ernstig.
„Zou het mogelijk zijn?” vroeg de vader.
„Te Harderwijk is met geld alles mogelijk. Ik heb slechts een
plaatsvervanger te stellen.”
„O! Herman, doe dat dan! doe dat dan!” snikte mevrouw Riethoven.
„Gaarne,” was Herman’s antwoord. „Geef slechts uwe toestemming, dat ik
mijne studiën op de hoogeschool mag vervolgen.”
Een schok trilde door de ledematen der arme dweepzieke moeder. Daar
doemde voor haren geest de strenge gestalte van den directeur Peeters
op. De arme vrouw hoorde reeds het anathema, hetwelk haar treffen zou.
Haar zoon een gevaar voor de Kerk! Dat kind, wat zij gebaard en gezoogd
had, dat vleesch van haar vleesch, dat bloed van haar bloed zou een
suppoost van Satan worden, zou als tegenstander van de Kerk van
Christus optreden! „O! nooit, nooit!” galmde het in haar gemoed. Maar,
dan sloeg zij het oog op haren zoon. Daar stond hij voor haar, die
eersteling van hare huwelijksliefde, daar stond hij voor haar met dien
afschuwelijken kapotjas om de lendenen, met die afzichtelijke
kwartiermuts op het hoofd, daar stond hij voor haar, gereed om naar dat
verwijderde land te gaan, naar dat land, hetwelk haar zoo vol gevaren,
zoowel zedelijke als lichamelijke afgeschilderd was, naar dat land,
waaromtrent hare ziel uitspraak deed: dat hij, die vader en moeder
vermoord heeft, nog te goed is om naar den Oost te gaan, en.... met één
woord kon zij aan die geheele toekomst van haar kind, die haar
tegengrijnsde, een andere richting geven. Met één woord kon zij dien
kapotjas in eene toga veranderen. O! de bekoring was zwaar. Zij boog
het hoofd, al dieper en dieper. Zij vouwde de handen.
„Heere,” bad zij, „verlaat mij in dezen stond niet! Ik heb uwe hulp zoo
noodig!”
Vader en zoon zagen den vreeselijken strijd aan, die daar gestreden
werd. Geen van beiden hadden evenwel eenige hoop.
„Wel, wat is uwe beslissing?”
Die vraag was zacht, uiterst zacht van Hermans lippen gegleden, terwijl
hij zijne moeder den arm om den hals sloeg. Toch verbraken die weinige
woorden de betoovering, die haar omstrengeld hield.
„Nooit! nooit!” prevelde zij met saamgeknepen lippen.
Herman liet haar uit zijn armen los.
„Dan valt er niet meer te jammeren, mameer!” sprak hij hoogst ernstig.
„Dan is mijn lot beslist!”
Weinige dagen later had de tegenhanger van dat tooneel plaats, toen
Herman bij de familie Fraenkel afscheid ging nemen. Bij zijn
binnentreden trof hij Lydia een oogenblik alleen. Toen zij hem in dat
militaire pak zag, barstte ook zij in tranen los. Een oogenblik zou de
verteedering hier een keerpunt hebben kunnen aanbrengen; maar, daar
traden Lydia’s ouders binnen en met die was ieder uitzicht op
toenadering verdwenen. De jongelieden reikten elkander de hand.
„A Dieu!” stamelde Herman met een snik.
„A Dieu!” herhaalde het meisje schier onhoorbaar dat in Limburg zoo
gebruikelijk afscheidswoord, en wees met den vinger naar boven. „A
Dieu!”
Den avond voor het vertrek vereenigden zich nog eenige familieleden en
vrienden bij de familie Riethoven. Helaas, het had veel van eene
uitvaarts-plechtigheid. Alle aanwezigen waren ontroostbaar. Alleen
Herman was uiterlijk kalm. Zelfs op een gegeven oogenblik rees hij op,
en met eene stem, alsof hij op eene nutsvergadering eene voordracht
hield, reciteerde hij:
„Vaarwel, mijn vaderland, mijn ouders en bekenden!
Het scheidensuur breekt aan, ontvangt mijn afscheidsgroet.
Ras zal de brooze kiel van Holland’s kust zich wenden!
En voeren ver mij voort langs d’ onafmeetbren vloed!...”
„Schei uit Herman!” riep een der aanwezigen. „Zie toch uwe moeder!....”
De arme vrouw baadde in hare tranen, hare snikken beletten haar eenig
geluid uit te brengen. Was het wreedheid van Herman? Was het
overspanning? Helaas! nimmer heeft hij zich eene juiste rekenschap
weten te geven van de gevoelens, die hem dien avond beheerscht hadden.
Menigmaal heeft hij evenwel later dat oogenblik met weemoed, ja met
diep berouw herdacht.
Den volgenden morgen, toen het laatste scheidingsoogenblik aangebroken
was, knielde hij voor zijne ouders, en bad hen om hun zegen. Beiden
legden hem de handen op het hoofd.
„Ga in vrede!” sprak de vader met van aandoening trillende stem.
„Dat God u geleide, mijn zoon! mijn oudste!” kermde de moeder en viel
schier in zwijm. Met veel moeite hield zij zich staande.
Herman stapte voort. Bij het omslaan van den hoek der straat, waarin
het ouderlijk huis gelegen was, wierp hij nog een blik achterwaarts.
Daar stonden beiden met ten hemel geheven handen hem na te staren. Dat
was de laatste blik, die gewisseld werd. Herman zag zijne ouders nimmer
weer.
EINDE VAN HET VOORSPEL.
NAAR DEN EQUATOR
I.
NAAR ZEE.
„Ziet ge nog niets in de verte?”
„Niets kapitein!” klonk het antwoord op die vraag. „Ik tuur, tuur al,
maar niets. Straks meende ik daar voorbij den Balg [16] een zeil te
ontwaren. Het was slechts het schitteren van de zon in de Zuiderzee.”
„Waar kunnen ze blijven?” vroeg de eerste weer. „Volgens de
aanschrijving van den minister zijn ze voorgisteren uitgezeild, en de
afstand van Harderwijk tot hier is zoo groot niet. Zij hadden gisteren
reeds hier kunnen zijn.”
„He, stop kapitein! zoo’n kaag zeilt zoo hard niet en met den
noordenwind, die gisteren en heden gewaaid heeft, hebben die vaartuigen
voorzeker moeten laveeren.”
„Het is jammer van dien noordenwind. Wij hadden er zoo netjes buiten
het Kanaal mee kunnen komen.”
„Dat is zoo. Die noordenwind kan evenwel nog wel wat aanhouden, de
barometer staat hoog. Maar... daar zie ik iets. Ja, daar komt eene kaag
met volle zeilen, daar voorbij den Balg....”
„Laat zien! Geef hier den kijker.... Jawel!... dat zijn ze. Eene kaag
met den Nederlandschen vlag in top, en daar eene halve streek lager
eene tweede. Geen twijfel meer! Stuurman, laat den kok dadelijk
erwtesoep klaarmaken. Ieder man een dubbel ration spek! De kerels
zullen wel honger hebben. Overigens alles klaar om onder zeil te gaan!”
„Best kapitein!” klonk het antwoord.
Dat gesprek werd op den 17den October 185. gevoerd aan dek van de
Fernandina Maria Emma, een flink Hollandsch fregatschip, hetwelk aan de
kaai te Nieuwediep gemeerd lag. Uit de titels, die de sprekers elkander
toevoegden, alsook uit de bevelen, welke de eene gaf, was op te maken,
dat het de kapitein en een der stuurlieden van genoemd schip waren, die
hunne opmerkzaamheid, aan hetgeen in de verte voorviel, wijdden, en
dienovereenkomstig hunne maatregelen namen. Het fregat lag zeilklaar,
en wachtte nog maar op de aankomst van een detachement
suppletie-troepen, dat naar Oost-Indië zou overgevoerd worden, om de
trossen los te gooien en de reis naar Batavia te aanvaarden. Nu dat
detachement in het gezicht was, vermeerderde de drukte aan boord niet
weinig en nam geleidelijk toe, tot dat de beide kagen het fregat op
zijde aangeklampt hadden, en haren inhoud op dek overstortten. De
levende lading, die daar overkwam, bleef evenwel aan dek niet; maar
ging de loopplank over, en schaarde zich op bevel van haren aanvoerder
in een gelid op de kade. Een oogenblik later verscheen de plaatselijke
kommandant van Helder om dat detachement te monsteren, d.w.z. zich te
overtuigen, dat de lading present was. Het waren 180 mannen, die daar
bekeken werden, en bij het passeeren van dien hoofdofficier een voor
een hunnen naam moesten noemen, welke alsdan vergeleken werd met het
voorkomende op den monsterstaat, dien een adjudant in handen had.
Heel voordeelig zag het detachement er niet uit. De manschappen hadden
zich gedurende ruim twee en een half etmaal moeten behelpen met het
verblijf in eene kaag, waarin zij als slachtvee met hun negentig
gestuwd waren geweest. Het weer had zich nog al goed gehouden, zoodat
een gedeelte voortdurend op het dek der kleine vaartuigen had kunnen
doorbrengen. Ware het anders geweest, dan hadden zij allen beneden
moeten blijven, waar geen bank of stoel eenige zitplaats aanbood, en
slechts een paar bossen stroo op den vloer uitgespreid lagen, waarop de
aanstaande verdedigers der Nederlandsche koloniën hunne ledematen
mochten uitstrekken, en zouden zij, volgens de eigenaardige
soldaten-uitdrukking, bepaald „lepelsgewijs” hebben moeten liggen om in
dat vunzige hol tegen zee- en regenwater beschutting te vinden.
Maar, was het weer ook al, van dien kant beschouwd, gunstig te noemen
geweest, anders was het met den wind gesteld. Men was met een zwakken
oostenwind van Harderwijk vertrokken, die evenwel al spoedig zoodanig
begon te krimpen, dat scherp bij den wind moest gezeild worden. Toen
men evenwel het Enkhuizer zand [17] genaderd was, kromp de wind nog
meer en moesten de kagen tot laveeren overgaan. Dat vorderde tijd en
maakte den toestand onaangenaam, daar, wat de levensmiddelen betrof,
slechts op eene reis van hoogstens vier en twintig uren gerekend was,
en voor dat tijdperk slechts hard komiesbrood of nog hardere
scheepsbeschuit medegenomen was. Wel werd nu in dien nood het eiland
Wieringen aangedaan; maar de luitenant, die met ettelijke manschappen
ter fourageering uitgezonden was, kon niets anders machtig worden dan
brood, en dat nog maar in zoo eene beperkte hoeveelheid, dat
ternauwernood een half ons aan ieder hongerige kon verstrekt worden.
Een ware kwelling dus, niets meer!
Eindelijk waren de kagen het eiland Wieringen kruisende te
bovengekomen. Toen hadden zij den boeg gewend, en waren westwaarts op
met volle zeilen tusschen Lutjeswaard [18] en het Balgzand door, de
haven van Nieuwediep binnen gestevend.
Maar tweemaal vier en twintig uren aan boord van eene kaag op een half
onsje brood, dat was niet alles, betuigden de toekomstige helden. Och,
zij zouden in de toekomst nog wel meer ondervinden!
Toch zagen de manschappen, zooals zij daar aangetreden stonden, met den
spekzak op de eene en de veldflesch op de andere zijde bengelende, er
nog betrekkelijk goed uit, en had de plaatselijke kommandant van Helder
redenen van tevredenheid. Allen waren present op de monstering, dat was
voorshands het voornaamste. Geen der manschappen had gepoogd zich onder
het stroo in de kagen te verstoppen, om daarna de plaat te kunnen
poetsen. De plaatselijke kommandant teekende dan ook den monstersstaat
af, gaf het triplikaat daarvan aan den detachements-kommandant,
wenschte dezen goede reis, bracht daarna de rechterhand aan de klep van
zijn schakot en ... vertrok.
„Sergeant Fraenkel zal voor de overscheping der militaire goederen
zorgen” gelastte de detachements-kommandant. „Sergeant Riethoven voert
de manschappen aan boord terug. Stelt ze op het achterdek in twee
gelederen op. Hier hebt ge den indeelingstaat, deelt ze dadelijk in
bakken in!”
Beide onderofficieren brachten eerbiedig de hand aan de kwartiermuts en
volvoerden de gegeven orders.
„Rechts-om!” kommandeerde sergeant Riethoven, „Voorwaarts, marsch!”
En een oogenblik later:
„Met rotten rechts!”
Het detachement stapte de loopplank over, werd op het achterdek eerst
op twee gelederen geschaard en daarna tien aan tien in bakken
ingedeeld.
De eigenlijke bak is een houten kist niet ongelijk aan een trog, die
tusschendeks op den vloer staat, en daar met klampen vastgezet is. In
dien trog wordt het niet overdadige komaliewant (eetservies) van de bij
dien bak ingedeelden opgeborgen. Over het geheel beveelt een
baksmeester, in den regel een korporaal of bij gebreke aan dien een
oppassend soldaat, en is een bakszeuntje belast met het schoonhouden
van het komaliewant en het halen van het eten aan de kombuis. Ook de
onderofficieren werden baksgewijs ingedeeld; maar daarbij deden eenige
manschappen van het detachement voor eene geringe retributie den dienst
van bakszeuntje.
Nauwelijks was de indeeling geschied, toen de eerste stuurman den
sergeant Riethoven iets in het oor fluisterde. Deze sloeg het oog op
den detachements-kommandant, die een teeken gaf.
„Hoornblazer! eten!” klonk het bevel van den onderofficier.
Het signaal, dat aller magen bevrediging zoude brengen, schetterde en
ontlokte een uitbundig gejuich onder de aanwezigen. De bakszeuntjes
werden voorgeroepen, en weldra zat de geheele troep beneden in het
tusschendeks op den vloer om de bakken geschaard, waarop de dampende
kommen met snert prijkten. De baksmeesters verdeelden het spek, dat uit
de erwtensoep te voorschijn gehaald werd, waarna het teeken ten aanval
gegeven werd, en de lepels beurtelings in den smakelijk uitzienden brei
daalden.
„Verd...! de snert is heet!” gilde er een, die zijn honger wat te
doldriftig had willen stillen.
„Heeft je moeder je geen blazen geleerd?” klonk de troostende vraag.
Er werd niet gepraat, daartoe had niemand tijd. In de eerste
oogenblikken werd niets anders dan een eigenaardig smekken in dat
scheepsruim vernomen, vergezeld van een getiktak der ijzeren lepels
tegen elkander bij het uitscheppen of tegen den rand der houten kommen,
die de erwtensoep bevatten. De bakszeuntjes gingen nog een bezoek bij
de kombuis brengen, en keerden andermaal met een vollen kom terug. Een
gejuich steeg andermaal op.
„Wat is die snert verduiveld lekker!” klonk het hier.
„Je kunt er je lepel rechtop in zetten! zoo dik is ze,” klonk het daar.
„Ik teeken voor mijn geheel leven, als de menage zoo’n snert altijd
opschept!”
„Met zoo’n heerlijk zoutspek, als dit.”
„Mis, je weet er geen bliksem van! Het is rookspek, en nog wel echt
Hollandsch!”
„Neen, het is Amerikaansch!”
„Neen, Hollandsch!”
„Neen Amer.....”
„Ahoi!....” klonk het boven. „Halen! die tros!”
Daarop viel een solozanger met schorre stem in, en zong
„De baggerman, die arme sul!”
„Hoera mij boy’s! Hoerah mij boy’s!” vulde een koor van nog schordere
stemmen aan.
„Wat voeren ze daarboven uit?” vroeg een der militairen beneden, den
mond nog half gevuld met erwtensoep.
„De matrozen brengen de sleeptrossen uit en halen de meertrossen in,”
antwoordde er een, die waarschijnlijk van Rotterdam of van Vlissingen
afkomstig, nu niet weinig trotsch was op zijne zeemanskennis. „Wij gaan
er spoedig van door!”
„O! mijn arme vader, die mij staat te wachten!” riep er een. „Maar ik
had ook zoo’n honger!”
En wip was hij naar boven. Hij werd door velen gevolgd, die de snert in
den steek lieten, om de toebereidselen tot het vertrek waar te nemen.
De drukte aan dek was intusschen toegenomen. Het wemelde daar van
kooplieden, marskramers enz. die nog het een of ander aan de
vertrekkenden trachtten te venten. Hier en daar stonden
matrozen-vrouwen met betraande oogen en met hare kinderen op den arm of
aan de hand, en trachtten nog eenige woorden met hare echtgenooten te
spreken. Elders liep een boertje het dek op en neer, wrong zich door de
menigte, die hem soms den weg versperde, en riep:
„Mien zeun! woar is mien zeun?”
„Hier is je zoon, boer!” riep een scheepsjongen en bracht hem bij het
varkenshok.
Och! de arme vader had geen aandacht voor die akelige scherts in dat
oogenblik. Overgelukkig voelde hij zich voor een oogenblik, toen hij
onder de naar boven komende militairen zijn zoon herkende.
„Garrit! Garrit!” riep hij, en een poos later lagen vader en zoon in
elkanders armen.
Inmiddels waren de sleeptrossen uitgebracht. De Fernandina Maria Emma
was aan den Hercules, eene krachtige sleepboot, bevestigd, die dikke
wolken zwarten kolendamp uit haren korten dikken schoorsteen braakte en
een gillend geluid uitstootte, dat door het geheele Nieuwediep
weerklonk, ten teeken dat zij gereed was. De meertrossen waren naar
binnen gehaald. De loopplank vormde nog het eenigste verbindingsmiddel
met den wal. Thans begonnen de stuur- en bootslieden de landrotten, zij
die de reis niet mee zouden maken, te beduiden, dat het tijd werd het
schip te verlaten. Dat ging slechts schoorvoetende.
„O! Jan!” gilde hier eene jonge vrouw, terwijl zij wanhopig hare armen
om den hals van een jeugdig flink matroos geklemd hield.
„Mijn zoon!” kreet het boertje van straks, terwijl hij het hoofd van
den koloniaal tusschen zijne beide handen genomen had en in zijne oogen
keek, alsof hij zich zijn beeld in de ziel wilde griffen.
„Dag moeder!” klonk het hier.
„Dag Trui!” klonk het daar.
Plotseling liet het kommando zich hooren:
„Loopplanken en uithouwers op den wal!”
Dat hielp. In een oogenblik hadden alle bezoekers het schip verlaten,
hetwelk, nadat de loopplanken geheel op den wal gehaald waren, zich
langzaam van de kade verwijderde, en, door den Hercules getrokken, zich
statig voortbewoog. Daar ontstond eensklaps een heftig geschreeuw
zoowel aan boord, als aan wal.
„Houdt hem! houdt hem!” riep de detachements-kommandant.
„Grijpt hem! Grijpt hem!” riep de scheeps-kapitein.
Een der militairen, de zoon van het boertje van straks, had met een
sprongetje de kloof overschreden, die zich iedere sekonde al wijder en
wijder tusschen het schip en den wal vormde, en viel zijn vader om den
hals om hem nog een laatst vaarwel te zeggen.
„Vader! Vader!” snikte de jonge borst. „Zeg moeder goedendag!”
Een paar passen verder had een matroos denzelfden sprong gewaagd, en
daar zijne vrouw gegrepen, die op de breede borst geklemd, terwijl hij
zijn kind, dat zij op den arm droeg, met kussen overdekte.
„Dag, Anna!” klonk het daar. „God zij met je!”
Dat alles geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. En voor nog een paar
politie-agenten, die op de kade stonden, eene beweging gemaakt hadden,
om aan de kreten van den detachements-kommandant en den
scheeps-kapitein gehoor te geven, waren beiden aan boord
teruggesprongen, en klommen thans de verschansing weer over.
Stampend en snuivend spande de kleine sleepboot alle krachten in om het
moment van traagheid van het kolossale fregat te overwinnen. De kloof
tusschen den wal en het schip werd al grooter en grooter. Niemand zou
den sprong meer kunnen volbrengen. Een groote en joelende menigte
volgde langs de kade: familieleden en belangstellenden, die de
vertrekkenden hunne beste heilwenschen toeriepen en toewuifden;
rondventers, die hunne waren aan boord tegen de laatste dubbeltjes van
matrozen en soldaten geruild hadden, en nu hunne kramersbakken afgezet
hadden; en eindelijk die schare van straatslijpers en leegloopers, die
overal te vinden zijn en in eene havenstad bij het vertrek van een
schip nimmer ontbreken.
Het fregat kwam al meer en meer in vaart, en stevende de schepen
voorbij, die aan de kade gemeerd lagen. De bemanningen dier vaartuigen
wisselden een flink hoerah met de equipage en de passagiers van de
Fernandina Maria Emma. Op het wachtschip, hetwelk ons fregat thans
voorbij voer, weerklonk het:
„Wien Neerland’s bloed door de aderen vloeit,”
den vertrekkenden als afscheidsgroet in de ooren; terwijl beide schepen
elkander groetten, door driemaal hunne vlaggen aan den gaffel op en
neer te halen.
Eindelijk stevende het fregat, steeds door den Hercules gesleept, de
haven van Nieuwediep uit en het noorderhoofd om. Er werd nog een laatst
hoerah met de menigte op den wal gewisseld, waarna de beide vaartuigen,
sleeper en gesleepte, westwaarts wendden, om tusschen Texel en
Noordholland door, de Noordzee te bereiken.
Het geheele detachement militairen, tot de officieren incluis, lag over
de verschansing gebogen om nog een blik aan de vaderlandsche kust, die
daar aan bakboord [19] voorbijgleed, te wijden. Onder die allen waren
er twee, die met diep gevoel de door tranen benevelde oogen op dien
dierbaren grond gevestigd hielden. Het waren Riethoven en Brinkman, die
naast elkander post gevat hadden, elkanders hand omklemd hielden en hun
weemoed in een diepen zucht lucht gaven.
„Wie weet, wanneer wij die kust weer zullen zien opdoemen?” snikte
Herman.
„Ja, wie weet wanneer, en wie weet of wij het vaderland wel ooit weer
zullen zien?” antwoordde Frank, bij wien in dit plechtig uur de ernst
de bovenhand bij zijn gewone luchthartigheid had.
„Dit oogenblik heeft iets onmetelijk bitters.”
„O! zwijg! Het is alsof ik in mijn binnenste iets voel scheuren.”
„Nimmer had ik kunnen denken, dat het scheiden van den vaderlandschen
grond zooveel zeer kon doen,” zei Herman, zijn tranen den vrijen loop
latende.
„Zoudt gij nog terug willen?” vroeg Frank, „het gedane ongedaan maken?”
Herman antwoordde niet dadelijk. Op die vraag van zijn vriend sloot hij
de oogen en verviel in diep gepeins. Zijne gedachten vervoerden hem
ver, zeer ver, daar naar het zuidoosten, werwaarts zijn gelaat nog
gekeerd was, als had hij, toen die vraag hem gesteld werd, daar bij den
gezichtseinder, die zich achter de poldervlakte van Noord-Nederland
sloot, iets gezocht, dat een meer trouw beeld van zijn geboortegrond in
dat heilig oogenblik in zijne ziel zou afdrukken. Voor zijne
gevoelsoogen zag hij nu de omtrekken zijner moeder oprijzen. In tranen
badende lag de arme vrouw in haar slaapvertrek voor een kruisbeeld op
den grond geknield, hield haar gelaat in hare handen verborgen en
snikte luid. Terwijl zij daar zoo lag, een beeld der wanhoop getrouw,
ging de deur open en een meisje trad binnen, sloeg haren sluier terug,
schreed tot de diep bedroefde moeder, en beurde haar op.
„Lydia!” prevelde Herman onhoorbaar, „Lydia! o wat is ze schoon!”
Het droombeeld ging voort in ontwikkeling. Lydia zette de arme moeder
op een stoel, vleide zich zacht op haren schoot, sloeg haren fraaien
arm om den hals der oude vrouw en fluisterde haar woorden in het oor,
die een glans van verrukking op het gelaat der diepbedroefde te
voorschijn tooverden.
„O! God! mijn leven! mijn alles! om die woorden te mogen vernemen!”
fluisterde Herman steeds onhoorbaar in een soort van geestesbedwelming.
Had Frank toen zijne vraag herhaald, dan voorzeker had het antwoord
geklonken:
„Ja, terug! Ik wil terug naar mijn Limburg! Ik wil terug naar mijne
moeder! Ik wil terug naar Lydia!”
Frank zweeg evenwel, half in eigen gedachten verzonken. Het droombeeld
ontwikkelde zich verder. De verrukking van Herman’s moeder steeg nog.
Thans sloeg zij den arm om den hals van het jonge meisje, wier
natuurlijk schoon nog door een bekoorlijk blosje verhoogd werd, drukte
haar aan het hart, greep haar hoofd tusschen de beide handen en keek
haar in de fraaie donkere oogen met eene uitdrukking op het gelaat,
alsof zij vroeg:
„Is het wel waar, wat gij daar zegt? Wilt gij mijn kind, mijn oudste
gelukkig maken?”
O! het was alsof Herman die woorden hoorde, alsof hij ze zag aan de
lippen zijner moeder ontglippen. En wat werd Lydia’s blos nog
donkerder! Zij verborg haar gelaat aan het hart harer moederlijke
vriendin. Hare borst zwoegde onstuimig. O! omtrent haar antwoord viel
zich niet te vergissen! Maar.... welke schrik beving die twee vrouwen?
Ziet, zij luisterden met gespannen aandacht.... De deur ging open.
Directeur Peeters stond op den drempel. Zijn ascetisch gelaat was
bleeker dan gewoonlijk, zijn blik schitterde, zijne neus was nog
krommer dan anders, zij was thans in vorm aan een papegaaienbek gelijk.
Met een oogopslag zag hij, wat in het gemoed dier twee vrouwen omging.
Met vooruitgestoken hand trad hij op haar toe, alsof hij haar onder
zijn invloed wilde terugbrengen. Beiden krompen onder dat
priestergebaar, bogen het hoofd nog dieper, en gleden op zijne knieën
aan de voeten van den Godsman, terwijl zij zijne handen met kussen
overdekten.
„O! mijn God!” kreunde Herman. „Alweer die aterling op mijn pad!”
„Vraagt ge wat?” zei Frank als uit den slaap ontwakende.
Weg was Herman’s droombeeld bij het weerklinken van die stem.
„Ik?...” vroeg hij verbaasd. „Ik meende integendeel of gij iets
vraagdet.”
„O ja!... Ik vroeg in antwoord op uwe ontboezeming, dat het scheiden
van den vaderlandschen grond zoo zeer deed, of gij terug zoudt willen?
of gij het gedane ongedaan zoudt wenschen?”
„Ik terug?... Ik!...” was Hermans antwoord met vaste stem maar toch
hartstochtelijk gegeven. „Neen, bij God! neen!”
Hij streek met de hand langs het voorhoofd, als zocht hij een lastig
droombeeld weg te vegen.
„Neen, vooruit!” riep hij met geestdrift. „Neen, weg met alle
herinneringen! Vooruit, den wijden oceaan in!”