kleedingmagazijn verlaten had, was de plunje, die hij aan gehad had, in
eigendom van den onder-adjudant overgegaan. Toen hij straks inspectie
in zijn koffer hield, werd de moeder der kompagnie even mild bedacht.
Zooals Frank voorspeld had, bleven de gevolgen niet uit. Vooreerst werd
onze rekruut bij de excersitiën steeds gedrild door een instructeur,
die aan de behoorlijke kennis eene zekere mate van beschaving en
zachtaardigheid paarde, waardoor hem het ruwe van de eerste oefeningen,
welke door de liederlijke en god-tergende taal van hen, die in die
dagen met het onderwijs belast waren, voor de fatsoenlijke jongelieden
zoo moeielijk gemaakt werden, veel bespaard werd. De sergeant-majoor
zorgde er voor, dat zijn beschermeling, nadat hij afgeëxerceerd was,
van corveeën verschoond bleef en, was dat niet altijd mogelijk, dan
stond hij steeds genadig toe, dat Herman een plaatsvervanger daarvoor
aanwees. Dat kostte dezen natuurlijk geld, maar hoe ijverig hij zijn
nieuwen stand ook aanvaardde, er waren soms werkzaamheden te
verrichten, die hij toch gaarne op een ander overdroeg.
Dienzelfden dag dat Herman gekleed was, werden hem de krijgsartikelen
voorgelezen. Maar de fourier, die die voorlezing bewerkstelligde deed
dat zoo rad en met zoo’n eentonige stem, dat met den besten wil van de
wereld van het gehoorde niets te maken was. Gelukkig! want die
aaneenschakeling van bedreigingen met strop, kogel, kruiwagen,
wegjaging als eerloozen schelm, enz. enz. zou den eenvoudigen
burgerjongen slechts slapelooze nachten berokkend hebben. Na dat
voorlezen der krijgsartikelen werd overgegaan tot het teekenen van de
engagements-acte, welke handeling gepaard ging met het uitbetalen der
handgelden aan hen, die zich op die voorwaarden verbonden hadden. Frank
had zijn vriend gewaarschuwd die engagements-acte nauwkeurig te lezen,
alvorens zijne naamteekening er onder te zetten. De moeite was evenwel
overbodig, want het stuk was volmaakt in orde. Anders was het met dat
van een ander rekruut, die, het voorbeeld van Herman volgende, de
engagements-acte vroeg in te zien:
„Vergeef mij, heer kapitein,” sprak deze, „ik had het beding gemaakt,
dat ik mij niet voor de Overzeesche bezittingen, maar wel voor de
Oost-Indische bezittingen wensch te verbinden.”
„Dat is gauw genoeg geredresseerd!” stamelde de sergeant-majoor met
zekere zenuwachtigheid in antwoord op den vragenden blik van den
kapitein kompagnieskommandant, die deze dienstregeling bijwoonde.
„Dat had in orde moeten zijn, sergeant-majoor!” was het ernstig
antwoord van dien officier.
„Maar dan is er nog iets,” vervolgde de rekruut met een flauwen
glimlach op het bleeke gelaat. „Ik wensch geen handgeld te ontvangen.
Wel is de som hier in de acte niet ingevuld, maar daar de noodige
doorhaling der daarop betrekking hebbende woorden niet geschied is, zou
dat verzuim mij later in mijne loopbaan kunnen benadeelen.”
Toornig stoof de kapitein op, greep de engagements-acte, overtuigde
zich dat de gemaakte bemerking juist was, deed haar redresseeren en den
sergeant-majoor voor die nieuw aangenomen manschappen, die daar
vereenigd stonden, niet willende terechtwijzen, sprak hij:
„Wij zullen straks dat varken wel wasschen!”
Middelerwijl greep de betrokken rekruut Hermans hand en kneep die
gevoelig:
„Ik dank u,” sprak hij fluisterend, „gij hebt mij, hoewel onbewust, den
grootsten dienst der wereld bewezen. Zonder uwe voorzorg zou ik mijne
verbintenis geteekend hebben zonder haar in te zien. En dan was mijne
geheele toekomst verloren geweest.”
Later vernam Herman van Frank dat het aannemen van handgeld in die
dagen een beletsel daarstelde om den officiersrang te behalen.
„Menige reclame wordt deswege uit Indië ontvangen,” vulde hij aan.
„Maar steeds moet dan volhard worden bij het door den belanghebbende
zelf geteekende, terwijl bovendien de handgeldstaten èn van de
kompagnie èn van den kwartiermeester kloppen. Zoo is menige toekomst
ergerlijk verwoest geworden.” [15]
„Dat is toch vreeselijk ongelukkig. En... wat zal nu met dien
sergeant-majoor gebeuren? Men heeft nu een geval.... Me dunkt, dat die
man niet in zijn graad gehandhaafd kan blijven!”
„Herman, je bent nog onnoozel, men kan wel zien dat je nog niet lang
hier bent. Die sergeant-majoor krijgt eenvoudig een uitbrander, en
daarmee is het uit. Hij zal een volgende maal niet eerlijker maar
voorzichtiger handelen. O ja, nog eene recommandatie! Tracht vooral
goede maatjes te zijn met de vrouw van dien sergeant-majoor.”
„Met zijne vrouw?...” vroeg Herman, ten uiterste verbaasd zijn vriend
aankijkende.
„Ja, zeker. Als je niet bent als een dergenen, waarvan de psalmist
zegt: „Zij hebben oogen en zien niet,” dan zul je mij later wel
begrijpen. Daarbij het is geen zwaar corvée dat ik voorstel. De
sergeant-majoorse is eene verduiveld mooie vrouw. Ik zal u nog een
adres opgeven. Als ge u daar weet in te dringen, dan zijt ge al heel
gauw korporaal en onderofficier.”
„Ook eene vrouwengeschiedenis?”
„Welzeker, eene vrouwengeschiedenis geboord met een zilveren randje.”
Herman maakte een gebaar van walging.
„Daar ginds te Rolduc hebben ze je en mij te Katwijk ingepompt, dat het
doel de middelen heiligt. Toon nu dat het uitgestrooide zaad niet op de
steenrots viel.”
„Ja, maar, met die wereld heb ik geheel gebroken, dus ook met hare
leerstellingen.”
„Daar wensch ik je geluk meê. Het zal evenwel noodig zijn je te
schikken naar de wereld, waarin ge u thans verplaatst bevindt.”
En dat was eene vreemde wereld, dat zou Herman genoeg ondervinden.
In die dagen wielde het schuim van geheel Europa te Harderwijk samen.
Door de Nederlandsche wervers opgespoord en opgedoken uit de somberste
holen der maatschappij, was en werd een troep mannen bij elkander
gebracht, die niet alleen de grootste verscheidenheid in nationaliteit
maar ook in maatschappelijken en moreelen stand vertoonden. Waren er,
die bij het onderteekenen hunner engagements-acte slechts gebrekkig
konden schrijven, omdat de hand vereelt was door het behandelen van
voorhamer, zaag, ploeg, schop, pikhouweel, koevoet of ook door het
hanteeren van het breekijzer; waren er zelfs, uit de onderste lagen der
maatschappij afkomstig, die niet eens geleerd hadden hunne
naamteekening te zetten, en zich met het krabbelen van een gebrekkig
kruisje behelpen moesten, daartegenover stonden er ook, die met een
soort van zwier hunnen naam griffelden; zelfs waren er, die dien naam
door het praedicaat van Baron of van Graaf lieten voorafgaan.
Onder de Harderwijksche legenden, die in de wachtlokalen van het
garnizoen, gedurende de lange winteravonden rondom de gloeiend
gestookte kachel verteld werden, werd die van den Spaanschen graaf Don
Ramoraz, die generaal geweest was onder Espartero, nimmer vergeten.
Fluisterend werd dan verteld, dat die Hidalgo in een vreeselijke
jaloersche bui zijne vrouw vermoord had, waarna hij, vergezeld van zijn
adjudant Don Xilanos, een flink jong mensch, zijn vaderland ontvlucht
was, en beiden, door den nood gedrongen, dienst voor de Nederlandsche
Bezittingen genomen hadden. Werd dat verhaal opgedischt, dan ontbrak
nimmer een ooggetuige, die den Spaanschen Grande met zijne grauwe haren
en in zijn grauwen kapotjas gewikkeld, den bezem had zien hanteeren en
de afzichtelijkste corveeën uitvoeren; terwijl er dan steeds met eene
aandoenlijke schildering vervolgd werd, hoe Don Xilanos zijnen gewezen
bevelhebber smeekte, hem toch die walgelijke werkzaamheden te laten
verrichten.
„Dat past uwe Excellentie niet,” fluisterde de gewezen luitenant dan.
Of dat in het Spaansch of in het Nederlandsch gefluisterd was, werd er
niet bij verteld. De toehoorders vroegen daar ook niet naar. Maar wel
klonk steeds de vraag:
„En is die Spaansche graaf met zijn adjudant thans in de Oost of in de
West?”
„In geen van beiden! Luister: Op een morgen stond die Excellentie met
zijn adjudant in de keuken, en waren beiden bezig met de overige
manschappen aan het aardappelen jassen. Ge kunt me gelooven of niet,
sprak dan de verhaler met overtuiging, maar „de grijze krijgsman” zong
juist hartelijk mede:
Sla, kroten en andijvie!
toen plotseling de luint-adjudant verscheen, die eerbiedig de positie
aannam, de hand aan de klep van zijn schako bracht, en met luider stem
tot de twee aardappelenjassers sprak: Uwe Excellentie wordt beleefd
verzocht bij den kornel te komen.—„Mijn adjudant ook?” vroeg de Grande.
„Uw adjudant ook,” antwoordde de luint. Beiden gingen toen heen. Wij
hebben ze nimmer teruggezien. Maar Eefje Goster, je weet wel, dat lieve
kindermeisje bij den kornel, heeft mij verteld, dat die beide
kolonialen in de mooie kamer van de kornels woning curaçao-bitter
gedronken, en zich daarna in een mooi verguld pak gestoken hadden,
waarna zij in een fraai rijtuig met vier paarden bespannen, weggereden
waren. De kornel was bij het instijgen den Grande behulpzaam geweest,
en had hem hartelijk de hand gedrukt.”
„Ja, je kunt hier te Harderwijk van alles te zien krijgen!” was de
algemeene instemming.
Zoo veel was zeker, dat al wemelde het in den tijd, toen Herman te
Harderwijk was, niet van Excellenties bij het Koloniaal Werfdepôt, zoo
zou er toch wel een half dozijn Freiherren, Graven en Baronnen te zamen
hebben kunnen gebracht worden, en waren namen als: Von Schwerin, Von
Heinitz, Von Helmoldt enz. niet zeldzaam. Of die namen hun, die ze
droegen, toekwamen? Te Harderwijk bestond daaromtrent niet de geringste
zekerheid. Het was daar het verstandigste, den naam, dien men opving,
slechts als herkenningsmiddel van het individu, die hem droeg, aan te
nemen. En zelfs daarbij was nog omzichtigheid noodig; want, hoe dikwerf
weerklonk niet de een of andere naam bij gelegenheid van de
dienstappèls, en werd herhaald en nog eens herhaald, zonder met het
gewone „present” beantwoord te worden.
„Waar zit die lummel nu weer?” vroeg dan de sergeant-majoor wrevelig en
overzag de gelederen.
„Zeg!” riep hij dan eensklaps, „kun jij je mond niet opendoen, als je
naam afgeroepen wordt?”
„Ah! ja so, ich nenne mich jetzt....”
In het gewone leven ook was het niet zeker, dat antwoord bekomen werd,
wanneer men iemand bij den naam riep, waaronder hij in de militaire
wereld bekend stond. Gedachteloos herinnerde de geroepene zich dan niet
oogenblikkelijk, dat hij van naam verwisselde.
Dat misdadigers, ergerlijke misdadigers onder dien hoop schuilden, die
een heenkomen achter het militaire kleed zochten en blij geweest waren,
dat zij een werver ontmoetten, die hun valsche papieren bezorgde, en
zoo de verdwijning van het tooneel in de hand werkte, wie zal dat bij
kalm en onpartijdig nadenken ontkennen? Herman hoorde daar mompelen van
Ehrensachen, van onbetamelijk schuldenmaken, van verwikkelingen in
staatsaangelegenheden, van ongelukkige duels, maar ook van diefstal,
van doodslag, van broedermoord, van verdierlijking, van ontucht,
van.... ja! van wat niet al? En al heerschte er ook al veel
overdrijving in die verhalen, die fluisterend gedaan werden, zoo zag
hij zich toch omringd van troniën, welke aan die verhalen wel klem
bijzetten. Hij zag daar te Harderwijk tooneelen van de walgelijkste
brooddronkenheid, van de liederlijkste uitspattingen, tooneelen, die
hem wel eens berouw deden gevoelen over den stap, dien hij gedaan had.
Gelukkig stond Frank hem ter zijde.
„Ja, aangenaam is het niet,” zei deze, „tusschen dat schuim te moeten
leven. Er zal ook eene zekere mate van zelfstandigheid toe behooren, om
bij de aanraking daarvan niet bezoedeld te worden. Maar kijk goed
rondom u. Wees niet stelselmatig in het onthouden van uwe genegenheid
of van uwe vriendschap, evenmin als gij te vlug moet zijn met haar te
plaatsen. Hier onder die kolonialen, vooral onder de Nederlanders,
omtrent wier antecedenten men trouwens oneindig meer kieskeurig is dan
bij de vreemdelingen, zult gij jongelieden aantreffen, wier gezelschap
niet te versmaden is.”
En de jeugdige practicus had gelijk. Zeker waren daar jongelieden, die
hun gezelschap wel waard waren; die door het avontuurlijke
aangetrokken, dienst bij het Nederlandsch-Indische leger genomen
hadden, en ook alle pogingen aanwendden om zich bij dat leger eene
eervolle loopbaan te scheppen.
Door die raadgevingen van Frank gesteund, was het begin niet al te
lastig voor Herman. Hij was al heel spoedig afgeëxerceerd. Zijn
natuurlijke aanleg had hem daarbij veel geholpen, maar ook een zekere
mate van onbekrompen vrijgevigheid, die hem op Franks aanraden
aanspoorde, de verschillende onderofficieren-instructeurs, met wie hij
te doen kreeg, nu eens een dubbeltje, dan weer een kwartje, soms ook
meer in de hand te stoppen, had er toe bijgedragen om hem als een soort
feniks te doen beschouwen. Hij woonde al spoedig de zoogenaamde theorie
bij, die niet anders was, dan een opdreunen van de van buiten geleerde
militaire reglementen. Hij werd dientengevolge al spoedig
vice-korporaal, en hoewel het doorsnuffelen van de geheimen der
soldatenschool eene uiterst dorre bezigheid te noemen was, overwon hij
toch den tegenzin, die hem bij het van buiten leeren overviel van dat
zinledige: „de hielen op dezelfde lijn en zoo dicht aan elkander
gesloten als de gestalte van den man zal gedoogen...”
„Bah!... bah!...” geeuwde hij evenwel dikwerf daarbij, terwijl hij zich
de ledematen uitrekte en de soldatenschool, het reglementaire boekje,
hetwelk er niet voor kon, dat het zoo saai en stoppelig geredigeerd
werd, ver van zich wierp.
„Bah!... hoe is het mogelijk, zooveel nonsens aan elkander te rijgen?”
„En toch, je zit in het schuitje, Herman,” moedigde Frank hem lachende
aan. „Je moet theorie pruimen, daar is niets aan te doen!”
Het korporaal worden ging van een leien dakje. Vier maanden na zijne
indiensttreding prijkte Herman met de kemelsgaren galons op de mouwen,
en was niet weinig trotsch daarop. In de eerste dagen na die
bevordering kon hij niet nalaten bij het wandelen zoo van tijd tot tijd
een blik van vergenoegen op zijne armen te werpen.
De bevordering tot sergeant had iets meer voeten in de aarde, maar kwam
ook naar wensch te recht. Op aanraden van Frank had Herman eene kamer
bij de weduwe Ebtuin in de Brugstraat te Harderwijk gehuurd, die
behalve eene dochter en eene kleindochter, ook nog een grooten
galanterie-winkel bezat. Zij had de ruimte boven dien winkel in
kamertjes verdeeld, en stelde die ter beschikking van de koloniale
helden in spe, die zulks betalen konden en een plekje wenschten te
hebben, waar zij zich van het kazernepubliek konden afzonderen. Die
drie dames hadden in de militaire wereld te Harderwijk zeer veel
invloed. Frank wist dat zeer goed, en Herman zou dat weldra
ondervinden.
Op een namiddag, toen de beide jongelingen te huis kwamen, merkte de
oude weduwe het betrokken gezicht op, hetwelk Herman zette.
„Wat scheelt er aan, mijn jongen?” vroeg zij op deelnemenden toon.
Herman antwoordde niet. Nurks en wrevelig trok hij de schouders op.
„Och, hij heeft het land,” sprak Frank, die reeds sedert eenigen tijd
met de gouden galons op de mouwen prijkte. „Heden zijn een twintigtal
onderofficieren aangesteld, en.... hij is er niet bij.”
„Is het anders niet? Daar kan hij wel toe komen, niet waar Kaatje?” zei
de weduwe glimlachend tot hare kleindochter.
„Zeker moe,” antwoordde het snibbig ding, niet minder snedig lachende,
evenwel met een blosje op de wangen.
„Maar, intusschen ben ik het niet,” antwoordde Herman norsch, en wilde
den trap opstijgen om naar zijne kamer te gaan.
„Zou je zoo gaarne sergeant zijn, mijn jongen?” vroeg de oude mevrouw
Ebtuin.
„Welzeker! Zou ik niet?” was het antwoord, dat hij gaf.
„Kom dan eens meê,” sprak de weduwe.
Zij geleidde den jongman in het winkellokaal, dat voor een
kleinsteedschen galanterie-winkel goed voorzien was.
„Kijk eens,” zei ze, „is dat geen fraaie pendule? Een fraaier stuk hebt
ge nimmer gezien.”
„Ja zeker, dat is een mooi stuk,” antwoordde Herman, nu met een
kennersoog een blik op de bronzen pendule werpende, die hem aangewezen
werd.
„Zij kost tachtig gulden,” hernam de weduwe met een zekere intonatie.
„Dat’s veel geld; maar voor hem die zoo’n stuk wenscht, toch niet te
veel.”
„Ik zal ze maar op uwe rekening schrijven, nietwaar?” vroeg zij met
sluwen glimlach.
„Op mijne rekening?... Wat zou ik met dat ding doen? Ik hoop over een
paar maanden aan boord van het schip te zitten.”
„Hij is niet erg bevattelijk,” sprak de weduwe tot Kaatje, die met
Frank in de deur van den winkel stond te praten.
Kaatje kreeg een blos, die haar niet onaardig stond. Frank lachte dat
hij schudde.
„Ik begrijp niet, wat mijne bevattelijkheid hier te maken heeft!” sprak
Herman ietwat gebelgd.
„Ge wilt spoedig sergeant worden?” vroeg de weduwe op ieder woord
drukkende.
„Zoo’n vraag!”
„Wel, laat mij dan die pendule op je rekening schrijven,” zeide mevrouw
Ebstein met een grijnslach.
„Maar ik begrijp niet....”
„Dat’s ook niet noodig. Ik schrijf de pendule op en gij zijt, voor dat
we vier en twintig uren verder zijn, sergeant. Is dat niet voldoende,
zeg?”
„Ja, in dat geval, maar ik begrijp niet.... Wat die pendule....”
„Behoeft ook niet. Als ge het resultaat maar begrijpt. Opschrijven,
dus?...”
Herman knikte toestemmend.
Toen den volgenden morgen de sergeant-majoor der 3de kompagnie na
terugkeer van het rapport, de orders op zijn bureau mededeelde, las hij
de navolgende bataillons-orde voor:
„No. 79. Ten vervolge op de bataillons-orde van gisteren No. 75, wordt
alsnog aangesteld tot sergeant à la suite bij het Koloniaal Werfdepôt:
de korporaal Herman Willem Hubert Riethoven; met bepaling, dat die
bevordering zal rekenen in te gaan op den dag van gisteren.”
„Sergeant Riethoven, ik feliciteer je wel met die bevordering,” sprak
de sergeant-majoor na die voorlezing.
Alle aanwezige onderofficieren, korporaals en vice-korporaals
verdrongen zich om den gelukkigen, en drukten hem de hand. Zelfs de
lieve sergeant-majoors-vrouw trad in dat oogenblik uit hare kamer te
voorschijn, alwaar zij bezig was met groenten schoon te maken, veegde
hare handen aan haren boezelaar af, greep Herman bij het hoofd en riep:
„Mag ik je ook gelukwenschen, aardigen krullebol!”
Zij kuste hem op beide wangen, en drukte hem met zoo’n innigheid en
zoo’n onstuimigheid aan hare borst, dat zij beiden tegen den
schrijflessenaar van den sergeant-majoor optornden, zoodat de registers
daarop kantelden.
„He! mijn administratie-boek!” riep de sergeant-majoor, niet zeer
gesticht over de wijze van feliciteeren van zijne vrouw.
„En dat je nu weg moet!” kreet de vrouw meewarig.
De dubbele keek nog somberder. Het overige kader voorzag eene
huishoudelijke onweersbui en droop af. Maar, toen Herman, na zich uit
de armen der schoone losgewrongen te hebben, op de schrijftafel
toetrad, daar een bon voor een twaalftal flesschen St. Estèphe
krabbelde, dien den sergeant-majoor aanbood, met verzoek een glas op
zijne gezondheid te drinken, helderde het barsche gelaat op, en sprak
die kompagnie’s moeder met bewogen stem, terwijl hij den nieuwbakken
sergeant de hand reikte:
„Je bent een nobele kerel! Met jou is wel land te bezeilen!”
Herman bloosde als eene jonge meid bij dat apokryphe kompliment,
hetgeen een tweeden en nog onstuimiger aanval van den kant der
sergeant-majoors-vrouw uitlokte.
Toen Herman zijne bevordering later met Frank besprak, gaf hij zijne
verwondering te kennen over die uitkomst.
„Hebt ge Kaatje Ebstein niet zien blozen?” vroeg Brinkman.
„Ja, maar.... dat meisje kan toch met blozen geen sergeanten
aanstellen?”
„Ze kan meer dan dat? Maar.... als ge het geheim van die geschiedenis
niet begrepen hebt, dan zult ge het wel nimmer vernemen, want ik vertel
het niet. Daar kunt ge evenwel zeker van zijn, dat wanneer gij het
zeegat uit zult zijn, die pendule hare plaats in den winkel weer
hernomen zal hebben.”
Het hoofddoel van het verblijf te Harderwijk was thans bereikt. Herman
en Frank waren sergeant; zij verlangden thans slechts te vertrekken. De
dienst was daar bij het Koloniaal Werfdepôt in die dagen zeer
onaangenaam. Over dag moest hard met de recruten geexerceerd worden, en
des avonds moesten de gegradueerden zware patrouille-dienst verrichten,
om de wezens, die daar in dat Zuiderzeestadje te zamen gebracht waren,
in toom te houden. Daarbij moesten dan, vooral na het avondappèl,
wanneer aan de patrouilles het wachtwoord gegeven was, dat verscheidene
manschappen ontbraken, de afzichtelijkste holen binnengedrongen worden,
om de rampzaligen uit den jeneverwalm of erger nog, uit de armen der
priesteressen van de walgelijkste ontucht te sleuren. Tooneelen hadden
dan plaats, waarbij de menschheid zich het gelaat sluieren moest; maar
die door de jongelieden niet te vermijden waren. Het gebeurde toch
soms, dat de veile deernen de rampzaligen, die tengevolge van overdaad
van drank daar bewusteloos neerlagen, tegen de vertegenwoordigers der
openbare macht poogden te verdedigen, dat zij zich wapenden met hare
haarkammen en als furiën met losgierende haren op de patrouillemannen
losstormden, welke laatsten dan, hoe ongaarne ook tegenover vrouwen,
uit zelfverdediging genoodzaakt waren, geweld met geweld te keeren.
Bij zoo’n gelegenheid had Frank eens eene hetaïre met de haft zijner
bajonet op het hoofd moeten slaan, zoodat zij bewusteloos voor zijne
voeten neerzonk. Hij had dit feit diep betreurd; maar, had hij zich
niet verdedigd, dan ware voorzeker zijn gelaat door het woedende
vrouwelijke monster ongenadig met haren stalen kam toegetakeld.
De jongelieden bespraken die ergerlijke tooneelen dikwerf, en legden
dan onverholen hunnen afkeer van een langer verblijf te Harderwijk aan
den dag.
„Wat mij ook hier tegen de borst stuit,” sprak Herman bij een dier
gelegenheden, „is het zien aankomen van de luttele detachementen, die
uit Indië terugkeeren. Hoe zien die arme kerels er uit! Mager, geel,
perkamentachtig, met gezichten zoo hoekig alsof een langdurig gebrek
hun deel geweest was, met diepliggende oogen en zeer gebogen gestalten,
meestal verminkt en gebrekkig en hulpbehoevend. Gij ziet ze hier ter
sluiks aankomen in hunne vaalgrijze pij gestoken, alsof ze uit een
tuchthuis ontslagen zijn. Eenige weken ziet ge ze hier rondscharrelen,
dan wordt hun wat geld in de handen gestopt, natuurlijk zoo min
mogelijk—en dan verdwijnen zij. Waarheen?.... Ik vroeg laatst aan zoo’n
ongelukkige, of hij nog familie-betrekkingen had. „Neen,” was het
antwoord. „Waar gaat gij dan heen?” Bitter lachend antwoordde hij: „ik
ga den boer op, het kind wiegen.” Is dat geen aanklacht jegens de
Nederlandsche natie dat de verdedigers van Indië, van het kostbaarste
kleinood hetwelk zij bezitten, zoo’n heenkomen moeten zoeken?.. God,
God, zouden wij ook eenmaal zoo moeten terugkomen?... Het is soms om
aan de toekomst te twijfelen.”
„Dat moogt ge niet,” bemoedigde dan Frank. „Wij moeten trachten in
andere spheren te geraken. Bij ijver en goeden wil staat ons de weg
daartoe open.”
„Is het u ook niet opgevallen,” ging Herman in dezelfde misantropische
bui voort, „dat die arme bliksems zoo met stille trom hier aankomen,
terwijl de detachementen, die naar Indië vertrekken, met volle muziek
uitgeleide gedaan worden. Het is alsof men de dankbaarheid zoo ver
drijft, dat men zich over hunne bewezen diensten schaamt.”
Frank zette een half spottend gezicht.
„Het is niet goed,” sprak hij, „daarover veel na te denken. Zooals ik
reeds zeide, wij moeten trachten niet aldus terug te komen in het
vaderland. Voor ons moet het in de loopbaan, die wij gekozen hebben,
steeds zijn: „Excelsior! hooger! immer hooger!””
Herman zuchtte. Het was werkelijk, of hij soms weifelde, nu het vertrek
naderbij kwam. Daar moest een einde aan komen; daarom opperde Frank op
een morgen: „Wij zullen nu maar aan de reis denken en den kolonel
verzoeken met een der eerstvertrekkende detachementen te mogen
medegaan.”
„Ja, maar ik wilde alvorens mijne ouders nog eens weerzien,” sprak
Herman, „om afscheid van hen te nemen.”
„Dan moet ge verlof vragen.”
„Juist dat wilde ik doen.”
„Hoeveel tijd wenschtet gij te hebben,” vroeg Frank.
„Niet te lang, het zal een treurige tijd zijn,” antwoordde Herman. „Mij
dunkt dat veertien dagen voldoende zullen zijn.”
„Dat’s afgesproken. Ik stel dan mijn verzoek om af te reizen tot uwe
terugkomst uit.”
Herman had gelijk; het zou een zeer treurige tijd zijn. Het afscheid
van den zoon van zijne ouders was onvermijdelijk, maar zou bitter voor
alle partijen zijn. De ouders gingen hun kind verliezen, de zoon zou
weldra zijne ouders derven.
Toen de moeder haar kind in de afzichtelijke grauwe pij gewikkeld zag,
die den al te weidschen naam van kapotjas droeg, barstte zij in snikken
uit:
„Als een galeiboef!” kreet zij en wrong zich de handen.
„De pij maakt den monnik niet,” antwoordde haar Herman. „Onder dezen
kapotjas klopt mij het hart vrijer, warmer, dan het zich onder de
soutane zou hebben mogen bewegen.”
„O! welk ontwaken!” jammerde de moeder. „Welk ontwaken uit mijne
schoonste droomen! En dan, mijn oudste kind zoo ver weg!”