„Het was te laat om nog redding te kunnen aanbrengen. Ik hoorde den

plomp in het water, door de zware ijzermassa veroorzaakt; maar het

baatte niets. Onder den aandrang van den zwaren stroom, stootte de brik

door de hooge deining opgeheven, nog een paar malen heftig. Zij viel

daarna op zijde en brak midden door. Een vreeselijk angstgeschrei

weerklonk toen het achterschip het eerste in de diepte wegzonk, en

daarbij de zee zoodanig beroerde, dat de golven over het dek van het

voorschip, waarop ik mij bevond, sloegen. Met de in mijne nabijheid

aanwezige matrozen arbeidde ik om eene sloep te water te brengen; maar

ook daartoe werd ons de tijd niet gegund. Plotseling begon dat gedeelte

der Senhora Dolorès, waarop wij ons bevonden, te trillen en te

schudden. De boeg schoot vooruit, dook, terwijl het water met donderend

geweld langs de breuk naar binnen stroomde en de vooruitschuivende

beweging van het wrak nog bevorderde. Handenwringend stonden wij allen

bij elkander. Helaas! er viel niets te doen; daartoe ontbrak de tijd in

die oogenblikken.

„„Santa Madre de Dios!” klonk nog eens door de lucht, toen was alles

gedaan. Een oogenblik te voren had de boeg zich verheven, alsof hij uit

het water wilde springen; maar maakte daarbij bewegingen alsof het een

dronken mensch was, toen dook hij voorover, verhief zich nog eens, dook

weer en nu voor de laatste maal, waarbij de golven met eene ontembare

kracht over het dek sloegen en alles: menschen en schip in een

onmetelijken kolk verslonden.

„Toen ik de eerste trilling van het voorschip voelde, begreep ik, wat

er gebeuren ging, dat het van de rotskruin zou afschieten, waarop de

Senhora Dolorès gestooten had. Ik had een der roeiriemen van de boot

gegrepen en klemde mij daaraan in dien bangen stond wanhopig vast.

„Hoe lang ik onder de oppervlakte van het water vertoefd heb.... ik

weet het niet. Wel ondervond ik het gevoel, alsof ik in een

onmetelijken kring ronddreef, en tevens naar den afgrond der zee

gezogen werd, waarbij ik herhaalde malen in onzachte aanraking kwam met

verschillende voorwerpen, die evenals ik verzwolgen waren. Bij een dier

botsingen ondervond ik zoo’n pijn, dat mij het bewustzijn begaf en het

mij was, alsof ik sterven ging. Gelukkig liet ik mijn roeispaan niet

los; maar klemde mij onbewust daaraan met al de kracht der wanhoop

vast.

„Toen ik tot mijzelven kwam, lag ik met den hals op het reddende stuk

hout, dat ik met beide handen stevig omklemd hield en wel zoo, dat mijn

gelaat boven de oppervlakte des waters uitstak. Ik keek rond, ik was de

kaap Christianos vrij nabij. De stroom zette naar die kaap toe. Heel

kort daarop geraakte ik in de branding. Ik liet den roeiriem, die mij

tot nu toe van zooveel nut geweest was, varen en trachtte zwemmende den

wal te bereiken. Maar zwemmen in de branding! Het zijn pochers, die

beweren dat te kunnen. Ja, in de Noordzee, bij Scheveningen! wanneer

geen, of wel oostenwind blaast. Ik beweer een goed zwemmer te zijn;

maar zooals ik daar heen en weer gesmeten werd, is niet te beschrijven!

Nu eens was ik op den top eener baar en werd met den spoed van een

sneltrein den wal te gemoet gevoerd; eene seconde later plofte mij

diezelfde baar in de diepte, brak over mij heen en deed mij onzacht op

den zandigen bodem te recht komen, waarop ik onmogelijk stand kon

houden. Met onweerstaanbaar geweld werd ik dan weer zeewaarts gesleurd,

totdat ik mij opgezogen gevoelde in een machtigen golf, die aangerold

kwam en mij in zijne statige krul opnam, om mij in het volgende

oogenblik onder oorverdoovend gedonder te midden van een onmetelijke

vlakte van wit schuim neer te smakken. Zoo werd ik een tijd lang heen

en weer gesleurd, steeds in het grootste gevaar verkeerende, om door de

scherpe rotspunten, waarmee die kaap omringd was, verscheurd te worden.

Nu eens werd ik naar den wal toegedragen, en gloorde de hoop in mijn

hart; in het volgende oogenblik, werd ik bedolven en sleepte het water

mij zeewaarts, en beving doffe wanhoop mij. Zoo putte ik mij uit. Het

had niet lang meer moeten duren, of mijne krachten hadden mij begeven.

„Eindelijk kwam er een veel hoogere golf aanrollen. Ontzetting greep

mij aan, toen ik hem zag. Het was alsof een watermuur kwam aansnellen.

Bij mij gekomen, krulde de toeijlende berg over mij heen, alsof hij mij

wilde omhelzen, bedolf mij, smakte en rolde mij met onbeschrijfelijke

hevigheid en voerde mij met zich voort, terwijl het water rondom mij

donderde, kookte en schuimde. Toen ik tot het rechte bewustzijn

terugkeerde, van wat met mij gebeurde, lag ik op het drooge en zag ik

de watermassa, die mij aangevoerd had, bruischend en schuimend naar zee

terugijlen, mij half in het zand bedolven achterlatende.

„Ik sprong op; want het was zaak, mij buiten het bereik van een

volgenden golf te stellen. In weinige sprongen was ik buiten gevaar en

had het strand verlaten. Ik was gered.

„Ik werd door barmhartige menschen liefderijk opgenomen en verpleegd.

Men bracht mij daarna naar dat klooster daar, hetwelk zich op de

hellingen van den Pico boven kaap Adexe verheft. Daar bleef ik een paar

dagen. Toen men vernam, dat ik protestant, een heretico, was, ontdeed

men zich zoo spoedig mogelijk van mij. Na mij toch liefderijk van de

noodige kleeren voorzien te hebben, geleidde een kapucijner monnik mij

langs binnenpaden naar een klein plaatsje op de zuidoostkust gelegen en

Abona geheeten. Daar kreeg ik op voorspraak van mijn geleider vrijen

overtocht aan boord van een klein kustvaartuig, de Virgen purissima,

dat mij naar Santa Cruz overvoerde. Van daar vertrok ik als matroos aan

boord van de Santa Lucia, een kleine schoener, naar Lissabon, van waar

ik door bemiddeling van den Nederlandschen consul per stoomschip naar

Engeland en verder naar Nederland geholpen werd. Ziedaar dames en

heeren mijn wedervaren in deze wateren. Gij zult, hoop ik, nu wel

begrijpen de uitdrukking, die ik straks bezigde, toen ik de Fernandina

Maria Emma in veilig water zag en met een zucht van verlichting

uitriep, dat mij een pak van het hart gewenteld was.”

„Zijt gij alleen gered geworden, kapitein Butteling?” vroeg Adelien

Groenewald.

„Neen, juffrouw, nog een meisje van veertien jaren is op een potdeksel

of zoo iets op het eiland Gomera aangedreven. Zij was het eenigst kind

van een paar, hetwelk te Barcelona te huis hoorde, maar naar Gran

Canaria reisde om daar een familiefeest bij te wonen. Ik ben in die

dagen naar Gran Canaria gereisd, werwaarts ik door den Corregidor [48]

opgeroepen was, om de identiteit van dat meisje te staven. Helaas, het

arme kind was na de doorgestane verschrikkingen, na het verlies harer

ouders, die zij onder hare oogen had zien verzwelgen, krankzinnig

geworden. De geneesheer meende dat zij te herstellen was. Ik hoop dat

hij waarheid sprak; ik heb haar evenwel nimmer teruggezien.”

„Arm kind!” zuchtte Adelien medelijdend.

„Hoeveel koppen waren aan boord van de Senhora Dolorès?” vroeg kapitein

Van Dam.

„Negen man scheepsvolk en acht passagiers, waaronder het bedoelde

meisje,” antwoordde kapitein Butteling.

„Dus zeventien personen, waarvan slechts twee gered werden! Het is

schrikkelijk!”

Terwijl onze reizigers dat verhaal aangehoord hadden, was de wind veel

verzwakt en liep de Fernandina Maria Emma uiterst langzaam. Toen de

middag waarneming ten einde was, bevond het fregat zich op 27° 33′

noorderbreedte en op 16° 44′ westerlengte.

De wind viel al meer en meer. Op den 29sten October bevond men zich op

26° 43′ noorderbreedte en op 17° 17′ westerlengte. Er waren dus slechts

ongeveer vijftien mijlen in het etmaal afgelegd.

Den volgenden morgen vernamen de reizigers, toen zij aan het dek

kwamen, dat het gedurende den nanacht bladstil was geweest. Nu evenwel

vertoonde de zee eenige rimpeltjes, terwijl de bovenzeilen zich

begonnen te vullen.

„Dat is de noordoostpassaat!” riep kapitein Butteling. „Nu zullen wij

wel vaart gaan maken!”

De ervaren zeeman had gelijk. Weldra waren de zeilen gevuld, terwijl al

de stagzeilen en zelfs aan den fokkemast de lijzeilen bijgezet werden.

Het fregat lag dan ook, bakboord overhellende, en kliefde bevallig het

water, dat zij in een bruischenden golf voor den boeg uitwierp.

Daags daarna, dus den 31sten October, sneed de Fernandina Maria Emma

zoo omstreeks te negen uur des morgens den keerkring van den Kreeft.

„Dat is eene voorspoedige reis geweest,” merkte kapitein Butteling den

reizigers op. „Wij zijn op 17 October des avonds in zee gegaan. Wij

tellen nu 31 October. In veertien dagen tusschen de keerkringen!

daarover valt niet te klagen. Blaast de passaat nu goed door, dan

bereiken wij al gauw den Equator.”

De zeeman was blijkbaar in zijn nopjes. Er is geen tevredener wezen op

de wereld dan een scheepskapitein, wanneer alles voor den wind gaat.

Daarentegen zijn er ware knorrepotten onder, wanneer de wind uit den

verkeerden hoek waait, of wanneer er geheel en al stilte intreedt.

Onder deze laatste sorteerde kapitein Butteling volstrekt niet. Hij was

evenwel meer opgeruimd, wanneer alles naar zijn zin ging, dan wanneer

hij met tegenspoed te kampen had.

De noordoostpassaat blies tamelijk door, evenwel niet zooals de

waardige zeerob gewenscht had. Toch maakte het schip dagen achter

elkander gemiddeld 40 mijlen in het etmaal, wat nu niet bijzonder vlug

genoemd kon worden; maar in den noordoostpassaat, die gewoonlijk niet

sterk doorstaat, niet te versmaden was.

Den 6den November evenwel begon de wind in den namiddag te vallen, en

weldra was het bladstil. Het middagbestek had aangegeven, dat de

Fernandina Maria Emma zich op 6° 49′ noorderbreedte en 23° 45′

westerlengte bevond. De noordoostpassaat verzwakte al meer en meer,

totdat het schip tegen twee uur in den achtermiddag bewegingloos lag te

dobberen en slechts heel loom en heel zacht door de deining gewiegd

werd.

Nog voor dat het drie uur was, had zich in het zuidoosten eene dikke

wolkenbank vertoond, die snel naderde. Nadat de wind verzwakt en later

geheel gevallen was, had zich eene ondragelijke warmte doen gevoelen.

De stralen der dagvorstin vielen brandend neer, en deelden aan alle

voorwerpen eene hitte mede, die niet afgekoeld werd, maar integendeel

al meer en meer toenam. Onder de zonnetent, waaronder het bij het

geringste briesje zoo verkwikkend kon zijn, onder die zonnetent was het

onaangenaam warm. Het was alsof die loodzwaar en heet op de menschen

daaronder drukte. Iedereen keek dan ook naar verademing uit, en vooral

werd de naderende wolkenbank met een soort welgevallen aangestaard en

verwelkomd.

„Daar komt poetssteen!” zei kapitein Van Dam tot den

scheepsgezagvoerder.

„Daar komt de zuidoostpassaat,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat

treffen wij wel. Men kan hier soms dagen, soms weken liggen drijven,

zonder een zuchtje te voelen. Men noemt dat hier den stiltegordel.”

„Hoe is de stroom hier?” vroeg Behren belangstellend.

„O! wij zijn hier in den equatoriaal tegenstroom, die ons zoo zachtjes

westwaarts naar den golf van Mexico zou voeren; maar hij is hier zeer

zwak, bijna onmerkbaar.”

„Drommels, dan zouden wij hier van de warmte kunnen profiteeren, als de

windstilte aanhield!”

„Ja, dat zou kunnen,” antwoordde kapitein Butteling. „Bij de vorige

reis lag de Fernandina Maria Emma ruim drie weken, nagenoeg op dezelfde

plek. Maar.... wij zullen het bij deze gelegenheid wel gunstiger

treffen, kijk maar.”

Hij wees naar het zuidoosten.

Daar naderde die wolkenbank steeds en vrij vlug. Bij hare nadering

veranderde het blauwe water der zee langzamerhand van kleur, werd

lichtblauw met eene fletsche tint, ging daarna tot flesschengroen, iets

later tot donkergroen over, om eene grauwe tint aan te nemen, en

eindelijk loodkleurig te schijnen onder de wolkenmassa, die als op het

water rustte.

„Stagzeilen, bezaan- en grootzeil geien!” riep kapitein Butteling, die

scherp in zuidelijke richting uitkeek.

Men was nog lang niet klaar, toen het tweede commando volgde:

„Bovenbramzeilen en grietje geien!”

Een tweede ploeg matrozen, geholpen door soldaten, toog aan het werk.

Toen de eerste ploeg klaar was:

„Bramzeilen en kruiszeil geien!” klonk het commando.

„Gij kleedt de dame uit,” zei kapitein Van Dam met een glimlach.

„Het is tijd ook, dat zij die falbalas aflegt,” antwoordde kapitein

Butteling. „Kijk maar!”

In het zuiden naderde een band over het water, die gitzwart geleek,

maar waarachter de zee begon te bewegen en kleine golven vertoonde, die

evenwel met witte kopjes gekuifd werden. Het schip lag thans onder den

fok, de marszeilen, het bagijnezeil en den kluiver.

„Nu kan de bui komen,” grinnikte stuurman Ellenbaan. „De Fernandina

Maria Emma is gereed haar te ontvangen.”

De stuurman had ter nauwernood uitgesproken of daar vloog de eerste

windvlaag huilend door het want. Het fregat boog lichtelijk onder dien

aanval, maar hervatte onmiddellijk koers.

„Zuid ten westen voor!” riep de scheepskapitein den roerganger toe.

Het was eene echte tropische bui, die het schip bezocht. Aanvankelijk

zweepte de wind woedend de golven omhoog, floot door het want, dreigde

alles met zich mee te sleuren. Hij nam evenwel in kracht af, toen de

donder zich liet hooren en de regen begon te vallen. De eerste

bliksemschichten, die het ruim doorkliefden, waren verblindend wit,

terwijl de donderslagen zoo hevig waren, dat het schip tot in zijne

inhouten dreunde en het gehoor pijnlijk aangedaan werd. De regen, die

viel, was een echte intertropische regen. Het waren geen droppels die

vielen, maar waterstralen, schier ter dikte van een pijpesteel, die

dicht naast elkander vallende, een scherm, een gordijn van water

vormden, welke belette, op weinige passen afstand iets te ontwaren.

Toen die regen viel, ontspon zich een allerkoddigst tooneel op het dek

van het fregat. Dat, met zooveel menschen aan boord, zeer zuinig met

den watervoorraad moest omgesprongen worden, ligt voor de hand. Er werd

niet meer verstrekt dan stipt noodig was. Voor het wasschen van

kleedingstukken b.v. werd geen droppel uitgegeven, en moesten matrozen

en soldaten hunne plunje met zeewater reinigen, waarbij de zoogenaamde

zeezeep, die van Harderwijk medegegeven was, dezelfde dienst als een

stuk kaarsvet, waarmede het goed ingesmeerd werd, deed. Toen nu het

regenwater zoo overvloedig begon te stroomen, waren al heel spoedig een

groot aantal handen bedrijvig om het dek van de Fernandina Maria Emma

in eene waschtobbe te veranderen, en vloten vooruit geheele beken

zeepsop, die evenwel door den dicht neervallenden regen dadelijk

weggespoeld werden. Overal zag men mannen de stralen water opvangen,

die van de zonnetenten, uit de zeilen langs het touwwerk enz.

afstroomden, deze in een kom, gene in eene mok, een derde in een leeg

blik van verduurzaamde levensmiddelen, een andere in zijne veldflesch;

en hoewel dat regenwater door de aanraking met het geteerd touwwerk wel

een bruin tintje deelachtig was geworden, zoo werd toch menigen

hartigen teug van het overvloedige vocht genomen, want het water uit

den scheepsvoorraad had o! zoo’n muffe lucht en smaak.

Toen de zon ondergegaan was, scheurde het floers dat den hemel bedekte.

De regen hield op, de wolken verspreidden zich of losten zich op en

weldra schitterden de sterren aan het uitspansel en weerkaatsten

liefelijk in den oceaan. De zuidoostpassaat zuchtte zacht door het

touwwerk van het fregat en vulde de bovenzeilen, die weldra bijgezet

waren, maar die hij toch nog niet vermocht bol te doen staan.

„Dat zal wel beter gaan,” verzekerde kapitein Butteling. „Als wij dien

passaat maar eerst te pakken hebben! Hoe zuidelijker wij komen, hoe

meer hij zal doorstaan en ook hoe ruimer hij zal worden.”

Ja, de voorspelling kwam uit. Reeds den volgenden dag—8

November—stonden de zeilen iets boller en wees het middagbestek aan,

dat men op 5° 13′ noorderbreedte en 24° 26′ westerlengte gekomen was,

en dat het fregat in het laatste etmaal 27 mijlen had afgelegd. Dat

laatste cijfer klonk niet hoog; daarbij moest evenwel in rekening

gebracht worden, dat gedurende een groot gedeelte van het etmaal

windstilte geheerscht had, terwijl de later doorgekomen passaat zich

nog niet krachtig had laten gelden.

Het was dien dag zondag en bijgevolg zouden Frank Brinkman en Herman

Riethoven weer de gasten van den heer Groenewald zijn. Toen de

jongelieden hunne opwachting bij de dames van hunnen gastheer gemaakt

en dezen laatsten de hand gedrukt hadden, verzocht Frank den heer

Groenewald hen in de gelegenheid te stellen den detachements-kommandant

en den scheepsgezaghebber te spreken. Zij hadden, beweerden zij, die

autoriteiten wichtige mededeelingen te doen en hadden om opzien te

vermijden, het rapport niet willen aanvragen, dat trouwens op zondag

niet gehouden werd.

Weinige oogenblikken later hadden de twee onderofficieren in de kajuit

van kapitein Butteling plaats genomen en verbeidden hunne toehoorders

de toegezegde mededeelingen.

„Heden nacht kon ik door de warmte beneden niet slapen,” sprak sergeant

Riethoven, „ik had dan ook mijn beddeken opgenomen, eene toevlucht op

de koebrug gezocht en daar eene uitmuntende schuilplaats gevonden in

het koelzeil, dat op die brug neergelaten was. Ik had daar eene

heerlijke ligplaats en zou ook daar een gerusten slaap genoten hebben,

ware het niet dat een fluisterend gesprek, hetwelk onder de koebrug

vlak onder mij gehouden werd, mijne aandacht getrokken had. Gij weet

het, dat bij de vreeselijke warmte, die in deze streken in het

tusschendek heerscht, velen hunne toevlucht op het dek zoeken, en dat

daar groepjes tot laat in den nacht zitten te praten. Ik was dus

daaraan gewoon en zou ook op dit gesprek niet gelet hebben, wanneer de

bijzondere zorgen om toch door niemand anders verstaan te worden, mijne

nieuwsgierigheid niet opgewekt had. Zoodra toch de stem van een der

sprekers slechts even het fluisteren te boven ging, klonk een

waarschuwend: sjt! sjt! en deed die stem dalen. Mij ontging daar boven

geene lettergreep, hoe zacht zij ook fluisterden.

„Het gesprek werd in het Duitsch gevoerd, en had tot onderwerp een

opstand, die gesmeed wordt, om zich van het schip meester te maken en

daarmee kaap Hoorn om te stevenen, en eene toevlucht in een der havens

van de westkust van Zuid-Amerika te zoeken. Ik heb zelfs den naam van

Iquique gehoord.”

Kapitein Butteling greep eene kaart en tuurde daar een oogenblik op.

„Drommels! ze houden van reizen,” zeide hij. „Iquique ligt op de

Peruaansche kust op 21° zuiderbreedte. Maar ga voort.”

„Het plan schijnt zeer eenvoudig te zijn. De samenzweerders meenen den

dag van het Neptunus-feest uitstekend te kunnen benuttigen.”

„Dus, dat is vrij aanstaande,” zei kapitein Van Dam niet zonder

bezorgdheid.

„Ik denk dat wij den 11en of 12en den evenaar zullen snijden,”

antwoordde kapitein Butteling. „Maar ga voort, sergeant.”

„Men schijnt er op te rekenen dat dien dag veelvuldig extra-oorlam zal

geschonken worden, en dat het grootste gedeelte van het detachement en

verreweg de meeste matrozen des avonds, ten gevolge van den genoten

sterken drank, zeer slaperig zullen zijn. In het holst van den nacht

zullen de samenzweerders zich op de scheeps-officieren en de passagiers

achteruit werpen en die....”

Hier aarzelde Herman een oogenblik.

„En die vermoorden, niet waar?” vulde kapitein Van Dam aan. „Ga voort

toch.”

„Daaromtrent zijn de meeningen verdeeld. Er zijn er bij, die tegen

bloedvergieten gestemd zijn; maar het meerendeel der samenzweerders is

er voor, den detachements-kommandant met zijne officieren over boord te

werpen....”

„Niets minder dan dat?” vroeg kapitein Van Dam lachend.

„En van de scheepsofficieren slechts die te sparen, die gereed zouden

zijn het schip naar Iquique te voeren; terwijl de hoop gekoesterd

wordt, dat bij weigering de stuurlieden Abels en Bagman daartoe te

noodzaken zullen zijn, al was het door middel van mishandeling.”

„Maar hoe groot is het getal dier samenzweerders?” vroeg kapitein Van

Dam.

„Dat weet ik niet, kapitein,” antwoordde Herman. „Ik mocht geene

beweging maken, om mij niet te verraden en in die buis van zeildoek,

waarin ik mij besloten bevond, was niets te ontwaren. Toen ik in dat

koelzeil kroop, zat niemand onder de koebrug, dat kan ik verklaren. Op

het aantal stemmen, die ik waarnam, afgaande, zou ik zeggen, dat daar

een twaalftal personen vereenigd zijn geweest.”

„Hebt gij ook een hunner aan zijne stem herkend?” vroeg kapitein Van

Dam.

„Geen enkelen, kapitein. Maar, daarvan ben ik overtuigd, dat het

meerendeel Zwitsers zijn, en dat onder hen ook een paar Duitschers

schuilen.”

„Het zou toch onzinnig zijn met een twaalftal zoo’n onderneming op touw

te zetten,” meende kapitein Butteling.

„Zij hebben vele aanhangers onder de overige Zwitsers en Duitschers.

Ja, ze schijnen op al de vreemdelingen te mogen rekenen.”

„En ook op Hollanders?” vroeg kapitein Van Dam met veel belangstelling.

„Die wantrouwt men ten hoogste. Als het oogenblik van uitvoering daar

zal zijn, zal men het groote luik dicht gooien, om hen te verhinderen

aan het dek te komen. Toch heb ik een naam hooren noemen van een

Hollander, die in het complot betrokken schijnt.”

„En die naam is?”

„Zondervan, kapitein. Een Amsterdamsche jood.”

Nathan Zondervan was zoo wat de negociant aan boord. Hij dreef handel

in alles, wat in de gegeven omstandigheden maar te bedenken was. Hij

had zwam, vuurslag en vuursteenen in voorraad; hij verkocht tabak en

sigaren, die schrikkelijk stonken; hij verschacherde zijne

scheepsbeschuit, soms zijn ration wijn, steeds zijn ration spek,

waarvoor hij in een Pommerschen boerenlummel een willigen kooper

gevonden had. Maar het meesterstuk van zijn handel was het verkwanselen

van zijn oorlam. Daarin had hij het toppunt van handelsgenialiteit

bereikt. Het was natuurlijk stipt verboden het ration jenever, dat

driemaal daags verstrekt werd, op te zamelen. Ieder militair was

verplicht bij den stuurman, die de oorlam uitreikte, zijn rantsoen

sterken drank terstond uit te drinken. Steeds was een der officieren

bij de distributie aanwezig, en hadden de onderofficieren en korporaals

in last, scherp op de nakoming van deze verordening toe te zien. Dat

evenwel zoo’n onnoozel musje jenever, hetgeen ongeveer vijf

vingerhoeden bevatte, voor menig dranklustigen niets meer dan eene

kwelling was, is wel te begrijpen. De listen waren dan ook veelvuldig,

die gebezigd werden, om die bepaling te ontduiken; en Nathan Zondervan

had daarin eene hoogte bereikt, die ongeëvenaard mocht heeten. Bij elke

gelegenheid, dat oorlam uitgereikt werd, trad hij voor, wanneer zijn

naam afgeroepen werd, nam het blikken maatje, waarin de jenever

uitgemeten was, van den stuurman aan, wipte den inhoud met eene

onnavolgbare bevallige beweging der hand in zijn wijd opengesperden

mond, sloot dien, draaide onberispelijk op zijne hielen, bracht het

buitenvlak zijner rechterhand eerbiedig aan de klep zijner kwartiermuts

voor den toezichthebbenden officier en verwijderde zich; terwijl een

andere naam afgeroepen werd, en de drager van dien voortrad om op zijne

beurt dat lekkere kostje in ontvangst te nemen.

Wie evenwel Nathan Zondervan navolgde, zag hem achter den fokkemast

sluipen en daar den inhoud van zijn mond zorgvuldig, zonder een droppel

verloren te laten gaan, in een blikken mokje ledigen, hetwelk hem door

een ander, door een dronkaard voorgehouden werd, die dien dronk

telkenmale met een dubbeltje betaalde. Die bijzonderheid wist men toen

niet; maar vernam die eerst later.

Toen de beide kapiteins het verhaal van Herman Riethoven aangehoord

hadden, legden zij hem en ook aan Frank het diepste zwijgen op. Met

geen woord, met geen gebaar mochten zij laten blijken, dat zij iets van

den toeleg wisten. De beide kapiteins eischten die geheimhouding

eensdeels: omdat zij nog zoo geheel overtuigd niet waren, dat een

zoodanig komplot gesmeed was, anderdeels: omdat, bestond zoo’n komplot,

de minste argwaan tot eene ontijdige uitbarsting aanleiding kon geven;

terwijl eindelijk van de schuldigen niemand bekend was en het toch zaak

was, de belhamels te ontmaskeren.

„Laten wij nu weer naar het dek gaan” sprak kapitein Butteling. „Straks

na den lunch verzoek ik evenwel de beide jongelieden mij een handje te

willen helpen, de scheepswapenen in gereedheid te brengen.”

„Wilt gij nog meer helpers hebben?” vroeg kapitein Van Dam.

„Neen, neen, wij zijn talrijk genoeg. Meer helpers kunnen slechts doen

uitlekken, dat wij op de hoogte zijn.”

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 14 / 26 段