Buitenboords in de rust van den voormast was inmiddels een matroos

gestegen, die daar met een zeer lange lijn, waaraan een stuk lood

gebonden was, in de hand, dat stuk lood zwaaide, nog eens zwaaide, het

aan het uiteinde van zijn arm langs het scheepsboord een cirkel liet

beschrijven, de lijn op een gegeven oogenblik schieten liet, waardoor

het lood aan de middelpuntvliedende en zwaartekracht gehoorzamende eene

slingerbaan beschreef, en ver voorbij den boeg van het schip in het

water plompte, terwijl de peiler de lijn door de hand liet glijden,

totdat hij voelde, dat het lood den bodem der zee raakte. Dan palmde

hij de lijn in, waarin hij door een aantal matrozen van de wacht

geholpen werd; terwijl hij met luider stem aangaf de diepte, die door

lapjes zeildoek, aan de lijn geknoopt, aangeduid werd.

„Twaalf en een halve vaâm!” [32] klonk zijne stem luid over de

watervlakte.

Wanneer het lood opgehaald was, gaf hij het aan den loods over, die het

bekeek met eene aandacht, welke den oningewijden voor het minst vreemd

moest toeschijnen.

De officieren waren bij het rumoer, hetwelk zich bij het zeilengeien en

het daarop gevolgd looden ontwikkeld had, opgestaan, en naar het

voorschip gegaan.

„Wat doen ze daar toch?” vroeg Leidermooi aan zijne makkers.

„Ze zijn aan het looden,” antwoordde kapitein Van Dam, die al een paar

reizen naar en van Oost-Indië gemaakt had en derhalve eenigermate op de

hoogte was.

„Weten ze dan niet hoeveel water hier staat?” vroeg Behren ietwat

verwonderd.

„Ja en neen,” was het antwoord. „Hier tusschen die Vlaamsche banken

wisselt de diepte veelvuldig en snel af. Let maar op, zooeven was

twaalf en een halve vaâm gepeild, let maar op, dan......”

„Negen vaâm!!!” klonk het langgerekte en zangerige geroep van den

looder.

De loods liep naar den man aan het roer, nam voor een oogenblik het

stuurrad in handen en liet het schip afvallen. Voor een korten poos lag

west voor. Daarna werd weer zuidwest gestevend.

„Achttien vaâm!!!” klonk daarop van buiten boord over de watervlakte.

„Maar, wat bekijken ze toch dat lood, wanneer het opgehaald is?” vroeg

Behren. „Kijk, daar doen ze het weer. Wat mag daaraan te zien zijn?”

„Bij de verschillende diepten,” vervolgde kapitein Van Dam zijne

zeevaartkundige uitleggingen, „bestaat de bodem der Noordzee ook uit

uiteenloopende bestanddeelen. Hier wordt slechts zand, elders gebroken

schulpjes, ergens anders weer kittelsteentjes aangetroffen. Dat alles

is behoorlijk gepeild en in kaart gebracht, zelfs de kleur van het zand

is daarbij aangegeven. Het dieplood bestaat, zoo als ge zien kunt, uit

een cylindervormig stuk ijzer, hetwelk met lood volgegoten is, maar

waarbij eene holte in het onderste gedeelte van den cylinder gespaard

is gebleven. Deze holte werd met kaarsvet aangevuld, dat met den

onderrand gelijk gestreken is. Komt het lood nu op den grond, dan

blijven de bestanddeelen van den zeebodem aan het vet kleven, en brengt

dat lood aan het licht, waaruit die bodem bestaat. Geeft het lood b.v.

twaalf en een halve vaâm, met wit zand aan, dan is op de kaart met de

grootste nauwkeurigheid aan te wijzen, waar het schip staat.”

Zooals de zeelieden, die aan het looden hunne aandacht wijdden, daar

bij elkander stonden, vormden zij een merkwaardige groep, die den lezer

wel een oogenblik mag bezighouden.

De scheepsgezagvoerder, kapitein Butteling, was een oude zeerob van den

echten stempel. Hij had sneeuwwitte haren, die hem in weelderigen

rijkdom tot op de schouders golfden, terwijl zijn gelaat met een niet

minder witten en zwaren baard omlijst werd. Hij was een door en door

goedig man, die reeds op zijn twaalfde jaar zijne loopbaan op het

verraderlijke element als scheepsjongen begonnen was. Hoewel, vooral

met de opleiding, die in die dagen den zeeman deelachtig was, zijne

gesprekken daarvan het onloochenbaar kenmerk droegen, zoo moest toch

toegegeven worden, dat hij zich eene zekere mate van beschaving had

eigen gemaakt, hetgeen voornamelijk daaruit voortsproot, dat hij

steeds, van zijne prilste jeugd af, de voorkeur gegeven had aan den

omgang met menschen van degelijke opvoeding boven die van de zeebonken,

die uit den aard der zaak zijne dagelijksche omgeving uitmaakten. Hij

was een zeeman in zijn hart, en had het blauwe water—zooals hij dat

uitdrukte—lief, en gevoelde zich nergens prettiger dan aan boord van

zijn schip.

„Dat de haaien mij halen, als het niet waar is!” was hij gewoon te

zeggen, „maar aan den wal, voel ik mij bij al de grimassen, die daar

verkocht worden, akelig en zeeziek!”

De man was gelukkig echtgenoot en nog gelukkiger vader van drie flinke

jongens, die alle drie op de kweekschool voor Zeevaartkunde waren, en

waarvan de oudste weldra aan boord van de „Fernandina Maria Emma” zou

komen, om zijne zeemans-opleiding onder het vader-oog te voltooien.

„Als Job aan boord zal zijn, zie je,” sprak kapitein Butteling, „dan

zal ik eerst schik in mijn leven hebben!”

Voor het overige had hij nimmer gedoogd, dat vrouw of kroost aan boord

waren gekomen. Hij beweerde, dat de aanwezigheid van vrouw en kinderen

op een schip den zeeman slechts van het stipt vervullen zijner plichten

aftrekt. Noch de stuurlieden, noch de bootslieden hadden dan ook de ega

van hunnen kapitein te zien gekregen. Alleen de scheepsdokter had,

lange jaren geleden, dat voorrecht genoten bij gelegenheid, dat hij met

allen spoed geroepen was geworden om geneeskundige hulp te verleenen

aan een der kinderen van kapitein Butteling, dat van de trappen

gevallen was en zich erg bezeerd had.

De drie stuurlieden Abels, Bagman en Ellenbaas waren jonge flinke

zeelieden, die hunnen kapitein waardig ter zijde stonden. Zij hadden

hunne opleiding op de voornoemde kweekschool genoten, en deden hunne

leermeesters alle eer aan. De 1e stuurman Abels had zoo’n voorliefde

voor zijn vak van zeeman, dat hij gul uit bekende niet te kunnen

begrijpen, waartoe de goede God het land anders geschapen had dan om

een schip in de gelegenheid te stellen water te kunnen innemen.

„En dat had Hij nog anders kunnen inrichten, door de zee met zoet water

te vullen,” verklaarde hij.

Soms gaf hij grootmoedig toe, wanneer hij namelijk in de engte gedreven

werd, dat de wal ook nog zijn nut kon hebben om eens te passagieren

en.... ja, ook nog, om nu en dan koffie, suiker en Banka-tin in te

laden.

Die drie artikelen maakten de meest geliefkoosde lading voor stuurman

Abels uit. Die lieten zich zoo gemakkelijk stuwen, beweerde hij.

Hoewel de scheepsdokter Van Pinksteren in dat nachtelijk uur niet aan

het dek aanwezig was, zal het niet ondienstig schijnen, hier eene korte

schets omtrent dien onmisbaren persoon aan boord te laten volgen. Hij

was een vrij bejaard man, die in ’s levens stormen niet veel haar op

den schedel overgehouden had. Het kransje witte haren, dat zijn

achterhoofd van het eene oor tot het andere omgaf, was het treurige

overblijfsel van een haardos, die zelfs in zijne jeugd pover moest

genoemd worden. Hij was uiterst mager, en had dientengevolge een hoekig

gelaat, dat zoo oud-geel van kleur was, alsof het met perkament

overtogen was. Hij had zijne loopbaan in het edele vak van Hippocrates

als barbiersjongen begonnen, en had met het hanteeren van schaar,

scheermes en krultang eene zekere vaardigheid erlangd, die hem met

vertrouwen naar de lancet en de bistouri hadden doen grijpen. De

recepten, die hij voorheen gaf, om het haar te verven en om het te doen

groeien, hadden hem in de dagen zijner jeugd eene zekere aanspraak

verleend om ook anderen b.v. tegen haarworm, zomersproeten, ja, tegen

likdoorns te schrijven. Toen die met succes bekroond werden, betrad hij

een meer uitgebreid terrein en wierp zich met ijver en hartstocht der

geneeskunde in de armen. Heel veel geneesmiddelen hield hij er

waarachtig niet op na.

„Dat was ook niet noodig,” beweerde hij. „Het menschdom heeft aan een

geneesmiddel genoeg, mits het maar goed zij!”

Zijn panaceum bestond in lijnkoeken. Had iemand de koorts: gauw een

stuk lijnkoek ter grootte van een rijksdaalder, even in water geweekt,

achter tegen de kuiten van den patiënt gebonden. Was het geval acuut,

o! geen nood! eene kleine sneê in iedere kuit en daar de stukken

lijnkoek op, was probaat. Eene zachte pap van hetzelfde middel gekookt,

den lijder inwendig toegediend, verwekte wonderen.

Voor waterzucht: lijnkoeken tegen de kuiten!

Voor buikzucht: lijnkoeken tegen de kuiten.

Voor hart- en nieraandoeningen: lijnkoeken tegen de kuiten.

Voor hoofdpijnen: lijnkoeken tegen de kuiten.

Steeds lijnkoeken! lijnkoeken altijd! bij welken ziektevorm ook! Het

middel was onfeilbaar!

„Ik zal,” verzekerde Van Pinksteren zijn’ collega Hannius, „de premie

van vijf gulden, welke het gouvernement uitlooft voor iederen man, die

te Batavia gezond aan wal gezet wordt, dank zij de onschatbare

lijnkoeken, gemakkelijk verdienen. Gemakkelijker althans dan onze

gezagvoerder!”

Dokter Hannius glimlachte beteekenisvol, trok de schouders even op,

maar antwoordde niets. In zijn brein berekende hij toen evenwel,

hoeveel kapitein Butteling van de hem toegezegde premie door de

lijnkoekenkuur zou moeten verliezen, wanneer het ongeluk wilde, dat

eene ziekte aan boord uitbrak.

Het was ongeveer middernacht, toen het lichtschip op Goodwin’s-sand in

het gezicht kwam. Dat was het onfeilbare teeken, dat men op den goeden

weg was en aan vergissing in den koers niet meer te denken viel. De

uitstaande zeilen werden volgebrast en de andere, die een paar uren te

voren gegeid waren, bijgezet, om den nog steeds heerschenden

noordenwind te benuttigen. De masten overdekten zich met bolstaande

zeilen, die zwart tegen den grauwen licht bewolkten nachtelijken hemel

scherp afstaken. Het schip kliefde onder dien druk met kracht de

golven, en wierp een breeden band van helder wit schuim voor zijn boeg

uit, dat blinkend in het nachtelijke duister bij de zwartschijnende

wateren en bij den zwartgeverfden romp van het schip afstak. Achter het

schip sloten de vaneen gescheiden golven zich weder en vormden daar het

zoogenaamde kielzog, hetwelk door zijn wit schuim zich, tot zoover het

oog reikte, van de donkere watermassa onderscheidde.

Toen het licht van Zuid-Foreland in het gezicht was, gingen de

passagiers naar beneden. Ook de eerste en tweede stuurman gingen naar

kooi, en bleven de scheepskapitein en de derde stuurman met den loods

aan het dek. Die liepen op en neer, terwijl de matrozen en de soldaten

der wacht zich weer in een kringetje vergaderden om de verdere

wachturen zoo gezellig mogelijk te slijten.

Bij den grooten mast en in de nabijheid van het grootluik leunden de

sergeanten Riethoven en Brinkman over de verschansing, en tuurden in

zee. Die eerste nacht, aan boord doorgebracht, was niet van de

aangenaamste. Hoewel het onderofficieren-verblijf in het tusschendek

door een heel licht beschot van het soldatenlogies was afgescheiden,

had de warmte, het bedompte, de scheepslucht, het kraken van de

inhouten bij de minste beweging van het vaartuig, de vreemde ligging in

de hangmatten, maar voornamelijk het wiegelen daarvan, dat alles te

samen tot gevolg gehad, dat onze jongelieden den slaap niet vatten

konden. Zij hadden zich heen en weer gewenteld, waren eindelijk uit

hunne zwevende slaapsteden gesprongen en hadden hunne toevlucht op het

dek gezocht.

„Ik heb geen oog dicht gedaan,” pruttelde Frank. „Het is daaronder niet

uit te houden. Wat moet dat geven, wanneer wij meer zuidelijk komen en

het warmer zal worden?”

„Och,” antwoordde Herman, „dat is het niet, wat mij schortte; ik geloof

zelfs, dat ik daaraan wel gewennen zal. Maar zoo’n eerste nacht aan

boord, die drukte bij het vertrek, die laatste blik op den

vaderlandschen bodem, dien wij voor onze oogen hebben zien verdwijnen,

de gedachte aan mijne ouders, waarvan ik reeds zoo ver verwijderd ben

en die ik bij hunnen gevorderden leeftijd wel nimmer meer zal terug

zien, dat alles rees voor mijn overspannen brein op, vertoonde zich als

nevelbeelden, die onmerkbaar in elkander overgingen, maar die mij ten

slotte belett’en in slaap te geraken. Daar tusschen al die beelden had

er zich een gemengd, dat van Lydia Fraenkel, hetwelk het losscheuren

van den vaderlandschen grond nog smartelijker maakt. Och! dat ik mij

van de herinnering daaraan niet kan ontdoen, dat dat beeld mij tot hier

moet vervolgen!”

„Ja, dat zijn zoo van die zaken, die je niet als een leege flesch kunt

over boord zetten,” antwoordde Frank. „Daar zal de tijd het zijne

moeten toebrengen om vergetelheid aan te brengen. Gij zijt hier in de

gelegenheid om te vergeten.”

„Daar vestig ik mijne hoop op,” zei Herman. „Als mij geen tafereelen

van liefde, van geluk onder de oogen zullen komen, als ik geruimen tijd

geen vrouwelijk wezen in mijne nabijheid zal zien, dat mij Lydia zal

herinneren, dan zal wellicht de vergetelheid komen, die al het gebeurde

in een nevelachtig waas zal hullen en mij de gemoedsrust zal

wedergeven.”

„Drommels, Herman,” antwoordde Frank, „als slechts de afwezigheid van

vrouwelijke wezens die vergetelheid zal kunnen bewerken, dan vrees ik,

dat het verblijf hier aan boord daartoe niet zal kunnen meewerken.”

„Hoedat zoo?”

„Wel, straks ontwaarde ik twee dames, die daar op het achterdek tegen

de verschansing geleund stonden, en met een blik het reeds verdwenen

vaderland schenen te zoeken. Zoo ver ik in het avondduister heb kunnen

opmerken, waren zij beiden jong. De derde stuurman vertelde mij, dat

zij met hare ouders aan boord waren.”

Herman zuchtte, maar antwoordde niet.

„Kom, kom,” hernam Frank, „het vertrek, het verlaten van den

geboortegrond maakt je eenigszins neerslachtig. Dat zal ook wel

overgaan. Te Harderwijk waart ge zoo niet, is niet?”

„Je hebt gelijk, Frank. Het zijn de herinneringen aan het laatste

afscheid, dat ik van haar nam, die mij zoo ter neer drukken. O! als je

hadt kunnen zien, hoe kalm en gevoelloos zij mijne hand aannam, en naar

den hemel wees met het woord à Dieu op de lippen, alsof zij mij wreed

en onwraakbaar wou doen gevoelen, dat onze scheiding onherroepelijk,

voor het leven was. Neen, die vrouw heeft nimmer een gevoel van

genegenheid voor mij ondervonden!”

„Goed zoo!” riep Frank. „Nu ben je op het ware pad! Vestigt zich die

overtuiging in je brein, dan is de genezing niet ver meer af.”

De twee jongelieden op de verschansing geleund stonden zoo nog een

oogenblik met elkander te praten, terwijl het fregat voortstoof en

weldra het licht van Zuid-Foreland voorbij was. Het schip bevond zich

nu in het nauw van Calais, in het smalste gedeelte van het Engelsche

Kanaal, dat de zuidelijke verbinding van de Noordzee met den

Atlantischen Oceaan daarstelt. Herman en Frank tuurden nog een poos

naar Britannië’s kust, die daar stuurboord vooruit als uit de zee

oprees. Het was evenwel donker. Niets was er te onderscheiden, dan de

schitterende kustlichten van Dover en van Folkestone.

„Kom”, zei Frank, „ik ga nog eens probeeren of ik niet een paar uren

zal kunnen slapen. Doe gij ook zoo.”

Herman antwoordde niet. Frank ging naar beneden. Nog een poos bleef de

andere in zee turen. Welke gedachten in die oogenblikken van

eenzaamheid hem bestormden, zou hij nimmer hebben kunnen mededeelen.

Het was een chaos van weemoed, van leed, van treurige herinneringen,

maar toch ook van hoop in de toekomst, die zich baan begon te breken.

Eindelijk keerde hij zich om en ging ook naar beneden, om te trachten

nog eenige uren rust te vinden.

III.

VERDERE KENNISMAKING.—IN HET KANAAL.

Toen de passagiers den volgenden ochtend ontwaakten en aan het dek

kwamen, scheen de zon vroolijk en hield de Fernandina Maria Emma voor

Dungeness op en neer, ten einde den dienstkotter in het oog te krijgen,

die den loods moest overnemen. Wel werden verscheiden van die

vaartuigen ontmoet, maar allen voerden met groote letters in hun

grootzeil de woorden: Antwerpen, Vlissingen of Goerêe; terwijl geen

enkel ontwaard werd, dat het woord: Texel te zien gaf. Bij den slag,

dien het schip maakte, was het alsof het eene baai wilde

binnenstevenen.

Frank en Herman, onze twee onderofficieren, waren reeds aan het dek en

bewonderden het fraaie gezicht, dat men van het fregat op de

krijtbergen van Engeland had. Die witte band, die als uit zee scheen op

te rijzen, maakte een vreemd maar lief effekt op de helgroene strook,

die de zee vertoonde. Hier en daar ontwaarde hun oog groepen huizen met

hunne roode pannendaken; terwijl onder langs den krijtwand, en hier en

daar ook op den nokrand van het gebergte, spoortreinen ijlden, die met

hunne achterwaarts gebogene stoompluim eene bevallige vertooning

opleverden. Opzij, voor en achter van de Fernandina Maria Emma wemelde

het van vaartuigen. De wind, die tot nu toe uit het noorden geblazen

had, was thans in het oosten geloopen. Nu maakten al de schepen, die de

Hoofden niet binnen konden en, hier dagen lang opgehouden, ten anker

lagen, zich zeilklaar om de Noordzee in te stevenen. Het was een

gewemel op dat watervlak, hetwelk de onbevarenen, die zoo’n schouwspel

ongewoon waren, in verrukking bracht. Bij tientallen waren de

driemasters te tellen, die bezig waren zeil te zetten, en waarvan

eenigen hun anker reeds gewonden hadden en noordwaarts voortspoedden.

Daaronder waren ettelijke fregatten, en klipper-fregatten. De meesten

dier driemasters waren barken. Veel grooter was het getal brikken, en

schoenerbrikken, die wel bij honderden te tellen waren, en door

elkander wemelden. Maar de kleinere vaartuigen, als: schoeners,

kotters, chasse-marée’s, kanaalbooten, enz. waren legio, ontelbaar in

den letterlijken zin des woords. Daartusschen stevenden, onafhankelijk

van den wind, vele stoomvaartuigen. Raderschepen, die met groot geweld

het water met hunne schoepen wild en woest langs hunne zijden

opzweepten, of schroefbooten, die sierlijk en vlug het watervlak sneden

en slechts eene koking, eene hevige opborreling achter den

scheepsspiegel te zien gaven, groote en kleine stoomvaartuigen, van de

oorlogsboot af, welker dubbele schoorsteen als verloren scheen en

gezocht moest worden tusschen het loopend en staand wand der

volgetuigde masten, tot de sierlijke stoomsloep toe, die met vluggen

zwaai te midden van al die honderde vaartuigen stevende en welker baan,

wanneer zij op het watervlak afgeteekend kon gebleven zijn, zich als

eene slang zoude gekronkeld hebben.

„Is dat geen fraai gezicht hier?” vroeg stuurman Bagman aan de beide

onderofficieren, die nog steeds over de verschansing gebogen, het

panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde, stonden te bewonderen.

„Prachtig, stuurman! prachtig!” was beider opgetogen instemming.

„Dat liefgroene watervlak, hetwelk in kleine golfjes opkabbelt,” sprak

Herman met aandoening, „die honderde en honderde vaartuigen, welker

banen aan elkander evenwijdig loopen, elkander naderen, of elkander

snijden; die duizende witte zeilen, die onder de bries bevallig zwellen

en zich behaagzuchtig in het water spiegelen; die veelkleurige vlaggen,

die aan de gaffels wapperen of zich aan de masttoppen ontplooien, die

kustlijn, welke zich daar scherp afteekent en met haren sneeuwwitten

band, doorspikkeld met roode vlekjes, die de daken der woningen

aanduiden, eenen voorbeeldeloos fraaien achtergrond daarstelt; terwijl

de zon dat tafereel met haar opwekkend licht beschijnt, en ieder

onderdeel als met levendmakenden vinger aanroert; dat alles vormt een

panorama, hetwelk, dunkt me, slechts op dit punt van den aardbol hier

waar te nemen is, alwaar de handelsbeweging der geheele aarde in deze

zeeëngte te samen geperst wordt.”

De jongman had die ontboezeming met geestdrift uitgesproken en zweeg

nu, alsof hij de bijzonderheden van het panorama, hetwelk zich daar

ontrolde en bij iedere minuut, bij iedere sekonde veranderde, maar

daarom niets van zijne schoonheid verloor, in zich wilde opnemen. De

twee onderofficieren hadden bij hunne beschouwing niet ontwaard, dat

twee andere jongelieden zich naast stuurman Bagman over de verschansing

gebogen hadden, om hetzelfde gezicht te bewonderen.

„Bravo, sergeant!” riep de een, toen Herman zweeg. „Dat noem ik met het

woord penseelen. Met weinige woorden hebt gij de voornaamste

bijzonderheden van het fraaie vergezicht, hetwelk wij genieten, op den

voorgrond doen treden en daarop de aandacht uwer hoorders gevestigd.

Het zij mij vergund met u kennis te maken, ik heet Jan Slierendrecht,

ambtenaar ter beschikking. Ik zie, gij zijt sergeant, en...?”

De heer Jan Slierendrecht stak bij die laatste woorden Herman zijne

hand toe en legde in dat vragende: en zoo’n hartelijkheid, dat deze,

hoewel door de beschaafde Nederlanders ten opzichte van

beleefdheidsvormen jegens de landsverdedigers beneden den rang van

officier niet verwend, op hem toetrad, de toegestoken hand greep en

haar ongedwongen schudde en antwoordde:

„Ik heet Riethoven, mijnheer Slierendrecht. Het is mij een genoegen

kennis met u te maken!”

En op Frank wijzende, vervolgde hij:

„Dat is mijn vriend Brinkman, dien ik de eer heb u voor te stellen.”

De heer Slierendrecht reikte Frank de hand, terwijl hij ook zijn makker

aan de beide onderofficieren voortelde:

„De heer Piet van Diepbrugge, ambtenaar ter beschikking evenals ik,”

zeide hij met plichtpleging; terwijl deze laatste boog en de beide

jongelieden, die hem voorgesteld werden, de hand drukte.

„Wij bewonderden met u,” sprak de heer Van Diepbrugge, „het fraaie

zeegezicht, hetwelk zich voor ons uitspreidt, en waren onwillekeurige

toehoorders van uwe ontboezeming, mijnheer Riethoven, die ons door hare

zuiverheid van detailleering trof.”

Herman boog bij dat compliment, hetwelk hem toch streelde.

„Wat zijn dat voor plaatsjes, die daar aan de kust ontwaard worden?”

vroeg hij aan stuurman Bagman.

„Dat, daar dwars achteruit, is Folkestone; wij hebben Dungeness dwars

van ons. Vlak vooruit, zie dáár, ligt Hastings, en die kaap daar

bakboord vooruit is Beachy Head. Als wij die te boven gekruist zijn,

dan hebben wij het eiland Wight in het gezicht.”

Een schel gefluit klonk over het dek.

„Ieder op zijn werk! Klaar om te wenden!” liet het commando van

kapitein Butteling zich hooren.

Stuurman Bagman spoedde voort op dat gefluit. Hij wees de jongelieden

evenwel, voor dat hij wegijlde, aan bakboordszijde op de zee:

„De loodskotter!” riep hij.

En weg was hij.

Inderdaad daar aan bakboordszijde was heel in de verte een klein

vaartuig zichtbaar, dat in zijn grootzeil het woord „Texel” voerde,

hetwelk evenwel thans niet met het bloote oog te ontwaren was.

„Wenden!” klonk het commando.

Alle raas werden met behulp der gezamenlijke matrozen en soldaten, die

langzamerhand voor den dag gekomen waren, nagenoeg terzelfder tijd

rondgebrast. Het fregat ging overstag en toen de zeilen weer

vastgemaakt waren, liep het scherp bij den wind nagenoeg zuidoost, den

loodskotter te gemoet.

„Drommels!” zei Frank. „Zij kunnen toch handig met zoo’n gevaarte, als

zoo’n schip is, omgaan.”

Inmiddels waren ook de andere ons reeds bekende passagiers voor den dag

gekomen, en stonden op het achterdek onder het genot van een geurige

kop koffie, die de matroos-hofmeester hen aangereikt had, het fraaie

tafereel, hetwelk de zee aanbood, te bewonderen.

„Wat duiker!” riep eensklaps luitenant Denniston uit. „Kijk eens, wie

zijn die twee politieken, die daar met die onderofficieren staan te

praten?”

„Wellicht passagiers tweede klasse,” meende Behren.

„Neen, daartoe zien ze er te fatsoenlijk uit,” antwoordde Denniston.

„Zeer geestig geantwoord!” sprak kapitein Van Dam terechtwijzend.

„Alsof het fatsoenlijk uitzien het criterium is van de

passagiersklasse, waarin iemand reist.”

En zich tot den eersten stuurman Abels wendende, die juist achteruit

kwam, om bij het kompas het voorleggen van het schip te controleeren.

„Zeg stuur,” sprak hij. „Wie zijn die twee heeren, die daar

middenscheeps bij de verschansing staan?”

„Dat zijn twee aanstaande ambtenaren, kapitein,” sprak stuurman Abels

met een glimlach.

„Dus passagiers eerste klasse?” vroeg Van Dam.

„Ja, kapitein,” was het antwoord, „wij hebben geen tweede klasse of

dekpassagiers aan boord.”

„Maar, waar komen ze van daan? Wij hebben nog niets van hen gemerkt.”

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 8 / 26 段