antwoordde hij, al zijn moed tezamen rapende.
„Om ... mijne ... hand ... te vragen?” vroeg het jonge meisje als ten
uiterste verwonderd en hare woorden afmetende.
„Verbaast u dat zoo?” vroeg hij smartelijk verwonderd.
„Zeker, verbaast mij dat. Ik was op zoo’n declaratie niet voorbereid.”
„Dus slechts het onverwachte deed u ontstellen. Wees gerust, ik zal u
allen tijd laten, mijne Lydia, ik kan wachten.”
„Mijnheer Riethoven, ik moet u ernstig verzoeken die uitdrukkingen van
„mijne Lydia” en van „dierbare Lydia” achterwege te laten. Ik vind ze
op zijn zachtst uitgedrukt ongepast. Ik ben uwe Lydia niet, en zal dat
ook nooit worden.”
Dat was op den man af.
„Maar lieve Lyd...”
„Alweer?”
„Maar lieve juffrouw Fraenkel. Ik meende te hopen.”
„Dan meendet en hooptet gij verkeerd! Nimmer is mij een woord of een
gebaar ontsnapt, dat u eenige hoop heeft kunnen geven.”
„Dat moet ik erkennen,” antwoordde hij bedeesd. „Maar gij weet toch,
hoe lief ik u heb. Gij waart toch bij dat gesprek te Rolduc met mijne
moeder tegenwoordig. Herinnert gij u?”
„Zou ik mij dat niet herinneren? Ja zeker herinner ik mij dat gesprek
nog, waarbij gij mij in tegenwoordigheid van nog twee andere dames, in
tegenwoordigheid van directeur Peeters, in tegenwoordigheid van drie
uwer medeleerlingen compromitteerdet.”
„Vergeef mij Lydia....”
„Alweer?...” zei het meisje met bestraffenden blik, dien zij zoo streng
mogelijk trachtte te maken.
„O! vergeef mij!... Ik heb u zoo lief!” smeekte hij met tranen in zijne
stem.
„Kan ik daar iets aan doen? Is dat mijn schuld?”
„Ik heb alles voor u opgeofferd!” klonk het als een verwijt, maar toch
zoo zacht mogelijk.
„Daaraan hebt ge ongelijk gehad. Keer naar Rolduc weder... De
priesterstand... is zoo’n schoone stand...” sprak zij met aarzeling in
hare stem.
Een tipje van het gevoel kwam boven bij het jonge meisje. Maar, daar
rees het beeld van haren biechtvader haar voor den geest.
„Lydia, wijs mij niet af... Gij beseft niet, wat gij doet...” smeekte
hij.
Zij stapte stilzwijgend naast hem voort. Die stilte woog hem loodzwaar.
„Lydia, ik bezweer u, wijs mij zoo niet af. Ik bemin u
onuitsprekelijk!”
„Ik u niet!”
„Wellicht een ander?” stoof de jongeling in drift op. „Wellicht een
ander?”
„Mijnheer Riethoven,” zei Lydia, terwijl zij zijn arm losliet, „nu
wordt gij onbescheiden...”
„O! ik heb u zoo lief. Laat mij dan toch de hoop. Laat mij dan toch
beproeven uwe liefde te verwerven....”
„Dat is geheel overbodig, mijnheer Riethoven. Ik bemin u niet, en zal u
nimmer beminnen.”
„Dan bemint ge een ander!” zei hij met woestheid.
Lydia antwoordde niet. Zij deinsde er voor terug, zoo wreed te zijn.
Haar hart waarschuwde haar, het spel niet te ver te drijven.
„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met klimmenden hartstocht.
Zij gevoelde medelijden met den armen jongen. Zij was op het punt om
hem een sprankje hoop te laten. Zij sloot de oogen en dacht in zich
zelve: wie weet, wellicht komt er uitkomst. Maar daar doemde die
gedaante weer op. Alle verteedering was weer gevlogen.
„Dan bemint gij een ander!” herhaalde Herman met alle woestheid,
terwijl hij haar bij den arm greep.
„Welnu... ja!...”
„Wien?... Zeg mij zijn naam!...”
„O! dat gaat te ver!...” riep het jonge meisje. „Laat mij los,
mijnheer!”
En zich los rukkende vervolgde zij:
„Wij zijn hier bij de Maasbrug. Gij zult mij thans wel alleen laten
gaan. Gij weet nu, wat gij weten moet. God geve u sterkte! Vaarwel!”
En vlug als eene hinde spoedde zij voort.
„God geve u sterkte!...” herhaalde hij. „God!... God!...”
Er lag iets sarkastisch in zijne stem, toen hij die woorden sprak. Hij
oogde de aangebeden gestalte na zoo ver hij kon. Hij zag haar de
Brugstraat ten einde toe aftrippelen, daarna den Kleinen Straat
inslaan; toen was zij voor zijn oog verdwenen.
„Weg, weg. Ieder droombeeld is weg!” mompelde hij, en keerde op zijne
schreden terug.
Toch gaf hij het nog niet op. In weerwil van hare verzekering, dat zij
een ander beminde, wilde hij nog eene poging wagen. Tot dat einde begaf
hij zich later op den dag naar Lydia’s woning, en verzocht hare ouders
te spreken. Hij werd slechts bij haren vader toegelaten. Deze, een
eenvoudig, bedaard, maar oprecht man, hoorde den jongeling met alle
geduld aan. Hij liet hem zijne plannen voor de toekomst ontwikkelen, en
had menigen goedkeurenden glimlach ten beste bij het aanhooren van die
inderdaad welsprekende en met alle vuur uitgesproken pleitrede. Maar
toen de jongman zijne medewerking verzocht, om Lydia’s genegenheid te
verwerven, veranderde hij van houding.
„Mijn beste jongen,” antwoordde hij zoetsappig. „Daar kan ik niets
aandoen. Vooreerst zou ik nimmer een mijner kinderen in huwelijkszaken
willen dwingen. Dan..!”
Hier aarzelde hij een oogenblik.
„Dan, al wilde ik mijne medewerking verleenen, dan zoudt gij nog niet
terecht met mijne vrouw, Lydia’s moeder, komen...”
„Wat heeft die tegen mij?”
„Niets; zij houdt integendeel veel van u, als van den oudsten zoon
harer beste vriendin. Maar zij deelt den wensch dier vriendin: zij zou
u zoo gaarne geestelijk zien worden.”
„Dat word ik nimmer!”
„Dat is jammer! Stel u evenwel het verwerven van Lydia’s hand uit het
hoofd.”
„Maar, als ik uwe vrouw voor mij win?...”
De heer Fraenkel lachte fijntjes. Herman lette daar niet op.
„Maar als ik uwe vrouw voor mij win?” ging hij voort, „kan ik dan op
uwe medewerking rekenen?”
„Volstrekt niet!”
„Volstrekt niet. Dus de tegenkanting komt van uwe zijde?”
„Maar bedenk dan toch mijn jonge vriend, dat ik kerkmeester ben. Ik ben
broedermeester van het H. Hart, ik ben lid van de O. L. Vrouwenkamer,
ik ben...”
„Wat heeft dat alles met mijne liefde voor uwe dochter te maken? Word
ik Lydia’s echtgenoot, zult gij dan minder broedermeester, minder
kerkmeester zijn?”
„Als gij de echtgenoot mijner Lydia wordt, dan kom ik in openbaren
oorlog met al de kapelaans, met al de pastoors van Maastricht, ja, van
geheel Limburg!”
„Hoe dat?”
Hier aarzelde de heer Fraenkel een oogenblik. Hij was evenwel te ver
gegaan. Daarbij, hij wilde een einde aan dat gesprek maken, dat hem
zwaar begon te wegen.
„Ik wilde u maar in het kort mededeelen: de eerwaarde heer Peeters is
hier geweest...”
„De eerwaarde heer Peeters!” riep Herman uit, terwijl hij wanhopig de
handen aan het voorhoofd bracht.
„Ja, en hij heeft Lydia, hare moeder en mij uitgelegd, hoe misdadig wij
zouden handelen, wanneer wij iemand in de familie opnamen, die bestemd
was om de bruidegom des Heeren te zijn. Dat zult gij ook wel
begrijpen?... Mijn jonge vriend, ik heb diep deernis met uwe
teleurstelling. Maar... het hemd is nader dan de rok; ik heb voor mijn
eeuwig heil en voor dat der mijne te zorgen. Dring derhalve niet verder
aan! Het is geheel overbodig!”
Ja, het was overbodig, dat voelde Herman zelf. Hij wist met welke
kracht hij te doen had. Bij het heengaan mompelde hij in overspanning:
„Ook daar heeft die man mijne toekomst vernietigd! Gevloekt zij die
priester, die zich een gezalfde des Heeren noemt!”
IV.
BIJ HET KOLONIAAL WERFDEPÔT.
Eenige dagen later noodigde Herman zijne ouders tot een mondgesprek
uit. Hij wilde nog eene poging wagen om hen over te halen, hem te
veroorloven zijne studiën aan eene Hoogeschool te vervolgen, alvorens
een wanhopig besluit te nemen. Helaas! die poging was ijdel, zij
stuitte af op de dweepzucht zijner overigens zoo liefderijke moeder.
Ernstig en vastberaden gaf zij te kennen, dat zij daarin nooit zou
bewilligen. En haar echtgenoot, die, wel is waar, met onverholen
genoegen gezien had, dat Herman zijne plannen, om priester te worden,
vaarwel gezegd had, waagde het thans niet met zijne echtgenoote in het
strijdperk te treden, en de almacht èn van den biechtvader èn van den
directeur Peeters te betwisten. Wel was hij geen broedermeester, ook
geen lid der O. L. Vrouwenkamer; maar hij was een minnaar van
huiselijken vrede, en hij wist bij ervaring dat, wanneer hij in botsing
met de geestelijke heeren zou komen, die vrede ernstig bedreigd zou
zijn, ja te gronde zou gaan.
Hermans pogen leed dus schipbreuk, aan den eenen kant op de
onverzettelijke vasthoudendheid zijner moeder, aan den anderen kant op
de geestesslapheid zijns vaders.
„Gij weigert dus bepaaldelijk?” vroeg hij met eenige aarzeling in zijne
stem.
„Bepaaldelijk en voor altijd!” antwoordde zijne moeder.
„Dan kom ik met een tweede voorstel voor den dag,” sprak Herman hoogst
ernstig. „Ik had uwe weigering voorzien en heb diep nagedacht!”
„Laat hooren,” antwoordde de vader. „En geve de Hemel, dat wij het
inwilligen kunnen, dan komt aan dat gezeur een einde.”
„Ziet hier. Belet gij mij eene wetenschappelijke loopbaan te betreden,
dan wenschte ik in den militairen stand fortuin te beproeven.”
Een oogenblik zaten de beide ouders stilzwijgend daar neer. Zij dachten
diep na.
„Daar heb ik niets op tegen,” sprak eindelijk zijne moeder. „De
militaire stand is eene zeer eervolle.”
Herman glimlachte bitter bij die bemerking. Was de rechtsgeleerde eene
niet even eervolle?
„Gij zijt evenwel te oud om naar Breda te gaan,” merkte de vader op.
„Ik wenschte ook niet naar Breda te gaan,” antwoordde de jongeling.
„Dan naar Kampen? Maar, zijt gij daartoe ook niet reeds te oud?”
„Ook dat niet,” klonk het bedaarde antwoord.
„Maar wat dan? Dienst nemen bij een der regimenten? Dat zal u
tegenvallen.”
„Neen, mompeer, ik wensch naar Harderwijk te gaan en.... kan het, met
de eerste gelegenheid naar Nederlandsch-Indië!”
„Naar den Oost!”.... kreet mevrouw Riethoven.
„Naar den Oost, gij zegt het, mameer!” sprak de jongeling met klem.
„Maar, dat is een wanhoopsbesluit!”
„Wel mogelijk,” antwoordde Herman dood bedaard. „Daar in het verre
oosten heeft de militaire wereld recht van bestaan. Daar bij den strijd
der beschaving tegen de barbaarschheid is het krijgsmanskleed een soort
priestertoga. Daar ginds is nut te stichten, en wellicht....
vergetelheid te vinden!”
„Een mijner kinderen naar den Oost!” jammerde de moeder.
„Laten wij geen overijlde besluiten nemen,” sprak de vader. „Gij zijt
nog niet meerderjarig, bijgevolg hebt gij onze toestemming noodig om
dat plan te kunnen volvoeren. Ik eisch van u, dat gij het drie volle
maanden in bedenking neemt.”
„Mompeer!....” meende Herman in het midden te moeten brengen. „Drie
maanden is...”
„Van dien eisch gaat niets af,” antwoordde de heer Riethoven met
nadruk. „Blijft gij na ommekomst van dien tijd uw voornemen getrouw,
dan zal ik mij daartegen niet aankanten. Evenwel dan heb ik nog een
eisch te stellen, of beter eene belofte te vorderen.”
„En die is?”
„Dat gij te Harderwijk blijven zult, totdat gij den onderofficiersgraad
zult behaald hebben.”
„Maar!...”
„Zonder die belofte geene toestemming, mijn zoon!” was het bedaarde
antwoord.
Herman boog het hoofd onder die beslissing. Hij moest wel toegeven.
Zijn vader verschafte hem de geldelijke middelen om gedurende die drie
maanden een reisje te maken. Hij zou Aken, Keulen, Luik en Brussel
bezoeken. Van de verstrooiing, daardoor teweeg gebracht, verwachtte de
heer Riethoven veel.
De arme moeder stormde naar de kerk om daar haar gemoed in den
biechtstoel uit te storten.
„Helaas! eerwaarde heer,” kreet zij, „hij wil naar den Oost!”
„Wel, wat zou dat?” klonk het antwoord zoo onverschillig mogelijk, nu
die plannen een vorm aannamen, welke die der geestelijke heeren niet
dwarsboomde. En met zalving: „De wil des Heeren moet geëerbiedigd
worden! mijne zuster.”
„Naar den Oost! Maar, eerwaarde heer, die vader en moeder vermoord
heeft, is daartoe nog te goed. Kan dat de wil des Heeren zijn?”
„Beter naar den warmen Oost, dan naar de nog warmer hel!” was het vrome
antwoord.
Daarmeê mocht de gefolterde moeder aftrekken. Snikkend verliet zij het
bedehuis.
Bij het einde van die drie maanden respijt keerde Herman te Maastricht
terug. In zijne plannen was geene verandering gekomen. Hij herhaalde
dus zijn aanzoek. Dat gaf natuurlijk aanleiding tot een deerniswaardig
tooneel van de zijde zijner moeder. Maar de jongeling bleef zijn
voornemen getrouw. Er was niets aan te doen.
De noodige papieren werden bijeengebracht, en acht dagen na zijn
terugkeer zat Herman in de diligence, die hem over Roermond, Venlo,
Nijmegen, Arnhem, Utrecht, Amersfoort naar de plaats zijner bestemming
bracht.
„Stilte daar! Stilte! Zijt jullie dol!” klonk de stem van een sergeant
van het vaste kader te Harderwijk tot een troep mannen, die hem in de
kruisgangen van het kleedingmagazijn van het koloniaal werfdepôt
omringden. „Stilte daar voor den drommel!”
Het was een uitgezocht zoodje, dat daar verzameld was, ten einde de zoo
fraaie en zoo smaakvolle uniform van het Nederlandsch Indisch leger aan
te trekken. Het liep toen ten tijde naar het einde van den Krim-oorlog.
Groot Britannië dankte hare vreemden-legioenen af, en was blij dat
gespuis goedschiks kwijt te raken. Nederland daarentegen beijverde zich
vlijtig die lievertjes voor zijne zoo schoone koloniën aan te werven.
Het zond zijne zielenverkoopers uit, en die, zich wapenende met valsche
papieren, brachten voor en na een welkomen buit te huis van de meest
uiteenloopende bestanddeelen. Het troepje, hetwelk daar gereed stond om
gekleed te worden, was een proefje van de zoo rijke staalkaart der
Europeesche nationaliteiten. Hier kruiste zich het: damned rascal van
een Engelschman met het verfluchter Schweinhund van een Duitscher:
elders het: sacré nom d’un chien van een Franschman met het: zaide ge
zot! begot! zulle! van een Vlaming enz. enz.; terwijl Israëls volk daar
door een paar specimina vertegenwoordigd was, die niet het minste
lawaai maakten bij het schatten, het loven en bieden ten opzichte van
de vrij kale plunje, die de aanstaande verdedigers onzer koloniën om
het lijf hadden. Want, als straks dat troepje, in hun helden-pakje
gestoken, naar de kazerne zoude marcheeren, mocht niemand hunner iets
van hunne burgerkleeding daarheen meênemen; zij moesten alles van de
hand gedaan hebben, ten einde zoo veel mogelijk desertie te voorkomen.
Herman Riethoven bevond zich onder dat troepje. Schuw te midden van die
woeste bende, had hij zich eenigszins in een hoek teruggetrokken, en
stond dat tooneel gade te slaan. Hij was sedert een paar dagen te
Harderwijk aangekomen, en had zijn intrek in het logement van den heer
Courtois genomen, dat vlak tegenover de kazerne gelegen was. Dadelijk
na aankomst had hij zich aangemeld, en zijn voornemen kenbaar gemaakt
om in militairen dienst voor de Oost-Indische bezittingen te treden.
Daags daarna was hij door een der officieren van Gezondheid van het
garnizoen geneeskundig onderzocht, en goedgekeurd geworden. Thans
bevond hij zich in het kleedingmagazijn om zijne metamorphose van
burger in krijgsman te voltooien.
„Zeg, jij polletiek!” riep hem een korporaal toe, „als je straks in de
kazerne komt, dan moet je maar dadelijk dien mooien krullebol laten
knippen.”
„Hebt u het tegen mij, korporaal?” vroeg Herman.
„Ja, tegen wien anders? Ben je nou al suf gediend?....” was het barre
antwoord. „Denk er om, dat je straks dien raagbol laat knippen. Ik wil
voor jou de kas niet indansen. Ik heb de kompies barbier reeds
gewaarschuwd. Twee duim van voren, een duim van achteren. Je zult er
kranig uitzien!”
Herman liet zijne hand met een zucht door zijne donkerbruine krullen
gaan. Sedert hij Rolduc verliet, had hij zijn haardos laten groeien, en
stond hem die niet kwaad.
„Twee duim van voren en een duim van achteren,” herhaalde hij in zich
zelven. „Drommels! ik zal weer zoo’n kopje krijgen als in het
seminarie. Waarachtig, les extrêmes se touchent.”
„Je treft het niet,” zei de korporaal met een spotachtigen glimlach op
de lippen.
„Wat tref ik niet, korporaal?” vroeg de politiek onderdanig.
„Waarom heb je niet gevraagd om bij de baronnen-kompie geplaatst te
worden?”
„De baronnen-kompagnie, wat is dat?” vroeg Herman met bevreemding.
„Kom, hou me niet voor den gek! Weet je niet wat de baronnen-kompie is?
Dat is de vierde kompie. Daarbij worden zij geplaatst, die zonder
handgeld teekenen. Daarbij zijn echter waarlijke baronnen en echte
graven.”
„Zoo. Neen, ik ben bij de derde kompagnie ingedeeld.”
„Heb je al kennis met je sergeant-majoor gemaakt? Niet? nou dat moet je
doen. Dat is de moeder van de kompie. Een flinke vent, die majoor. Heb
je je kleeren al verkocht?”
„Neen, nog niet.”
„Wat moet je er voor hebben?”
Een paar joden waren nabij getreden.
„Nah! ik gheef ongezien vhijf en twintig guldes,” zei de een, terwijl
hij de panden van Hermans jaquette betastte.
„Wil je maken! dat je weg komt, leeleke smous!” zei de korporaal.
„Nah! ik mhag me handel wel dhrijven, khorpraalh! ik heb permissie van
den kornel!”
„Maar niet om me onder me duiven te schieten, weergasche jood!”
De andere zoon Israëls was Herman ongemerkt van achteren genaderd, en
bekeek daar zijne kleeding nauwkeurig.
„Ongezien gheef ik acht en twintig guldes, nah! wat zeg je?” zei hij
tot den jongen man.
„Je bederft den mharkt, Nathan,” schold de eerste. „Ikke gheef dhertig,
Nah!”
„Bliksemsche smousen!” brulde de korporaal.
„Wat is daar te doen?” riep plotseling eene stem.
Het was de onder-adjudant van het koloniaal werfdepôt. Hij naderde, en
toen hij Herman in het oog kreeg:
„Laat je door die joden niet bedonderen, Riethoven,” sprak hij. „Je
weet wat ik je gezegd heb?”
Bij zijne aankomst te Harderwijk had Herman zich bij dien
onder-adjudant vervoegd. Die had hem toen naar het bureau van den
kolonel begeleid, waar hij aan den luitenant-adjudant zijn voornemen om
dienst voor de koloniën te nemen bekend had gemaakt, en zijne papieren
had afgegeven. Bij die gelegenheid had de onder-adjudant een
kennersblik op Hermans kleeding geworpen, en hem gezegd, dat hij een
koopman wist, die steeds den hoogsten prijs gaf.
„Wij zullen straks er heengaan!” voegde hij er thans nog bij.
„Komaan, sergeant! korporaal! laat de manschappen aantreden,” beval
hij. „De officier van kleeding is er.”
Op dat bevel trachtten èn de sergeant èn de korporaal zooveel mogelijk
stilte te verkrijgen en orde te doen heerschen onder den luidruchtigen
troep. Dat lukte aanvankelijk niet. Het was een geschreeuw en een
getier in alle mogelijke idiomen, waar geen einde aan scheen te zullen
komen. Eindelijk kwam de onder-adjudant den onderofficieren met zijn
gezag te hulp.
„Dondersche kerels!” bulderde hij met een alles overheerschende stem,
„wil jullie wel den snater houden en aantreden, of ik breng jullie in
de politiekamer!”
Slechts eene halve stilte trad in. Engeland’s legionnisten waren aan
geen krijgstucht gewoon. De korporaal beijverde zich die menschen in
rij en gelid te scharen. Hij moest er zijn handen bij gebruiken, hen
bij de schouders grijpen, en hen brengen waar hij ze hebben wilde.
Eindelijk lukte het, hen in een of twee rijen opgesteld te krijgen. Zij
werden daarna in een nabijgelegen gang geleid, waar de
administratie-officier zich met een aantal helpers bevond. De
monteeringstukken werden nu uitgedeeld, en weldra was het geheele
troepje bezig met zich te verkleeden, met te passen, te meten en te
ruilen, waarbij al weer niet weinig luidruchtigheid aan den dag gelegd
werd, en waarbij menige vieze onderplunje voor den dag kwam.
Herman was ook weldra druk bezig met zich te verkleeden. Nu eens was
hem een pantalon toegeworpen, die voor een reus gemaakt scheen, en
waarin hij, die toch waarachtig niet tot de tengeren behoorde, in zwom,
toen hij ze aangetrokken had. Een oogenblik later moest hij hulp hebben
om uit eene andere pantalon te geraken, zoo smal was zij, waarin hij op
hoog bevel van den officier gekropen was. Zoo ging het met zijn
mouwvest, met zijn kwartiermuts, in één woord met alles. Het eerste
paar schoenen, dat hem aangereikt werd, was in omvang aan eene
kanonneerboot gelijk. In het daarop volgende zaten zijne voeten zoo
gekneld, dat hij niet staan kon. Maar eindelijk toch was hij klaar.
Toen hij over die nieuwe plunje den afschuwelijk leelijken grauwen
kapotjas aangetrokken had, die de verdedigers van Neêrlands koloniën op
tuchthuisboeven doet gelijken, mompelde hij met een glimlach, maar toch
met een zucht:
„Ik wou me nu wel eens in den spiegel kijken, ik moet er mooi uitzien!”
„Dat doe je ook,” klonk eene stem, het uitgierende van het lachen,
achter hem.
Herman keerde zich om, en slaakte een kreet van verrassing. Daar was
wel reden toe.
„Jij hier Frank?” riep hij uit.
„Ja, ik hier!” antwoordde onze bekende van den Sint Pietersberg.
„Jij, jij Frank Brinkman!!! Je komt als uit de lucht gevallen!”
„Ja! ik Frank Brinkman! Uit den hemel kom ik niet direct,” antwoordde
hij lachende. „Maar laat mij je eens bekijken..... Het is om het uit te
schreeuwen! Die mooie politiemuts, in den vorm van eene afgeknotte
kachelpijp op dien krullenkop, die klep vierkant en breed als een
luifel boven je oogen, die stijve nek gewrongen in dien komieken
stropdas, die mooie kapotjas, die je zoo gracieus om de lendenen
fladdert, die pantalon sierlijk een handbreed over je voet omgeslagen,
en dan die geelleeren schoenen, in vorm en in omvang zoo weinig
verschillende van een tjalk, kijk, dat vormt een geheel, waaruit je zoo
echt lummelachtig te voorschijn treedt... O! dat Lydia je zoo eens kon
zien! Kerel, je moet je laten photografeeren!”
Ja, het was Frank Brinkman, de jongeling dien de lezers op Slavante
ontmoetten, die Herman thans zoo luidruchtig en vroolijk te gemoet
trad. Zijne geschiedenis was gauw verteld. Zijn vader, een zeer gezien
man in de nijverheidswereld te Leiden, was plotseling overleden. Steeds
had die man een zeer ruim bestaan in zijne zaken gevonden, maar had
geen vermogen vergaard. Toen de inventaris na dat overlijden opgemaakt
was, bleef voor de kinderen, die reeds vroeger moederloos waren
geworden, niet veel over.
Frank, die steeds van een avontuurlijken geest bezield was geweest,
maakte niet veel misbaar. Hij deelde zijn voogd mede, dat hij naar
Harderwijk wenschte te gaan, om in Nederlandsch-Indië de militaire
loopbaan te betreden. Die had gemakshalve niets tegen dat plan van zijn
pupil, die hem tot last dreigde te worden. Frank was nu reeds twee
maanden bij het Koloniaal werfdepôt, en deed dienst als militair
schrijver op het bureau van den kolonel kommandant.
„Ik reken aanstaande maand tot korporaal bevorderd te worden,” zei hij.
„Drie maanden later hoop ik fourier of sergeant te zijn, en dan snij ik
de laan uit. Het is hier een liederlijk gemeen nest.”
„Kom, voortmaken!” maande de onder-adjudant aan. „Sergeant, laat de
manschappen zich haasten met passen en daarna aantreden!....”
„Wil ik je een goeden raad geven?” zei Frank gehaast. „Geef dan je
burgerkleeren aan den onder-adjudant.”
„Hij heeft er al genoeg naar gehunkerd,” antwoordde Herman. „Maar...
men heeft er mij reeds vijfendertig gulden voor geboden.”
„Dat’s veel; maar getroost je dat verlies; dat zijn vijf en dertig
gulden, die geen windeieren leggen zullen. Hebt ge nog niet een pak in
uw koffer?.. Geef dat dan aan den dubbelen.”
„Aan den dubbelen!... Wie is dat?”
„Dat is de sergeant-majoor der kompagnie. Geloof me, doe dat. Je zult
het je niet beklagen.”