wat zou ons dat kunnen schelen? Zijn wij de dienaren van

het publiek? Hebben wij iemand naar de oogen te zien? Neen, nietwaar?

Wij hebben slechts één doel, dat is het geluk onzer kinderen te

bevorderen. Ik meen, dat dit bereikt wordt, wanneer wij haar in de

keuze van een echtgenoot zoodanig leiden, dat haar levensgezel een

onbesproken en degelijk ontwikkeld man is, met een gezond lichaam en

eene zachtzinnige maar toch flinke geaardheid. Daarin—dat zult gij mij

moeten toegeven—zijn al de gegevens vereenigd, die, voor zoover een

mensch dat berekenen kan, het geluk onzer kinderen kunnen bevorderen,

wanneer wederzijdsche liefde eene verbintenis onder dergelijke

voorteekenen gesloten, bezegelt.”

„Goed verdedigd! vrouwlief,” antwoordde de heer Groenewald. „Ik ben het

in beginsel geheel met u eens. Mij dunkt evenwel, dat wij den gang van

zaken eenigermate remmen moeten. Wij weten nog zoo weinig van de

denkbeelden dier jonge mannen. Wij kunnen nu wel plannen ontwerpen; het

is nog de vraag of zij zich daarnaar schikken willen. En, om mijne

kinderen met officieren te laten huwen, daartegen zou ik erg opzien.”

„Ik ook. Dat eeuwig heen en weer trekken, waaraan niet alleen die

heeren, maar ook de ambtenaren in Indië voortdurend blootstaan, zou mij

zeer tegenstaan. Ik zou aan mijne lievelingen niets meer hebben; want

er zouden jaren kunnen voorbijgaan, dat ik ze niet zag. Neen, dat zou

verschrikkelijk wezen!”

„Maar... gij hebt mij wel van Adelien verteld,” vroeg de heer

Groenewald; „gij zwijgt evenwel over Emma?”

„Daaromtrent kan ik weinig of niets mededeelen. De sergeant Riethoven

is van een meer teruggetrokken karakter dan zijn vriend. Maar.... ik

vraag u, zou een jongman weerstand kunnen bieden aan eene schoonheid

als onze Emma is. Neen, laat die zaak haren gang gaan, die zal ook wel

te recht komen. Ik zal mijne beide kinderen gelukkig zien,” sprak de

liefhebbende moeder geestdriftvol. „Ik heb mij dat in het hoofd gezet.”

„En als mamaatje zich iets in het hoofd gezet heeft, dan moet het

gebeuren, nietwaar? Ce que femme veut, Dieu le veut. Ainsi soit-il!

Maar, ik zal toch eenigermate het terrein moeten polsen bij die

jongelieden?”

„Juist, manlief.”

„Ik zal daartoe de eerste de beste gelegenheid waarnemen, en dan moet

mijne meening gevestigd zijn.”

Na dat besluit legden beide ouders zich te rusten, en droomden bij het

zacht wiegelen van het fregat op de kabbelende golven van het geluk

hunner lieve kinderen.

De Fernandina Maria Emma vervolgde flink hare reis. Het is waar, de

zuidoostpassaat blies flink door, en statig onder hare zeilen stevende

het fregat nagenoeg evenwijdig aan de kust van Zuid-Amerika, evenwel op

zoo’n afstand, dat van dat werelddeel niets te ontwaren was.

Zooals kapitein Butteling voorspeld had, waren den volgenden dag

geheele zwermen vliegende visschen te ontwaren. Met troepen van

honderden verhieven zij zich uit het zilte water, beschreven een

flauwen boog, welks hoogste punt soms zes meter bereikte, en legden

gewoonlijk een afstand af van 100 tot 130 meter. Het was een

eigenaardig schouwspel, die zwermen glinsterende visschen uit de zee te

zien opduiken, een poos in het zonlicht te zien schitteren, en hen dan

weer in het blauwe water te zien verdwijnen. Meestal schoten zij uit

een hoogen deininggolf te voorschijn, zweefden over een tweeden, een

derden en boorden in een volgenden, om een oogenblik later hetzelfde

verrukkelijke spel weer te vervolgen. Soms was de hellingshoek,

waaronder de visschen uit het water sprongen, te flauw; dan schoten zij

van den eenen deininggolf in den anderen, doorboorden dezen laatsten,

kwamen weer te voorschijn om een tweeden, een derden, een vierden, enz.

door te zwemmen, totdat door den afstand hunne verdere bewegingen aan

het oog onttrokken werden.

„Schieten die visschen uit het water om lucht te scheppen of om

insecten of zoo iets te vangen?” vroegen de jonge dames aan stuurman

Abels.

„Het mocht wat,” antwoordde deze. „Of ze lucht happen, weet ik niet;

maar insecten zijn hier niet te vangen. Neen, zij trachten zoo hunne

vijanden: de makreelen, de bonieten, de doraden [58] en zooveel anderen

uit den weg te komen. Het is in den volsten zin des woords de

doodsangst, die hun vleugelen verleent. Als zij uit het water springen,

spannen zij eenvoudig hunne zeer ontwikkelde borst- en buikvinnen, die

evenwel onbewegelijk blijven, en waarmede zij niet slaan, zooals de

vogels doen. Zij kunnen zich zoo eenigen tijd zwevende houden, maar

daarbij niet van richting veranderen; zoodat zij veelal hunne belagers,

die die omstandigheid zeer goed kennen, in den mond vallen, wanneer

hunne droog geworden vinnen hen noodzaken in het water terug te

keeren.”

„Kijk eens, kijk eens!” riep Adelien, „hoe hoog die daar vliegen.”

„Dat zijn hoogvliegers!” antwoordde de stuurman lachende. „Drommels!

zij worden flink nagezeten. Ik wou dat er ettelijke aan boord kwamen.

Zoo’n visch is een lekker hapje.”

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 17 / 26 段