te vertellen en ben bereid die belofte gedeeltelijk te voldoen. Ik zeg
gedeeltelijk; omdat mijne mededeelingen slechts het eiland Teneriffe,
langs welks noordkust wij dobberen, zullen betreffen. Dat eiland heb ik
ook slechts betreden, alsook Gran Canaria voor slechts weinige uren;
van de overigen weet ik nagenoeg niets. Luistert dus:
„Het eiland heeft den vorm van een scheefzijdigen driehoek, waarvan een
der hoekpunten, de noordoostelijke, met een kolossalen uitwas bezet zou
zijn, en beslaat eene oppervlakte van 41.5 vierkante geogr. mijlen. Het
is, zooals gij zien kunt, zeer bergachtig en gij hebt slechts het oog
te slaan op dien kegelberg, die zich daar ginds in het midden van het
eiland verheft, om te beseffen, dat het een vuurspuwende berg en de
bodem van het eiland van vulkanischen oorsprong is. Zooals gij onder de
verlichting der ondergaande zon ontwaren kunt, loopt de kust als eene
nagenoeg onafgebrokene lijn voort en daalt steil in zee af, zonder
baaien of inhammen van eenige beteekenis te vormen....”
„Maar op den anderen kant van het eiland?” vroeg kapitein Van Dam.
„Daar wordt hetzelfde verschijnsel aangetroffen. Alleen bij den
noordoosthoek wordt door die kaap daar ginds eene soort baai, naar de
zuidzijde gekeerd, gevormd. Ik vertelde heden ochtend dat de Pico de
Teyde, zooals de vulkaan door de inboorlingen genoemd wordt, in zijn
top Piton geheeten, eene hoogte van 11872 voet boven de oppervlakte der
zee bereikt. Ik kan er als zeeman bijvoegen, dat hij bij helder weder
op 200 Nederlandsche mijlen zichtbaar is.”
„Drommels,” zei kapitein Van Dam „dat zou een aardige vuurtoren zijn.”
„Ja, als er licht op aangestoken kon worden,” antwoordde de
gezagvoerder.
„Maar, als vuurspuwende berg zal hij zich toch wel eens laten gelden”
meende Denniston.
„Jawel, soms meer dan den bewoners lief is. Zoo verwoestte hij nog in
1706 bij eene uitbarsting Puorto Guarachio, eene kleine havenstad, hier
op de noordkust gelegen, die zich sedert nimmer hersteld heeft, en
waarvan gij de weinige huizen, waaruit zij thans bestaat, daar ginds
bij de kaap Buena Vista kunt zien liggen. Maar sedert onheugelijke
tijden hebben geene uitbarstingen langs zijn top meer plaats gehad,
hoewel die door eene krateropening doorboord is. Steeds baant het
onderaardsche vuur zich een weg op de flanken van den berg, gewoonlijk
in eene plooi tusschen twee lengteribben. Het is jammer, dat het niet
een paar maanden later is.”
„Waarom?” was de algemeene vraag.
„Dan zoudt gij een zeer fraai gezicht genieten. Van November tot April
toch is de Piton, die door de bevolking daarom ook Pan de Azucar
(suikerbrood) genoemd wordt, met sneeuw bedekt, die dan onder de
zonnestralen aan glinsterend zilver gelijk is, en een prachtvol effekt
maakt daar boven op dien steeds groenen kegelberg. Bedenkt, dat wij
hier niet ver van den noorder-keerkring verwijderd zijn.”
„Hebt gij dien berg beklommen, kapitein?” vroeg Emma Groenewald.
„Gedeeltelijk slechts, juffrouw,” antwoordde de kapitein. „Ik was niet
als toerist op het eiland en kon mij niet bewegen, zooals ik wilde.
Misschien vertel ik later eens, hoe ik op dat eiland verzeild geraakt
ben.”
„Zijt gij bij de ijsgrotten geweest?” vroeg een der aanwezigen.
„Bij de „cueva del hiels”? Neen, zoo hoog heb ik het niet gebracht. Die
zijn boven vlak bij den Piton gelegen. Maar op de hellingen heb ik de
„narices” gezien, dat zijn spleten, waaruit heete dampen opstijgen, dus
ware fumarolen. Het eigenaardigste van die beklimming is, dat daarbij
nagenoeg het geheele plantenrijk der verschillende zonen den bezoeker
onder de oogen komt. Van de kust tot aan den voet van den berg en zelfs
tot op eene zekere hoogte daarboven, spreidt zich een tropische
plantengroei voor het oog uit, waaraan de fraaiste palmsoorten als de
cocospalm, de dadelpalm, de drakenbloedboom en ook vele pisangsoorten,
alsmede uitgestrekte velden van suikerriet [44] haren eigenaardigen
stempel verleenen. Stijgt men hooger dan 1200 voet, dan komt men in den
gematigden gordel. Daar worden fraaie wijngaarden, olijf- en
kastanje-bosschen en maïsvelden, allen zoo weelderig als in het zuiden
van Frankrijk, als in Spanje, Italië, Griekenland en Klein-Azië,
aangetroffen. Iets hooger komen den bezoeker olmboschjes en groepen
eikenboomen onder het oog, waarnaast graanvelden evenals in ons
vaderland. Boven de 4000 voet heeft men de wolken-zone, waarin vele
laurier- en rododendron-boschjes worden aangetroffen. Daar bloeien de
fraaiste rozen der wereld. Boven de 5000 voet treft men den gordel der
naaldboomen aan, die eerst krachtig en verheven, al kleiner en kleiner
van gestalte worden, naarmate men hooger klimt, totdat op 10,000 voet
de „retama blanca”, de witte strook, bereikt wordt, waarmede de
inboorlingen die streek aanduiden, waar slechts eenige alpenplanten
tieren, die gedurende de wintermaanden onder eene dikke sneeuwlaag
bedolven zijn. De eigenlijke Piton, die als uitbarstingskegel boven den
verheffingskrater uitsteekt, bestaat uit lava, brokstukken of rapilli
en vulkanische asch, waarop volstrekt geen plantengroei voorkomt.”
„Gij hebt zoo even in uwe opsomming der voorkomende gewassen den
drakenbloedboom genoemd” zei de apotheker Behren. „Van waar hebt gij de
bestijging des bergs ondernomen, kapitein?”
„Van Orotava, eene kleine plaats op de noordkust gelegen, die gij daar
ginds ten zuidoosten van ons ontwaren kunt. Ziet daar, waar die
lichtjes fonkelen.”
„Waar men het gas opsteekt,” merkte Emma op.
„Het gas!...” antwoordde kapitein Butteling. „Het mocht wat! Neen,
zoover zijn de bewoners dezer eilanden nog niet. Zij bezitten zelfs
geene straatverlichting. De lichtjes, die gij daar ginds flikkeren
ziet, zijn eenvoudige olielampen, waarmede de bewoners hunne
binnenvertrekken verlichten. Maar, mijnheer Behren, gij vraagdet
mij....?”
Stuurman Abels naderde den groep in dit oogenblik.
„Zuider-bries,” zei hij tot kapitein Butteling, terwijl hij naar den
windwijzer op den top van den grooten mast wees.
„De landwind, die gewoonlijk tegen dit uur invalt, stuurman,”
antwoordde de gezagvoerder. „Ik verwachtte hem. Laat de beneden zeilen
geien, dan krijgen wij wat verademing op het dek, laat de bovenzeilen
bij den wind brassen en dan maar op en neer houden, wij kunnen met die
bries toch geen koers zetten.”
De stuurman bracht zijn fluitje aan den mond. In een oogwenk was de
geheele bemanning in beweging. De kapitein sloeg de manoeuvre met
aandachtig oog gade. Toen het fregat onder den zachten druk zijner
bovenzeilen licht stuurboord overhelde en westwaarts opstevende, hernam
hij:
„Mijnheer Behren, gij vraagdet mij, van waar ik mijne bergbeklimming
aangevangen had. Hadt gij eenige bedoeling met die vraag?”
„Ja, kapitein. Ik wilde u vragen of gij den beroemden drakenbloedboom
van Orotava gezien hebt?”
„Welzeker.”
„Kunt gij ons er eene beschrijving van geven?”
„Helaas! dames en heeren, ik ben geen plantenkundige en zal daarin te
kort schieten. Ziet hier, wat ik er van mededeelen kan. Het is een
wonderlijke boom, volgens de geleerden tot de palmsoorten behoorende.
Hij heeft een stam, die, ruw en knoestig, eene hoogte van 24 M. of ruim
76 voet tot aan de eerste vertakkingen bereikt. Even boven zijn wortel
heeft hij een omvang van 16 meter, terwijl hij op 3 meter hoogte boven
den grond nog ongeveer 12 meters omtrek heeft. De kroon verdeelt zich
in ontelbare vertakkingen en ondervertakkingen, die aan hare uiteinden
bossen van sierlijke lancetvormige bladeren vertoonen, welke de lengte
van ongeveer een halven meter bereiken. Daardoor ontstaat een net van
dikke verwarde takken, die met haren bladerendos een dicht scherm
vormen, hetwelk voor de scherpste stralen der zon, die hier zich reeds
heet kunnen doen gevoelen, ondoordringbaar is. Als men bij dien boom
staat, voelt men zich klein en nietig [45].
„Dat er eene menigte sprookjes aan dien boom verbonden zijn, zal u niet
vreemd in de ooren klinken. Een dier sprookjes duidt er onder anderen
op, dat die boom een tijdgenoot van Adam en Eva zou zijn geweest.”
„Dat is toch overdreven; niet waar mijnheer Behren?” vroeg Emma den
apotheker.
„Zoo heel veel overdreven niet, juffrouw Emma” antwoordde deze. „Als
het waar is, dat er een menschenpaar geschapen is, zooals het Bijbelsch
verhaal levert, dan zou dat onder de schaduw van dien boom hebben
kunnen schuilen voor de zonnestralen, die hier lang niet malsch
zijn;—wel te verstaan, wanneer het aardsch paradijs op dit eiland
gelegen geweest ware.”
„Dat komt mij toch overdreven voor,” betuigde Adelien op hare beurt.
„Laten wij eens rekenen,” zei Behren. „Volgens de Alexandrijnsche
tijdrekening zijn ruim 7360, volgens de Juliaansche bijna 6570 en
volgens de Hebreeuwsche ruim 5610 jaren sedert de schepping der wereld
verloopen. Laten wij, om die rekenmeesters in overeenstemming te
brengen, het gemiddelde van die opgaven nemen, dan zouden Adam en Eva
zoo omstreeks 6500 jaren geleden geschapen zijn. Nu geeft de groote
natuurkenner Alexander von Humboldt op, dat die boom een ouderdom van
6000 jaren heeft bereikt. Gij weet, dat de aartsvaders vrij oud werden.
Adam en Eva zullen in dat voorrecht wel gedeeld hebben. Von Humboldt
sprak zijne meening in 1799 dus ruim eene halve eeuw geleden uit. Neen,
het is zoo geheel verwerpelijk niet, dien drakenbloedboom als
tijdgenoot van het eerste menschenpaar aan te merken.”
„Maar, dat is dan toch de eenige boom, die als zoo oud op te geven is?”
vroeg Adelien.
„Neen, lieve dame,” antwoordde Behren. „In Amerika heeft een genoemde
Lobb in 1815 op de Sierra Nevada een groep cederboomen ontdekt, die hij
reuzen of mammouthsboomen heette; maar door de geleerden Wellingtonia
gigantea genoemd werden. Het zijn naaldboomen, waarvan ettelijke
exemplaren 130 M. of ruim 410 voet hoogte en een middellijn van 10 M.
bereikt hebben. De plantenkundigen hebben uitgemaakt, dat de oudsten
dier boomen minstens 6000 jaren oud zijn.”
„Verbazend!” zeiden de jonge dames.
„Maar Behrtje,” vroeg kapitein Van Dam, „hoe maken die plantenkundigen
zoo’n hoogen ouderdom uit. Zij hebben toch geen geboorteregister of
stamboek tot hunne beschikking. Zij kunnen den boom ook niet in den bek
zien?”
Behren had geen tijd om te antwoorden en was er niet rouwig om.
Stuurman Abels trad op kapitein Butteling toe.
„Er zijn vijf schepen in het gezicht,” sprak hij.
De gezagvoerder sprong op en inderdaad, toen hij den kijker genomen
had, kon hij zich overtuigen, dat stuurman Abels waarheid gerapporteerd
had.
Alle passagiers groepeerden zich om den kapitein, en keken verlangend
uit.
„Er is bij de avondschemering weinig te onderscheiden,” pruttelde de
gezagvoerder, na een poos getuurd te hebben. „Zij schijnen van den
landwind gebruik te te maken om op te werken. Drie er van liggen over
denzelfden boeg als wij, de twee anderen over den anderen boeg.”
„Zouden die schepen nabij komen?” vroeg Emma.
„Waarschijnlijk, juffrouw, en meer nabij dan mij wel lief is,”
antwoordde de kapitein. „Het zal van nacht oppassen heeten, stuurman.
Voert het schip zijne lichten?”
„Ja, kapitein.”
En inderdaad het fregat vertoonde aan bakboord vooruit een rood en aan
stuurboord een groen licht. Kapitein Butteling overtuigde zich, dat die
lichten helder brandden.
Langzamerhand naderden de gemelde vaartuigen; maar het was omstreeks
middernacht, eer dat zij in het vaarwater van de Fernandina Maria Emma
waren. Onze reizigers zaten die heen en weder laverende schepen eenigen
tijd aan te staren; in dat nachtelijke uur was evenwel niet veel meer
dan hare seinlichten en hare donkere omtrekken te ontwaren; zoodat dat
gezicht niemand lang kon boeien en de teleurgestelden een voor een
afdropen om zich te kooi te begeven.
Maar den volgenden ochtend was het een schilderachtig gezicht, dat zich
aan de blikken van de opvarenden van de Fernandina Maria Emma voordeed.
De landwind was wegstervende; alleen de lichte bovenzeilen waren
gedeeltelijk gevuld, maar dienden slechts om het schip stuur te doen
houden. Van vooruitstevenen was geen spraak. Toen de passagiers aan het
dek kwamen, lag ons fregat te midden van de vijf schepen, die den
vorigen avond gesignaleerd waren, en nu binnen een kring van een 5 à
600 M. straal rondom de Fernandina Maria Emma dobberden. Het was een
prettig gezicht, al die witte zeilen daar boven die blauwe watervlakte
te ontwaren en hen zich daarin te zien spiegelen. Bij zonsopgang
weerklonken allerwegen de fluitjes der stuurlieden aan boord van die
vaartuigen, en rezen op dat signaal de vlaggen omhoog en wapperden aan
de gaffels. Scheeps- en tooneelkijkers werden ijverig gebruikt om
elkander te bespieden.
„Daar is een Engelschman, en.... daar nog een!” riep kapitein
Butteling.
„En daar een Spanjaard! en daar een Deen!” vulde stuurman Abels aan.
„En daar een Hollander!” wees kapitein Van Dam. „Waarachtig een
Hollander!”
„Waar? waar? ....” vroeg kapitein Butteling met eenige drift.
„Daar ginds, die bark in het noordwesten. Kijk, daar gaat hij over
stag. Nu kunt gij zijn vlag niet zien.”
Na een poos door zijn langen scheepskijker getuurd te hebben, riep
stuurman Abels plotseling uit:
„Maar, dat is de stad Leiden, die twintig dagen voor ons uitgezeild
is!”
„Is het mogelijk?” riepen de verzamelde passagiers.
„Er valt zich niet te vergissen. Ik ben twee jaren lang stuurman aan
boord van dat schip geweest. Het behoort aan hetzelfde kantoor als de
Fernandina Maria Emma.”
Men scheen aan boord van de stad Leiden ons fregat ook herkend te
hebben; want onmiddellijk ging die bark overstag en manoeuvreerden de
beide schepen derwijze, dat zij elkander naderden. Inmiddels stierf de
landwind weg en werd het bladstil. Het vijftal schepen lag dicht bij
elkander—de stad Leiden was geen 300 M van de Fernandina Maria Emma
verwijderd—; terwijl het eiland Teneriffe met zijn fraaien plantentooi,
die den rijkdom der tropische Flora vrij nabij kwam, zich op een
kleinen afstand bekoorlijk uitstrekte. Kapitein Butteling maakte van de
windstilte gebruik, om stuurman Bagman met de jol naar de Nederlandsche
bark te zenden ten einde berichten in te winnen. Deze kwam een paar uur
later aan boord van het fregat terug met de tijding dat de stad Leiden
bij het uitkomen van het Engelsche Kanaal, door een zuidwester storm
beloopen was geworden, dat men voor top en takel had moeten lenzen en
men met heel veel moeite kaap Clear en Mizen Point [46] vrijgeloopen
was. Het schip had toen, steeds door den storm voortgezweept, langs de
Iersche westkust moeten houden en had daarbij zeer veel averij aan tuig
en verschansing ondervonden. Toen de storm bedaarde, schoot de wind in
het westen. Van die gelegenheid, werd gebruik gemaakt, om weer
zuidwaarts te sturen en eene toevlucht te Swansea in het Bristol-kanaal
te zoeken, alwaar de bark eene reparatie onderging, die ongeveer acht
dagen vereischte. Van Swansea in zee gestoken, was de gelegenheid tot
de Canarische eilanden evenwel gunstig geweest.
„Dan hebben wij het veel beter getroffen,” zei Frank Brinkman, toen
stuurman Bagman die wederwaardigheden den beide onderofficieren ook
mededeelde.
Tegen negen uur viel de verwachte zeewind niet in. Of kapitein
Butteling ontelbare malen naar den windwijzer boven de kruissteng keek,
of hij ook al eens floot om den wind te roepen, het was alles te
vergeefs. Het bleef bladstil en dat bleef zoo een paar dagen duren. Wel
verhief zich des avonds een zachte landbries; maar die blies uit het
zuiden, daarmee was niet tusschen die eilanden uit te geraken en koers
te zetten. Die landwind noodzaakte slechts de gezaghebbers der
verschillende schepen, die daar tusschen dien archipel zwierven, tot
verdubbelde waakzaamheid.
Eindelijk woei den 28en October eene westelijke bries, die hoewel niet
sterk, toch zoo veel door stond, dat de Fernandina Maria Emma de
zeeëngte tusschen de eilanden Teneriffe en Gomera kon binnen stevenen.
Die vaart eischte de grootste oplettendheid van kapitein Butteling;
want de stroom in die Straat was sterk en het vaarwater was niet breed,
terwijl op de bries niet veel te vertrouwen was. Ieder was dan ook op
zijn post, om terstond het anker te kunnen laten vallen, wanneer de
wind het fregat in den steek mocht laten. Maar die doortocht werd
gelukkig volbracht, en de reizigers konden ten volle het schoone
gezicht genieten, hetwelk die beide bergachtige eilanden met hunnen
fraaien plantentooi opleverden. Vooral trok de branding, die op kaap
Teno, den noordwestpunt van Teneriffe, brak, de aandacht der opvarenden
zeer. Hoewel de zee uiterst kalm was, rolde de Oceaan toch statige
deininggolven, die op de rotsen, welke dat voorgebergte omgaven,
braken, hoog opspatten en soms den vorm aannamen van verblindend witte
zuilen, die daar voor een kort oogenblik verrezen en dan weer
neerploften.
Een zucht van verlichting ontsnapte toch kapitein Butteling, toen het
schip kaap Becerro, de zuidpunt van het eiland Gomera, te boven was
gekomen. Het was toen ongeveer tien uren in den morgen.
„Bezaanschoot aan!” riep hij met vergenoegd gelaat tot stuurman Abels,
nadat die op zijn bevel eerst het schip iets had laten afvallen en
daarna alle zeilen, die bijgezet konden worden, had doen ontplooien.
En zich tot zijne passagiers wendende:
„Komaan de zeiltjes staan bol en het fregat legt koers. Een glas
Teneriffe [47] zal nu wel smaken. Er is mij een pak van het hart, dat
wil ik wel bekennen.”
Allen schaarden zich rondom hem in de verwachting, dat er wel wat
volgen zou. Alvorens evenwel zijn verhaal te beginnen, wenkte kapitein
Butteling de sergeanten Riethoven en Brinkman tot zich, om van het
gehoor te zijn.
„Met uw verlof, kapitein Van Dam?” sprak hij tot dezen op vragenden
toon.
De toegesprokene knikte toestemmend en blijkbaar met welgevallen.
Beide kapiteins werden met een dankbaren blik door Adelien Groenewald
beloond, voor wie èn de vraag èn het toestemmend gebaar niet verloren
gegaan waren.
Toen allen, ook Herman en Frank, bij den bezaansmast rondom den
scheepsgezagvoerder gezeten waren, wilde hij beginnen....
„Maar, waar is de stad Leiden, waar zijn de andere schepen gebleven?”
viel hem de heer Groenewald in de rede.
„Die lagen gisteren avond westelijk genoeg om tusschen de eilanden
Palma en Hierro door te stevenen, en zoo het ruime sop te bereiken. Als
die daar nu ook diezelfde gelegenheid treffen als wij hier, dan is
hunne manoeuvre goed geweest, anders liggen ze daar nu in katzjammer te
dobberen. Ik heb al uitgekeken, toen wij Gomera voorbij gestevend
waren; maar er was niets te ontwaren aan de kim.”
VII.
TUSSCHEN DE KEERKRINGEN.
„Het is jaren geleden,” zoo begon kapitein Butteling, „dat ik stuurman
was op de brik Senhora Dolorès, die,—ik heb het u reeds
verhaald,—geregelde reizen deed van Barcelona, aan de Middellandsche
zee gelegen, hier naar Santa Cruz di Teneriffe.”
„Waar ligt die plaats, wij hebben ze niet gezien?” vroeg Van
Diepbrugge.
„Dat is de hoofdplaats, en de zetel van den Gouverneur der Canarische
eilanden. Zij telt ongeveer 12.000 inwoners en bezit eene vrij goede
haven, die door eenige forten tegen eene vijandelijke overrompeling
beveiligd is. Wij hebben haar niet kunnen zien; omdat zij aan het
noordelijkste gedeelte van de zuidoostkust van het eiland gelegen is,
en wij langs de noordkust dobberden, daarna langs de zuidwestkust
stevenden en nu zuid zuidwestwaarts koers zetten.
„Bij een dier reizen der Senhora Dolorès, of beter, bij de laatste, die
zij volvoerde, werden wij eerst door hevige westelijke en
zuidwestelijke winden bij het uitkomen van Straat Gibraltar geteisterd.
Den tweeden dag reeds strandden wij bijna bij kaap Raz-el-Hoedik op de
Marokkaansche kust; terwijl wij drie dagen later met de meeste moeite
Kaap Sint Vincent, de zuidwestelijkste punt van Portugal, vrij kwamen.
Maar, eindelijk liep de wind naar het noorden en konden wij met volle
zeilen op ons doel afgaan. Maar, even als wij het nu getroffen hebben,
trad, kort nadat wij Madera verkend hadden, stilte in, en dobberden wij
vier lange dagen tusschen Palma en Teneriffe. Eindelijk kwam een
noordwester bries door, evenwel zoo zwak, dat het mij toescheen, dat
wij daarmede den stroom, die tusschen de Canarische eilanden
aangetroffen wordt, niet zouden mogen trotseeren. Ik deelde den
kapitein mijne meening mee, en zei hem onbewimpeld, dat er gevaar bij
dien doortocht bestond. Die kapitein—overigens een braaf man—was een
volbloed Spanjaard, en bezat derhalve eene hooghartige inborst. Hij
vond het vooral ondragelijk, dat een zijner ondergeschikten hem een
bemerking maakte, hoewel ik wel gezorgd had, dat mijne mededeeling dien
vorm niet aangenomen had. De Senhora Dolorès overdekte zich dan ook met
zeilen en stevende met alle vlaggen in top, als of zij feestvierde, de
zeeëngte in, die wij pas verlaten hebben. Aanvankelijk ging het goed.
Met een viermijls vaart naderden wij de Straat. Die snelheid nam
evenwel toe, terwijl helaas, de bries niet in kracht vermeerderde,
integendeel bij het naderen van den wal langzamerhand wegstierf. Toen
we onder de kust gekomen waren, klapperden de zeilen tegen de masten.
Het schip had geen stuur meer, en werd door den stroom meegesleept. Een
ramp stond voor de deur. In het eerst evenwel liet het gevaar zich niet
dreigend aanzien. De brik hield vrij wel het midden van het vaarwater.
Als dat slechts een uur lang zoo bleef, dan ware de doortocht volbracht
en zou de Senhora Dolorès in veilig water aangekomen zijn. De kapitein
wreef zich in de handen en beantwoordde mijn verzoek om een der ankers
gereed te mogen maken met een spottenden glimlach. Volgens hem ging
alles goed. Er zou tijd genoeg zijn om dat anker buiten boord te
brengen, wanneer men de zeeëngte gepasseerd was. Hij scheen gelijk te
hebben. Alles bleef nog goed gaan. Op een gegeven oogenblik evenwel
meende ik, dat de Senhora Dolorès den bakboord-wal meer naderde. Ik
deelde mijne opmerking volgens plicht den kapitein mede.
„„Laat mij toch met rust, stuurman!” antwoordde hij mij eenigszins
verstoord. „Ik wist niet, dat een Hollandsch zeeman zoo bevreesd kon
zijn.”
„„Ik ben niet bevreesd, kapitein,” antwoordde ik; „maar wij naderen
kaap Christianos en daar is het zeer vuil om de kust. Daar zijn vele
klippen.”
„Er viel zich niet meer te vergissen of te misleiden. De branding op
die klippen, welke in pracht voor haar, die gij bij kaap Teno straks
bij het voorbijvaren zoo bewonderd hebt, niet onderdeed, naderde al
meer en meer.
„Toch zag de kapitein van de Senhora Dolorès het gevaar nog niet in.
Het was of de man met blindheid geslagen was. Hij meende nog altijd,
dat de stroom de brik voorbij kaap Rasca, de zuidelijkste punt van
Teneriffe, waarvan wij niet ver verwijderd waren, zou voeren, toen het
vaartuig plotseling een lichten schok ondervond.
„„Wij stooten!” riep ik uit.
„„Looden!” kommandeerde de kapitein, thans met eenige bezorgdheid.
„Klaar bij het anker!”
„Het lood viel. De lijn liep uit.
„„Tachtig vadem, geen grond!” weerklonk het.
„Ik was naar de voorplecht gespoed, om bij het anker klaar maken te
zijn. De kapitein kwam naar mij toe.
„„Geen grond,” zei hij met een opgeruimd gelaat, „waarschijnlijk zijn
wij tegen een boomstam gedreven.”
„Ik keek over boord om dien boomstam te ontwaren. Ik had evenwel den
tijd niet om een antwoord uit te spreken. Een hevige schok deed ditmaal
de brik in alle hare binten sidderen; een oorverscheurend gekraak liet
zich hooren en bijna terzelfder tijd stortte de fokkemast omver en
sloeg over boord, in zijn val verscheidene matrozen, die bij het looden
behulpzaam waren, tegen de reeling verpletterende.
„„Laat vallen het anker!” schreeuwde de kapitein ten hoogste ontsteld.