Zoo als afgesproken was, werd ook gehandeld. Onze onderofficieren

vermaakten zich uitstekend gedurende den lunch. Adelien en Emma

Groenewald keken evenwel eenigszins vreemd op, toen na afloop van het

maal kapitein Butteling de jongelieden in zijne hut riep, onder

voorgeven dat hij hun eenig schrijfwerk wenschte op te dragen, hetwelk

zij dan de volgende dagen zouden kunnen volvoeren. Het baarde evenwel

geen argwaan en toen de beide sergeanten des namiddags aan het diner

verschenen, werd over dat afwezig zijn, niet anders gesproken, dan dat

Adelien aan tafel kapitein Butteling te kennen gaf, dat zij het niet

aardig vond, dat hij de jongelieden zoo met schrijfwerk overlaadde.

Lachend dreigde de zeeman het jonge meisje met den vinger; maar

antwoordde niet. Toen evenwel van tafel opgestaan werd, fluisterde hij

haar lachend in het voorbijgaan in het oor:

„Dat gemis van het bijzijn van den goeden Frank zal ruimschoots vergoed

worden. Ik ben voornemens van af morgenochtend dagelijks de beide

onderofficieren in de kerk schrijfwerk te geven.”

Het jonge meisje bloosde zichtbaar bij het vernemen van die woorden.

Snel bukte zij zich om dien blos te verbergen; toch kon zij niet

nalaten een lieftalligen blik op den gezagvoerder te werpen, dien deze

opving.

„Het zou mij sterk verwonderen,” mompelde hij in zich zelven, „wanneer

niet een dezer twee onderofficieren, zoo niet beiden, op de plantage

van papa Groenewald te recht kwamen. Hij zou evenwel ongelukkiger keus

voor zijne dochters kunnen doen.”

Den volgenden morgen hield kapitein Van Dam eene inspectie over zijn

onderhebbend detachement, waarbij hij de manschappen ernstig afvroeg:

of zij ook eenige klachten in te brengen hadden, ten opzichte van

voeding en verdere verpleging, of ten opzichte der handelingen van de

officieren en onderofficieren of van wege het scheepsvolk. Geen mensch

trad voor, geen enkel bezwaar werd ingebracht.

„Dus, niemand heeft eenige reclame in te brengen?.... Nu, des te beter;

dat doet mij genoegen,” betuigde hij. Plotseling voor Nathan Zondervan

stilstaande, vroeg hij dien:

„Ben je geen schoenmaker van je ambacht, Zondervan?”

„Schoenlhapper, heer khapthein,” antwoordde Nathan, terwijl hij

eerbiedig het militair salut maakte.

„Juist. Ik heb eenig reparatiewerk. Je zult wel een paar gulden willen

verdienen, nietwaar?”

De oogen van den jood schitterden van hebzucht.

„Asjeblhieff, heer khapthein!” stamelde hij.

„Kom dan straks bij mij beneden,” gelastte kapitein Van Dam.

De jood wisselde met een in het gelid naast hem staanden Zwitser van

kolossale grootte een blik van verstandhouding, die den

detachements-kommandant niet ontsnapte.

Toen deze in zijne hut teruggekeerd was, greep hij een bundel

stamboek-extracten, het detachement onder zijne bevelen betreffende,

bladerde daarin een poos en las, toen hij gevonden had wat hij zocht:

„Peter Taugwalder, zoon van Peter en van Antonia Bräntschen. Geboren

den 20en Juli 1839 te Zermatt, kanton Wallis in Zwitserland. De vader

is een beroemde berggids voornamelijk voor den Monte Rosa.”

„De inlichting is schraal,” mompelde de kapitein.

„Maar laat mij zijn staat van dienst eens inzien.”

Hij bekeek het extract-stamboek aan den anderen kant. „Hm! hm! Is

officier geweest bij het Duitsche vreemdenlegioen in Engelsche dienst.

Bij de ontbinding van het korps is hij ontslagen en daarna naar

Engeland gereisd, van waar hij zich naar Harderwijk begeven heeft....

Hier staat nog eene potloodaanteekening;... laat zien... Is een

eerzuchtig man en bezit een energiek karakter.”

„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam uit.

Hij had evenwel den tijd niet om zijn gedachtengang te vervolgen. Er

werd aan de deur geklopt.

„Binnen!” riep hij.

VIII.

DE MUITERIJ.

Het was Nathan Zondervan, die de deur opende.

„Ikke khom voor de rheparasie, khapthein,” sprak hij.

„Zoo, ja; doe de deur toe, Zondervan. Wacht, ik zal het zelf doen. Het

patrijspoortje staat open, anders tocht het geweldig.”

De kapitein trad op de deur toe, wierp een blik in de kerk, waarop

zijne hut uitkwam en zag dat die ledig was. Alle passagiers waren boven

op dek. Hij sloot daarop de deur en draaide den sleutel om. Op die

beweging ontstelde de jood zichtbaar.

„Je komt voor de reparatie, Zondervan?” zei de kapitein. „Maar, ik

geloof dat ik jou eens duchtig moet repareeren. Wat dunkt je?”

„Ikke, heer khapthein?” vroeg Nathan met een gemaakten glimlach, die

veel onrust verried.

„Ja, jij! Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”

„Ikke?... Nhiks, khapthein!”

„Niet liegen, Zondervan!” zei de kapitein, terwijl hij eene karwats van

een wapenrek nam, dat boven zijne slaapstede hing. „Als je liegt, dan

krijg je een pak van mij, dat je familie in den Jordaan er hulp om

schreeuwt; dan stop ik je daarenboven in het kabelgat [49] in de

boeien. Als je mij bedriegt, dan ga je te Batavia voor den krijgsraad.

Dus kort en goed: Wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te staan?”

„Ikke?... khapt....”

„Ga niet voort met je ontkenning, Zondervan; ik weet alles. Je maakt

deel uit van een komplot dat ten doel heeft de officieren allen te

vermoorden, zich van het schip meester te maken, en daarmede naar

Iquique te zeilen. Ben ik goed ingelicht, ja of neen?”

„Ghot van Abrham, Isaakh en Jakhob!” stamelde de jood.

„Laat die voorouders van jou maar met vreê!” zei de kapitein, terwijl

hij driftig de karwats fluitend heen en weer bewoog. „Zondervan, voor

den laatsten maal: wat heb jij met den Zwitser Taugwalder uit te

staan?”

„Genhade! heer khapthein! Genhade!” riep Nathan terwijl hij op de

knieën viel. „Ikke zhal alles zegghen.”

En nu volgde een verhaal, hetwelk de lezers in hoofdzaak reeds kennen,

maar waarbij Zondervan de namen der hoofdaanleggers mededeelde. Dat

waren in de eerste plaats een Italiaansche Zwitser, Schlapina genaamd,

afkomstig van het kanton Tessin; dan de reeds genoemde Taugwalder;

terwijl sergeant Riethoven zeer goed gehoord had, dat het grootste

gedeelte der vreemdelingen gemeene zaak met de belhamels maakten.

„Maar, hoe kom jij als Nederlander daarin betrokken?” vroeg kapitein

Van Dam.

„Ach Ghot,” antwoordde de jood. „Ikke heb me laten meeslepen,

khapthein. Ik dacht in den beginne nhiet dat het zoo erg zou zijn.

Waarachtig as Ghott nieth! Ze gafen me nu en dan ’n dubbeltje en dan

moest ik haarlui vertellen, hoe het in het matrozenlosies uitzhag. Ikke

khom daar veel voor men neghosie. Toen ik hier na toe ghing, moest ik

ook belhoven alles hier goed op te nhemen, en dat straks te vertellen.

Ghot! Ghot! wat moet ikh doen?”

„Luister eens, Zondervan,” zei de detachements-kommandant. „Je zit in

den pekel, man. Veel zal er evenwel van je afhangen om er uit te

komen.”

„Spreekh, heer khapthein,” bad de jood handenwringend, „ikke wil door

het vier lhoopen!”

„Bedaar man. Vooreerst, je vertelt wat je wilt, hoe het er hier

uitziet; maar.... geen woord van wat hier gesproken is. Als ik gewaar

word, dat je ook maar een enkel woord verklikt hebt, dan ga je het

kabelgat in tot Batavia toe en daar zullen ze je wel aan een sterk

henneppen dasje helpen. Ze hebben je toch de krijgsartikelen

voorgelezen, nietwaar? Hij, die....”

„Genhade! khapthein, genhade! Ikke zal doen wat de khapthein gelast!”

„Dat is dus begrepen... Ja nog wat. Van de geringste verandering in de

gemaakte plannen geef je me kennis. Je fluistert stuurman Abels maar in

’t oor, dat je mij te spreken hebt. Die is op de hoogte. En nu,

opgepast en uitgerukt, marsch!”

„En de rheparaassie, khaptein?” vroeg de sluwe jood. „What mot ikke

segge, as ik zonder rheparaassie verschijn?”

„Je hebt gelijk. Hier zijn twee paren laarzen, die je

schoenlappers-talenten vereischen, en hier eene pistoolholster, waarvan

de naad open gebarsten is. Als je me wat mee te deelen hebt, kan je die

voor en na terugbrengen, dan heb je den stuurman niet noodig; en nu

uitgerukt, marsch!”

„Ach Ghot! ach Ghot!” bad de jood, terwijl hij heenging. „What mot dat

worden?”

De reis ging verder voorspoedig. Op den 10den November bevond zich de

Fernandina Maria Emma bij het middagbestek op 2° 7′ noorderbreedte en

op 28° 23′ westerlengte en had in het laatste etmaal 43 mijlen

afgelegd, hetgeen in die streken zeer bevredigend mocht heeten. De

zuidoostpassaat wakkerde nog aan; zoodat de voorzegging niet al te

gewaagd voorkwam, dat de Evenaar den volgenden morgen gepasseerd zoude

worden. Van het vieren van het Neptunus-feest had kapitein Butteling

evenwel afgezien. Onder voorwendsel om krakeel te voorkomen tusschen de

soldaten en de matrozen had hij de laatsten overreed Neptunus maar van

boord te houden. Zij zouden er toch geen schade bij lijden. Dat was wel

eene teleurstelling voor Janmaat, die er zich veel pret van beloofd

had; maar vooral voor de samenzweerders, die zoo hadden gehoopt, dat de

uitgelatenheid bij dat feest gewoon, en de daarbij geplengde oorlammen,

tot eene verhoogde slaperigheid aanleiding zouden geven, die hunne

plannen zeer zoude bevorderd hebben. Zij zagen evenwel van hunne

voornemens niet af, hetgeen uit de gehouden gesprekken bleek, die

Herman Riethoven van uit zijn schuilplaats op de koebrug den avond te

voren opving, ook uit de mededeelingen van Nathan Zondervan, die den

kapitein den volgenden morgen reeds een paar opgeknapte laarzen

terugbracht. Hij vertelde, dat de aanslag des nachts tegen dat het twee

glazen in de hondenwacht zou slaan, zou volvoerd worden. De belhamels

rekenden er op, dat dan de geheele bemanning van het schip voor het

meerendeel in diepe rust zoude zijn.

„Hebben zij wapens?” vroeg de kapitein aan den jood.

„Nah! dat wheet de khapthein beter as ikke,” antwoordde Nathan. „Buiten

hinne zhakmesse hebbe ze nikhs.”

De dag van den 11en brak onder die omstandigheden aan. Reeds bij

zonsopgang, werden al de vlaggen aan alle toppen geheschen en wapperden

vroolijk in de bries. De zuidoost-passaat was gedurende den nacht nog

aangewakkerd. Alle zeilen stonden bol, de Fernandina Maria Emma lag

bevallig stuurboord overhellende en voerde zoo veel doek, als zij maar

dragen kon. Een opmerkzaam zeevarende zou het evenwel opgevallen zijn,

dat het bezaanzeil niet bijgezet was, ook dat een der schoten van het

grootzeil omhoog geheschen was. Toen de jonge dames als ervaren

zeereizigsters—zij maakten reeds hare tweede reis om de Kaap de Goede

Hoop—kapitein Butteling de redenen daarvan vroegen, maakte hij er zich

van af door de verklaring, dat het bezaanzeil het schip te veel op zijn

roer deed wringen en dat het grootzeil te veel wind aan het fokkezeil

benam. De ware reden was evenwel, dat die twee zeilen het uitzicht over

het dek te veel belemmerden en het zaak was om al de bewegingen, die

daar geschiedden, in het oog te houden.

Tegen tien uur in den ochtend werd een salut van een en twintig schoten

met de twee aan boord aanwezige kanonnen gegeven, die daartoe op bevel

van kapitein Butteling op het achterdek gevoerd waren en nu hunne

rookspiralen prachtig over de zeeoppervlakte zonden, en de lucht met

hun gedonder feestelijk vervulden.

Bij het eerste schot trad de bootsman, die even als al de matrozen, uit

wier naam hij kwam, in zijn zondagspak gestoken was, op kapitein

Butteling toe en heette hem en zijne stuurlieden welkom in het

zuidelijk halfrond. Daarna vervulde hij dezelfde plichtpleging bij de

passagiers, en ontving van allen in dank een hartelijken handdruk. Ook

de onderofficieren kwamen hunne chefs gelukwenschen en werden even

hartelijk bejegend. Onbevreesd stapte kapitein Van Dam tusschen zijne

manschappen, die hem met luide kreten omringden en de hand, die hij hen

toestak, voor het oog althans met innigheid drukten.

Kapitein Butteling kon zijne goedkeuring aan die ridderlijke handeling

niet onthouden; toch had hij den officier met een bezorgden blik

nageoogd, toen deze zich naar voren begaf. Maar het was goed

afgeloopen, men moest zich nu maar aan de genoegens van den dag

overgeven en niet te zeer aan de toekomst denken.

„Hebben de dames al eens de linie gezien?” vroeg stuurman Bagman aan

Emma en Adelien Groenewald.

„De linie gezien?!” antwoordde Emma verbaasd. „Kom, stuurman, je neemt

een loopje met ons. Denk er om, dat wij haar niet voor den eersten maal

passeeren.”

„Dat weet ik wel,” hernam de stuurman lachende; „maar heeft men u toen

de linie niet laten zien? Ik kan dat niet galant vinden van de

scheepsofficieren van de....”

„Johanna Christina,” vulde Adelien aan.

„Van de Johanna Christina.”

„Maar, is die linie te zien?” vroeg Adelien met een ongeloovigen

glimlach. „Ik meende dat het slechts een denkbeeldige lijn was.”

„Of zij te zien is? Dat zou ik meenen! Wilt gij u dadelijk overtuigen?”

vroeg de stuurman, terwijl hij Adelien den grooten scheepskijker

overgaf, dien hij in de hand had. Dat was een gevaarte van een meter

lang, die het meisje onmogelijk behandelen kon. Zij wenkte Frank

Brinkman, dien zij ontwaarde, en deze hielp haar den kijker te richten.

„Zie zoo,” sprak Frank, terwijl hij den telescoop ondersteunde en hem

voor haar oog bracht, waarbij hij het hoofd over haren schouder moest

buigen, zoodat hunne wangen elkander zeer nabij waren en hunne handen

elkander raakten.

Het meisje keek lang door den kijker, eigenlijk om den blos, die haar

gelaat bij die aanraking overdekte, te verbergen. Eindelijk, toen zij

zich genoegzaam hersteld had, gaf zij den kijker aan stuurman Bagman

terug, die het geheele tooneel met een wijsgeerig oog had aanschouwd.

„Wel, hebt gij de linie gezien?” vroeg hij ondeugend.

„Och loop,” sprak zij, „er is niets te zien!”

Neen, het lieve kind had niets gezien. Zij had de oogen gesloten, toen

Frank’s hand de hare aanraakte, toen zij zijnen warmen adem in haren

hals voelde.

„Niets te zien!” riep stuurman Bagman verwonderd uit.

„Wat is er stuurman?” vroeg Behren, die in de nabijheid stond en nu

nader trad.

„Juffrouw Groenewald heeft de linie niet gezien,” antwoordde de

stuurman.

„De linie?” vroeg de apotheker verbluft.

„Ja zeker, de linie. Wilt u ze zien?”

Hij reikte Behren den kijker over. Deze tuurde er een poos door, nam

hem voor zijne oogen weg en keek toen met alle aandacht naar buiten.

„Ik zie nu niets,” mompelde hij, terwijl hij den kijker weer voor het

oog bracht.

„Duivels, daar is het weer! Neen, nu zie ik het goed!”

Stuurman Bagman stond zich te verkneukelen van de pret.

„Wat ziet ge?” vroeg Van Diepbrugge, die het groepje nader getreden

was.

„Mijnheer Behren ziet de linie,” zei stuurman Bagman.

„Behrtje ziet de linie!” juichte Van Diepbrugge.

In een oogwenk had hij al de passagiers rondom zich. Denniston had hem

den kijker afgenomen en keek ook er door.

„Wel, de apotheker heeft gelijk. Ik zie de linie ook,” zeide hij.

„Hoerah voor de linie!”

„Hoe ziet zij er uit?”

„Heeft zij een pantalon collant aan?”

„Of een crinolien?”

„De linie met eene crinolien! dan moet zij de geheele intertropische

gewesten overschaduwen!” deklameerde Slierendrecht.

Intusschen ging de kijker van hand tot hand en ieder erkende de linie

te zien. Stuurman Bagman stond te dansen van de pret.

Eindelijk kwam de kijker bij kapitein Van Dam.

„Drommels!” zei deze, na even er door gekeken te hebben. „Dat is een

nieuwmodel linie, die staat loodrecht op den horizon. Misschien heeft

die te veel „bezaanschoot aan” gehad.”

Allen lachten om den kwinkslag. Maar de grap was ontdekt. Kapitein Van

Dam had den kijker eenigszins gedraaid voor het oog gebracht, waardoor

het paardenhaar, dat de stuurman aan den binnenkant van de beneden lens

gespannen had, den gezichteinder sneed en de fopperij aan het licht

bracht.

„Ik wist waarachtig niet, wat ik gelooven moest,” betuigde de

apotheker. „Als ik den kijker voor het oog had, zag ik duidelijk eene

zwarte streep; als ik den kijker liet zakken was de linie weg.”

Een flink hoera was de belooning, die stuurman Bagman voor zijn

snakerij ten deel viel.

Gedurende het bezichtigen der linie, was Herman Riethoven kapitein Van

Dam onmerkbaar genaderd. Van een oogenblik van gejuich gebruik makende,

boog hij zich tot hem.

„Kan ik u even spreken, kapitein?” fluisterde hij onhoorbaar voor ieder

ander.

De kapitein, zonder hem aan te zien, knikte toestemmend.

„Sergeant Riethoven,” sprak hij een oogenblik later. „Ik heb de

zakboekjes van het detachement te voorschijn gehaald. Het wordt tijd,

dat die bijgewerkt worden. Kom, ik zal ze u toonen, dan weet gij ze te

vinden en kunt ge morgen met Brinkman dadelijk aan het werk gaan.”

Toen beiden beneden gekomen waren, vroeg de kapitein:

„Welnu, wat hebt ge mij mede te deelen?”

„Ik niets, kapitein. Maar hier is een briefje, dat de fuselier

Zondervan mij in de hand gestopt heeft, met verzoek u dat te

overhandigen.”

Het briefje was niet dichtgemaakt.

„Hebt gij den inhoud gelezen?” vroeg de officier.

„Neen, kapitein!” antwoordde Herman, het militair salut makende, gereed

om heen te gaan.

„Blijf nog een oogenblik, sergeant.... Ziehier, wat de fuselier

Zondervan mij schrijft:

„De aanval op het achterschip zal heden nacht geschieden. Terwijl een

klein gedeelte der samenzweerders zullen trachten langs den kajuitstrap

naar beneden te dringen, zal het gros van uit het tusschendek in het

logies der onderofficieren doorbreken, deze laatsten onschadelijk maken

of dooden, en dan door de verbindingsdeur van uit dat logies de

aanvallers langs den trap te hulp komen.”

„De zaak verwikkelt zich,” merkte de kapitein op. „Zijn uwe collega’s

allen te vertrouwen, sergeant Riethoven?”

„Volkomen, kapitein. Op twee na zijn het allen Nederlanders, en de

bedoelde twee zijn Duitschers, die de hoop koesteren, eenmaal den

officiersrang te verwerven.”

„Ik weet het. Gaat nu stil heen, spreekt met een paar uwer kameraden,

in dier voege, dat zij u heden avond een handje helpen om de

toegangsdeur tot het onderofficiers-logies te versperren. Dat is immers

gemakkelijk te doen, niet waar?”

„Zeer gemakkelijk. Een paar bakskisten op elkander met een paar klampen

vastgezet, dat zal gauw genoeg gedaan zijn; maar kapitein denk er om,

dat het geheele beschot, hetwelk het onderofficiers-logies van dat der

manschappen scheidt, slechts bestaat uit zeer dunne planken, die niet

eens gevoegd zijn. Dat beschot zal hen niet lang tegenhouden.”

„Als het maar zoolang tegenhoudt, tot dat de onderofficieren door de

verbindingsdeur in het achteruit kunnen wijken, dat is voldoende.

Veroorzaak nu geen ongerustheid voor den tijd. Heden avond kunt gij uwe

collega’s op de hoogte brengen, evenwel zoo, dat de samenzweerders er

niets van vernemen. Bij het eerste alarmsein vervoegen de

onderofficieren zich bij ons, dan zullen zij wel verdere bevelen van

mij ontvangen.”

Toen beide mannen aan het dek kwamen, waren juist de

middag-waarnemingen geëindigd en toonde het bestek aan, dat het fregat

zich op 0° 18′ zuiderbreedte en op 30° 25′ westerlengte bevond. Het

schip had in het laatste etmaal 57 mijlen afgelegd.

De dag spoedde verder genoegelijk ten einde. De manschappen van het

detachement zaten in groepen op het dek zich voor het oog te vermaken

met lotto- en dominospel. De scheepsgezagvoerder liet herhaaldelijk

bier verstrekken, ook gaf hij ieder man extra eene halve flesch wijn;

maar behalve het gewone rantsoen sterke drank werd geen enkele oorlam

meer uitgereikt.

Toen de avond gevallen was, werden volgens oud gebruik, leege

teertonnen met allerhande brandbaar materiaal gevuld, achter den

spiegel te water gelaten en in brand gestoken, alvorens ze los te

laten. Die drijvende, vurige eilanden, welker vlammen eindeloos ver

konden waargenomen worden, maakten een wondervol effekt in het donker

van den nacht, effekt dat nog verhoogd werd door de weerkaatsing der

vlammen in de spelende golven.

Tegen tien uur liet kapitein Butteling eenige vuurpijlen en blikvuren

[50] afsteken, welke laatste vooral met hun gekleurd licht een

fantastische uitwerking hadden. Om de feestvreugde te verhoogen, werd

nog eene uitdeeling van bier gedaan, waarna het feest met drie flinke

kanonschoten besloten werd.

Toen de stukken binnen boord gehaald waren, laadde stuurman Abels ze,

onder voorwendsel van ze te wisschen, met schrootbussen. In het duister

kon dat geschieden zonder opgemerkt te worden. Ongemerkt ook draaide

hij de rolpaarden zoodanig, dat de stukken het geheele achterschip

bestreken.

Tegen elf uur blies de hoornblazer van het detachement taptoe en werd

het langzamerhand stil op het dek.

„Ik weet niet wat mij scheelt,” had Adelien tegen Frank gezegd, „maar

er heerscht iets geheimzinnigs rondom ons. Ik voel mij beklemd, alsof

een groot gevaar ons bedreigt. En toch is er niets, waarop die

gewaarwording steunen kan.”

„Het beste geneesmiddel daartegen is de slaap,” antwoordde Brinkman.

„Gij zult goed doen, juffrouw Adelien, te gaan rusten. Het is trouwens

ook al laat.”

Het meisje keek hem vreemd aan. Het was haar of hij haar verwijderen

wilde. Maar, nog had zij geen woord van tegenwerping kunnen uiten, toen

hare mama haar riep.

„Kom Adelien,” sprak deze, „het is over elven, en dus tijd om naar de

hut te gaan. Goeden nacht, mijnheer Brinkman.”

„Goeden nacht, mevrouw, goeden nacht juffrouw Groenewald!” zeide hij,

terwijl hij het kleine handje, dat hem toegestoken werd ter nauwernood

durfde drukken.

Het achterdek was langzamerhand leeg geworden. Toen de dames naar kooi

waren, bracht kapitein Butteling de passagiers op de hoogte van de

omstandigheden. Men bleef bij elkander en maakte zich den tijd te nutte

om de rollen te verdeelen. Een drietal der passagiers b.v. Denniston,

Behren en Van Diepbrugge, zou straks, wanneer de hondenwacht optrok,

naar boven gaan en zich daar bij den koekoek der kerk bedekt opstellen

om den bootsman, die daar met ettelijke matrozen post zou vatten bij te

springen. Die drie heeren wapenden zich met pistolen. De overigen

zouden beneden blijven om naar omstandigheden te handelen. Kapitein Van

Dam, geholpen door Leidermooi en Slierendrecht, laadden de

scheepsgeweren, waarvan een twintigtal voorhanden waren.

„Ik hoop dat ze niet gebruikt zullen worden,” zei de kapitein. „Ik houd

ze evenwel gereed, om wanneer zulks noodig mocht worden, de

onderofficieren er mee te bewapenen.”

Daar sloeg de klok acht glazen. De wachten verwisselden. Daarna werd

het weer doodstil op het dek.

„Dat wachten maakt mij zenuwachtig,” sprak Leidermooi. „De

schrikkelijkste zekerheid komt mij boven die onzekerheid verkieselijk

voor.”

„Och,” sprak de scheepsdokter, „het zal nog wel met een sisser

afloopen. Ik heb meer van die opstootjes bijgewoond. Ik wed dat er

niets gaat gebeuren.”

„God geve het!” zuchtte Leidermooi. „Maar die onzekerheid vind ik

onuitstaanbaar. Het is of de tijd voorbijkruipt.... Zouden wij niet een

whistje maken? Mij dunkt, dat dit den tijd zou bekorten.”

„Heerlijk denkbeeld!” antwoordde kapitein Van Dam, die de kaarten te

voorschijn haalde.

Er vormden zich een paar partijtjes en weldra brachten de

diepzinnigheden van het edele whistspel eenige afwisseling in de minder

rooskleurige gedachten, die allen bezighielden. Het was stil rondom de

spelers. Het schip lag stuurboord overhellend en stevende vlug

voorwaarts, waarbij bijna geene beweging van slingering ondervonden

werd. De lampen hingen in hunne beweegbare toestellen bijna zoo stil,

alsof men aan den vasten wal zat. Boven weerklonk de afgemeten tred van

den stuurman van de wacht, die van het kompashuisje bij het stuurrad

naar den koekoek van de kerk heen en weer wandelde.

Daar staakte de stuurman zijne wandeling. Allen spitsten de ooren. Het

geluid der klok weerklonk en sloeg een glas.

„Kom, geven! mijnheer Slierendrecht,” zei kapitein Van Dam ongeduldig.

„Het is, alsof gij eene studie van de trillingen der klok maakt.”

Het partijtje had zijn voortgang. Of aller aandacht bij het spel was,

viel niet te beweren. Maar men speelde en de tijd spoedde voort.

„Groot schlem!” kreet kapitein Van Dam juichend. „Groot schlem is

honderd, vijf honneurs is.....”

De klok sloeg twee glazen.

De metaaltrillingen duurden nog voort, toen haastige voetstappen op het

dek vernomen werden.

„He, waar moet jullie heen?” klonk de stem van den bootsman.

„Geh zum Teufel, Hallunke!” was het antwoord.

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 15 / 26 段