Toch was er een klein oogenblik gekomen, dat ook hen het hart in het

lijf dreigde om te keeren. Toen de zeeziekte haar toppunt bereikte, en

daarbeneden in dat tusschendek vele hoofden zich stervensnabij buiten

de hangmatten bogen, toen werden daar zoo’n akelig gekreun en zulke

wanhopige geluiden vernomen, toen werd de atmospheer daarbeneden, toch

al zoo bijzonder frisch niet, met zulke walgelijke zoetzure geuren

doortrokken, dat het niet uit te houden was.

„Ik ga naar boven,” sprak Frank tot zijn vriend, die naast hem in zijne

hangmat hing te wiegelen.

Met een sprongetje was hij uit zijne schommelende slaapstede. Hij boog

zich onder de anderen door en was blijde dat hij, zonder een cadeautje

van een der zeezieken opgeloopen te hebben, den trap bereikt had. In

een oogwenk was hij aan dek, alwaar hij al heel spoedig door Herman

gevolgd werd. Beide onderofficieren hadden toen een oppertje [38]

gezocht, en dat op aanwijzing der matrozen achter de groote boot

gevonden, die tusschen den grooten- en den fokkenmast gesjord stond, en

waarboven de koebrug zich uitstrekte.

Daar terneer gedoken en voor weer en wind beschut, hadden zij den dag

afgewacht. Welke herinneringen waren daar, terwijl de wind door het

touwwerk huilend raasde, en de golven daar aan lij bij het overgaan van

het schip, aan dek dreigden te spoelen, hunne lippen ontgleden?

Voorzeker hadden hunne herinneringen toen vrijen loop genomen.

Maastricht, Leiden, Rolduc, Katwijk en Slavante kregen allen een beurt.

Ja, vooral Slavante!

„Een heerlijk plekje,” verklaarde Frank. „Herinner je je nog ons bezoek

aan dien bouwval? Hoe heet dat slot ook weer?”

„Lichtenberg,” antwoordde Herman.

„Juist, Lichtenberg! Herinner je dat bezoek nog?”

„Zou ik mij dat bezoek niet herinneren!” zuchtte Herman. „Het was toen,

dat ik Lydia voor het eerst zag.”

„Voor het eerst?” vroeg Frank schalks. „De oudste dochter van de beste

vriendin van je moeder?”

„Nu ja, voor het eerst met menschen-oogen,” antwoordde Herman. „Voor

dien tijd bestond zij niet voor mij, was zij slechts een beeld voor

mij.”

„Toch een zeer fraai beeld! nietwaar?” lachte Frank Brinkman.

Herman antwoordde niet, maar zuchtte, en deed eene beweging als stak

hij de armen uit.

Ook de wederzijdsche ouders kregen eene beurt bij die nachtelijke

herinneringen. Helaas! Frank was als wees de wereld ingetrokken. Zijne

herinneringen eindigden steeds bij het graf, waarin hij de stoffelijke

overblijfselen zijner moeder vroegtijdig, en van zijn vader later had

zien nederdalen. Herman wijdde eene gedachte aan hen, die hij verliet.

„Als mijne moeder eens,” dacht hij, „dat schip zoo kon zien slingeren,

den wind zoo hooren huilen, die golven zoo klotsen en woelen, dan zou

wel berouw in het hart der arme vrouw binnensluipen, dat zij den raad,

die haar die zwartrokken gegeven hebben, zoo standvastig opgevolgd

heeft.”

Maar gelukkige jeugd! Na het verleden kreeg de toekomst hare beurt. Na

de herinneringen kwamen de droombeelden, les chateaux en Espagne,

zooals de Franschen dat noemen. Die droombeelden waren evenwel niet

overdreven; zij reikten naar Batavia, naar het land van bestemming. O!

de beide jongelingen hadden over het land van belofte zoo veel gelezen,

dat het hun niet vreemd zoude voorkomen. Die droombeelden omhelsden

hunne toekomstige loopbaan. O! officier worden! Te velde gaan! In Indië

wordt immers steeds gevochten. Had men in de laatste tijden geene

veldtochten ter Westkust van Borneo gehad ter beteugeling der

overmoedige Chineezen, in het Palembangsche ter bestrijding van den

hoofdmuiteling Radja Tiang Alam? Het was nog zoo lang niet geleden, dat

Djaga Raga op Bali zoo roemrijk stormenderhand genomen was. O! als zij

het geluk hadden deel te nemen aan eene expeditie! Zij zouden zich

voorzeker heldhaftig gedragen!.... misschien wel de Militaire

Willems-Orde verwerven!

„Verbeeld je,” sprak Herman geestdriftvol, „dat ik met den sleepsabel

op zij en het juweel van Moed, Beleid en Trouw op de borst voor Lydia

verschijn.....”

„Dan vliegt ze je om den hals!” juichte Frank bij de gedachte. „Dan....

maar.... dan is zij eene dikke matrone geworden, dan vindt je ze

omringd van een troep schreeuwende kinderen met vuile neuzen....”

„Schei uit! in Gods naam,” kreet Herman.

„Want je kunt eerst verlof krijgen na een verblijf van twaalf jaren in

Indië, en in twaalf jaren verandert eene bloeiende maagd gemakkelijk

in.....”

„Zwijg, wat ik je bidden mag!” smeekte Herman.

Zoo praatten de vrienden voort, totdat de dag aan den hemel kwam, en

het nachtelijke duister verdreef.

V.

EENE STORTZEE.

Met den dag verschenen voor en na ettelijke bleeke troniën aan het dek.

Men kon het allen aanzien, dat de nacht voor het meerendeel rampzalig

geweest was. Het beste was dat te bespeuren, toen de hoornblazer met

veel moeite het „Wilhelmus” liet weerklinken, ten teeken dat de oorlam

zoude uitgereikt worden. Zeer weinige manschappen vertoonden zich om

hun zoo geliefkoosd morgenslokje te nemen.

„De afschaffing maakt vorderingen,” zeide stuurman Ellenbaan lachende.

Toen de onderofficieren de manschappen wilden aansporen om hunne

hangmatten behoorlijk opgerold en saamgebonden naar boven te brengen,

om haar op de koebrug op te bergen, gaf kapitein Butteling tegenbevel.

„Laat die maar blijven, sergeant,” zei hij tot Herman Riethoven. „Bij

zulk weer en bij de heerschende zeeziekte zijn de kerels het best te

kooi. Laat evenwel de gezonde manschappen het tusschendeks reinigen en

aanvegen. Ik zal bevelen geven, dat de kwade dampen daar beneden

verdreven worden.”

Toen de bevolen reiniging volbracht was, werd de vloer daar beneden met

kookende azijn besprenkeld, hetgeen de bedompte en kwalijk riekende

atmospheer eenigermate zuiverde.

De hemel was niet geheel en al bedekt. Dikke wolken, die door den wind

aan flarden gescheurd schenen, dreven met ijlende vaart door het

luchtruim, en lieten hier en daar gedeelten van het blauwe uitspansel

ontwaren. Van tijd tot tijd brak de zon door de voortgezweepte

wolkenmassa’s heen en vroolijkte met hare stralen het woeste tooneel

wat op. De zee stond uitermate hol. Het waren geen golven, die ze

rolde, maar heuvelen, die met woest geweld op het schip afkwamen. Die

heuvelen, door den wind voortgejaagd en met hunne toppen sneller

voortijlende dan hun basis volgen kon, helden in een onmetelijken boog

over, braken en kuifden zich zoodoende met verblindend wit schuim,

hetwelk aan de woestheid der baren een eigendommelijk karakter

bijzette.

De Fernandina Maria Emma bevond zich nog op de Gronden, waardoor de

zeelieden verstaan dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, hetwelk

zich voor het Engelsche Kanaal nagenoeg in een halven cirkel van

Biarritz, in den hoekzak van de Golf van Biscaia, tot Kaap Valentia op

de Iersche kust uitstrekt, en waarop eene mindere diepte dan van

honderd vademen wordt aangetroffen. Bij harden wind zijn de golven op

de Gronden kort, maar verheffen zich tot eene ontzettende hoogte. Zij

hebben daardoor vrij steile wanden of ruggen en veroorzaken, vooral bij

groote schepen, zoo als de Fernandina Maria Emma was, eene zeer

moeielijke beweging.

Was de zon omfloersd, dan had de zee eene grauw vale tint, die naarmate

de schaduw viel, hier en daar zwart kon schijnen. De schuimende koppen

boden hierbij een droefgeestig tooneel. Het was nagenoeg of zwarte

heuvelen met een rand wit geboord waren en gaven zoo den indruk van een

beeld van rouw. Braken de zonnestralen voor een kort oogenblik door

eene wolkenscheur, dan was het of de zeeoppervlakte met een tooverstaf

aangeraakt werd. Onmiddellijk verloor zij haar somber karakter; zij

tintte zich dan met uitermate levendige kleuren, van het donkergroen af

tot het donkerblauw toe en onderging daarbij, tengevolge van de

straalbreking bij de bewegelijkheid der hooggaande golven, al de

tusschenliggende schakeeringen van groen, lichtgroen, flesschengroen,

teedergroen, van blauw, hemelsblauw, lichtblauw; terwijl de zon, in de

hevig bewogen watervlakte weerkaatsende, kortstondige stralenbundels

deed uitschieten en weer uitdoofde, en het schuim op de toppen der

baren verblindend wit deed schitteren.

Dat alles namen Brinkman en Riethoven waar, terwijl zij ter hoogte van

den grooten mast bij de stuurboordsverschansing stonden; toen zij de

beide jonge dames Groenewald den kajuitstrap opkomen en aan het dek

verschijnen zagen.

„Zietdaar een nog fraaiere zonnestraal!” mompelde Frank.

Juist in dit oogenblik weerklonk de stem van stuurman Bagman, die riep:

„Grijpen en vasthouden!”

Het was eene hoognoodige waarschuwing, want een oogenblik later, krulde

eene buitengewoon hooge baar ter hoogte van het midden-schip over de

verschansing, en stortte met woedend geweld op het dek neder. De beide

onderofficieren hadden zich op de waarschuwing van den stuurman aan de

bij hen staande pardoens [39] gegrepen. Zij konden evenwel niet

beletten, dat zij door de monsterachtige golf van de been geslagen

werden, en zouden voorzeker door de woedende watermassa meegesleept en

over boord gespoeld zijn, als zij zich niet met de kracht der wanhoop

aan de stevig gespannen pardoens vastgeklemd hadden. Op het achterdek

had die overgekomen zee even rampvolle gevolgen. Wel was daar de kracht

van de golf, die meer middenscheeps binnengekomen was, veel minder,

maar toch nog sterk genoeg om de twee jonge meisjes in gevaarvollen

toestand te brengen. Zij waren juist van onder de kap van den

kajuitstrap te voorschijn getreden, toen het ongeval hen verraste. Wel

poogde Emma zich, toen de waarschuwende stem van „grijpen en

vasthouden” weerklonk, aan den bovenrichel van die kap te klemmen,

terwijl hare zuster Adelien haar bij den arm vasthield; maar toen het

woedende water hare beenen meesleepte, was de oudste onmachtig om haar

houvast te blijven omklemmen; zij moest loslaten en beiden werden toen

door het oproerige element medegesleept. Het achterschip werd door de

monsterachtige baar, waarvan een gedeelte overgekruld was, in dat

oogenblik opgeheven; zoodat het water aan dek met ijlende vaart naar

voren schoot en de bewustelooze meisjes met zich medesleepte. Frank en

Herman, van de eerste ontsteltenis bekomen, zagen het onheil. Zij

hadden hun evenwicht nauwelijks hernomen, of zij lieten de reddende

pardoens los en ijlden ter hulp. Tusschen den middenmast en de groote

boot doorschietende, met het water tot aan de knieën, kwamen zij juist

ter tijd om bijstand te bieden en een groot ongeluk te voorkomen.

Herman greep Emma, die over het dek voortgerold werd, en hield haar met

de eene hand stevig vast, totdat het water, hetwelk als een stortvloed

over het voorschip stroomde, weggeloopen was; terwijl hij zich met de

andere hand aan de sjorringen der groote boot vastklemde. Frank was op

Adelien toegesprongen, en redde die uit meer wezenlijk gevaar. Toen het

schip onder den schok sterk naar lij overhelde, lag de verschansing aan

bakboord een oogenblik te water. Het jonge meisje dreef daar heen en

lag reeds op die verschansing gedeeltelijk buiten boord, toen Frank

haar greep. Gelukkig, dat zij tegen het groot want was aangedreven. Wel

had zij hoegenaamd geen bewustzijn om zich aan een der hoofdtouwen van

dat want of een der weeglijntjes vast te klemmen; maar de kracht,

waarmede zij voortgesleept werd, was gebroken en daardoor was het haren

redder mogelijk, haar met beide armen te omvatten en binnen boord te

halen. Daaronder zou hij haar hebben moeten loslaten en zou zij voor

zijne oogen in de diepte reddeloos verdwenen zijn.

Dat alles gebeurde bliksemsnel, in minder tijd dan noodig was om het te

vertellen.

Toen het water door de spuigaten en onder de reeling door weggeloopen

was, tilden de beide onderofficieren de jonge meisjes op, en droegen

haar met behulp van de stuurlieden Bagman en Ellenbaan, die inmiddels

toegeschoten waren, in de kajuit.

Het gebeurde verwekte veel ontsteltenis bij de ouders der lieve

meisjes. Beiden beijverden zich evenwel hunne nog steeds bewustelooze

kinderen te verzorgen en te kooi te brengen. Toen kapitein Van Dam van

stuurman Bagman vernam, hoe de redding der twee meisjes zich

toegedragen had, drukte hij de beide onderofficieren innig de hand, en

betuigde hen zijne volle tevredenheid, terwijl hij hun de verzekering

gaf, dat deze hunne daad niet onopgemerkt zoude blijven. Te Harderwijk

had hij reeds zeer gunstige inlichtingen omtrent hun gedrag, beschaving

en omgang ingewonnen; zoodat de toegenegenheid van den waardigen chef

voor de jongelieden door die redding ten top steeg.

De overgekomen zee had evenwel nog andere ongevallen veroorzaakt.

Niemand, en wel het allerminst kapitein Butteling met zijne

stuurlieden, waren op zoo’n overstrooming verdacht geweest. Het woei

wel stevig, de zee stond wel hoog; maar niet in die mate, dat het

overkomen van een breker te vreezen stond. Het groot luik had dan ook

opengestaan om luchtverversching in het soldatenlogies te verschaffen,

en daarin was een groot gedeelte der aan boord gestortte watermassa

verzwolgen.

Velen der zeezieken, die in hunne hangmatten lagen, waren daaruit

geslagen en dreven hulpeloos te midden van eene menigte goederen in het

tusschendek rond en rolden bij het slingeren van het vaartuig, op

gevaar af van binnenscheeps te verdrinken, van bakboord naar stuurboord

en van stuurboord naar bakboord, totdat ze door hunne kameraden

gegrepen en overeind geholpen werden.

Ras sprong stuurman Abels in het tusschendek, opende daar een luik in

den vloer, waardoor het water zich in het ruim en van daar in het hol

van het schip kon ontlasten, van waar de matrozen het met de lenspompen

konden uitpompen.

Door de ondervinding voorgelicht, liet kapitein Butteling het fregat

een paar streken afvallen, waardoor de zeeën, niet meer zoo dwars, maar

meer van achteren inkwamen, en het gevaar om water aan het dek te

krijgen niet meer zoo groot was.

De koers was nu zuid-zuidwest.

Tegen het middaguur van dien dag—20 October—werd het bestek opgemaakt,

waartoe de zon zich gelukkig gewillig leende. Het fregat bevond zich

toen op 47° 36′ noorderbreedte en op 8° 5′ westerlengte van Greenwich.

Het onaangename weder, dat de Fernandina Maria Emma bij het uitkomen

van het kanaal overvallen had, bleef verscheidene dagen voortduren. Het

volgende bestek wees aan 44° 13′ noorderbreedte en 12° 4′ westerlengte.

Het fregat had in dat etmaal 66 mijlen afgelegd, of zoo als de

zeelieden zeiden: elf mijlen in de wacht behouden. Men was toen zoo

omstreeks op de breedte van Kaap Finisterre en bijgevolg buiten de

Gronden. De zee had hier eene diepte van over de 2000 vademen. De

deininggolven waren dan ook niet meer zoo kort en zoo steil, en zeer

zeker zouden de reizigers minder last van de beweging van het schip

gehad hebben, ware de wind in het noordwesten gebleven. Maar bij het

naderen van het Iberische schiereiland was de wind, hoewel niet in

kracht verminderende, meer noordwaarts getrokken om in den zoogenaamden

Portugeeschen Noord over te gaan. Hij was nu wel ruimer geworden;

kapitein Butteling had de gelegenheid benut, om de reven uit de

marszeilen te doen nemen, ja om de bramzeilen bij te zetten; maar het

schip met den wind zoo vlak van achteren, slingerde nu in die hooge

deining ontzettend, wat de zeezieken minder te stade kwam. Niemand van

de passagiers achteruit vertoonde zich dan ook aan dek, behalve

kapitein Van Dam en de echtgenooten Groenewald en deze laatsten nog

maar heel zelden. De beide jonge dames waren na het gebeurde wel nog

iets angstvallig; zij durfden zich, zoo lang het weer duurde, niet op

het dek te wagen. Van de militairen begonnen er meerderen op te

krabbelen, maar het grootste gedeelte bleef toch beneden in de

hangmatten de zeeziekte uitvieren.

Volgens het derde bestek had het fregat 62 mijlen afgelegd en bevond

zich op 40° 13′ noorderbreedte en 13° 17′ westerlengte.

Nog altijd raasde de wind en joeg huilend door het want. Van een

bedaren scheen geen sprake. Het schip slingerde als een bezetene, maar

snelde met spoed vooruit. Tegen het middaguur van den 23 October bevond

het fregat zich nagenoeg ter hoogte van Kaap Sint Vincent. Het had in

het laatste etmaal 66 mijlen afgelegd en bevond zich op 36°38′

noorderbreedte en 16°30′ westerlengte.

Maar het ergste was nu geleden. Voor de kranken zou verademing komen.

In de achtermiddagwacht begon de wind merkbaar te bedaren, zoodat

kapitein Butteling al de zeilen, die maar aan te brengen waren, liet

bijzetten. Gedurende den platvoet nam de wind nog meer af; zelfs zoo,

dat de groote zeilen niet altijd gevuld bleven. De zee stond evenwel

nog zeer hol, waardoor de slingeringen, nu het schip van den wind

weinig steun meer had, nog grooter werden en de zeezieken het nog erger

kregen.

Maar den volgenden ochtend was de zee nagenoeg geheel geslecht en liep

het fregat, met alle zeilen bijgezet, bij eene matige bries uit het

westen, zoodat ongeveer vijf mijlen in de wacht behouden bleven.

Het schip lag zoo stil mogelijk, en helde onder den druk zijner zeilen

licht bakboord over.

Al van den vroegen morgen waren de soldaten aan het dek en beijverden

zich alle sporen der doorgestane zeeziekte te doen verdwijnen. De

hangmatten waren al zeer gauw opgerold en op de koebrug geborgen. Daar

vooruit bij de verschillende pompen was het een gewasch en geplas, dat

het een aard had, om de laatste onzindelijkheid te doen verdwijnen. De

knoopen werden blinkend gepoetst, de kapotjassen ter deeg geborsteld,

hier en daar stond er een zich te kappen en de weerstrevende lokken met

God weet wat in behaagzuchtige plooi te dwingen.

Het detachement zag er eindelijk uit om door een ringetje te halen, en

ieder soldaat kon gerust het inspecteerend oog van een

Haagsch—kindermeisje valt ons uit de pen, maar wij hervatten: van een

Haagsch generaal doorstaan; en, bij het uitreiken der oorlam mankeerde

er geen een.

Tegen negen uur waren ook de mannelijke kajuitspassagiers op het dek

vereenigd, en feliciteerden de nieuwbakken zeevaarders elkander, dat

zij er zoo goed afgekomen waren. Volgens hunne meening toch had het

schip een woedenden storm doorstaan. In ieders oog blonk eenige

spotlust; want ieder meende, dat zijn reisgenoot meer van de zeeziekte

te lijden had gehad, dan hij zelf.

„Hoe zag jij er uit Behrtje!” spotte Denniston met den apotheker. „Ge

zaagt bepaald bleek om je neus, man!”

„Ik heb er gezien, die aschgrauw om den neus waren,” zei kapitein Van

Dam met een glimlach.

„Maar, ik zie de dames niet?” vroeg Leidermooi aan den heer Groenewald.

„O! die zullen dadelijk verschijnen,” antwoordde deze, „ze waren naar

omstandigheden al vroeg in de weer.”

„Naar omstandigheden?... Hebben de dames het ook te kwaad gehad?”

„Och, het verstandigste, wat zij hebben kunnen doen, was in hare kooi

te blijven. Zij hebben die dagen met lezen doorgebracht.”

„Dus ook zeeziek?” vroeg Denniston.

De heer Groenewald beantwoordde die vraag niet. In dit oogenblik

verschenen zijne echtgenoot en beide dochters, alle drie in een elegant

morgentoilet, vroolijk en opgeruimd, alsof er niets gebeurd ware. De

heeren complimenteerden en feliciteerden haar, dat zij aan het gevaar

ontkomen waren.

„Wij danken u,” sprak Emma. „Zeker was het gevaar, waarin wij arme

meisjes verkeerden, zeer groot. Maar, Goddank! redding was nabij.”

„Gevaar! waarin gij arme meisjes verkeerdet!” sprak Denniston met iets

heldhaftigs in zijne stem. „Mij dunkt, dat wij allen hetzelfde gevaar

gedeeld hebben.”

„Het mocht wat!” zei Emma met een glimlach.

„Toen wij in gevaar verkeerden, lagen de heeren nog dapper te kooi,”

vulde Adelien aan.

„Gij spreekt dus niet van den storm, dien wij gezamenlijk getrotseerd

hebben,” vroeg Denniston.

„Een storm! een storm!!” schaterden de meisjes het uit.

„Zeg, stuurman Abels,” wendde zich Emma tot dezen, die zich op het

achterdek bevond en bezig was met zijn sextant waarnemingen te doen,

„was het een storm?”

„Wel neen, juffrouw,” antwoordde deze. „Het had niets te beteekenen,

het was eigenlijk niets meer dan eene gereefde bramzeilskoelte.”

„Maar dat gevaar dan, waarin gij verkeerd hebt?” vroeg Leidermooi met

belangstelling.

Behrtje had eenige woorden met den stuurman gewisseld. Hij was op de

hoogte en kon niet nalaten zich te wreken over den spotlust, waarmede

de jonge dames zijn ongeval begroet hadden, toen hij dat golfje in den

nek kreeg.

„Het is... (hik) alsof ik... (hik)... in ’t water... (hik)... gelegen

heb,” parodieerde hij zijn eigen uitroep.

„Juist, mijnheer Behren, wij hebben in het water gelegen...” zei Emma.

„In het water gelegen? in de zee?” vroeg Leidermooi verschrikt, en een

teederen blik op Adelien werpende.

„In de zee?” herhaalde hij op tragischen toon. „En ik was er niet bij?”

„Pends toi brave Crillon!” declameerde Van Diepbrugge „on a vaincu sans

toi!”

„Juist, mijnheer Van Diepbrugge,” wilde Emma voortgaan „en zonder.....”

Hare zuster stootte haar aan en wees haar naar voren. Beide zusters

wisselden een paar woorden met hunnen vader, die op zijne beurt een

oogenblik met kapitein Van Dam sprak.

„Sergeant Riethoven en sergeant Brinkman!” riep deze met luider stem.

De twee onderofficieren stonden op hun oud plekje bij de verschansing

in de nabijheid van den grooten mast, hetwelk hun hoofdkwartier op de

grenzen, die het gebied van het achterdek van het vooruit scheidden,

scheen te zijn, en tuurden in zee. Op die bekende stem traden zij

vooruit, brachten de hand aan de kwartiermuts en wachtten in militaire

houding de bevelen van hunnen kommandant af.

„Hier de heer Groenewald wenscht aan u voorgesteld te worden,” zeide de

kapitein. „Mijnheer Groenewald, dat zijn de sergeanten Riethoven en

Brinkman, twee flinke onderofficieren, die ik hoog waardeer!”

De jongelieden bogen en kleurden bij die woorden, te midden van dien

kring en in tegenwoordigheid der jonge dames uitgesproken. Zij

gevoelden zich echter gestreeld door die openbare waardeering van

hunnen chef.

„Laat ik u aan mijne echtgenoote voorstellen, heeren,” sprak de heer

Groenewald, met plichtpleging, „dan kunnen wij gezamenlijk u onzen dank

brengen voor de redding mijner kinderen.”

Hij en mevrouw Groenewald drukten de wakkere onderofficieren met warmte

de hand, een voorbeeld, dat door de jonge dames met prijzenswaardigen

ijver gevolgd werd, terwijl hare lieve mondjes ongedwongen en

onverholen hunnen dank uitspraken.

Toen Frank het poezelige handje van Adelien in de zijne voelde, was het

hem wonder te moede. Hij wist later zich niet te herinneren, of hij

gebloosd had of verbleekt was. Zijne houding zou als verlegenheid

kunnen aangemerkt zijn, had hij niet als man van opvoeding dadelijk

zijne tegenwoordigheid van geest hernomen en het lieve handje met alle

kieschheid ter nauwernood gedrukt. Herman evenwel stond daar zoo kalm

en zoo koud als de bezaansmast in de nabijheid.

„Het heeft zoo veel niet te beduiden gehad,” antwoordden de beide

jongelieden hoffelijk om de dankbaarheidsbetuigingen èn van de lieve

meisjes èn van hare ouders eenigermate te stuiten.

„Wat, niets te beduiden?” riep Emma uit. „Ik werd door de woeste golven

over het dek voortgerold!”

„En ik was reeds buiten boord, heeft mij stuurman Bagman verteld,” zei

Adelien tot Frank. „Ik was bijna voor de haaien, toen gij mij greept.

Zou dat niets te beduiden hebben!? Integendeel, ik ben u mijn leven

verschuldigd!”

„Maar, wat is er toch gebeurd?” vroeg luitenant Leidermooi.

De heer Groenewald gaf nu een kort relaas van het gebeurde, en vertelde

met bewogen stem, in welk gevaar zijne jongste dochter verkeerd had en

op hoedanige wijze zij gered was. En, nogmaals de beide jongelieden de

hand drukkende, zeide hij:

„Ik hoop, dat gij in mij steeds een goeden vriend zult zien, die u

groote verplichting heeft. Met toestemming van uwen kommandant en van

kapitein Butteling, verzoek ik u mij en mijn gezin de eer, en vooral

het genoegen te willen aandoen heden en voortaan iederen zondag de

kajuitstafel met ons te willen deelen.”

De beide jongelieden sloegen een blik eerst op hunnen chef, daarna op

de jonge dames. Eerstbedoelde knikte toestemmend. In het oog der lieve

geredden blonk zoo’n innige hartelijkheid ten opzichte der beide

onderofficieren, zoo’n kiesche zweem van bede om toch toetestemmen, dat

Herman, zich zelve beter meester dan Frank, antwoordde:

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 11 / 26 段