Een vreeselijk leven volgde. De bootsman, een pootige kerel, had den

man bij de keel gegrepen, die hem dat onbescheiden antwoord gaf. Deze

beantwoordde hem evenwel met een vuistslag, die gelukkig slechts den

schouder van den zeeman trof, maar hem hevige pijn veroorzaakte.

„O! is het zoo gemeend, leelijke mof!” kreet de bootsman. „Wacht even!”

Hij kneep zijne krachtige vuist dicht, die als eene schroef op de

ademhalingswerktuigen van den muiter werkte. Deze poogde zich nog aan

de hand, die zijne strot omknelde, te ontworstelen; maar de kracht

begaf hem, hij verloor het bewustzijn. Hij rochelde, stak zijne tong

uit, en tuimelde tegen de verschansing, toen de stuurman hem met de

rechterhand krachtig daartegen smakte en hem tegelijkertijd met de

linker een vuistslag toediende, die een os zou hebben doen duizelen.

Inmiddels waren de matrozen van de wacht handgemeen geraakt met de

volgers van den aanvoerder. Ook de drie passagiers waren toegesprongen

en waren dadelijk in een strijd van man tegen man gewikkeld, die niet

in hun voordeel dreigde af te loopen. Alles bepaalde zich voorloopig

nog maar tot een vuistgevecht. De aanvallers wenschten het schip te

bemachtigen zonder bloedvergieten, de verdedigers hoopten dat de zaak

met een sisser zou afloopen. Boven stonden de kansen vrij gelijk;

beneden evenwel dreigde de aanval ernstiger te worden.

Toen het geluid der worsteling boven—dat als signaal moest dienen—tot

beneden doordrong, wierpen zich een aantal soldaten op het beschot, dat

hun logies van dat der onderofficieren scheidde. Had Nathan Zondervan

den detachements-kommandant opzettelijk misleid, toen hij verteld had,

dat de troep geen wapenen had, of had men hem onkundig van die

omstandigheid gelaten? Zooveel was zeker, dat het meerendeel met een

soort dolkmes gewapend was, en dat vier stevige kerels ieder eene bijl

zwaaiden, waarmede zij dat beschot dadelijk begonnen te beuken.

Dat beschot lag snel tegen den grond, maar het had toch de aanvallers

zoolang opgehouden, dat de onderofficieren tijd hadden gehad om hun

logies te ontruimen en zich bij de passagiers aan te sluiten. De

verbindingsdeur, waardoor zij gekomen waren, werd dadelijk versperd en

kapitein Van Dam reikte aan ieder een geweer onder mededeeling dat het

wapen geladen was. Ernstig klonk daarbij zijne aanbeveling:

„Niet schieten dan in den uitersten nood, en dan nog maar op kommando!”

De passagiers, onder bevel van kapitein Butteling, sloegen nu den

kajuitstrap gade, terwijl de onderofficieren onder de bevelen van

kapitein Van Dam de verbindingsdeur in het oog hielden.

Het troepje, dat boven den aanval gedaan had, was niet zeer sterk, een

twaalftal hoogstens. Men had daar eene gemakkelijke overwinning of

beter overvalling gehoopt. Nu de muiters iedereen waakzaam en op

tegenweer bedacht vonden, nu hun aanvoerder daar door den bootsman

buiten gevecht gesteld was, stonden hunne kansen niet gunstig. Men

vocht, men sloeg, men schold, men raasde en tierde; maar de aanvallers

kwamen het doel, den kajuitstrap, niet naderbij.

Beneden heerschte een heidensch leven. Toen de aanvallers het

onderofficiers-logies vermeesterd hadden, begonnen zij de

verbindingsdeur, die hen van de kerk afsloot met hunne bijlen aan te

vallen. Uit den gang van zaken begrepen zij evenwel, dat iedereen op

zijne hoede was, en dat de tegenpartij in dat twintigtal

onderofficieren, die zij gedacht hadden door een plotselingen overval

onschadelijk te maken, eene geduchte versterking had gekregen. De

aanval werd evenwel met woestheid doorgezet, en weldra was het beschot,

dat hen van hunne vijanden scheidde, doorgebroken. Toen evenwel

grijnsde den aanvallers eene dubbele rij gevelde bajonetten tegen, die

hen voor een oogenblik in bedwang hield. Het was evenwel het gezicht

der blanke bajonetten niet, waarin het licht der lampen, die de kerk

helder verlichtten, weerkaatste, die de muiters weerhield. Een gevecht

met het blanke wapen schuwden die mannen niet; zij hadden de

meerderheid in getal. Alleen de vrees voor de geweren, waarop die

bajonetten zaten, boezemde hun een oogenblik aarzeling in.

„Kom, vooruit, bij den duivel!” schreeuwde eene stem in het

Hoogduitsch, „vooruit! Ze hebben den tijd niet gehad om die geweren te

laden.”

„Mannen! als iemand uwer de kerk binnendringt, laat ik vuur geven,”

riep kapitein Van Dam de verdoolden toe. „Ik raad u om uw bestwil....”

Hij kon niet eindigen. Daar vloog eene handspaak met krachtige vuist

voortgedreven te midden der onderofficieren, en trof een hunner zoo

geweldig in de borst, dat hij achterover tuimelde, terwijl ook twee

anderen door ijzeren nagelpennen aan het hoofd getroffen werden.

Tegelijkertijd hadden de heeren Van Diepbrugge, Denniston en Behren het

boven met hunne tegenpartij te kwaad gekregen; de een lag bewusteloos

terneergeveld door een vuistslag; de tweede had het geheele gezicht in

bloed en snakte naar adem, daar zijne tegenpartij hem de keel

dichtgeknepen had; terwijl de derde een slag over den rechterarm had

gekregen, die hem gillend van pijn had doen afdruipen. Van die leemte,

daardoor ontstaan, gebruik makende, bereikte een viertal der aanvallers

den kajuitstrap en stormde dien naar beneden. Wel werden ze daar

dadelijk handgemeen met de overige passagiers; maar kapitein Van Dam,

den toestand overziende, en vreezende dat de onverlaten achter zijn

gelid zouden doorbreken, meende niet meer te mogen aarzelen.

„Eerste gelid,—vaardig!” kommandeerde hij.

Die handgreep werd met eenheid volvoerd. Onheilspellend weerklonk het

geknetter bij het spannen der hanen.

„Mannen! ik raad u om uw onzinnig pogen te staken en naar het

tusschendek terug te keeren. Dat is mijne laatste waarschuwing!”

Klets! daar kreeg hij een nagelpen tegen den schouder. Een storm van

verwenschingen, van scheldwoorden, een gehuil en getier verhief zich

tegelijkertijd, alsof wilde dieren losgebroken waren. De muitende troep

stoof eene schrede voorwaarts.

„Eerste gelid,—aan!” klonk het kalme kommando. „Vuur! Laadt!”

Een vreeselijke knal in die enge ruimte volgde, die met een nog

vreeselijker gil beantwoord werd; maar waarna een oogenblik van

doodsche stilte intrad. Op zoo iets hadden de muiters niet gerekend.

Toch maanden de belhamels nog aan om den aanval door te zetten; maar

daar weerklonken stemmen achter den muitenden troep.

„Wacht! wij zullen die dondersche muiters wel krijgen!”

„Wat! willen die moffen bij ons Hollandsche jongens den baas spelen?!”

Het waren de matrozen van het schip, die, aangevoerd door stuurman

Abels, in den rug van de oproermakers verschenen. Zij waren gewapend

met enterbijlen, met koevoeten en met handspaken en bij hen hadden de

Hollandsche soldaten en de goedgezinden van het detachement zich

aangesloten. Ook de manschappen van de wacht waren de matrozen op het

dek bijgesprongen, zoodat de hoofdmacht der rebellen nu tusschen twee

troepen stond, die hen in bedwang konden houden. Voor hen de muur van

geweren en bajonetten, die, nu de dragers van munitie voorzien bleken

te zijn, ondoordringbaar was; en achter hen de aanrukkende

scheepsequipage, die er onmeedoogend op zou inslaan, wanneer zij

handgemeen raakte.

„Ik raad u aan om u te onderwerpen!” weerklonk de stem van kapitein Van

Dam.

„Genade! genade! heer kapitein,” lieten zich eenige stemmen hooren.

„Keert dan naar uw logies terug!” sprak de kapitein.

Het gros van den troep voldeed aan dat bevel terstond. Eenige der

belhamels wilden nog parlementeeren, poogden nog voorwaarden te

bedingen; maar die weinigen werden door de matrozen bij den kraag

gepakt, handen en voeten gebonden en in het kabelgat geworpen.

„Ik had juist marlijn in den zak,” grinnikte stuurman Ellenbaan later,

als die muiterij ter sprake kwam.

Ook op het dek was het gevecht ten nadeele van de aanvallers

uitgevallen. Toen het salvo geweerschoten weerklonk, en de buskruitrook

zich een weg door den koekoek baande, sloeg de meeste der muiters de

schrik om het hart, en maakten zij zich de duisternis ten nutte om te

verdwijnen. De anderen werden weldra door den bootsman met de zijnen

gegrepen en onschadelijk gemaakt.

Toen de opstand gedempt was, herstelden de scheepstimmerman met zijne

maats voorloopig zoo goed mogelijk het beschot tusschen het

onderofficiers- en soldatenlogies. Het grootluik, dat toegang tot het

tusschendek verleende, werd dichtgespijkerd, terwijl de helft van de

passagiers, onderofficieren en equipage behoorlijk gewapend, door

kapitein Van Dam doelmatig opgesteld werd om bij eene vernieuwde

uitbarsting het oproer dadelijk den kop te kunnen indrukken. De andere

helft beijverde zich de gekwetsten te verzorgen. Aan den kant der

vertegenwoordigers der orde waren slechts min of meer belangrijke

kneuzingen te constateeren, waarvan evenwel geen enkele

levensgevaarlijk bevonden werd. Bij de opstandelingen waren de

verliezen erger. Vooreerst lag de voorganger van het oproer, die door

den bootsman zoo krachtig tegen de verschansing gesmakt was, nog steeds

bewusteloos ter neer. Dat was Taugwalder, de ziel van het komplot.

Dokter Van Pinksteren beijverde zich hem lijnkoeken tegen de kuiten te

leggen, en wel met zoo’n gevolg, dat de opstandeling tot bewustzijn

terugkeerde, toen hem een der matrozen een puts zeewater over het lijf

goot. De kerel kreunde akelig, zijn hals was onder de krachtige hand

van den bootsman bont en blauw geknepen. Hij had eene belangrijke

kneuzing aan de ruggestreng, terwijl zijn gelaat deerlijk opgezwollen

was door den vuistslag, die hem achterover had doen tuimelen. Hij was

zoodanig toegetakeld, dat geen verdere voorzorgen noodig waren; hij

werd eenvoudig opgepakt en naar den ziekenboeg gedragen. Beneden was

een Zwitser, de Tessiner Schlapina, door een geweerkogel gedood en

waren vier anderen belangrijk gewond. Het lijk van eerstgenoemden werd

eenvoudig in zijne hangmat gebonden en op de koebrug gelegd; bij de

laatsten was dokter Hannius druk bezig om de kogels in de wonden te

zoeken, ten einde die te kunnen verwijderen, waarbij de kerels

allererbarmelijkst kreunden. Toen die verzorgd en verbonden waren,

begaven zij, die niet wakende bleven, zich ter rust met het streelende

bewustzijn hunnen plicht gedaan te hebben.

IX.

EENE LIJKPLECHTIGHEID AAN BOORD.

De nacht was verder ongestoord voorbijgegaan. Toen de dag aanbrak,

geleek het dek van de Fernandina Maria Emma wel op het kamp eener

rooverbende. Op het voorschip, op het middenschip, op het achterschip

stonden gewapende troepjes matrozen en onderofficieren, die het geweer

niet uit de hand legden. Bij ieder der twee kanonnen, die het schip in

zijne volle lengte bestreken, stond een matroos met de brandende lont

in de hand.

Na de reveille werd het grootluik geopend en mochten de manschappen een

voor een het dek bestijgen om hunne hangmatten op de gewone wijze op te

bergen. Zij werden daarbij ten scherpste onderzocht en alles, wat maar

naar een wapen zweemde, werd hun afgenomen, terwijl het tusschendek

zorgvuldig door de matrozen onderzocht en ook daar alles weggenomen

werd, wat maar naar wapentuig zweemde. Toen het detachement aangetreden

stond, sprak kapitein Van Dam de manschappen toe, vroeg hen wat de

redenen waren van hun baldadig gedrag, wees hen op het misdadige

daarvan en eischte de opgave der schuldigen.

Gedurende het verbinden hadden de gekwetsten in hun doodsangst al

menige bekentenis gedaan en menige bijzonderheid aan het licht

gebracht; zoodat, toen er eenige aarzeling aan den dag gelegd werd om

aan de bevelen van den kapitein te voldoen, hij gelastte dat een zestal

manschappen in hechtenis genomen zouden worden. Deze werden dadelijk

zwaar geboeid en afzonderlijk op het dek ter hoogte van den fokkemast

zoodanig vastgebonden, dat zij met elkander niet spreken konden. Een

korporaal werd daarenboven op post geplaatst, om iedere gemeenschap met

de manschappen van het detachement te beletten.

De aanwijzing der voornaamste schuldigen bleef niet zonder uitwerking

op de overige samenzweerders. Allen lieten het hoofd hangen en gaven

blijken van innig berouw. Op een gegeven oogenblik drongen zij om

kapitein Van Dam en smeekten om vergiffenis.

„Het recht moet zijn loop hebben, mannen!” sprak deze. „Gij hebt u

zwaar aan de krijgstucht vergrepen. Veel zal evenwel afhangen van uw

verder gedrag. Stelt mij in de gelegenheid om bij aankomst te Batavia

er op te kunnen wijzen, dat dit berouw oprecht gemeend, dat uw gedrag

verder uitmuntend was, dan zal dat voorzeker als verlichtende

omstandigheid in aanmerking komen.”

„Maar, ik zie den fuselier Zondervan niet,” zei de kapitein, terwijl

hij langs de gelederen stapte. „Waar is die?”

De naam Zondervan weerklonk overal: op het dek, op het voorschip, op

het achterschip, in het tusschendek; geen antwoord werd evenwel

gegeven.

„Maar, daar bengelt nog eene hangmat, daar ginds in dien hoek van het

ruim,” riep een der onderofficieren, die beneden naar den vermisten was

gaan zoeken. Hij trad op de hangmat toe.

„Hij ligt er in,” riep hij. „Zondervan!.... Zondervan!.... Hemel! hij

beweegt zich niet. Hij is dood en reeds stijf!”

Toen het oproer uitbarstte, was de jood stil in zijne hangmat blijven

liggen. Het had hem evenwel niets gebaat. Een verloren kogel had hem

onder de korte ribben getroffen. Zijn doodstrijd was zeer kort geweest,

en bij het nachtelijk rumoer onopgemerkt gebleven. Geene uitwendige

verbloeding was waargenomen; zoodat Zondervan overleden was zonder dat

iemand het wist.

Het lijk werd in zijne hangmat genaaid, verder aan het voeteneinde van

eene flinke partij zand voorzien, daarna in een Nederlandsche vlag

gewikkeld en op de koebrug gelegd, in afwachting dat alles voor de

overboordzetting in gereedheid zou gebracht zijn. Die plechtigheid werd

tegen het middaguur bepaald. Zoodra het lijk gevonden was, werd de vlag

aan de gaffel halfstok gehaald.

De gerechtelijke verhooren begonnen nu dadelijk. De luitenants

Denniston en Leidermooi werden daartoe in commissie benoemd, terwijl

Behren daarbij als secretaris diende.

Het geheele snoode bedrijf kwam nu aan het licht. Taugwalder, een

gewezen officier van het Engelsche vreemden-legioen, dat voor de Krim

bestemd geweest was, maar het niet verder dan Smyrna gebracht had, waar

het korps na den val van Sebastopol ontbonden werd, was de leider van

het komplot geweest. Hij was ontevreden met zijn lot, dat hij te laat

donker inzag, toen hij begreep, dat de officiersrang niet meer voor hem

openstond, omdat hij zich door de wervers had laten verlokken om

handgeld aan te nemen. Hij was een ontwikkeld en energiek man, wiens

verleden onberispelijk was, en waarvan in de koloniën vele diensten

hadden kunnen verwacht worden, wanneer hij te Harderwijk iemand

aangetroffen had, die hem ten goede geraden had. Toen hij in het

Britsche vreemden-legioen getreden was, had hij ook een soort van

handgeld of gratificatie genoten. Dat was geen hinderpaal geweest om

tot officier bevorderd te worden. Hij had in de meening verkeerd, dat

dit evenzoo bij het Nederlandsch-Indische leger het geval zoude zijn,

en had zich stellig voorgenomen, door dapperheid, dienstijver en goed

gedrag de epauletten te verwerven. Te laat vernam hij dat het handgeld

hem den weg tot eene loopbaan, die met zijne opvoeding overeenkwam,

afsneed. Het geld, waarop te Harderwijk door zoovelen geaasd werd, was,

hoewel niet in uitspattingen, toch met lichtzinnigheid uitgegeven;

zoodat, toen hem de oogen opengingen, hij het niet teruggeven kon. Met

wanhoop in het hart was hij aan boord gegaan, en met zijne geestkracht

had hij in de vele ledige uren, die zoo eene zeereis aanbieden moest,

het wanhopige plan gevormd. Het was hem niet te doen geweest om

schatten te verwerven, of oneerlijkheid te plegen. Uit het onderzoek

bleek voldingend, dat het hem alleen te doen was geweest om zijne

vrijheid te herwinnen. Was het de bestemming van het schip geweest

eenig tusschenstation aan te doen, alvorens Nederlandsch-Indië te

bereiken, dan zou hij ieder plan om zich van het fregat meester te

maken, hebben laten varen, wellicht ware het nimmer in zijn brein

opgekomen; want dan zou hij een plan tot desertie ontworpen, dat

gedurende de lange reis gestreeld, en, het kostte wat het wilde,

uitgevoerd hebben. Zooveel bleek verder uit het onderzoek, dat hij aan

de samenzweerders aanbevolen had, niet dan in den uitersten nood bloed

te vergieten, of levensgevaarlijk geweld te plegen. In een vijftal

ontevreden Zwitsers evenals hij, die bij de oproerige Napelsche

regimenten in der tijd gediend hadden, vond hij ijverige helpers, en

dezen hadden het onzalige onkruid der muiterij onder het meerendeel der

vreemdelingen aan boord verbreid. Deze vijf waren eigenlijk zedelijk

meer schuldig dan Taugwalder. Wel hadden zij het komplot niet

ontworpen, maar zij sloten zich daarbij aan met de geheime gedachte,

zich te verrijken met de bezittingen der passagiers, met de lading en

met den verkoop van het schip, terwijl hun opperhoofd het voornemen te

kennen had gegeven, het schip te Iquique te verlaten, zooals hij aan

boord gekomen was, zonder dat een cent, die hem niet toekwam, zijne

hand bezoedeld zoude hebben.

Uit het onderzoek bleek ook, dat die vijf onverlaten—buiten weten van

Taugwalder—reeds om het bezit der beide jonge meisjes, aan boord

aanwezig, gedobbeld hadden, en dat bij die vreeselijke partij bepaald

was, dat dienzelfden nacht van het oproer hare onteering had moeten

voltrokken worden, waarna zij aan de overige muiters zouden

overgeleverd zijn.

Behren ijsde, toen hij als secretaris die snoode ontwerpen moest

opschrijven.

Hoe was het echter met die jonge dames gegaan, gedurende de

gebeurtenissen, die hierboven verhaald werden?

Bij het eerste gerucht waren zij opgevlogen, en hadden bij de

ontwikkeling van het drama eene toevlucht in de hut van hare ouders

gezocht.

Daar zaten alle vier in doodsangst af te wachten, wat aller lot zoude

zijn. De meisjes verbloemden zich geenszins, dat dit lot voor haar

allerverschrikkelijkst zoude zijn, wanneer de opstandelingen

zegevierden. Zij hoorden de worsteling boven, de worsteling beneden;

zij vernamen de bijlslagen, die de beschotten en deuren deden

bezwijken; de kreten van woede, van vertwijfeling, het schelden en

tieren der muiters drongen tot haar door; zij hoorden de kalme

aanmaning van kapitein Van Dam; eindelijk deed het salvo geweerschoten

hen hevig verschrikt opvliegen, terwijl de arme meisjes in onduldbaren

angst, eene toevlucht in de armen harer ouders zochten.

Kort daarop verwijderde het gevecht zich, en trad eene doodsche stilte

in.

Toen de heer Groenewald iets later omzichtig naar buiten trad,

ontmoette hij stuurman Bagman, die met den hofmeester den boel in de

kerk een weinig kwam opruimen.

„Alles afgeloopen, mijnheer Groenewald!” zei hij opgeruimd. „De jonge

dames kunnen gerust gaan slapen. De oproerlingen zijn zoo mak als

schoothondjes.”

Kapitein Butteling gaf een oogenblik later hetzelfde antwoord en

denzelfden raad. Toen evenwel de familie Groenewald op meer

bijzonderheden aandrong, antwoordde hij:

„Morgen, lieve dames! Ik heb nu geen tijd. Ik zou u ook raden thans te

gaan rusten. Alle gevaar is voorbij! Ziet, al de heeren komen beneden

om ook zoo te doen.”

Maar de raad was gemakkelijker gegeven, dan opgevolgd. De

gebeurtenissen waren te schrikwekkend en de angst was te groot geweest,

om nu reeds rustigen slaap te gedoogen. Iedere voetstap op het dek,

ieder gerucht in de kerk of in de kajuit, ja het kraken eener deur of

eener plank deed de arme vrouwen ontstellen en den slaap vluchten, die

op het punt stond zich harer te ontfermen. Eindelijk toen het daglicht

door de patrijspoortjes [51] gloorde, week de onrust eenigermate en

vielen zij in slaap.

Toen de jonge dames later op het dek verschenen, waren de sporen van de

nachtelijke gebeurtenissen zoo veel mogelijk verwijderd. Het was nabij

het middaguur. De scheepsgezaghebber en zijne stuurlui waren bezig met

het zonschieten. Het detachement stond op twee gelederen aangetreden,

de manschappen met hunne beste plunje aan, de officieren in groot tenu.

Ook de scheepsequipage had hare zondagskleederen aan. De vlag wapperde

halfstok.

„Stop!” riep eensklaps stuurman Abels, terwijl hij zijn sextant nu voor

het oog afnam.

Onmiddellijk daarop sloeg stuurman Ellenbaan acht glazen op de klok.

Zes soldaten traden nu vooruit, lieten het lijk van den fuselier

Zondervan, steeds in de Nederlandsche vlag gewikkeld, van de koebrug

afglijden, legden het op eene plank, die zij op hunne schouders tilden.

„Mijn God! wat gaat er gebeuren?” vroegen Adelien en Emma aan dokter

Van Pinksteren.

„Een begrafenis, dames,” antwoordde hij hoogst ernstig.

„Eene begrafenis? Is er dan iemand dood?”

„Een soldaat is heden nacht in zijne hangmat doodgeschoten. Een ander

is bij het gevecht omgekomen.”

Achter het lijk schaarden zich eerst de officieren; daarachter kwamen

de onderofficieren en de manschappen van het detachement; terwijl de

trein besloten werd door de scheepsequipage. Toen de stoet gevormd was,

zette hij zich in beweging. Driemaal werd het lijk rond het schip

gedragen, bij welke omgangen allen volgden. De meeste konden niet

nalaten een hoogst ernstigen blik te werpen op de gearresteerden, die

op het dek geboeid lagen, en wien de gewelddadige dood van den

overledene geweten kon worden. Geen hunner had den moed, om den blik

naar het lijk op te slaan. Het geweten zei hun, dat daar een

slachtoffer van hunnen aanslag voorbij gedragen werd.

Na den derden omgang werd de plank op de valreep aan stuurboordszij

gelegd. Het lijk werd van de vlag ontdaan. Kapitein Butteling prevelde

een gebed, terwijl het geheele detachement rondom hem stond. Daarna

klonk de stem van den eersten stuurman:

„Een,—twee,—drie,—in Gods naam!”

De bootsman, die bij het neerleggen van het lijk op de valreep de

verdere behandeling aanvaard had, wipte bij de laatste woorden de plank

rechtstandig, waardoor het lijk er af gleed en in zee plofte. De meeste

manschappen vlogen naar de verschansing om hunnen krijgsmakker nog eens

te zien. Het was te vergeefs; door de zwaarte van het zand meegesleept,

hadden de golven zich reeds boven het lijk gesloten. Zij zagen slechts

eenige luchtbellen opborrelen, die bij de vaart, welke het schip liep,

al heel spoedig in het zog van het schip verdwenen.

Kapitein Butteling gaf een teeken aan een paar matrozen. Deze grepen

het lijk van Schlapina, legden het op de plank en lieten het zonder

eenig ceremoniëel in zee schuiven. Daarop wenkte de gezagvoerder den

scheepsjongen, die bij den spiegel met de vlaggelijn in de hand stond.

Statig steeg de driekleur omhoog en wapperde vroolijk aan de gaffel,

alsof er niets gebeurd was.

„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling.

De hoornblazer toeterde het „Wilhelmus”, ten teeken dat eene

extra-oorlam uitgereikt werd. Vele manschappen onthielden zich die te

nemen. Zij voelden zich te zeer schuldig, om nu al een opwekkende teug

te nemen.

Terwijl stuurman Bagman met de uitreiking bezig was, zeide hij:

„Die arme smous! hij ligt op 3° 29′ zuiderbreedte en 30° 59′

westerlengte in 2200 vademen water!”

Dat was de eenige lijkrede, die over Nathan Zondervan uitgesproken

werd. Van het andere over boord gezette lijk werd door niemand gerept.

De uitgereikte oorlam verdreef al heel spoedig de sombere gedachten,

die bij een gedeelte der manschappen door die overboordzetting had

kunnen opgewekt zijn. Drie dagen later werd zelfs de naam van den armen

jood niet meer genoemd; tenzij door hem aan wien hij zijn rantsoen

jenever verschacherde.

„Er worden toch korte metten aan boord met een mensch gemaakt. Tegen

het middernachtuur gestorven, en tegen het middaguur reeds voor de

haaien,” merkte de heer Groenewald op.

„Dat kan niet anders, mijnheer Groenewald,” antwoordde kapitein

Butteling. „De man is dood, en wij hadden geen plaats om zijn lijk lang

te bewaren. Denk er daarenboven om, dat wij bijna onder de linie zijn.

Ik wed dat het lijk nu reeds een luchtje verspreidde. Ik draag ook de

verantwoordelijkheid betreffende den gezondheidstoestand van mijne

opvarenden!”

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 16 / 26 段