Hercules stoomde langs den Helderschen dijk naar zee, met het logge
fregat in zijn kielzog. Aller oogen aan boord waren op den
vaderlandschen bodem gevestigd, die daar voorbij vlood. De daken eerst
van Nieuwediep, iets later van Helder werden boven dien dijk ontwaard.
Daarna waarde het oog over een groenen polder, die zich eindeloos ver
zuidwaarts uitstrekte, toen verscheen het fort Erfprins op den
noordwesthoek van Noord-Holland, terwijl de vuurtoren van Kijkduin zich
daarachter verhief, omgeven met wallen en borstweringen. Het was of het
land daar afgebroken was. Aan bakboord peilde het oog eindelijk langs
onafzienbare rijen duinen, terwijl bakboord vooruit slechts de zee
ontwaard werd, de Noordzee met haren golfslag, die in witte branding op
het zandige strand kwam breken.
De Fernandina Maria Emma was nu in het Schulpengat, de voornaamste
toegang van uit de Noordzee tot de reede van Helder en Nieuwediep, die
om de zuid langs de Noordhollandsche kust tusschen deze en de
Zuiderhaaks, een der meest gevaarlijke zandbanken in die streken, naar
het ruime sop voerde. De loods stond bij den kapitein op het
achterschip, en gaf bevelen om de zeilen uit de geitouwen los te maken.
Toen de uiterton bereikt was, dat wil zeggen, de laatste der boeien,
die het Schulpengat bebakenden, werden de sleeptrossen van den Hercules
gevierd. De sleepboot viel af, keerde, stoomde het fregat voorbij en
beantwoordde het hoerah, dat haar als laatste afscheidsgroet naar het
zich al meer en meer verwijderende vaderland werd medegegeven, zoo
krachtig mogelijk, en keerde naar Nieuwediep terug.
Inmiddels waren de zeilen vierkant gebrast. [20] Onder de aanwakkerende
bries vulden zij zich, en stonden weldra schier bolrond, en schoot de
Fernandina Maria Emma in zuidelijke richting levendig en dartel vooruit
op de lange zilte baan, die zich, in een flesschengroen kleed gedoscht,
voor haar uitspreidde.
„Welkom in volle zee!” klonk de groet van den loods op het achterdek
tot den kapitein.
„Dank je loods” was het antwoord van den zeeman.
„Welkom in volle zee!” bracht de kapitein den groet aan zijne
passagiers over.
„Welkom in volle zee!” wenschten de stuurlieden aan de onderofficieren,
de matrozen aan de manschappen van het detachement elkander toe.
„Welkom in volle zee!” klonk het uit aller mond, terwijl die
welkomstgroet met een krachtigen handdruk vergezeld ging, en daarbij de
wensch geuit werd, dat de reis zoo voorspoedig vervolgd zoude worden,
als zij zich thans instelde.
Bij dat „welkom in volle zee” had menig oog zich oostwaarts gewend en
de Hollandsche kust gezocht. Helaas! daarvan was niet veel meer te
zien. Alleen heel in de verte bij de oosterkim was eene lichtende
streep te ontwaren, die door de zeelieden blinkerd genoemd en
veelvuldig waargenomen wordt, wanneer de zon naar het westen neigende,
de duinen op de Hollandsche kust met haar helder licht bestraalt.
„Stuurman!” riep de scheepsbevelhebber in eene goede luim gebracht door
dat „welkom in volle zee,” maar nog meer door de gunstige gelegenheid,
die hem de aanwakkerende noordenwind bood. „Stuurman, bezaanschoot
aan!” [21]
Een gerinkinkel met de scheepsklok was het antwoord op dat bevel. Op
last van een der officieren van het detachement greep de hoornblazer
zijn instrument en blies, natuurlijk zoo valsch mogelijk, een kort maar
krachtig „Wilhelmus van Nassauen,” dat door een nog krachtiger hoerah
beantwoord werd. Weldra stond een der stuurlieden te midden van een
groep matrozen en soldaten, met eene vierkante flesch in de eene, en
een blikken musje in de andere hand, en deelde aan ieder der hem
omringenden een ration jenever uit, echte A. V. H. [22] die de
kenners—en daar waren er velen—met de tong van genot deed smekken.
De zon naderde inmiddels de kim. Het was te voorzien dat de nacht
weldra den dag zou vervangen.
„Aantreden!” kommandeerde sergeant Riethoven, toen het laatste musje
jenever verorberd was. „Kom, aantreden! hangmatten ontvangen!”
Dat beddengoed was spoedig genoeg uit den scheepsvoorraad verstrekt, en
gaf aanleiding tot een tooneel zoo koddig, dat het de laatst
overgebleven gedachte aan den verdwenen vaderlandschen bodem, althans
voor dien dag, verbande en eenen geleidelijken overgang tot de
nachtrust daarstelde, die velen aan boord, na zoo een dag vol
bedrijvigheid voor het lichaam en vol aandoeningen voor den geest,
uiterst goed te stade zoude komen.
De hangmat is een langwerpige zak van zeildoek, die iets langer dan een
lang mensch is. Die zak is over zijn geheele lengte gespleten, en
daarin bevindt zich een matrasje en hoofdkussen, die behoorlijk ter
gewilder plaatse vastgenaaid zijn. Aan de beide uiteinden van dien zak
zijn touwen aangebracht, die dienen moeten om hem behoorlijk op te
kunnen hangen, waartoe aan de dekbalken in het tusschendeks van de
Fernandina Maria Emma stevige latten met klampen aangebracht waren.
Al dadelijk was het lachverwekkend te zien, hoe velen de handen
verkeerd stonden om de hangmat behoorlijk op te binden. Het leggen van
den noodigen knoop, die stevigheid genoeg aanbood om bij de eerste
aanraking van het beddengoed niet los te schieten, ging veler
handigheid te boven, en was de hulp van de equipage van het schip dan
ook noodig om dat werk tot een goed einde te brengen, en om die
landrotten dat eens voor te doen. Dat Janmaat hierbij snaaks te werk
ging, lag voor de hand.
Het koddigste tooneel was evenwel de poging om in die hangmat te
geraken. Er behoorde voorzeker eene zekere mate van oefening in de
gymnastie toe om in dat bewegelijk ding plaats te nemen. Hij, die dat
wenschte te doen, moest de bovenbedoelde latten aan de dekbalken
grijpen, zich aan de vuisten omhoog tillen, en met een zwaai de beenen
in de spleetopening der hangmat brengen, dan het behoorlijk zwaartepunt
vatten, de handen loslaten en zich tusschen de zijwanden van de zak
zijner hangmat laten glijden. Enkelen konden zich niet hoog genoeg
optillen; anderen zwaaiden in den beginne de beenen te ver en dus over
de hangmat heen, die dan van terzijde aangeraakt, zich onder het
lichaam wegboog; anderen maakten den zwaai te kort, waardoor de hangmat
onder den druk wegvlood, en de onhandigen, aan hunne armen hangende met
een schok de verticale positie hernamen; eenigen lieten de latten te
vroeg los, vóór dat zij het zwaartepunt van hun zwevend bedtoestel
gevonden hadden, waardoor de hangmat eenvoudig kantelde en haren
levenden inhoud glippen liet, die dan onzacht op den vloer van het
tusschendeks neerkwam. Elders meende er een bij zijn akrobatischen
sprong geslaagd te zijn, en lag reeds in zijn hangmat met het hoofd
buiten de spleetopening niet zonder leedvermaak naar het getob zijner
makkers te gluren, toen eensklaps de lijn aan het hoofdeneind zijner
hangmat losschoot, en hij eer dat hij op zoo eene tuimeling verdacht
was, op zijn hoofd stond en niet onaardig het beeld eener opgehangen
worst vertoonde. In één woord, het was een zonderling gezicht: die
gedeeltelijk ontkleede mannen, wier bovenkleederen daar als schimmen
aan de scheepswanden of aan de latten der dekbalken hingen, de meest
grappige gebaren en bewegingen in het halfduister van het tusschendeks
te zien uitvoeren; terwijl de matrozen rondom het luik stonden, en zich
ten koste van de onhandigen uiterst vroolijk maakten.
„Kom, nog eens probeeren, boontje, [23] dan zal het wel lukken,” klonk
het hier.
„Hou je stil, leelijke zwabber,” was het antwoord, „als ik drie dagen
aan boord ben, doe ik het net zoo goed als jij.”
„Laat je armen vieren! domme marlpriem!” klonk het elders. „Kijk zoo!”
En zijne toelichting met het voorbeeld gepaard latende gaan, greep de
lichtmatroos-raadgever de latten, zwaaide met onnavolgbare bevalligheid
zijne beenen en schoof met zijn teerplunje de hangmat in.
„Kijk zoo!” herhaalde hij.
Ja, de soldaat keek hem met bewondering aan; maar had toch liever
gezien, dat die vieze pijekker niet met zijne matras in aanraking
gekomen was.
„Ja, jullie zijt ook waterratten,” zeide hij als een soort
verontschuldiging voor zijne onhandigheid.
„En jullie, landkrabben, dat’s waar! het verschil is groot,” antwoordde
Janmaat, terwijl hij met een wip de hangmat uitsprong.
Eindelijk waren toch allen geborgen en wiegelden die rijen hangmatten,
die, nu gevuld, tegen elkaar gepakt waren, met de zachte bewegingen van
het schip mede en zweefden boven de scheepsbakken. De eetzaal was
zoodoende in slaapzaal gemetamorfoseerd. De nacht was inmiddels
gevallen. Bij het grootluik brandde eene lantaarn, die haren
onmiddellijken omtrek slechts flauw verlichtte, de rest van het
uitgestrekte tusschendeks daarentegen in volslagen duisternis liet. Dat
hinderde evenwel weinig of niets; want het duurde niet lang of uit het
luik steeg met een amalgama van houtlucht, van harslucht, van
teerlucht, van menschenlucht, van bedorven lucht in één woord, een
concert van gesnork en diepe ademhalingen omhoog, hetwelk genoegzaam
aanwees, dat het meerendeel in den slaap vergetelheid van dit aardsche
bestaan gezocht en gevonden had.
II.
IN DE NOORDZEE.—KENNISMAKING.
Het was stil op het dek van de „Fernandina Maria Emma” geworden, nadat
dat rumoerig troepje in het tusschendeks verdwenen was. Een derde
gedeelte van het detachement moest evenwel volgens de verordeningen
gereed zijn, om bij noodzakelijkheid de equipage te helpen. Die wacht
zat rondom den fokkemast gezellig te praten en had als posten
uitgesteld: een man bij het galjoen, om daar voor de zindelijkheid te
waken; een man aan het groote luik van het tusschendeks, om een
waakzaam oog op den daar hangenden lantaarn te houden; en een korporaal
bij het watervat, dat achter den grooten mast stond, met strenge
consigne ieder zoo veel te laten drinken als hem lustte, maar overigens
het medenemen van water in veldflesschen of kommen, of iedere andere
waterverspilling, tegen te gaan.
Ook de manschappen der scheeps-equipage, die alles en alles, de drie
stuurlieden medegerekend, uit veertig koppen bestond, hadden het op
dien vertrekdag met het aanvullen der lading, met het innemen van
water, met het uitbrengen der sleeptrossen, met het zeil zetten en met
honderde andere werkzaamheden, onafscheidelijk aan het naar zee gaan
van een groot schip verbonden, zeer druk gehad, zoodat ook zij weldra
naar rust haakten. Volgens den scheepsrooster betrokken twee derde
gedeelten hunner, volgens hunne eigenaardige uitdrukking, de wacht te
kooi [24]; terwijl de anderen de wacht aan het dek hadden. Deze
laatsten sloten zich bij de wachthebbende soldaten aan, en vormden met
hen een gezellig kringetje, waarin het kwinkslagen regende, en waarin
Janmaat zich ten koste van die ellendige landkrabben heerlijk te goed
deed.
„Kun jullie zoo ’s nachts varen?” vroeg een onnoozele boerenlummel, nog
zeer kort in het soldatenpak gestoken.
„Is het je soms te donker, boontje?” vroeg een der pikbroeken, terwijl
hij zijne pruim tabak van de eene wangholte naar de andere liet
verhuizen.
„Ik zou geen weg in het donker weten,” antwoordde de soldaat eenvoudig.
„Kijk daar eens aan bakboord over de verschansing,” zei de matroos.
„Wat zie je daar bij de kim.”
„Bij de kim....?”
„Ja, daar ginds, waar je meent, dat de hemel het water aanraakt. Wat
zie je daar?”
Het uitspansel was licht bewolkt, zoodat geen sterren zichtbaar waren.
Maar naar den aangeduiden kant waren bij den gezichteinder drie
kustlichten zichtbaar.
„Meen je die lichtjes?” vroeg de soldaat.
„Ja, zie je, dat daar ginds achteruit is het lichtje van Katwijk, dat
daar dwars van ons is het lichtje van Scheveningen, en dat daar
bakboord vooruit is het lichtje van Goeree, en ga je nu vooruit op het
galjoen staan, en doe je dan je potdeksels goed open, dan zul je nog
een zien, dat is het lichtje van Noord-Hinder. [25] Begrijp je nu?”
„Neen, nog niet goed.”
„Wel dat zijn kaarsjes, die ze daar aangestoken hebben, om ons des
nachts den weg te wijzen.”
„Kaarsjes? den geheelen weg langs, tot Batavia toe?”
De matrozen van het gezelschap schaterden van het lachen bij die vraag.
„Neen, domme slampamper!” was het antwoord. „Die kaarsjes branden
slechts in den nabijheid van de wal. Als wij het Kanaal uit en in volle
zee gekomen zijn, zul jij je vingertoppen niet branden kunnen, als je
ze snuiten wilt. Daar heb je ze ook niet meer noodig, daar ga je maar
rechtuit rechtaan, en loopt geen gevaar om bij een boer in het venster
te loopen.”
Of de soldaat de toelichting op zijne vraag of er ’s nachts ook gevaren
kon worden begrepen had? Hij hield zich stil en vroeg niet meer.
Op het achterdek, d.w.z. op de ruimte van het dek tusschen den grooten
mast en den achtersteven, zaten de meeste der mannelijke passagiers te
zamen, en genoten van den fraaien avond. Zij waren niet talrijk en
bestonden alleen uit den kommandant van het detachement militairen aan
boord, een kapitein van het Nederlandsch-Indische leger, die van verlof
naar Indië terugkeerde, uit twee piepjonge tweede luitenants, die pas
van de Militaire Akademie kwamen, en als medegeleiders van het
detachement medegegeven waren, uit een officier van gezondheid en een
militairen apotheker.
De detachements-kommandant, Van Dam geheeten, was een gezet man, niet
te dik, wiens geheele gestalte zijn ouderdom verried, namelijk dat hij
een goede dertiger was. De man had een goedig en innemend gelaat, was
gezien bij zijne superieuren, die zijne diensten steeds gewaardeerd
hadden, en bemind bij zijne ondergeschikten, die in hem een meerderen
vonden, steeds gereed om rekening te houden met hunne menschelijke
zwakheden, wanneer de dienst daardoor niet leed; maar die
onverbiddelijk streng was, wanneer de dienstplichten vergeten werden.
Onverbiddelijk streng, ja; hoewel hierbij aan geene hardheid behoefde
gedacht te worden, daar hij zelfs bij het toepassen dier strengheid, de
geaardheid en het doorgaand gedrag van den schuldigen in het oog hield,
en de straf dienovereenkomstig bepaalde.
Zijne twee luitenants waren, zooals reeds gezegd is, pas aangestelde
officieren, zonder eenige ondervinding, die zoo pas van de school
gekomen, geroepen waren, om gezag over een aantal mannen te voeren,
waarvan het meerendeel veel ouder in jaren was dan zij, ja waarvan er
ettelijke gevoegelijk hun vader hadden kunnen zijn. De een, Denniston
geheeten, was een hoogblond ventje, met een blank gezichtje, dat aan
het gelaat van een jong meisje zou hebben doen denken, wanneer op zijne
bovenlip niet iets ontwaard werd, hetwelk nog in proces scheen, wat het
worden mocht; maar intusschen nu er veel op geleek, alsof daar eene
jeugdige kamerspin een begin gemaakt had haar web te weven.
Gelaatskleur en haardos gaven aan, dat hij van Angelsaksische afkomst
was, hetgeen zijn naam ook aantoonde, maar wat door zijne verwaandheid
en opgeblazenheid geheel en al bevestigd werd. Hij kleedde zich
smaakvol en met angstvallige zorg, zat in zijne uniform als gegoten en
was daarin gewoonlijk zoodanig besloten, dat hij de verdenking niet
ontgaan kon, van even als eene wufte schoone een keurslijfje te dragen.
„Hij zal dat ding wel uitgooien, als hij onder de linie komt,” zei
kapitein Van Dam vergoelijkend, wanneer de behaagzuchtige door zijne
medeofficieren bespot werd.
„En doet hij het daar niet,” vulde de scheeps-kapitein aan „dan zal te
Batavia de rooie hond hem daartoe wel noodzaken. Een mensch moet zich
daar soms geweld aandoen om zijn hemd op de huid te behouden.”
Kapitein Van Dam knikte lachend en bevestigend met het hoofd.
„Die gekheid komt ook te recht” zeide hij.
De andere luitenant was een slank opgeschoten jongeling, met een van
nature dun middel, die met zijne ravenzwarte sluike haren, met zijne
donkere huidskleur, die wel ietwat de tint vertoonde van koffie met
veel melk, met zijne vurige oogen en eenigszins platten neus, met zijn
schaars geplant kneveltje daaronder, onmiskenbaar zijn certificaat van
oorsprong bij zich droeg, heette Leidermooi. Hij was de zoon van een
handelsman op Celebes, die een morganatisch huwelijk had aangegaan met
eene Makassaarsche schoone. Uit deze vereeniging was onze luitenant
gesproten. Hij deed de opvoeding, die hem zijn vader had laten geven,
alle eer aan. Met glans had hij zijne examens afgelegd, maar had
daarbij eene bescheidenheid en zedigheid behouden, die wel afstaken bij
de verwatenheid van zijn krijgsmakker, wiens studiën niet zoo brillant
geweest waren.
De officier van gezondheid, Hannius, was een blonde Germaan, met
gelaatstrekken à la Werther, met een sierlijk brilletje op den wel
ietwat smallen en vooruitstekenden neus, die zijne politiemuts even als
vroeger het studentenpetje op een oor droeg, zijn uniformjas voor eene
tunica aanzag, en niets streelender vond dan het rinkelen van zijn
sleepsabel naast zijne hielen op den grond te hooren. Hij nam dan ook
iedere gelegenheid te baat om met dat onschuldige wapen op het dek te
verschijnen, vooral wanneer hij zijn collega, den scheepsdokter, bij
het houden van geneeskundige inspectie ter zijde stond, hetgeen
wekelijks eens geschiedde. Het was komiek onzen geneeskundige dan te
hooren bevelen:
„Die Zunge!”
En als de betrokkene dan de tong uitstak, gaf Dr. Hannius zich op zijne
teenen omhoog,—want hij was zeer klein van gestalte—om dat
lichaamsdeel, hetwelk hem soms vervaarlijk lang toescheen, door zijn
bril op zijn gemak te bekijken en verzuimde dan nimmer, wanneer hij
weer op zijne hakken neerkwam, zijn sabel met geweld op het dek te
laten neervallen. Volgens zijne papieren was hij een zeer knap jong
mensch, die te Heidelberg gestudeerd en daar schitterende examens
afgelegd had. In Nederland had hij slechts een „colloquium doctum”
ondergaan, om tot officier van gezondheid bij het Nederlandsch-Indische
leger aangesteld te worden. Men had het daar niet noodig geacht, zich
anders dan door een zoogenaamd geleerd praatje van ’s mans bekwaamheid
te vergewissen, om hem gezondheid en leven van de verdedigers der
koloniën toetevertrouwen, en was slechts verblind geraakt door de
uitgebreide entomologische kennis van den candidaat-officier van
gezondheid.
De militaire apotheker, Behren genaamd, was een welopgevoed jongmensch,
met levendig en innemend gelaat, die zijne studiën te Utrecht voltooid
had en voor apotheker geschapen scheen. Hij was scheikundige van top
tot teen, en plantenkundige in zijn hart. Wanneer zijne reisgenooten
hem plagen wilden, dan klonk het:
„Zeg Behrtje, moet je niet naar de koebrug [26] om te herboriseeren?”
Of wel:
„Behrtje, er heerscht in het tusschendek eene eigenaardige lucht, zou
je niet eens met den dokter onderzoeken, of daar geen Rosa Damascena
[27] groeit?”
Vooral kapitein Van Dam was onuitputtelijk in dergelijke uien, en liet
vooral in het begin der reis den apotheker bijna dagelijks koopjes
snappen. Later ging dat zoo gemakkelijk niet meer, toen was ons Behrtje
meer op zijne hoede, en kaatste den bal soms geestig terug.
„Of er nog andere passagiers aan boord zijn?” vroeg luitenant
Leidermooi.
„Te drommel! wat vraag!” antwoordde zijn collega Denniston. „Het
tusschendek is vol gestuwd.”
„Ik meen passagiers eerste klasse. Ik ontwaarde niemand in de kerk.”
[28]
„Straks zag ik twee koffers hier aan het dek,” zeide kapitein Van Dam,
„waarop de adressen luidden:
„Groenewald, aan boord van de „Fernandina Maria Emma.””
„Alleen Groenewald, kapitein?” vroeg Behren.
„Alleen Groenewald!”
„Daaruit is dus niet op te maken of de eigenaar van die koffers een
heer of een dame is?”
„Neen Behrtje, al is je apothekersneus nog zoo verfijnd met het
snuffelen aan fleschjes en potjes, aan die adressen zou je reukorgaan
te kort geschoten zijn, niet waar dokter?”
„Allerdings!” antwoordde Hannius in een eigenaardig spraakeigen, zoowat
saamgeknutseld uit twee woorden Hollandsch op vijf woorden Duitsch.
„Allerdings! aber die koffers konnten Geruch verspreiden, sanfter
liebliches Geruch. Das Geruch eines Fräuleins. Ich meinte so
etwas.....”
„Geruch?” vroeg kapitein Van Dam. „Ik zet het iemand om hier te midden
van die pik- en teerlucht, van die uitwasemingen van lading en
victualie, das Geruch eines Fräuleins, hetwelk uit eene koffer zou
opstijgen, te onderscheiden.”
„Aber, kapitein....”
„Neen, neen, mijn waardste mof, hoe wetenschappelijk ontwikkeld
gijlieden van us. a. um ook zijt, zóó zijn jullie reukorganen niet in
ontwikkeling toegenomen.”
„Aber das Geruch war ja da!” fluisterde de Germaan in triomf. „Gewiss,
ich habe mij nicht vergist.”
En hij wees op twee gedaanten, die in de opening van den kajuitstrap
verschenen.
„Sakkerloot!” prevelde Leidermooi, „dat zijn dames! Sjt!.....”
De officieren zaten in gespannen verwachting. Het was duidelijk, dat er
leden van het schoone geslacht aan boord waren; maar wie waren het? Wel
was het niet zwart donker. De hemel was evenwel bewolkt, zoodat slechts
de omtrekken van de twee vrouwen waarneembaar waren.
Van de kajuitskap traden zij op de bakboordsverschansing toe, tuurden
over boord naar het licht van den Noord-Hinder, hetwelk de „Fernandina
Maria Emma” thans voorbij stevende. Toen zij zich evenwel daar zoo
alleen op het dek zagen, terwijl bij de stuurboordverschansing een
troepje heeren te babbelen zaten, en overigens de man aan het roer
slechts ontwaard werd, trokken zij zich terug en gingen weer naar
beneden.
„Ik wed dat zij beiden jong en schoon zijn,” stelde Behren voor.
Niemand wilde voor het tegendeel optreden; want allen hoopten, dat de
apotheker gelijk zou hebben.
„Zeg stuur,” sprak luitenant Leidermooi tot den 1en stuurman, die thans
het achterdek betrad. „Zijn er dames aan boord?”
„Ja, heeren,” antwoordde stuurman Abels, „wij hebben drie dames onder
de passagiers.”
„Wie zijn het?” vroeg kapitein Van Dam, nog nieuwsgieriger dan zijne
luitenants.
„Een mama met hare twee dochters.”
„Zijn het mooie meisjes?” viel Denniston in.
„Puik!”
„Jong?”
„Achttien en twintig jaren, reken ik.”
„Maar, wie zijn het?” herhaalde kapitein Van Dam zijne vraag. „Hoe
heeten zij?”
„Groenew...”
Een schel gefluit klonk over het dek. Stuurman Abels liet onze
officieren in den steek en spoedde naar voren. Daar stond de loods met
den scheepsgezagvoerder en de twee andere stuurlieden ter hoogte van
den fokkemast. [29] Het gefluit riep het wachthebbend scheepsvolk te
samen. Nu het schip den Noord-Hinder dwars had, moest er gelood worden.
Het fregat stevende nu te midden der Vlaamsche banken, en
voorzichtigheid was hier de boodschap. Dwars had men den Noord-Hinder,
bakboord vooruit lag de West-Hinder, vlak vooruit de Fairybank. Het
schip moest iets afvallen om tusschen de Sandettie en Goodwin’s-sand
[30] door te zeilen. De wind was inmiddels aangewakkerd en de boeg van
het schip sneed met kracht het zeewater en wierp eene omhoogstijgende
baar van wit schuim voor zijn steven uit. De loods beval de bovenzeilen
in te nemen.
„Grietje [31] geien!” klonk het schorre kommando van den 1en stuurman.
De zeelieden togen aan het werk, aan het trekken, aan het halen; dit
alles vergezeld van het onvermijdelijk matrozengezang, waarin het woord
ahoi! met een onbeschrijfelijken keelklank gegild, de hoofdschotel
uitmaakte.
„Voor-bovenbramzeil en voorbramzeil geien!”
Toen die zeilen geborgen waren:
„Groot-bovenbramzeil en grootbramzeil geien!” gilde de 1e stuurman.
De vaart van het fregat begon merkbaar te minderen. Toch was het nog
niet naar den zin van den loods. Die keek uit naar het licht van
Goodwin’s-sand, wat nog niet te bespeuren was. Hij riep den
scheeps-kapitein iets toe.
„Bezaan, grootzeil en fok geien!” klonk diens kommando.
De matrozen repten zich. De soldaten van de wacht moesten mee touwtje
trekken. Weldra hingen de genoemde zeilen slap en waren gedeeltelijk
gegeid. Het schip voerde nu nog slechts zijne marszeilen, het kruiszeil
en zijn kluiver en jager, en verminderde zijn vaart zeer.