bewijzen, is zoo natuurlijk geweest, dat ieder ander, daartoe in de
gelegenheid, zou gehandeld hebben als wij deden. Van dankbaarheid kan
dus geen sprake zijn. Intusschen nemen wij de uitnoodiging van mijnheer
Groenewald vol erkentelijkheid aan; zij zal ons eene zeer gewenschte
gelegenheid zijn, ons van tijd tot tijd en kortstondig in een anderen
kring te bewegen, dan het tusschendek ons kan aanbieden.”
De oogen der twee meisjes glinsterden van genoegen bij dit antwoord.
„Gelukkige kerels!” mompelde luitenant Leidermooi, „juffrouw Adelien
gered te hebben!”
Zijne inborst was evenwel te edel om meer dan een enkel verlangen, dat
hij in hunne plaats mocht geweest zijn, en geen onedelen ijverzucht ten
opzichte der onderofficieren in zijn hart toe te laten. Hij trad dan
ook rond en openhartig op hen toe, reikte hun de hand en heette hen
geluk met die redding. Al de overige passagiers, waaronder vooral de
heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge sloten zich daarbij aan, en in
een oogwenk bevonden de beide onderofficieren zich door welwillende
wezens omringd, die hun hunnen vroegeren omgang herinnerden. Alleen
luitenant Denniston had een oogenblik geaarzeld met het reiken eener
hand aan de jongelieden. Met zijne hooghartige inborst meende hij, dat
een te familiaren omgang met onderofficieren zijn gezag en bijgevolg
het prestige van den meerderen tegenover den minderen moest benadeelen.
Toen hij evenwel al de passagiers en daaronder ook kapitein Van Dam,
die een type van ridderlijken militairen geest moest genoemd worden, en
een stipt bewaker der ondergeschiktheid was, de jongelieden zag
omringen en hen met warmte de hand drukken, weifelde hij niet langer,
en kwam hen ook vriendelijk te gemoet. Het was hem ook geraden. Zijne
aarzeling, die niet onopgemerkt gebleven was, had Emma reeds de fraaie
wenkbrauwen doen fronsen. Zij bezon zich reeds, hoe zij dien verwaanden
luitenant die onwelvoegelijkheid volgens haar zoude inpeperen.
„Zoo is het goed!” sprak de heer Groenewald, „en daar het heden zondag
is, zijt gij mijne gasten! Sapada!...” Ouder gewoonte wilde hij roepen:
Sapada! bawa minoeman! [40] Bij het eerste woord bedacht hij zich
evenwel en riep glimlachende:
„Hofmeester, breng madera!”
„Als gij wat harder roept, mijnheer Groenewald,” zei kapitein Butteling
lachende, „dan zoudt gij de onvervalschte madera dry kunnen bekomen.”
„Hoedat zoo, kapitein? Ik hoop toch, dat de hofmeester geen vervalscht
bocht zal aanreiken.”
„Wij hebben het eiland Madera nu zoo wat aan bakboord dwars van ons,”
antwoordde kapitein Butteling.
„Goddank, dan zijn wij in mildere streken aangekomen,” sprak mevrouw
Groenewald. „Dan zullen wij heden avond den Piek van Teneriffe zien,
nietwaar kapitein?”
„Tu, tu, tu,” antwoordde kapitein Butteling „ik wou dat het waar was,
mevrouwtje. Het fregat loopt thans niet veel vaart. Ik durf te wedden,
dat het de vijftig mijlen in dit etmaal niet haalt. Als wij dien Piek
morgen ochtend zien, zal het al mooi zijn.”
En werkelijk, toen dien dag—25 October—het middagbestek opgemaakt werd,
bevond het fregat zich op 31° 25′ noorderbreedte en 18° 43′
westerlengte en had derhalve slechts 45½ mijl in het laatste etmaal
afgelegd.
Genoeglijk zat het gezelschap onder een glas madera te zamen, en was
het onzen onderofficieren wel te moede in dien kring. Het was ongeveer
één uur, toen de hofmeester de passagiers tot de lunch kwam noodigen.
„Is het weer lapskous?” vroeg Slierendrecht aan den maritiemen Vatèl.
„Ja, mijnheer,” was het antwoord.
„En lekker?”
„Overheerlijk!”
De beide onderofficieren spitsten de ooren.
„Lapskous?” vroeg Frank aan Adelien, die hij aan tafel geleidde. „Wat
wonderlijke naam!”
Het meisje glimlachte.
„Dichterlijk is hij voorzeker niet,” sprak zij „en de samenstelling van
dat kostje is nog prozaïscher.”
„Wat is het dan toch?”
„Kijk, daar staat het, die fraai bruingebakken massa in die schotels.
Het zijn de kliekjes vleesch, aardappelen, blikgroenten enz. die met
uien en veel boter opgebakken werden, tot zij met die bruine korst
overtogen waren.”
De lapskous werd, in weerwil van den raren naam, gekruid door een glas
goeden wijn, uitmuntend gevonden.
Ook het diner des avonds smaakte onzen onderofficieren uitstekend,
terwijl hartelijkheid en geestigheid het gesprek aan tafel kruidden.
Allen, maar vooral de familie Groenewald, beijverden zich de
gastvrijheid ten opzichte der jongelieden in hare volle uitgestrektheid
te betrachten, en hen die uren, daar achteruit doorgebracht, zoo
aangenaam mogelijk te maken.
Toen het diner afgeloopen was, verwijderden Herman en Frank zich
kieschheidshalve. Wel deden mevrouw en mijnheer Groenewald welgemeende
pogingen om het samenzijn langer te rekken, zelfs de meisjes kwamen hen
daarbij te hulp; maar de welopgevoede jongelieden waren van meening,
dat zij hunne aanwezigheid aan het overige gezelschap niet langer
mochten opdringen, en namen derhalve afscheid. Een lieve handdruk werd
hen bij het heengaan nog meegegeven.
Lang nog stonden zij op hun oud plekje bij den grooten mast de
gebeurtenissen en de gesprekken van dien dag na te breeuwen en te
herinneren. Ieder gebaar, ieder woord van de familie Groenewald werd
besproken en gecommenteerd. Ten slotte erkenden de twee
onderofficieren, dat zij een heerlijken dag doorgebracht hadden, en
waren innig verheugd, dat hun nog zoo menig prettige zondag te wachten
stond. Herman merkte evenwel op, dat Frank zich gedurende het geheele
gesprek geen enkelen maal den naam van Adelien liet ontglippen, noch
zich eene toespeling op haar veroorloofde.
Toen de beide jongelingen boven gekomen waren, was de zon reeds
ondergegaan, en vertoonde het uitspansel thans die wondervolle
kleurtinten, die alsdan waargenomen worden, en als het ware het
afscheid der dagvorstin te kennen geven en het naderen van den somberen
nacht aankondigen. Het was als spreidde zich eene streepsgewijze
mengeling voor hun oog uit van purper en zwart, van licht en donker,
van dag en nacht.
Beide mannen waren nog al dichterlijk begaafd en stonden dan ook dat
fraaie schouwspel met belangstelling waar te nemen.
„Herinnert gij u nog onze declamatie-oefeningen te Rolduc?” vroeg
Frank. „Dat tafereel hier brengt mij het gedicht van Michaud, dat gij
ook kent, le printemps d’un proscrit te binnen. Hoe vaak heb ik dat
gereciteerd! Weinig vermoedde ik destijds, dat ik in de gelegenheid zou
komen, als „proscrit” de nauwkeurigheid der schildering zoo te kunnen
toetsen. Een gedeelte van dat gedicht, hetwelk zoo merkwaardig
overeenkomt met het tafereel, hetwelk wij daar voor oogen hebben, is
mij niet uit het hoofd te zetten en doen zich hare Alexandrijnen
overluid in mijn brein vernemen.”
En zacht, zeer zacht prevelde hij, om de nabijzijnde militairen zijne
ontboezeming niet te laten vernemen:
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
„O qui pourra jamais voir sans être attendri
L’éclat demi voilé de l’horizon plus sombre,
Ce mélange confus du soleil et de l’ombre,
Ces combats indécis de la nuit et du jour,
Ces feux mourants épars sur les flots d’alentour,
Ce brillant occident où le soleil étale
Sa chevelure d’or et sa robe d’opale,
Ce ciel qui par degrés se peint d’un gris obscur,
Et le jour qui s’éteint sous un voile d’azur.”
Op het achterdek had de heer Groenewald, terwijl zijne dochters met de
heeren in gesprek waren en met hen gezamenlijk de fraaie avondtinten
ook bewonderden, een ander onderhoud met zijne echtgenoote, dat meer
van praktischen zin bij den koffieplanter getuigde:
„Wel,” sprak hij, en daarbij voorzeker op een voorafgaand gesprek
doelende, „hoe zijn u die jongelieden meegevallen?”
„Mij, zeer goed,” antwoordde mevrouw Groenewald.
„Eene gedachte weerhoudt mij, om hen nu reeds het voorstel te doen, bij
aankomst te Batavia hun ontslag te bewerken, en op mijne
koffie-onderneming als opzichters in dienst te treden.”
„En die is?....”
„Hebt gij wel gemerkt, welke blikken die Frank Brinkman op onze Adelien
wierp? Terwijl het mij voorkomt, dat de andere, Herman Riethoven, onze
Emma lang niet onverschillig is?”
Mevrouw Groenewald beantwoordde die vraag met eene andere:
„Is het dat alleen wat u weerhoudt?”
„Mij dunkt, dat die opmerking niet van belang ontbloot is,” antwoordde
hij. „Vuur met stroo dient niet alzoo, zegt een oud spreekwoord. Ik
geloof dat voorzichtigheid hier de boodschap zal zijn. Onze kinderen te
laten verlieven op twee jongelieden, die niets bezitten en zich nog
eene toekomst moeten scheppen....”
„Dat is het niet wat mij bedenkelijk voorkomt. Wij bezitten voldoend
vermogen, om onze twee kinderen onbezorgd de toekomst te gemoet te
laten treden. Geeft gij aan de eene het koffieland Wilatoong en aan de
andere Koewajangan ten huwelijk mede, dan blijft ons nog Moengong
Djamoes over. Onze schoonzoons behoeven dan geen vermogen te bezitten,
dan is slechts arbeidzaamheid en gezond verstand noodig, om fatsoenlijk
door de wereld te komen. Maar....”
„Maar?” vroeg mijnheer Groenewald.
„Dat is de bedenking niet, die ik opperen zou. In de eerste plaats zou
ik tot schoonzoons wenschen, flinke ontwikkelde mannen, wier gedrag,
opvoeding en onbesproken verleden de meeste waarborgen voor het geluk
onzer kinderen zouden opleveren, en die daarbij jeugdig genoeg waren
om, zonder te veel van hun verleden op te offeren, eene nieuwe loopbaan
te kunnen aanvaarden. Dit laatste, dunkt me, is bij die twee
onderofficieren aanwezig; maar wie waarborgt ons hun gedrag, wie geeft
ons zekerheid omtrent hun verleden?”
„Zoodat gij mij ontraden zoudt die twee jongelieden tot opzichters te
nemen?”
„Daar heb ik geen woord van gesproken,” antwoordde mevrouw Groenewald.
„Maar, wel raad ik u omzichtig te zijn en u niet te overijlen. Laten
wij nog nadere kennis met die jonge mannen maken, dan kunnen wij beter
oordeelen. Gij hebt hen des zondags aan tafel verzocht; welnu, wij
zullen gelegenheid hebben hen nader te leeren kennen. Nadere
kennismaking met onze kinderen zal ons ook moeten aantoonen of wij ons
niet vergissen, wanneer wij eene ontluikende genegenheid meenen te
ontwaren, waar waarschijnlijk van de eene zijde slechts hoffelijkheid
tegenover dames, en van den anderen kant slechts dankbaarheid voor de
redding en toenadering tot alles wat jong en vroolijk is, aanwezig
geacht moet worden. Laten wij een ongedwongen omgang tusschen de
jongelieden begunstigen, dan zullen wij bij het einde der reis over
onze verdere gedragslijn kunnen beslissen. Ziedaar mijn raad!”
„En dien raad wensch ik stipt op te volgen,” zei de heer Groenewald,
die aan dergelijke eindbesluiten niet ongewoon was.
VI.
DOBBERENDE BIJ DE CANARISCHE EILANDEN [41].
De voorspelling van kapitein Butteling kwam volkomen uit. Kort na
zonsopgang op den 27sten October riep de matroos, dien hij in den
fokkemast op uitkijk naar boven had gezonden:
„Land vooruit!”
„Waar?” riep kapitein Butteling hem toe, terwijl hij zijne handen tot
eene spreekbuis te zamen gevouwen, voor den mond bracht.
„Stuurboord vooruit!” was het antwoord, hetwelk van boven klonk.
De kapitein keek in de aangeduide richting scherp toe, maar zag niets.
Toen greep hij den grooten scheepskijker, dien hij gereed had doen
leggen, sprong op de verschansing en hield zich, terwijl hij uitkeek,
aan het bezaanwant vast.
„Dat is Palma,” zei hij een oogenblik later tot kapitein Van Dam, die
bij hem stond. „Voor dat wij een uur verder zijn, zal de Piek van
Teneriffe vooruit wel te ontwaren zijn. Het is daar eenigszins heiig,
anders was hij thans reeds te zien.”
Het fregat maakte toen ongeveer zeven mijlen in de wacht en naderde
bijgevolg betrekkelijk snel. Het eiland Palma met zijn regelmatigen
kegelvormigen vulkaan, die den geologen steeds tot grondvorm strekt,
wanneer zij over verheffingskraters doceeren of schrijven, doemde
langzaam en statig uit de blauwe zee op; terwijl vooruit zich eene
donkerblauwe massa aan den horizon uit de nevelen ontwikkelde, die nog
niet te onderscheiden was, maar die door de zeevarenden als de Piek van
Teneriffe aangeduid werd. Het zou evenwel nog verscheidene uren duren,
eer dat het schip zich in de wateren van den Canarischen archipel zoude
bevinden.
Nu men nagenoeg buiten den invloed der veranderlijke winden gekomen
was, wenschte kapitein Van Dam, indachtig dat ledigheid des duivels
oorkussen is, zijne manschappen zoo regelmatig bezig te houden als de
omstandigheden slechts gedoogden. Hij droeg den luitenant Denniston op,
zich met die onderofficieren bezig te houden, die zich voor het
officiers-examen wenschten te bekwamen, en derhalve met dezen een
wetenschappelijken cursus te doorloopen. Luitenant Leidermooi moest met
de overige onderofficieren en manschappen ettelijke uren daags theorie
[42] houden over de militaire reglementen, als: de garnizoens- en
inwendige dienst, de soldaten- en pelotonscholen, de velddienst, de
tirailleursignalen enz. enz. Kapitein Van Dam gaf bij die verdeeling
van arbeid, afgescheiden dat hij zoodoende zijn onderhebbend
detachement nuttig bezig hield, blijk met eene zekere mate van
opmerkingsgave bedeeld te zijn.
Hij had al spoedig ontdekt, dat de wetenschappelijke vorming bij
Denniston er niet dik opzat, ook dat de lust om het geleerde te
onderhouden niet groot was. Door hem dus dien cursus met de
onderofficieren op te dragen, noodzaakte hij den jongman zijne boeken
ter hand te nemen, het geleerde te herhalen, zelfs een breeder veld te
betreden, ten einde tegenover die onderofficieren, waaronder
verscheidene ontwikkelde mannen waren, geen dwaas figuur te slaan.
Van een anderen kant had de kapitein opgemerkt, dat luitenant
Leidermooi in zijn omgang met de mindere militairen eene zekere
bedeesdheid aan den dag legde, die van angstvalligheid niet veel
verschilde. Hij was te zacht van inborst, zag daarenboven met een soort
ontzag tegen die gebaarde en zooveel oudere mannen op; zoodat dat
ontzag wel afbreuk dreigde te doen aan het gezag, hetwelk hij geroepen
was, uit te oefenen. Een nadere omgang met zijne ondergeschikten,
gesteund door de nabijheid van den detachements-kommandant in de eerste
dagen, zou daarin eene gewenschte verandering brengen. De jeugdige
luitenant zou daarenboven bij die theoriën door een paar
onderofficieren en korporaals bijgestaan worden, door verdienstelijke
en achtenswaardige mannen, die flink op de hoogte hunner militaire
verplichtingen waren, zich daarenboven door een onwrikbare eerbiediging
der krijgstucht onderscheidden en derhalve niet met zich spelen lieten.
Docter Hannius zou ettelijke malen per week voor de vereenigde
onderofficieren en korporaals eene verhandeling houden, waarbij hij de
grondslagen zou leggen eener geneeskundige velddienst, nuttige wenken
geven omtrent de eerste verbanden op het slagveld aan te leggen, en
welke hulp toe te dienen is, bij verschillende ziektevormen, in
afwachting dat door bevoegden geneeskundige hulp verleend kon worden.
Behrtje hield eenen botanischen cursus voor eenige adepten, waaronder
de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht en ook onze sergeanten
Riethoven en Brinkman aangetroffen werden. De jonge dames hadden onzen
apotheker spottend gevraagd: of in zijnen cursus ook le langage des
fleurs behandeld werd, en of men ook monographiën over de rozen, de
vergeet-mij-nietjes, de lelies enz. zoude genieten; waarop Behrtje
geantwoord had, dat het hem gevaarlijk voor zijne gemoedsrust voorkwam,
de bloemenspraak tegenover zoo schoone sprekende oogen te behandelen.
Hij mocht eens de eene taal met de andere verwarren. Toch beloofde hij
een enkele maal gedurende de reis eene verhandeling over de rosaceae,
liliaceae, aurantiaceae, violaceae,.... te houden. Hij had ondeugend er
nog willen bijvoegen: over de solaneae en sterculiaceae, maar de dames
waren bij die opsomming van barbaarsch-klinkende woorden op de vlucht
geslagen. Dokter Van Pinksteren zou nu en dan die botanische
voordrachten bijwonen, niet zoo zeer, omdat hij eenig belang in dien
tak van natuurwetenschap stelde, dan wel om te vernemen of er niet een
surrogaat voor zijn lijnzaadkoeken-remedie op te sporen zoude zijn.
Zijn arcanum begon erg te verminderen; de geheerscht hebbende zeeziekte
had in den voorraad een slag geslagen, daar de scheepsdokter den
patiënten zijn middel in- en uitwendig had toegediend. De laatste
toedienings-wijze had geen ander nut gesticht dan eene roode plek op de
kuiten der lijders te veroorzaken; het inwendige gebruik had
daarentegen door de walging, die het veroorzaakte, de uitbarsting der
ziekte bij velen zeer bevorderd.
Zoo waren de bezigheden dus behoorlijk geregeld. Een paar uren des
voormiddags en een paar uren des namiddags zouden aldus nuttig besteed
worden; terwijl de overige tijd door de manschappen met doelmatige
spelen als: kienspel, dominospel, enz, die daartoe in voldoende
hoeveelheden medegenomen waren, doorgebracht kon worden.
Dienzelfden dag werd de nieuwe dienstregeling, zooals kapitein Van Dam
dat noemde, ingesteld, en werd een ieder dus dien eigen morgen van
negen tot elf uur nuttig bezig gehouden. Boven het achterdek en boven
het voorschip spreidden zich tenten gezellig uit ter afwering der
zonnestralen, die, hoewel het reeds einde van October was, zich hier op
deze breedte balsamiek deden gevoelen.
Toen de stuurman der wacht zes glazen op de klok sloeg, gaf de
hoornblazer van het detachement het signaal tot staking der
werkzaamheden en kon ieder zich verder bezig houden en vermeien, zooals
hij verkoos.
Intusschen was het eiland Palma, ofschoon ver verwijderd en dicht bij
den horizon, nagenoeg dwars van de Fernandina Maria Emma gekomen, die
met volle zeilen recht op het eiland Teneriffe aanstevende. Alle
hoofden lagen over de verschansing gebogen. om dat land aan te staren,
hetwelk met iedere sekonde naderde. Het was een prachtig gezicht, dien
machtigen kegel daar waarneembaar voor het oog uit zee te zien
opstijgen. De lucht was, naarmate men het berggevaarte naderde, geheel
opgehelderd en prijkte met dat liefelijk blauw, hetwelk in de nabijheid
der keerkringen gewoonlijk aangetroffen wordt. Dat azuur weerkaatste in
den Oceaan, die iets donkerder getint was en door de zacht op en neer
gaande deining bewogen werd; terwijl de donkerblauwe massa van den
kolossalen vulkaan, zich scherp op dien voorgrond, door de zee, en op
den lichteren achtergrond, door de lucht gevormd, afteekende.
„De vuurberg, dien gij daar ginds ziet,” zei kapitein Butteling tot de
passagiers achter, nadat hij het schip iets onder de westerbries had
laten afvallen, om ook hen van het achterdek een ruim uitzicht op den
fraaien kegelvormigen berg te gunnen, „die vuurberg is bij de bewoners
dezer eilanden onder den naam van Pico de Teyde bekend. Zijn hoogste
top, dien gij daar ziet uitsteken, heet Piton en is 3715 el of 11872
voet hoog. De ouden hielden hem voor den hoogsten berg der aarde.”
„Gij schijnt deze eilanden te kennen,” merkte kapitein Van Dam op.
„Ik heb als stuurman op een Spaansche brik, de Senhora Dolorès,
gevaren, en daarmede menige reis van Barcelona naar die eilanden
gemaakt.”
„Toe kapitein, vertel ons dan iets van dien archipel,” verzochten de
jonge meisjes.
„Dat zou ik gaarne doen, lieve dames; maar....” en naar de zon
wijzende, ging de gezagvoerder voort, „daar is er een, die niet op mij
wacht. Het middaguur is nabij, ik moet mijne waarnemingen doen, om het
bestek op te maken. Maar, wij zullen die eilanden zoo gauw niet uit het
gezicht verloren hebben, en zal ik wel tijd hebben, om u te vertellen
wat ik weet.”
Kapitein en stuurlieden stonden een tijd lang met hunne sextanten te
manoeuvreren, totdat het woord „stop!” den waarnemer bij den
chronometer het teeken gaf, dat de zon haar hoogste punt bereikt had.
Kort daarop vernamen de passagiers, dat het fregat zich op 28° 59′
noorderbreedte en 17° 2′ westerlengte bevond en in het laatste etmaal
41½ mijl had afgelegd. Het eiland Teneriffe bevond zich toen nagenoeg
in het zuid-zuidoosten van het schip. Maar de bries verflauwde van toen
af langzamerhand, en wel in die mate, dat bij het vallen van den avond
volkomen windstilte heerschte. De Fernandina Maria Emma dobberde toen
voor de noordkust van het eiland Teneriffe, op niet meer dan drietal
mijlen van den wal. Het was prachtig weer, de hemel vertoonde zich in
dit uur azuurblauw; terwijl de zee dezelfde kleurtint weerkaatste,
evenwel door de straalbreking eene andere schakeering vertoonde, die
hoewel nauwelijks waarneembaar, toch de tinten van lucht en water
belette in elkander over te gaan en alzoo de kim scherp afteekende. In
het zuiden verhief de machtige Piek van Teneriffe zich in al zijne
statigheid, en teekende zich met zijne zwartblauwe massa scherp
begrensd op de heldere lucht af; terwijl hij zich onpeilbaar diep in
den Oceaan weerspiegelde, die zacht deinend hem aan zijn voet kwam
lekken. In het oosten was de kim minder zuiver. De heiige band, die
daar ontwaard werd, deed de nabijheid van een groot vastland gissen. In
die richting bevonden zich evenwel achter de kim, zoodat het oog ze
niet ontwaren kon, de eilanden Fuerteventura en Lanzerote, waarachter
zich de Afrikaansche kust uitstrekte. In het noorden waarde het oog
langs den Atlantischen Oceaan, die een heerlijken aanblik op de statig
aanrollende deining-golven verleende, welke met hun zacht op en
neergaan eenigermate als den polsslag aangaven van een onmetelijk groot
monster. In het westen ging in dat oogenblik de zon achter Palma onder,
en schoot van achter den zoo fraaien opheffingskrater van dat eiland
vurige stralen, die aanvankelijk als gulden banden het hemelruim
doorkliefden, langzamerhand van tint veranderden, in het zenith reeds
eene rose-blauwachtige schakeering vertoonden, donkerder en donkerder
werden en in het westen bij het aanraken der kim bijna zwart schenen.
„Prachtig! prachtig!” zuchtte Herman, die met Frank dat zoo fraaie
panorama te bewonderen stond.
„Zeker prachtig!” antwoordde Behren, die met Slierendrecht en Van
Diepbrugge een halfdekje sloeg [43] en in het voorbijgaan Herman’s
ontboezeming opgevangen hadden, en nu bij de beide sergeanten staan
bleven. „Zeker is dat tafereel prachtig, sergeant!”
„Ziet eens” ging de apotheker voort, „het is alsof geheel Palma in
brand staat en in vlammen opgaat.”
„En ziet eens dien purpergloed in het water, waarin zich de sombere
omtrekken van het eiland zoo scherp afteekenen,” merkte Van Diepbrugge
op.
„En die stralenbundels die het luchtruim doorschieten van het westen
naar het oosten” sprak Herman Riethoven, „daarbij het beloop van het
hemelgewelf volgen, zonder zich met den hen omringenden ether te
vermengen.”
„En wat verheft die Teneriffe Piek zich daar in het zuiden somber maar
prachtig,” zei Slierendrecht. „En wat toont hij nabij! Het is of hij
daar dicht bij ons uit het water oprijst. Kijk, men kan alle zijne
lengteribben duidelijk onderscheiden.”
In dit oogenblik passeerde kapitein Butteling de jongelieden.
„Zult gij ons nu iets van die schoone eilanden vertellen, kapitein?”
vroeg Behren hem.
„Ik ben gereed,” sprak de gezagvoerder, „maar wij zullen daar ginds op
het achterdek plaats nemen. Daar kunnen we zitten, praten en zien. Kom
jongelui, gij moogt van het gehoor zijn.”
Die laatste volzin was tot de beide onderofficieren gericht, die de
gelegenheid om kennis op te doen niet lieten voorbijgaan, maar de
uitnoodiging aannamen.
Toen dat vijftal rondom kapitein Butteling plaats nam, kwamen ook de
andere passagiers opdagen, de dames er onder begrepen, en vormden
rondom den gezagvoerder een schilderachtig groepje, waarvan ieders
gelaat van weetgierigheid tintelde. Was het toeval of geheime aandrang?
Wie zal dat ooit kunnen verklaren? Maar toen het gezelschap gezeten
was, bevond zich Adelien Groenewald tusschen haren vader en Frank
Brinkman, en Emma Groenewald tusschen Denniston en Herman Riethoven.
Met mevrouw Groenewald vormden zij de eerste rij van het kringetje, dat
kapitein Butteling omgaf; terwijl de overigen zich daarachter geschaard
hadden.