„O!” sprak stuurman Abels met een glimlach om de lippen. „Dat ’s zeer

eenvoudig. Gisteren kwamen zij zoo omstreeks een uur voor het

detachement aan boord. Zij schenen in Den Burg [33] copieus gedineerd

en daarbij een goed glas tot afscheid van het vaderland gedronken te

hebben. Hunne vrienden, Delftsche studenten, zoo ik hoorde, hebben hen

toen liefderijk te kooi bezorgd en zijn toen waarschijnlijk ook naar

bed gegaan, daar zij niet minder laveerden dan de vertrekkenden. Toen

gij aan boord kwaamt, sliepen die jongelui den slaap des

rechtvaardigen, onbewust van hetgeen rondom hen voorviel. Nu schijnen

zij weer fiksch en nuchter te zijn. Maar, ik moet voort, vergeef mij.”

De beide jongelieden werden thans het gezelschap officieren op het

achterdek gewaar, traden als mannen van opvoeding, ongedwongen op hen

toe, stelden zich als medepassagiers voor, en knoopten zoo eene

kennismaking aan, die zij hoopten, dat tot aller genoegen bestendigd

zoude blijven.

Het waren een paar flinke jongelui, die twee ambtenaren ter

beschikking, met open oog, rond gelaat en vroolijk opgeruimd karakter.

Een ware aanwinst voor de gezelligheid der reis.

„Ik heb de heeren gisteren niet bij het vertrek ontwaard,” sprak

kapitein Van Dam na de voorstelling, met ondeugend gelaat.

Beiden glimlachten ongedwongen.

„Wat zal ik daarop antwoorden?” sprak Jan Slierendrecht. „Wij dineerden

gisteren in Den Burg. De „Veuve Cliquot” is er overheerlijk. Die kan ik

u recommandeeren, kapitein, als gij in de gelegenheid komt, dan....”

„Ja, die gelegenheid zal zich eerstdaags wel voordoen,” zei kapitein

Van Dam met een spottenden glimlach.

„Wij hadden zooveel afscheidsdronken te ledigen, zooveel toasten te

beantwoorden, het

Iö vivat! nostrorum sanitas!

klonk zoo opwekkend, dat wij zijn blijven tafelen totdat het

Dum nihil est in poculo! [34]

eene jammerlijke waarheid bevatte. Toen....”

Hier aarzelde de jongman zijne bekentenis. Kapitein Van Dam hielp hem.

„Toen was het ’t beste, om naar kooi te gaan,” zeide hij.

„Zie kapitein,” sprak Piet Van Diepbrugge op koddigen toon. „Les beaux

esprits se rencontrent! Wij dachten er ook zoo over. Wij zijn naar kooi

gegaan....”

„Gebracht!” verbeterde Behren.

„Gebracht dan, als het zoo zijn moet” ging Piet voort. „En in den slaap

hebben wij van het geheele vertrek niets vernomen.”

„Wat mij zeer spijt” viel Slierendrecht met ernstige stem in. „Ik had

nog zoo gaarne een laatsten blik op den vaderlandschen bodem willen

werpen.”

„Sjtt!... sjtt!... daar komen de dames,” zei Behren.

„Zijn er dames aan boord?” vroegen de twee ambtenaren in spe als om

strijd.

„Ja, zeker,” antwoordde de apotheker. „Drie engelachtige lieve dames.”

„Hoe weet je dat Behrtje?” vroeg kapitein Van Dam.

„De koksmaat heeft het mij verteld,” antwoordde Behren in allen ernst.

„Ja, dan zul je wel goed ingelicht zijn,” meende de kapitein met even

ernstig gezicht. „Maar stil.... daar komen ze. Wij zullen zien of de

koksmaat gelijk had. Kijk, kijk, ik geloof het niet.”

Drie dames en een heer waren den kajuitstrap opgekomen, en richtten

hunne schreden naar het gezelschap, dat op het achterdek bij elkander

stond.

„Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, juist! Ben ik goed ingelicht,

dan treffen wij onze medepassagiers allen bij elkaâr,” sprak de heer.

En zich tot kapitein Van Dam wendende:

„Het zij mij vergund kennis met u te maken, kapitein,” sprak hij. „Ik

heet Groenewald, dat is mijne echtgenoote, en dat zijn mijne twee

dochters.”

Kapitein Van Dam boog, noemde zijn naam en stelde daarna de

jongelieden, aan de familie Groenewald voor, in de volgorde zoo als zij

bij hem stonden. Eerst Behren, daarna Denniston, toen Van Diepbrugge,

Hannius, Slierendrecht en Leidermooi.

Onmiddellijk was het gesprek algemeen. Behren was op mevrouw Groenewald

toegetreden, en ving een gesprek aan, zooals alle gesprekken in

dergelijke gevallen tusschen wildvreemde menschen begonnen worden,

namelijk over het weer, over de omgeving, over de reis, enz.

Kapitein Van Dam wierp een spottenden blik op Behrtje, dien deze wel

begreep.

Ja, omtrent de engelachtigheid, door den koksmaat der drie dames

toebedeeld, moest omtrent haar, die met onzen apotheker stond te

praten, wel ietwat afgedongen worden. Mevrouw Groenewald was uit een

morganatisch huwelijk gesproten, hetwelk haar vader met eene Javaansche

schoone had aangegaan, en droeg daarvan de onmiskenbare kenteekenen.

Zij was ietwat bruin van tint, had een dik kort ineengedrongen neusje

en lippen, die ook ietwat meer omvang hadden dan de schoonheidsvormen

strikt eischten. Het weelderig zwart haar, dat zij in dit morgenuur in

een dikke kondeh [35] opgebonden had, begon hier en daar te grijzen,

terwijl èn haar gelaat èn hare taille mede verrieden, dat prille jeugd

haar deel niet meer was. Dat gelaat had evenwel zoo eene goedaardige

uitdrukking, en hare oogen, die zij zeer fraai behouden had, konden

iemand zoo vertrouwvol, zoo innig hartelijk aankijken, dat wie haar

naderde, zich tot haar aangetrokken gevoelde. Zij drukte zich zeer

beschaafd uit, hoewel haar Hollandsch iets schoolsch had en den indruk

gaf, alsof het haar moeite kostte, zich in die taal verstaanbaar te

maken. Diezelfde indruk werd geboren, wanneer zij Fransch of Engelsch

sprak. Toch kende zij die talen zoo grondig, als slechts weinig

Nederlandsche vrouwen in die dagen eigen was.

Zij was eene liefderijke moeder, die in overwicht en omgang met hare

kinderen meer eene toegenegen oudere zuster was, dan wel eene mama, die

haar gezag deed voelen. Hare kinderen aanbaden haar dan ook, en wel met

zoo’n innigheid, dat nimmer, zelfs in de vlegeljaren, die ook voor

meisjes bestaan, de tusschenkomst van den vader noodig geweest was, om

hen naar hare hand te zetten.

Die vader, volbloed Nederlander van geboorte, in weerwil van zijn half

Duitschen naam, was een hoogst eenvoudig man, met een zeer dagelijksch

uiterlijk, niet te dik, niet te mager, die op zijn getaand gelaat, de

teekenen droeg van een arbeidzaam leven onder de keerkringen. Op de

vraag van kapitein Van Dam na de presentatie of hij, evenals de heeren

Van Diepbrugge en Slierendrecht, ook ambtenaar was, had hij eenvoudig

geantwoord, dat hij landhuurder was, en eene koffie-onderneming in de

Residentie Soerakarta op de hellingen van den Lawoe had. Hij was voor

herstel van gezondheid naar Europa geweest, en was nu weer op de

terugreis naar Indië. Zijne gezondheid liet niets meer te wenschen

over. Toch hadden de geneesheeren hem aangeraden, om zijn lichaam te

stalen, de reis rondom de kaap de Goede Hoop te maken, in stede van met

de mail te gaan, die trouwens in die dagen zeer kostbaar was en den

reizigers weinig gemakken bood. Door zijne handelsvrienden te Amsterdam

was het fregatschip Fernandina Maria Emma als een solied en snelzeilend

vaartuig aanbevolen, dat een geëxamineerden dokter en eene melkgevende

koe aan boord voerde. Met den dokter maakten de lezers reeds kennis, en

van harte zullen zij voor de passagiers den wensch slaken, dat het

diploma van de melkgevigheid der koe van beter allooi moge geweest zijn

dan dat, hetwelk de wetenschappelijke kennis van den dokter moest

schragen. Mijnheer Groenewald had te eerder zijne keus op een zeilschip

laten vallen, dewijl hij meende, dat daar meer huiselijkheid en

gezelligheid te vinden waren, dan aan boord der mailbooten. Wel had hij

tegen de reis met de Fernandina Maria Emma eenigermate opgezien, omdat,

zoo had hij tegen zijne vrouw gezegd, er zooveel officieren aan boord

waren, hetgeen hij gevaarlijk voor de gemoedsrust zijner dochters

achtte. Mevrouw Groenewald had hem evenwel verzekerd, dat onder de

officieren flinke mannen gevonden werden, en dat zij er niet tegen op

zou zien een officier tot schoonzoon te hebben. Daarenboven in die

dagen had geen ander schip in de Nederlandsche zeehavens zeilklaar

gelegen, hetwelk dezelfde voordeelen van ruimte, soliditeit en

welbezeildheid als de Fernandina Maria Emma aanbood, zoodat hij tot de

reis met dien bodem besloten had. Of zijne zorg voor de gemoedsrust

zijner dochters gegrond genoemd kon worden?

De twee lieve meisjes stonden daar te midden van dien kring

jongelieden, en het viel niet te ontkennen, dat de algemeene

bewondering haar deel was. En te recht. Beiden waren lieve slanke

ontwikkelde deernen, die veel op elkander geleken, zoo zelfs, dat het

duidelijk was, zij een zusterpaar waren, maar die bij nadere

beschouwing toch eene verschillende type te bewonderen gaven.

Emma, de oudste bij voorbeeld, eene maagd, die een en twintig lentes

telde, was eene bekoorlijke brunette, die hare oostersche afkomst ten

volle staafde. Wel was zij ten volle blank, zoo blank als slechts eene

volbloed Europeesche schoone wezen kan, maar hare wangen vertoonden dat

schelle niet, hetwelk bij zoo menige jonge dame aan een potje karmijn

van Rimmel, van Piver of van Pinaud doet denken, en waarbij men de

strepen meent te ontdekken des penseels, die de bedriegelijke kleur op

de koon bracht. Integendeel het lieve rozenrood harer wangen ging zacht

en onmerkbaar in het albastwitte harer huid over, en bracht juist door

hare fijne nuanceering den beoefenaar van natuurschoon in verrukking.

Haar hoog intelligent voorhoofd was matwit, aan marmer gelijk, aan

marmer, waaraan door een grooten beeldhouwer leven en bezieling

geschonken zou zijn. Dat voorhoofd werd omgeven door donkerbruine

krullen, die het gelaat heerlijk omlijstten, en dartel en weelderig

over de goedgevormde schouders op den welgevulden boezem daalden. Hare

gelaatstrekken waren overigens niet zoo regelmatig, dat die aan een

Griekschen kunstenaar tot model zouden hebben kunnen strekken; maar het

oog rustte met welgevallen op dat fraai gevormd neusje, op die fijne

geteekende lippen, die wanneer zij zich openden, de fraaiste en witste

tanden der wereld lieten zien, en die met hare goed afgeronde wangen en

haar heerlijk voorhoofd een geheel vormden, dat niet dan uiterst

lieftallig kon genoemd worden. Wat dat gelaat evenwel eene buitengewone

aantrekkingskracht verleende, waren de oogen der lieve maagd, welker

appels donkerbruin, bij het zwarte af, zich grondeloos diep voordeden

voor den gelukkigen, die het gegund was dien blik te peilen, maar

overigens dien oogopslag bezaten, die als de zonnestraal opgewektheid

en helderheid om zich verspreidde. Slank en heerlijk ontwikkeld,

vertoonden hare leest en haar tred eene buitengewone buigzaamheid en

veerkracht, en verraadde zij in hare bewegingen eene waarlijk

vorstelijke houding, die de bewondering tot vergoding stemde.

Hare zuster Adelien—wij zeiden het reeds—had sprekend hare

gelaatstrekken. Het was volkomen dezelfde snede. Alleen gene was eene

brunette, deze eene blondine. Zij had denzelfden weelderigen haardos,

maar zacht genuanceerd in die heerlijke tint, die de Franschen

eigenaardig blond cendré noemen. Als de wind in die lieve krullen

speelde en de uiterst fijne haren eenigszins in de war bracht, dan was

het alsof Adeliens voorhoofd door een uiterst ijl wolkje, door iets

etherisch omgeven was. Haar blik was niet zoo vurig als die harer

zuster; integendeel hare fraaie blauwe oogen hadden iets ijls en iets

vochtigs, waardoor zij eenigermate kwijnend van uitdrukking waren, en

waardoor ook de scherpte van den oogopslag geheel weggenomen was.

Hare wangen waren, zonder bleek genoemd te kunnen worden, niet zoo

levendig getint als die harer zuster, maar waren overdekt met dat

uiterst fijne dons, waarmede de koonen der blondinen gewoonlijk

prijken, en wat haar zooveel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde

perzik geeft. Ook de houding van Adelien Groenewald was eene geheel

andere dan die harer zuster. Hoewel hare leest even buigzaam, haar tred

even veerkrachtig was, zoo was daarin toch die waardigheid niet te

bespeuren als bij gene. Er was daarentegen iets liefs, iets goedigs,

iets innemends in hare houding en bewegingen. Kon de oudere zuster

hartstochtelijke bewondering inboezemen, voor Adelien gevoelde ieder,

die haar naderde, eene hartelijke toegenegenheid.

Eene kenmerkende eigenaardigheid der beide zusters was, dat zij zeer

kleine voetjes hadden, die uitermate smaakvol gechausseerd waren, en

mollige, maar fijne lieve handjes, die evenwel bij eene eerste

kennismaking met de overige passagiers der Fernandina Maria Emma

zorgvuldig geganteerd waren.

Hoewel niet tot den kring der bevoorrechte achterdekspassagiers

behoorende, stonden toch nog een paar oogen naar de liefelijke

verschijning der schoone meisjes te turen. Het waren die van Frank

Brinkman, die nog steeds met zijn vriend Herman Riethoven ter hoogte

van den grooten mast bij de verschansing stond. De laatstgenoemde stond

evenwel in den aanblik verzonken, welke het tafereel, dat zich op de

zee ontwikkelde, aanbood; terwijl de andere geen oog afwendde van de

liefelijke gestalten, die daar op het achterdek verschenen waren.

„Gelukkige officieren!” zuchtte Frank. „Och, was ik toch ook zoo ver!”

Herman lette op die ontboezeming niet. Zijn blik waarde slechts op de

oppervlakte der zee.

„Kijk die loodskotter eens naderen!” riep hij. „Men kan de bemanning

aan boord reeds onderscheiden.”

In dat oogenblik trad de scheepsgezagvoerder Butteling op kapitein Van

Dam toe, en fluisterde hem eenige woorden in.

„Sergeant Brinkman en sergeant Riethoven, komt eens hier!” riep

laatstgenoemde tot de twee onderofficieren.

Beiden haastten zich te gehoorzamen, naderden ongedwongen, en zich als

mannen van beschaving voor de dames buigende, den kring der passagiers

en stelden zich in onberispelijke militaire houding met de hand aan de

klep hunner politiemuts naast elkander voor den kapitein, die een paar

passen vooruitgetreden was.

„Wat zijn uwe orders, kapitein?” vroeg Herman, terwijl beiden de oogen

met gepaste vrijmoedigheid op hunnen officier vestigden.

„De loods gaat straks het schip verlaten,” sprak kapitein Van Dam, niet

zonder welgevallen de twee flinke onderofficieren aankijkende, „en zal

de laatste tijding van boord medenemen. Gij sergeant Riethoven zult de

brieven van het detachement ophalen, gij sergeant Brinkman die van de

passagiers. De derde stuurman zal u die van de equipage ter hand

stellen; maakt daarvan beneden in de kerk een pakket, hetwelk

behoorlijk verzegeld en geadresseerd moet zijn aan den postmeester te

Shoreham, waar de loods landen zal.”

„Tot uwe orders, kapitein!” spraken de beide onderofficieren, maakten

onberispelijk rechtsomkeert, en spoedden voort, om de ontvangen bevelen

ten uitvoer te brengen.

Herman was in een oogenblik te midden der soldaten van het detachement

verdwenen, terwijl Frank zich tot de passagiers wendde. Als bij

instinkt vervoegde hij zich eerst tot de heeren van het gezelschap, die

naar beneden ijlden om hunne brieven te sluiten. Eindelijk stond hij

met de familie Groenewald alleen aan het dek.

„Hebben de dames mij ook brieven te overhandigen, die zij met de post

wenschen te verzenden?” vroeg hij met een glimlach op het gelaat aan de

jonge meisjes.

„Brieven?” vroeg Emma met eenige voornaamheid in stem en houding.

„Brieven met de post?” vroeg Adelien met hare gewone lieftalligheid,

het oog op den rijzigen onder-officier slaande.

„Ja, dames!” antwoordde Frank. „Straks verlaat de loods het schip, en

zal de Engelsche kust aandoen, alwaar de brieven op de post zullen

gedaan worden. Ziet, de loodskotter is reeds nabij.”

„Een goede gelegenheid om nog aan Klara te schrijven,” juichte Adelien

tot hare zuster.

„Ik zou ook nog wel willen schrijven,” zei Emma, terwijl een hooger

blosje als gewoonlijk hare wangen verfde.

„Maar, zou er nog tijd zijn?” vroeg Emma aan Frank.

„Veel niet,” antwoordde deze. „De loodskotter nadert al meer en meer.”

„Hoe jammer,” zei Adelien. „Ik heb Klara zooveel te schrijven, ja

waarlijk veel.”

„Dat de dames gerust hare correspondentie beginnen,” zeide Frank met

een glimlach, „mij is het sluiten van het postpakket opgedragen. Ik zal

daarmeê zoolang dralen, totdat ik uwe brieven in ontvangst zal genomen

hebben.”

„O, hoe heerlijk!” kreet Adelien. „Maar....”

„Haast u evenwel,” sprak Frank. „Ziet, de loodskotter nadert, nadert.”

„Juist,” sprak het jonge meisje. „Kom Emma!”

En weg waren zij, den trap af, naar beneden in de kerk, alwaar al de

passagiers om de tafel zaten en in hunne schrijverijen verdiept waren.

Het waren de laatste afscheidsgroeten, die daar aan ouders, vrienden en

bekenden werden toegeroepen. Verscheidene maanden zouden voorbij

snellen, zonder dat de opvarenden in de mogelijkheid zouden zijn taal

of teeken te geven. Hier en daar werd dan ook een zucht vernomen, hier

en daar werd zelfs een traan weggepinkt, soms niet vlug genoeg, om te

verhoeden, dat zij op het papier terecht kwam.

Herman had inmiddels aan de hem gedane opdracht bij het detachement

gevolg gegeven. Ook daar had de bekendmaking, dat er nog tijdingen met

den loods konden medegegeven worden, dezelfde uitwerking als op het

achterdek gehad.

De soldaten hadden evenwel geen kerk, geene kajuit, zelfs geen tafel of

stoel ter beschikking om hunne correspondentie te voeren. Het

schouwspel, hetwelk thans het dek van de Fernandina Maria Emma aanbood,

was hoogst eigenaardig.

Hier lagen ettelijke manschappen, zoo lang als zij waren, op hun buik

op den vloer uitgestrekt, en poogden in die houding ijverig de pen te

hanteeren. Daar ginds zaten er vier op de voorplecht ijverig te

schermen ieder op een vel papier, dat niet al te zindelijk scheen, en

waren elkander daarbij niet weinig in den weg. Om het spil stonden er

zes op hunne penhouders te bijten, alsof zij de denkbeelden, die zij

misten, er uit wilden zuigen. Zelfs een der lippen van het groote anker

diende tot schrijftafel. De potdeksels, de trapkappen, de kraanbalken,

het bovenvlak der kippen- en varkenshokken waren met scribenten

overdekt. Zelfs het dak van het koeienhok was door een schrijflustige,

die er op uitgestrekt lag, ingenomen. Cadmus, de vermeende uitvinder

van de schrijfkunst, had voorzeker nimmer kunnen bedenken, toen hij de

eerste schrede op het gebied der zichtbare mededeeling van de gedachte

zette, dat de mensch zich zoo zou kunnen behelpen bij het beoefenen

zijner uitvinding!

Frank en Herman hadden een der kippenhokken, die ter hoogte van den

bezaansmast stonden, in beslag genomen en stonden daarbij volijverig te

schrijven.

Terwijl het meerendeel der opvarenden zich zoo onledig hield, was de

loodsboot nabij gekomen. Op een gegeven oogenblik had de equipage op

bevel van haren gezagvoerder de eene helft der zeilen tegengebrast

[36], zoodat het schip nagenoeg bewegingloos lag en geen vaart meer

maakte. De loodskotter zette nu een sloepje, een notendopje uit, dat

door twee man geroeid, spoedig op zij van het fregat bij den stormtrap

aangelegd had. De opvarenden van dat bootje brachten een pak Engelsche

couranten aan boord, die het laatste Europeesche nieuws bevatten. De

loodskotter was dien eigen morgen van de reede van Brighton gezeild, om

in het Kanaal te kruisen. De loods maakte nu aanstalten om het schip te

verlaten. Het was belangrijk de hoeveelheden erwten, boonen,

zoutvleesch en rookspek, die kapitein Butteling hem uit den

scheepsvoorraad geschonken had, en die nu in het sloepje overgingen.

„Zijn de brieven klaar?” vroeg de gezagvoerder aan de beide sergeanten.

Riethoven had zijne inzameling nagenoeg gehouden. Brinkman was in de

kerk afgedaald en spoorde daar de briefschrijvers tot spoed aan. Van de

heeren, die een voor een naar het dek gingen, had hij de epistels reeds

in ontvangst genomen, en wachtte nog slechts op die der dames.

„Gij zult u moeten haasten, dames,” sprak hij, „de loods wordt

ongeduldig.”

„Ik haast mij al zooveel ik kan,” antwoordde Emma eenigszins

hooghartig. „Ik kan niet vliegen.”

„Nog een oogenblik,” sprak Adelien met innemenden glimlach. „Denk aan

uwe belofte van straks, sergeant.”

Frank boog. Inmiddels was Herman met zijne brieven beneden gekomen.

Zijn vriend wees op de dames en lei zijn vinger op den mond.

„Waar blijven de brieven?” riep de loods aan den kerktrap.

„Oogenblikkelijk, loods!” riep Frank tot antwoord. „Wij zijn dadelijk

met het pakket klaar.”

Na een poos wachtens kwam kapitein Butteling naar beneden.

„Waar blijft het brievenpakket toch?” vroeg hij met eenig ongeduld in

de stem aan de onderofficieren. „Gij moest meer voortmaken!”

Met een oogopslag zag hij evenwel hoe hier de zaken geschapen stonden.

Hij keerde zich om, ging naar het dek en liet den loods een paar

vierkante flesschen jenever geven. Daarmede werd tijd gewonnen. Daarna

noodigde hij hem uit tot een afscheidsdronk. De zeebonk liet zich dat

geen tweemaal herhalen; hij schoof de beide flesschen in de zakken

zijner broekspijpen, die daarin als in een afgrond verdwenen, greep het

glas jenever, dat hem stuurman Ellenbaan aanreikte, nam zijne dikke

pruim uit den mond, en sprak:

„Nou, kaptein, goeje reis! Daar ga je!”

De kelk Schiedammervocht verdween als in eene goot. De loods veegde

zich met den mouw van zijn pijekker den mond af en vroeg:

„Waar, bliksem! blijven de brieven toch?”

„Daar zijn ze, loods,” sprak sergeant Riethoven, terwijl hij hem een

lijvig pakket ter hand stelde.

In de kerk had Emma haren brief met eene hoffelijke buiging aan Herman

overhandigd. Adelien had voor de beide onderofficieren een

vriendelijken glimlach ten beste gehad. Toen zij haren brief

overreikte, dankte zij hen met innemende stem en stak hen haar handje

toe, dat beiden ongedwongen, maar toch kiesch drukten.

Beiden oogden haar opgetogen na. Toen zij verdwenen was, mompelde

Frank:

„Wat een dotje! Wat een dotje!”

Beiden beijverden zich nu het postpakket te sluiten en verschenen

daarmede juist op het dek, toen de loods in zijn ongeduld andermaal

daarnaar vroeg.

Het postpakket verdween in den afgrond, waarin de vierkante flesschen

jenever verzonken waren. De loods reikte een ieder der omstanders een

hand.

„Goeje reis!” riep hij, en daalde den stormtrap af.

Nauwelijks had hij plaats in het notendopje genomen, dat hem naar den

loodskotter over moest brengen, toen een schril gefluit en

verschillende commando’s over het dek weerklonken. De zeilen werden

voor den wind gebrast en de Fernandina Maria Emma hervatte haren koers

als een flink fregat, dat zij was.

Alle opvarenden, zoowel de dames, de officieren en de ambtenaren, als

de soldaten en matrozen lagen, over de verschansing gebogen den loods

na te staren, die in zijn notedopje naar den loodskotter stevende, en

langzamerhand achteruit van het fregat geraakte. Straks was die ruwe

zeeman allen aan boord nog onverschillig. Thans oogden hem allen met

eene belangstelling na, die niemand trachtte te verhelen. Het was de

laatste vaderlander aan boord, die niet mee naar Indië ging. Nu hij weg

was, was het alsof de laatste band, die de reizigers aan den

geboortegrond verbond, verbroken was.

IV.

IN DEN ATLANTISCHEN OCEAAN.

Lang lagen de opvarenden van de Fernandina Maria Emma, nog over de

verschansing gebogen naar dat notedopje daar ginds te turen. Voor het

bloote oog waren de daarin zittende personen niet meer herkenbaar, en

hij of zij, die zich aan het hoogroode en volle gelaat van den loods

nog eens wilde vermeien, moest den langen scheepskijker te baat nemen.

Eindelijk had het sloepje, dansende op de baren, den loodskotter

bereikt, en weldra zag men de mannen overstappen en zeil zetten naar de

Engelsche kust.

„Morgen avond zijn onze brieven op destinatie,” verzekerde kapitein

Butteling.

Een zucht, uit veler mond geslaakt, vloog nog over de watervlakte de

loodsboot als laatste groet aan Nederland van de opvarenden van de

Fernandina Maria Emma achterna. Helaas! die boot was nog maar als een

stipje op den waterplas zichtbaar; het duurde niet lang of ook dat

stipje was verdwenen.

„Bezaanschoot aan!” kommandeerde kapitein Butteling, die de

naargeestige stemming, door dat vertrek veroorzaakt, wilde verdrijven,

en eigenlijk blij was van de voogdijschap van den loods ontslagen te

zijn, en zich nu eerst schipper naast God aan boord van zijn fregat

gevoelde.

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 9 / 26 段