Dat „bezaanschoot aan!” werd èn door soldaten èn door matrozen met

gejuich begroet. Stuurman Bagman spoedde naar het victualieruim en

verscheen weldra met ettelijke flesschen jenever, waarmede hij zich bij

den grooten mast plaatste en daar oorlam uitreikte. Middelerwijl

verscheen de hofmeester en presenteerde aan de dames en heeren, een

glas port, madera, vermouth of Kaapschen wijn. Allen, niemand

uitgezonderd, maakten van het aanbod gebruik, want allen hadden

behoefte aan verstrooiing, aan eenige opwekking.

Terwijl de Fernandina Maria Emma den loodskotter te gemoet geloopen

was, had zij zuidoost aangehouden en was den hoekzak van Havre, waarin

zich de Seine, die hoofdader van Frankrijk, ontlast, ingestevend.

Zoodra de loods van boord en de zeilen volgebrast waren, stuurde het

fregat noord ten westen op, totdat het het eiland Wight genaderd zou

zijn.

Gedurende dien oversteek bevond men zich in de stoomvaartlijn van

Southampton en Portsmouth naar Havre en Cherbourg. Het verkeer scheen

er druk te zijn; want nog voor men Wight bereikt had, ontmoette men

vier stoombooten, die dampende en snuivende voorbijstoomden. Steeds

werd het gewone salut met het vlaggen op en neerhalen gewisseld. Een

der booten stevende zoo dicht langs de Fernandina Maria Emma, dat de

opvarenden van beide schepen elkander met levendige hoerrah’s konden

begroeten.

„Verscheidene van de reizigers op die boot,” zei luitenant Leidermooi

tot Emma Groenewald, die in zijne nabijheid zat, „zullen heden avond

hunne demie tasse op een der boulevards te Parijs slurpen, en

waarschijnlijk in het théatre Français een der klassieke

kunstgewrochten genieten, waardoor de Fransche tooneel-litteratuur zich

zoo gunstig onderscheidt.”

De fraaie oogen van het schoone meisje schitterden een oogenblik. Zij

vroeg evenwel:

„Zijt gij zoo ingenomen met de Fransche tooneel-litteratuur, mijnheer

Leidermooi? Ik heb er weinig verstand van; maar ik meen toch, dat zij

door velen veroordeeld wordt.”

„De wufte, de onz.... de minder passende,” hernam de jongman na een

korte aarzeling, „die veroordeelt de man of vrouw van smaak terecht.

Maar ik sprak van klassieke tooneel-litteratuur en dan moet gij mij

toegeven, dat de Fransche aan het hoofd daarvan staat!”

„Ik zou op de Engelsche kunnen wijzen, en dan, triomfantelijk

Shakespeare aanhalen,” antwoordde, het jonge meisje.

„Ik ben er ver van af Shakespeare te miskennen. Zijn Hamlet, zijn

Othello bijvoorbeeld, zijn meesterstukken; maar tegenover dien eenen

auteur kan Frankrijk er velen stellen, die even verdienstelijk zijn als

Shakespeare.”

„Even verdienstelijk als Shakespeare?” viel Behren—die in de nabijheid

stond, in. „O, dat kunt gij niet meenen!”

„Zeker meen ik dat,” hernam Leidermooi met vuur. „Zijn er

tooneelstukken gelijk te stellen b.v. aan de Phèdre, aan de Iphigenie,

aan de Andromaque en aan de Athalie van Racine; aan de Cinna, aan de

Heraclius, en aan de Horaces van Corneille; aan de Zaïre en aan de

Sémiramis, van Voltaire; aan de Henri VIII van Chénier; en, om tot den

tegenwoordigen tijd over te gaan, aan de Hernani van Victor Hugo?”

Emma had Behren met een dankbaren blik begunstigd, toen hij haar te

hulp kwam. Toen zij evenwel de opsomming van Leidermooi hoorde, kwamen

haar al die meesterstukken voor den geest, die haar gedurende haar

verblijf in Europa door een begaafd letterkundige ontvouwd waren. Met

een bekoorlijken glimlach antwoordde zij:

„Gij zijt een enthousiast, mijnheer Leidermooi; maar ik moet u gelijk

geven: de tooneelstukken, die gij aangehaald hebt, zijn onnavolgbaar,

wat verhevenheid van gedachte, sierlijkheid van uitdrukking en

bevallige versificatie betreft.”

De stoomboot, die deze letterkundige uitweiding ontlokte, was reeds

ver. De „Fernandina Maria Emma” liep nog steeds op Wight aan. Het

eiland begon zich duidelijk voor het ongewapende oog voor te doen. Het

fregat viel toen van den wind af en stevende nagenoeg west ten zuiden

op. De wind was oost, zoodat alle bovenzeilen flink bol stonden. Alleen

de schoot van het grootzeil was omhoog gehaald, om het fokkezeil

gelegenheid te geven vollen dienst te doen.

„Loggen!” beval kapitein Butteling, toen het schip voor den wind liep.

De log werd uitgeworpen.

„Kijk eens, juffrouw Adelien,” riep Behren, die zooiets nooit gezien

had, „ze gaan visschen!”

„Vielleicht wohl Kabeljau fangen!” vulde dokter Hannius aan.

Adelien proestte het uit. Zij, die reeds eene reis van Batavia naar

Nederland gemaakt had, wist wel beter.

„Neen, heeren,” zei ze; „daar wordt geen kabeljauw gevischt. Kijk, daar

wordt eenvoudig gemeten, hoe snel het schip zich voortbeweegt.”

„Dat moeten wij zien,” zeiden Leidermooi, Hannius en Behren tot de twee

zusters: „Komt mede, dames.”

Zij verdrongen zich weldra om stuurman Ellenbaan, die door een matroos

geholpen, bezig met loggen was.

„Wel, juffrouw Adelien, wat gebeurt nu,” vroeg Behren met een glimlach.

„Kijk,” sprak het meisje, gelukkig ook eens iets voor het sterkere

geslacht te kunnen uitleggen. „Kijk, dat is de logrol, welke door dien

matroos vastgehouden wordt. Om die rol is de loglijn gewonden en aan

het uiteinde dier lijn is een driekant plankje, het logplankje genaamd,

bevestigd. Dat plankje ligt thans in zee, en ziet, de stuurman laat de

loglijn, die van afstand tot afstand met teekens gemerkt is, door de

hand loopen. Die scheepsjongen daar heeft een zandlooper in de hand,

die juist eene halve minuut aanwijst. Wanneer het zand in het onderste

recipiënt is overgegaan, dan roept die jongen....”

„Stop!” schreeuwde het kleine kereltje uit al zijn macht.

De stuurman klemde de lijn in de hand, bekeek het teeken, dat daar het

naaste bij was, wendde zich toen tot den kapitein en riep:

„Acht knoopen!”

„Wat wil dat nu zeggen, juffrouw Adelien?” vroeg Behren, die er schik

in vond, het jonge meisje te hooren uitleggen.

„Dat wil zeggen, heeren,” antwoordde het lieve kind, „dat het schip in

die halve minuut, door den zandlooper aangegeven, een afstand van 8 ×

15,425 M. heeft afgelegd.”

„Flink geantwoord,” zei stuurman Ellenbaan met een goedkeurenden

glimlach.

„En dat dus,” ging het jonge meisje met hare uitlegging voort, „het

schip, dat in een heele minuut 8 × 30,85 aflegt en bij constante

snelheid in het uur 14808 M. of twee mijlen, derhalve in de wacht 4 ×

14808 M. of acht mijlen zal afleggen.”

„Bravo! bravo!” riep stuurman Ellenbaan opgetogen. „Juffrouw

Groenewald, gij zijt voor zeem.... voor zeevrouw in de wieg gelegd!”

verbeterde hij.

„Het zou een mooi opgetuigd zeemeerminnetje zijn!” mompelde de matroos,

die met den scheepsjongen de loglijn inpalmde. „Maar ze zijn toch nog

zoo dom niet die meerminnetjes, als ze wel onder hun tuig liggen.”

De beide meisjes schenen die matrozenopmerking gehoord te hebben. Zij

gierden het althans uit.

„In de wacht! in de wacht!” zei dokter Hannius. „Aber was ist eine

Wacht?”

„O! wat zijn die moffen dom!” pruttelde Janmaat.

„Weet ge dat niet, heer dokter?” vroeg het lieve meisje.

„Nein, mein Fräulein,” antwoordde de volger van Esculaap.

„Nu dan, luister,” ging het lieve ding met aanminnig snoeperig bekje

voort. „Het etmaal aan boord wordt in zes wachten verdeeld, die ieder

hare eigen benaming hebben. Van 8–12 uur des ochtends wordt de

voormiddagwacht genoemd. Van 12–4 heet de achtermiddagwacht. Daarop

volgt de platvoet, de eerste wacht, de hondenwacht en eindelijk de

dagwacht. De hondenwacht is de minst pleizierige, niet waar stuurman?”

„Ja, juffrouw, dan is het zoo moeielijk om wakker te blijven,”

antwoordde de stuurman lachende.

„Als ’n mensch maar zoo’n lieve praatster, die je het loggen leert, tot

gezelschap had, dan....” mompelde de matroos, die eindelijk de loglijn

binnen en opgerold had.

„Wil jij eens maken dat je vooruitkomt!” gelastte hem de stuurman.

Pruttelend, maar met een blik van welgevallen en goedkeuring op het

jonge meisje, verwijderde zich Janmaat.

„Nog geen gang in,” mompelde kapitein Butteling, toen hij gehoord had,

dat zijn schip slechts acht mijlen liep.

„Voorlij-zeilspieren uit!... Hijsch lijzeilen!” klonk zijn commando.

„Gaat ge er een melkmeisje [37] van maken?” vroeg kapitein Van Dam aan

den gezagvoerder.

„Waarachtig niet,” antwoordde kapitein Butteling. „Dat mag ik niet

wagen. Te drommel! kijk die lucht eens in het westen werken. Uit dien

hoek gaat het blazen. Als het maar niet te vroeg komt. Ik wou, dat ik

het Kanaal uit was.”

De Fernandina Maria Emma stevende thans langs de zuidkust van Wight. De

krijtband, die het hoogland langs het strand omgeeft, was duidelijk

zichtbaar. In het midden van het eiland verhief zich een kegelvormige

heuvel, op welks top met het gewapende oog eene obelisk ontwaard werd.

Het fregat stevende het kleine plaatsje Ventnor voorbij, en iets later

Catharina point, waarop zich een kolossale witte vuurtoren verhief.

Kapitein Butteling vertelde den passagiers, dat de lantaarn van dien

toren zich op 715 Eng. voeten boven de oppervlakte der zee bevond.

Toen Wight voorbij gestevend was, werd koers op Start-point gezet. Toen

men die kaap dwars vooruit had, werden de lijzeilen ingenomen en

zuid-west voorgelegd. Het Kanaal was hier in zijne grootste breedte;

men was den Atlantischen Oceaan nabij. In dezelfde rede als het

vaarwater breeder werd, verminderde ook het aantal schepen. Bij den

heerschenden oostenwind, ontmoette ons fregat geen enkelen tegenlegger.

Al de vaartuigen met bestemming naar het Kanaal lagen buiten op de

Gronden op gunstigen wind te wachten. De meeleggers hadden allen

verschillende bestemmingen, als: naar de Fransche kust, naar het

westen, om naar Amerika over te steken. Slechts weinigen zetten koers

met de Fernandina Maria Emma, en die werden nog door haar geklopt, dat

wil zeggen, dat ons fregat hen allen inhaalde en ver achter zich liet.

De tijden waren voorbij, dat de Nederlandsche koopvaardijschepen

aangehaald konden worden als modellen van logheid, lamlendigheid en

onbeholpenheid. Ons fregat was een flink vaartuig, dat gerust den

handschoen kon opnemen. Er waren oogenblikken, dat van het dek der

Fernandina Maria Emma geen enkele kiel meer te ontwaren was. De

zeehorizon breidde zich al meer en meer uit. Achter het schip

verwijderde de Engelsche kust zich met iedere seconde en zou weldra in

de nevelen, die uit het westen langzaam opzetten, verdwijnen. Aan

bakboord werden heel in de verte de Normandische eilanden ontwaard.

„Het is daar vuil,” zei stuurman Bagman, terwijl hij in de richting

dier eilanden wees. „Daarbij liggen de Kiskassen, zeer gevaarlijke

klippen, waarop menig zeeman het leven gelaten heeft.”

Het was ongeveer vijf uren. De zon was reeds in de nevelbank in het

westen verdwenen, zoodat de avond begon te vallen. De hofmeester riep

de passagiers aan tafel, waaromtrent niemand rouwig was. Onder den

invloed van de oostelijke bries, die nog steeds doorstond, evenwel

merkbaar verzwakt was, was de oppervlakte der zee effen en vertoonde

geen golven. Het schip lag dan ook zoo stil mogelijk. Alleen uit den

vollen oceaan deden zich nu en dan lange deininggolven gevoelen, die

het schip zacht optilden en wiegelden. De zeilen verleenden evenwel te

veel steun om slingeringen toe te laten; zoodat de passagiers van die

bewegingen hoegenaamd geen last hadden. Allen togen dan ook naar

beneden en met te meer eetlust, daar bij het vele, wat er in de Hoofden

en in het Kanaal te zien en te bewonderen was geweest, niemand zich

veel om het ontbijt en om de lunch bekreund had. Men was toen zoo eens

een enkele maal ter loops naar beneden gevlogen, had zich een sneedje

brood gesmeerd, dat met wat rookvleesch aangekleed en in der haast

verorberd, om toch maar niets van het vreemde en aantrekkelijke

schouwspel te verliezen.

Het was de eerste maal, dat de passagiers thans gezamenlijk dineerden

en met scherts vroegen zij elkander af, hoe dikwijls dat zou gebeuren.

De tafel werd gepresideerd door kapitein Butteling. Aan zijne

rechterzijde noodigde hij mevrouw Groenewald, naast wie hare twee

dochters plaats namen. Met een gebaar wees hij kapitein Van Dam plaats

aan zijne linkerzijde, terwijl naast dezen in opvolging de heeren

Groenewald, Hannius, Slierendrecht en Denniston hunne plaatsen

aangewezen werden. Leidermooi was gelukkig genoeg een zetel naast

Adelien Groenewald te verkrijgen, terwijl Van Diepbrugge en Behren,

naast hem geplaatst waren. Vlak tegenover kapitein Butteling zat de

scheepsdokter, die steeds belast was de vleeschgerechten voor te

snijden.

„Spreid je vilderstalent ten toon, dokter,” was eene vaste ui, waarmede

de gezagvoerder hem tot voorsnijden uitnoodigde.

Die plaatsing was zeer oordeelkundig door kapitein Butteling geschied,

hoewel hij door de jongelieden—de mannelijke namelijk—verdacht werd, te

veel het oor geleend te hebben aan een smeekbede van luitenant

Leidermooi, hetgeen niet geheel onmogelijk was.

Dat eerste diner droeg een uiterst gezellig karakter. De reis stelde

zich zoo voorspoedig mogelijk in, men vond elkander zoo goed

geassorteerd, de kok had zich zelven overtroffen, alles smaakte althans

zoo heerlijk, dat het geen wonder was, dat de heeren bij het dessert

een voor een opstonden, en een bezoek brachten aan hun wijnvoorraad in

hunne hut, en dat menige toost geslagen werd: door den gezagvoerder op

zijne passagiers, door kapitein Van Dam op den Schipper naast God, door

luitenant Leidermooi op de dames, door dokter Hannius op das

Vaterland,—welk hij bedoelde: het nieuwe of het oude, liet hij in het

midden,—door Behrtje op de eensgezindheid, enz. enz. Maar de dronk,

welke het meeste toejuiching verwierf, was die van den scheepsdokter

Van Pinksteren, waarbij die het gezelschap eene voorspoedige reis en

behouden aankomst te Batavia toewenschte. Er kwam geen einde aan het

gejuich. Allen zouden en moesten met den goeden Esculaap klinken.

Vooral de dames waren hem dankbaar voor zijn dronk. Zoo werden eenige

genoegelijke uren gesleten en was het ongeveer negen uur, toen de

hofmeester een lekkere kop koffie bracht, met een glaasje Barcelona

brandewijn er bij, dat de kenners zich de lippen deed aflikken, zoo

lekker was het.

Toen de passagiers aan het dek kwamen was het bladstil, geen zuchtje

liet zich voelen, de Fernandina Maria Emma lag in katzjammer, zooals de

zeelui dat noemen, op de nog steeds zacht aanrollende deining te

wiegelen, terwijl hare zeilen, bij iedere beweging met naar geluid

tegen de masten klapperden. De hemel was zwart als roet, geen enkele

ster schitterde aan het uitspansel en het was zoo donker aan het dek,

dat men in den vollen zin des woords geen hand voor oogen kon zien.

Alleen daar ginds in het noordoost ten oosten was een licht te zien,

dat bij de zwarte duisternis nog al afstak.

„Dat is het kustlicht van Ouessant, een klein laag eiland,” verklaarde

stuurman Abels, „dat voor het noordwestelijk uiteinde der Fransche

provincie Bretagne gelegen is. De Hollandsche matrozen noemen het

Heizand. Bij den dans, die straks beginnen gaat, ben ik blij, dat wij

dat eilandje te boven zijn.”

Een oogenblik later kwam kapitein Butteling aan het dek. Toen hij van

tafel opstond, had hij den barometer, die in zijne hut hing,

waargenomen, en die had hem niet veel goeds verkondigd. Boven komende

liet hij dadelijk alle bovenzeilen, de bram- en bovenbramzeilen aan de

beide voorste masten en het kruiszeil en grietje aan den achtermast

innemen. Ook werd de bezaan en het grootzeil gegeid. De Fernandina

Maria Emma lag nu nog maar onder haren fok, onder hare marszeilen en

haar bagijnezeil, terwijl het voorstengstagzeil, de kluiver en de

jager, drie driehoekige zeilen, die tot den boegspriet en het kluifhout

behoorden, bijgezet bleven, om, bij het invallen der bui, het te zeer

oploeven te verhelpen.

In die dikke duisternis was het een akelig wachten op de dingen die

komen zouden. De vuurtoren van Ouessant geleek een bloederig dreigend

oog in den donkeren nacht.

Dat duurde zoo omstreeks tot tien uur. Toen liet zich eerst eene zachte

bries gevoelen, die uit het noordoosten scheen te komen. Het fregat,

dat met klapperende zeilen zonder stuur rondgedobberd, en dat roode

licht van Ouessant nu eens voor, dan eens achter, nu eens aan bakboord,

dan weer eens aan stuurboordszij gehad had, hervatte den koers, die

thans west ten zuiden door kapitein Butteling aangegeven werd.

„Dat ’s het begin,” grinnikte stuurman Bagman. „Goddank wij zijn

buiten! Laat het nu maar waaien!”

Ja, het was het begin. Met iedere seconde wakkerde de wind aan. De

zeilen die straks slap hingen en aan vaatdoeken gelijk waren, stonden

nu bol en dreven het gevaarte voorwaarts. De wind wakkerde niet alleen

aan, hij versprong ook langzamerhand. Hij ruimde, zooals de zeelieden

zeggen, totdat hij in het noordwesten gekomen was en begon toen uit

alle macht te blazen. Het was een gehuil in het staand en loopend want

van het schip, dat het voor de nieuwelingen wezenlijk was om angstig te

worden, en werkelijk was het niet zoo donker geweest, dan ware menige

bleeke tronie bespeurd geworden, zoowel bij de soldaten als bij de

kajuitspassagiers; vooral bij hen die overdag wel iets tartends in de

gelaatstrekken vertoond hadden. De drie dames hielden zich als bevaren

vrouwen nog het beste; terwijl een glimlach hun gelaat sierde, wanneer

zij de eene of andere stem in hare nabijheid angstig hoorden prevelen:

„Hoort den wind eens huilen!”

Maar de zee begon ook driftig te worden. Er kwam beweging in die

wateroppervlakte, die tot nu toe slechts in zachte deining op en neer

gegaan was, even alsof een onmetelijk groot monster ademhaalde. De

golfjes, want golfjes waren het nog maar, begonnen tegen den

scheepsromp te kabbelen. Zij werden evenwel al grooter en grooter,

hoewel het nog maar spelen was, dat zij met elkander deden. Daar ginds

kuifden zij zich reeds met wit schuim, hetwelk een phosphorisch licht

afgaf en bijgevolg in het donker te zien was. Het kabbelen begon op

klotsen te gelijken, de golven begonnen te krullen en driftiger op het

schip toe te schieten, dat nu ook meer beweging onderging. De koers was

nu nagenoeg zuidwest en de wind noordwest, zoodat de golven dwars

inkwamen en het schip, al meer en meer deden slingeren. Voor en na was

het stil op het dek geworden. Van de luidruchtigheid, die na tafel

geheerscht had, was niets meer te bespeuren, en van de passagiers waren

alleen de jonge meisjes even opgeruimd gebleven, zoo ook hare ouders en

kapitein Van Dam.

Helaas, de zeeziekte begon haren scepter te zwaaien. De meeste der

jonge mannen liepen het achterdek op en neer en poogden door veel

beweging de kwaal te bestrijden. Enkelen lagen op de kajuitskap en bij

de meesten was de hoofdgedachte in dit noodlottige uur:

„Had ik toch maar aan dat diner, dat mij zoo gesmaakt heeft, niet

meegedaan!”

Zoo akelig en benauwd gevoelden zij zich.

„Ik raad de dames en heeren naar omlaag te gaan,” sprak kapitein

Butteling. „Bij zeeziekte is men nergens beter dan in zijn bed.

Daarenboven, bij den aanwakkerenden wind zal het niet lang meer duren,

of het schip zal water overkrijgen.”

Het was alsof de oceaan de woorden van den kapitein wilde bezegelen.

Nauwelijks had hij toch zijn volzin geëindigd, toen een groote golf en

met steilere wanden dan de vorigen aangestoven kwam. Juist krulde zijn

kam, toen hij het scheepsboord genaderd was. Hij brak woedend, klotste,

daar het vaartuig den tijd niet had om zich te verheffen, tegen dat

boord op en wipte een klein gedeelte van zijne watermassa speelsch over

de verschansing, terwijl de wind het fijnverdeelde schuim allen, die

daar aan dek waren, in het aangezicht woei.

„Help, help!” riep Behren, die vrij akelig gestemd over de verschansing

gebogen gelegen en nu dat speelziek golfje vlak achter in den nek

gekregen had.

Hij was door den schrik, nog meer dan door den druk van het water

achterover getuimeld, en lag nu in een plas heen en weer te wentelen,

naar mate het schip overhelde of zijn evenwicht hernam.

De heer Groenewald had den rampzaligen spoedig gegrepen en overeind

geholpen.

„Ik ben.... (hik).... door en door.... nat,” kreet Behrtje met

naargeestige stem.

Hij hikte, alsof de uitbarsting der zeeziekte voor de deur stond.

„Het is... (hik)... alsof ik... (hik)... in ’t... water.”

„In het water gelegen heb!” vulden de jonge meisjes spottend aan.

De apotheker begreep dat de jolige meisjes hem uitlachten. Als het dag

ware geweest, dan hadden de lieve kinderen een grimmigen blik kunnen

opvangen, dien hij haar toewierp, toen hij voortstrompelde om zich naar

beneden te begeven.

„Dat ’s nummer een!” zei kapitein Van Dam tot de dames.

Het begon nu vrij ongezellig aan het dek te worden. Het was er glad en

glibberig; terwijl het schip onder den aandrang van wind en golven

onrustbarend kon overhellen. Het voorbeeld van Behrtje werd weldra

gevolgd. Voor en na verdwenen de jongelieden: eerst Denniston, daarna

Slierendrecht, toen Hannius en Van Diepbrugge, die elkander bij die

groote reis naar beneden zouden ondersteunen. Leidermooi hield zich nog

het beste; maar zijne neerlaag was ook nabij.

„Zoo dapper, mijnheer Leidermooi?” vroeg de heer Groenewald aan den

jongen luitenant.

Helaas! deze wilde zich dapper houden; maar het schip slingerde hem te

sterk. Hij was reeds zoover onder den invloed der gevreesde ziekte, dat

hij niet spreken durfde, dat het hem gevaarlijk toescheen den mond te

openen. Hij antwoordde met een gebaar, hetwelk de heer Groenewald in

het donker toch niet zag. Eindelijk werd het hem te erg. Met de hand

voor de lippen vloog hij naar de verschansing, plengde daar zijn offer

en strompelde toen naar beneden.

Van harte lachten hem de beide meisjes uit.

„Hebt gij dan niets geen medelijden met den armen jongen?” vroeg haar

kapitein Van Dam zelf lachende.

„Och, kapitein,” antwoordde Emma, „het is zoo komiek iemand zeeziek te

zien.”

Het is ontegenzeggelijk, dat zeeziekte aan boord niemand tot deernis

stemt. Valt er iemand, kneust hij zich den arm of het been, iedereen

schiet toe om hulp te bieden; heeft iemand wat koorts of eenige andere

lichte ziekte, dan zullen alle opvarenden zich ter beschikking stellen

om de smart te lenigen. Maar is iemand zeeziek, dan ontwaart hij

slechts een spottenden glimlach op aller gelaat. Bij niemand eenig

medelijden, tenzij bij hen, die zelf eenige aandoeningen beginnen te

gevoelen. Het is of die ziekte niets is dan eene verplichte schatting,

die de nieuweling aan den God der zee moet brengen. En toch gevoelt de

lijder zich zoo vreeselijk naar, zoo akelig, zoo benauwd, dat er

oogenblikken zijn, waarin hij om den dood verlangt, en waarin hij

zelfmoord zoude plegen, wanneer hem kracht genoeg overgebleven ware om

handelend op te treden. Zijne levensopvattingen zijn zoo in de war, hij

is zoozeer hulpbehoevend, dat hij bij iedere op en neer gaande beweging

van het schip, waarbij het hem is of zijn hoofd geheel leeg is,

vermeent, dat het laatste oogenblik daar is en hij reeds in den æther,

in een ijleren dampkring vervoerd wordt.

Een poos nog stond de familie Groenewald aan het dek te turen. Het

licht van Ouessant was reeds lang achteruit aan den horizon verdwenen,

en toen de stuurman van de wacht acht glazen sloeg en de eerste wacht

door de hondenwacht vervangen werd, ging ook zij naar beneden en werd

daarin door kapitein Van Dam gevolgd.

Gedurende den nacht was de noordwestenwind nog aangewakkerd. Het was

nog wel geen storm, die woei; maar heel veel scheelde het niet. Om het

vreeselijk overgaan van het schip met die dwarse zeeën eenigermate te

verminderen, was de kapitein genoodzaakt geweest de marszeilen en het

bagijnezeil te laten reven; toch liep het schip onder den machtigen

aandrang nog ruim elf mijlen.

De zeeziekte hield intusschen geducht huis, zoowel in het tusschendek

bij de bewoners van het soldatenlogies, als van het achteruit. Slechts

weinige der militairen waren door de zoo lastige kwaal gespaard

gebleven. Onder die door het noodlot begunstigden bevonden zich Herman

Riethoven en Frank Brinkman. Hoe dat kwam, ja daarvan wisten zij zelf

geene verklaring te geven, maar er zijn zoo van die gelukkigen, die te

midden van de algemeene onpasselijkheid, zich frisch, opgewekt en

ongedeerd blijven gevoelen.

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 10 / 26 段