liep hij met somber gelaat de kruisgangen door, sprak tegen niemand, en
sloeg acht op niemand. Zijne kameraden keken hem schuw aan, zoo
eenigszins als zij een pestlijder zouden aangezien hebben. Het gebeurde
was eenigermate uitgelekt. Hij doorliep een paar malen die sombere
kruisgangen; toen vloog hij naar boven naar den dortoir, zocht zijn
„chambrette” op, ontkleedde zich, en lag zich te bed om in den slaap
vergetelheid te zoeken.
Dat was een inbreuk op de reglementen. De „chef de dortoir” gaf den
directeur kennis van het gebeurde. Deze beval Herman met rust te laten.
Toen evenwel iets later het avondgebed geëindigd was en het „In manus
tuas Domine, commendo spiritum meum” [13] weerklonken had, en de
leerlingen reeds wilden opstaan om zich naar de slaapzalen te begeven,
sprak de directeur, die in het gebed voorgegaan was, met eene stem,
welke van innige ontroering trilde:
„Mes frères, prions Dieu; il y a parmi nous une âme en perdition!”
Een oogenblik zaten allen in het gebed verzonken. Daarna weerklonk
statig en somber als eene zelfaanklacht, als een uiterste noodkreet het
vierstemmig koraal:
„De profundis clamavi ad te Domine, Domine, exaudi vocem meam!” [14]
Wat ging er in Herman’s ziel in die oogenblikken om? Hij had zich op
zijn bed gesmeten, en getracht den slaap te vatten. Dat mislukte
volkomen. In zoo’n gemoedsstemming slaapt men niet. Hij wierp zich nu
eens op deze, dan weer op gene zijde. Te vergeefs. Daar weerklonken de
eerste tonen van het „In manus”, door drie honderd stemmen aangeheven,
krachtig door die gewelven, en vervulden het geheele monumentale
gebouw. Herman luisterde toe, kruiste zich de armen over de borst, en
prevelde:
„Ja Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest!”
Toen dat sluitlied afgeloopen was, dacht hij weldra de voetstappen te
zullen hooren van zijn medeleerlingen, die nu ook hunne slaapsteden
zouden opzoeken. Maar neen, alles bleef stil. Hij luisterde, luisterde.
Hij wist niets van dat stilzwijgen te maken. Plotseling barstte het „de
profundis”, die weeklagende psalm, door al die monden aangeheven, los.
„O! dat geldt mij!” gilde hij, en vloog zijn bed uit.
Hij knielde neer voor het kruisbeeld, dat zijne „chambrette” versierde,
boog het hoofd voorover, en verborg zijn gelaat met zijne handen:
„Ja, Heer!” mompelde hij. „Ja, uit de diepte roep ik tot u, o Heer!
Heer, verhoor mijne stem!”
„Si iniquitates observaberis, quis sustinebit?” ruischte het van onder
die gewelven naar boven.
„Als Gij onze ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er genade in Uwe
oogen vinden?” mompelde Herman.
Zoo volgde hij dien geheelen psalm, vers voor vers. Maar wonderlijk!
Hij was in den grootsten angst opgevlogen; maar naarmate dat koraal
vorderde, keerde de vrede in zijn gemoed weder. Een glimlach verscheen
zelfs op zijn gelaat, en toen het „amen” weerklonken had, stond hij op.
„Ik dank u Heer! voor den vrede, die mij weergegeven is. Het was maar
eene beproeving! Ik zal niet meer weifelen. Ik zal haar standvastig
aankleven. O! Lydia!” zoo ging hij hartstochtelijk voort; „Lydia, ik
heb u zoo lief, zoo onuitsprekelijk lief!”
Toen zijne medeleerlingen zich over de dortoirs verspreidden, lag hij
weer rustig in zijn bed. Iets later ging de gordijn even open, die zijn
kamertje voor het ingluren beschermde, en verscheen het hoofd van den
directeur. Toen hij Herman met een glans van vergenoegen op het gelaat
in slaap gedompeld zag, vertrokken zijne lippen zich tot een glimlach
en prevelde hij:
„Nu reeds in slaap! De strijd is niet zwaar geweest! Met Gods hulp
heeft het de profundis verwonnen.”
Ja, het de profundis had overwonnen, evenwel niet zooals de directeur
dat verondersteld had. De ijverige geestelijke zou dat spoedig genoeg
ontwaren.
Na dien dag, zoo gewichtig voor zijne toekomst, was het verdere
verblijf te Rolduc voor Herman ondragelijk, en werd de last daarvan nog
vermeerderd door de pogingen, die aangewend werden om hem op zijn eens
genomen besluit terug te doen komen. Nu eens wees de directeur hem op
hetgeen hij noemde „l’excellence du sacerdoce,” dan weer was het zijn
biechtvader, die zich omtrent zijn zielenheil ongerust maakte. In de
wereld was het door hare bekoringen zoo moeielijk tot de zaligheid te
geraken, femelde deze laatste. Slechts de priester was zeker er van, in
staat van genade te sterven.
Dat alles gaf niets. Aan den een antwoordde onze jongeling, dat iedere
maatschappelijke staat een sacerdoce was, een priesterschap, mits de
verplichtingen daarvan met nauwgezetheid vervuld werden. Hij voegde er
nog bij, dat in zijn oog geen schooner en waardiger sacerdoce bestond
dan het vaderschap. Verbitterd over zoo’n antwoord, liet de directeur
hem in den steek. Aan zijn biechtvader luidde zijn antwoord, dat hij
juist zijn zielenheil in het oog hield. Want zich aan den dienst des
Heeren te wijden, zonder er roeping toe te gevoelen, was zich
onvermijdelijk aan het eeuwig verderf blootstellen.
Nu begon een tijd voor hem, dien hij later met volle recht zijn
martelaarschap noemde. Voor hem werd de algemeene regel verscherpt, dat
nimmer de jongelieden van het seminarie zich twee aan twee met elkander
mochten onderhouden, nimmer twee aan twee wandelen. Steeds moest een
derde tegenwoordig zijn. Dat was den eenen verklikker van den anderen
maken. Dat was het spionnenstelsel in zijne volmaaktheid. Men zag zeer
ongaarne, dat twee leerlingen vriendschap met elkander sloten. Dat werd
zooveel mogelijk belet, en twee jongelingen, die wat te dikwijls
volgens de meening der geestelijke heeren met elkander praatten of
wandelden, haalden zich zeer zeker eene strenge berisping op den hals.
Eene herhaling van zoo’n handeling zou als eene misdaad beschouwd zijn.
Herman werd nu door een stelsel van delatie omgeven, dat hem hoogelijk
verbitterde. Al zijne woorden werden overgebracht, niet altijd
nauwkeurig; zij werden gekommenteerd, gewogen, gedraaid, en de
wonderlijkste gevolgtrekkingen werden er uitgehaald. Dan werd hij bij
den directeur geroepen, en hoorde hij zich vermaningen toevoegen, die
verdiend zouden geweest zijn, wanneer het door hem gesprokene niet
verdraaid en niet overdreven ware geweest. Hij stond dan daar als een
misdadiger, en mocht en wilde zich niet verdedigen.
Waar was die Christelijke liefde, die hij zoo honderde, zoo duizende
malen had hooren aanprijzen? Waren dat die mannen, die steeds preekten:
doe aan anderen niet, wat gij zelf niet zoudt willen gedaan zijn? Er
begon in zijn geest wortel te schieten, dat het alles huichelarij was,
dat al die verheven deugden slechts dienden, wanneer zij in de kraam te
pas kwamen; dat zij overigens als onnutten ballast over boord werden
geworpen. Wat de maat volmat, dat was, toen Provisor Raetsen Herman op
een keer, dat hij eene toevlucht aan den voet van het altaar der H.
Maagd gezocht, en daar vurig gebeden had, toevoegde: „het gebed zonder
daden is een ijdel gebed, evenals een geloof zonder daden een dood
geloof is”; eigenlijk niets anders dan huichelarij. „En mocht uw gebed
ooit ten doel hebben, Gods hulp of de tusschenkomst der H. Maagd ter
bereiking uwer wereldsche plannen of ter bevrediging uwer vleeschelijke
aanvechtingen in te roepen, dan kunt gij er op rekenen, dan zijt gij
een gruwel in hunne oogen.”
Dus, zelfs zijne godsvrucht werd verdacht, zijne gebeden zelfs werden
bezoedeld!
Hij trok zich nu geheel terug, verscheen niet meer in de kerk dan
daartoe gedwongen, en slechts wanneer de andere leerlingen
gemeenschappelijk daar heengingen. Gefolterd door de vermaningen zijns
biechtvaders, maar meer nog door diens onbescheiden vragen, die het
onkiesche nabij kwamen, ging hij zoo zelden mogelijk ter biecht, en
verscheen dus niet minder zeldzaam aan de Avondmaalsbank. Dat verwekte
ergernis, zoowel bij zijne medeleerlingen als bij zijne leeraren, en
hun omgang droeg daarvan de onmiskenbare sporen.
Zoo naderde de vacantie.
Bij de prijsuitdeeling op den laatsten dag ondervond hij nieuwe
teleurstelling. Werd zijn ijver in vroegere jaren voldoende bij zoo’n
gelegenheid beloond, dezen keer zag hij zich van alles verstoken. Het
liet hem vrij koud.
„Vos études ont bien souffert,” merkte hem de directeur dien laatsten
dag met soetsappig gelaat op.
Hij trok de schouders op. Hij was zich niet bewust in zijne studiën te
kort te zijn gekomen, en het lustte hem niet na te gaan, aan welke
andere oorzaken hij die ongenade te wijten had.
Den volgenden dag schudde hij het stof zijner schoenen bij het verlaten
van het gesticht, en maakte zich op weg. Hij vermeed de reis met zijne
Maastrichtsche medeleerlingen, die gewoonlijk per grooten Jan van
Pleizier afgehaald werden, gezamenlijk te doen, ten einde hunne
toespelingen, hunne opmerkingen en hunne vertogen te ontgaan. Hij greep
zijn wandelstok, kuierde tot Heerlen, wat langs een binnenpad van
Kerkrade daarheen zoo ver niet was. Toen hij dat pad ingeslagen was,
ontwaardde hij voor zich uit een groepje seminaristen, van de naburige
dorpen afkomstig, die den weg naar de plaats hunner inwoning
gezamenlijk aflegden. Vroolijk en opgeruimd weerklonken hunne stemmen,
en vernam Herman hun lied:
„Adieu! berceau de mon enfance!
Adieu Rolduc, aimable lieu!
Rolduc! où regne l’innocence!
La paix et le bonheur adieu!
Je pars pour consoler un père!
Adieu riant exil des bois!
Je suis au bout de ma carrière!
Salut! pour la dernière fois!”
„La paix et le bonheur adieu!” herhaalde Herman meesmuilende. „Ik ga
den vrede des harten en het geluk te gemoet!”
Hij volgde het fraaie gezang met de lippen.
„Ja, waarlijk, dat Rolduc was: un riant exil des bois! Maar toch zing
ik met geestdrift: Salut! pour la dernière fois!”
Te Heerlen besteeg hij de diligence van Cremers, en kwam zoo ongeveer
tegen het middaguur in het ouderlijke huis aan.
Daar was hem evenwel ook nog niet veel rust beschoren. Natuurlijk had
hij van wege zijne goede moeder nog menigen aanval te verduren. Had hij
met mannelijke kracht tegenover het doceerend personeel van het
seminarie kunnen staan, hier, tegenover die teedere, die liefdevolle
moeder, moest zijn gedrag veel van zijne scherpte verliezen. Haar, die
onder de gebeurtenissen zoo naamloos veel leed, mocht hij wel het
allerminst kwetsen. Menig droevig gesprek werd zoo tusschen moeder en
zoon gevoerd.
Bij haar was slechts een grondtoon, die zij daarbij aansloeg: de
gelukzaligheid, die haar zou doortintelen, wanneer een harer kinderen,
een van die telgen, die zij in haren schoot gedragen, die zij gezoogd
had, die zij zoo lief had, zich aan den dienst des Heeren zoude wijden.
Het was haar alsof zij niet alleen haar eeuwig heil daarmeê kocht; want
zij kon onmogelijk vatten, dat een harer andere kinderen, of haar
echtgenoot zou kunnen verloren gaan. God zou toch zoo ondankbaar niet
kunnen zijn, om niet minstens de ouders, broeders en zusters van hem,
die zich aan zijn H. dienst wijdde, onder Zijne almachtige hoede te
nemen.
Van Herman’s zijde klonk slechts één antwoord op die moederlijke
smeekingen:
„O! moeder,” zuchtte hij, „verg dat niet van mij. Ik heb Lydia zoo
lief, zoo onuitsprekelijk lief!”
Toen zij evenwel de meening uitte, dat de stap nog onberaden was, dat
Herman de toestand niet genoegzaam overdacht had, toen zij
dientengevolge voorsloeg om nog een jaar naar het seminarie terug te
keeren, toen verdween iedere weekhartigheid bij hem, toen weigerde hij
kortweg:
„Neen! mameer, dat kan niet!”
Of zij hem al voorhield, dat hij juist in dat jaar, hetwelk hij zou
intreden, het altaar meer nabij komen zou, dat hij dan meer met kennis
van zaken zou kunnen beslissen, het hielp niets, niets!
„Neen! mameer, dat kan niet!” was zijn onveranderlijk antwoord.
„Zijt gij dan zoo onder den invloed van die deern?” vroeg de moeder
niet zonder eenige ergernis.
„Moeder, ik heb haar lief, onuitsprekelijk lief!” sprak hij met zachte
stem, als wilde hij den indruk verzachten. „Maar geloof niet, dat zij
een struikelblok voor mijne studiën zal wezen. Ik heb er over
nagedacht, en ben tot het besluit gekomen, om naar de Hoogeschool te
Leuven te gaan, om daar mijne studiën te voleindigen.”
„Dat nooit!” sprak de moeder met eene bij haar ongewone uitdrukking van
wilskracht. „Dat nooit!”
Verbaasd keek Herman haar aan. Hij wist niet of hij goed gehoord had.
„Nooit?....” vroeg hij met bevende stem.
„Nooit!” was het even besliste antwoord.
„Maar, mameer....”
„Laat af, iedere poging daartoe is te vergeefs!”
„Maar....”
„Wilt gij uwe studiën voortzetten, keer dan naar Rolduc weer!”
„Nooit!” klonk nu zijn antwoord even beslist weerom.
„Dan zult gij u een andere loopbaan moeten kiezen dan die, waarvoor
wetenschappelijke opleiding noodig is!”
„Een andere loopbaan?.... Ik wilde mij aan de studie der
rechtsgeleerdheid wijden.”
De moeder sloeg hare handen met een wanhopig gebaar te zamen.
„De rechtsgeleerdheid!....” riep zij uit. „Was het mij niet
voorspeld?.... Nooit! nooit!”
„Maar, mameer....”
„Dus advokaat worden? niet waar?” klonk het als een bitter verwijt.
„Advokaat, of griffier, of rechter. De rechterlijke macht biedt zooveel
gelegenheden aan om....”
„Een mantel des duivels! zooals Pater Bernhart die heeren der
rechterlijke macht zoo juist betiteld heeft.”
„Pater Bernhart heeft geene rechtsgeleerde studiën gemaakt,” was het
droge antwoord, „nimmer heeft hij ook zoo’n kleedingstuk van den vorst
der duisternis gezien. Hij is dus niet bevoegd zoo’n vergelijking te
maken. Maar, mameer, gij moogt nu zoo’n uitdrukking, die in een sermoen
slechts eene oratorische wending te noemen is, en er alleen op berekend
is, om bij het onontwikkelde publiek effekt te sorteeren, niet meer
waarde toekennen dan zij verdient.”
„Genoeg, nimmer zal ik mijne toestemming geven, dat gij naar eene
Hoogeschool vertrekt!”
„Maar waarom dan toch, mameer, liefste moeder?”
„Omdat de verleiding daar te groot, is, omdat gij daar uw verderf te
gemoet zoudt snellen!”
„Een fraai getuigschrift voor onze studeerende jongelingschap!” riep
Herman uit. „Maar.... zoo even zeidet gij, dat het u voorspeld was, dat
ik zou vragen om advokaat te worden. Wie was die profeet?....”
„Dat is mijne zaak.”
„Mameer!....”
„Vraag mij niet, dat is mijne zaak!”
„Als het dan toch mijne toekomst geldt, dan....”
„Zeker geldt het uwe toekomst! Het geldt uwe toekomst hiernamaals! het
geldt het heil der Kerk!”
„Wat groote woorden, mameer! Wie legde u die in den mond? In iedere
betrekking kan men den hemel verwerven. Ik begrijp niet, hoe het heil
der Kerk in gevaar kan gebracht worden, wanneer ik rechtsgeleerde
werd?”
„Laat af! ik zeg het u niet.”
„Mameer!....”
Hij greep haar bij de handen, klemde die met alle innigheid in de
zijne, boog zich over haar, en keek haar zacht maar vertrouwvol in de
oogen.
„Mameer!....” herhaalde hij.
De arme vrouw, door gewetensangst gefolterd, aarzelde; toch antwoordde
zij:
„Laat af!.... ik zeg het niet.”
Toen trok hij haar met zacht geweld op zijn schoot, vleide haar op zijn
knie neer, streelde haar met de eene hand de wang, sloeg den anderen
arm om haren hals, drukte hare gerimpelde wang tegen zijne blozende
koon, terwijl de grauwe haren van de eerbiedwaardige vrouw over zijn
nog kortgeknipt hoofd dwarrelden.
„Moeder!....” herhaalde hij ten derde male. „Ik smeek u bij al de
liefde, die gij mij toedraagt, het geldt mijne geheele toekomst. Wie
was uw raadgever?”
Tegen dien aandrang was de arme vrouw niet bestand. Wel was haar
geheimhouding gevraagd, maar welk kwaad kon er uit ontstaan, dat zij
mededeelde wie haar geraden had? De raad was immers goed.
„Directeur Peeters is hier geweest,” fluisterde zij schier onhoorbaar.
„Directeur Peeters!....” kreet de jongman met ontzetting.
Hij begreep, welken hefboom men in de godvruchtige gevoelens zijner
moeder gevonden had.
„Hij wees er mij op, welke ommekeer bij u plaats had, die niet alleen
uwe loopbaan, maar ook uwe godsdienstige gevoelens betrof.”
„Mijne godsdienstige gevoelens?....”
„Gij waart in den laatsten tijd lauw geworden, gij voldeedt niet meer
zoo regelmatig aan uwe godsdienstplichten. Nu en dan ontsnapte u een
bitter woord jegens God en zijne plaatsvervangers op aarde!”
„Maar, dat is niet waar!....”
„U uwe studiën te laten voortzetten, zonder behoorlijke leiding, was u
blootstellen aan het gevaar de moderne grondstellingen in u op te
nemen, met een Kant, met een Schopenhauer, met een Renan, met een
Voltaire, met een Rousseau te dwepen; was u aan het gevaar blootstellen
een gevaarlijk vijand van de Kerk van Christus te worden.”
„O! dat is te erg!....” kreet de verontwaardigde jongeling. „Dat is te
erg!”
„Laat mij voortgaan,” sprak de moeder haastig, als vreesde zij hare
bekentenis niet ten einde te zullen brengen. „De eerwaarde heer wees er
mij op, dat ik onder die omstandigheden zielenlast had. Hij wees op de
noodzakelijkheid, dat ik u, dat ik de Kerk moest redden. Hij weet,
welken invloed ik op uwen vader heb. In zijne handen legde ik de
plechtige gelofte voor God af, dat, tenzij gij naar Rolduc terugkeert,
gij uwe studiën niet voort zult zetten!”
„Mameer!....” kreet de jongeling ontzet.
„Die belofte zal ik nauwkeurig volbrengen, mijn zoon!”
Bleek en ontdaan liet hij haar uit zijne armen los, en sprong op.
„O! die ellendelingen! Is dan voor dat adderengebroed niets heilig?”
barstte Herman uit. „Eerst ontheiligden zij de vriendschappelijke
gevoelens, die ik voor enkele mijner medeleerlingen koesterde. Door
delatie en spionneering wisten zij dat edele gevoel te verstikken. Toen
bezoedelden zij mijne liefdevolle gevoelens voor den engel, die op mijn
pad verscheen, en aan wien ik slechts denk kuisch en rein, zooals ik
eene gedachte aan de Godheid zelve zoude wijden. Nu word ik bij mijne
ouders, bij mijne moeder verdacht gemaakt! Waar zullen die aterlingen
toch eindigen?....”
Bij die woeste taal haars zoons had mevrouw Riethoven herhaaldelijk het
teeken des kruizes gemaakt. Had Herman haar kalm en bedaard te woord
gestaan, had hij haar medegedeeld, hoe hij in de laatste maanden te
Rolduc verbitterd was geworden, hoe nu ook deze aanval weer te
beschouwen was als te zijn een uitvloeisel van een vast plan, waarna
men te werk ging, dan had hij wellicht de oogen der toch zoo
liefdevolle moeder geopend. Nu versterkte hij hare meening omtrent
zijne veranderde gevoelens. Nu bedierf hij alles, omdat in zijn woorden
een vijandigheid ontwaard werd, niet tegen de personen, die tegenover
hem huichelachtig en dubbelzinnig te werk gingen, maar tegen de geheele
geestelijkheid, ja, tegen de geheele Katholieke Kerk. Een begin dus in
de oogen van de arme moeder van de vreeselijke voorspelling, die haar
gedaan was.
Het was dan ook volkomen vruchteloos, toen Herman nog aanhield om zijne
studiën te mogen vervolgen. Op al zijn smeeken, op al zijne beden
ontving hij slechts één antwoord, dat van een door en door godvruchtige
vrouw, welker oordeel door de geestelijkheid bestuurd wordt:
„Het gebeurt niet! De Hemel moge mij straffen! Daarmee uit!”
„Om het even,” troostte zich de jongeling, wien die soort verwensching,
zoo gewoon in den mond der vromen, alle hoop benam. „Mijne Lydia blijft
mij!”
Neen, zelfs die begoocheling mocht hem niet lang bijblijven.
Toen hij eenige dagen later, schuchter en bedeesd, zooals jongelieden,
maar vooral gewezen seminaristen, bij hunne eerste liefde zijn, een
bezoek bij haar bracht, die hij zich verstoutte in zijn binnenste reeds
„mijne Lydia” te noemen, werd hij door hare ouders uiterst vriendelijk
ontvangen, maar kreeg het meisje niet te zien.
Zoo ging het hem den tweeden, den derden, den vierden keer. Het
wachtwoord was gegeven. Eindelijk in vertwijfeling wierp hij zich op
een morgen, dat het arme kind uit de vroegmis kwam, op haar pad. Het
was een droevige Decembermorgen, de wind huilde en raasde door de
daken, de lucht was dik van regen. Er was dan ook niemand nog zoo vroeg
op den weg. Toen hij haar de O. L. Vrouwe Kerk zag uittreden, ontroerde
hij geweldig. Toch trad hij moedig voorwaarts. De lieve maagd, die hem
ook bespeurd had, was niet minder bewogen dan hij. Zij evenwel kwam uit
den biechtstoel, alwaar haar de les gelezen en haar godsdienstig gevoel
gaande gemaakt was.
Wat was er met haar gebeurd? De directeur Peeters was na zijn bezoek
bij mevrouw Riethoven naar de familie Fraenkel gekuierd, en had eerst
een half uur met Lydia’s moeder in afzonderlijk gesprek doorgebracht.
Daarna had hij een onderhoud met haren vader gehad, en eindelijk was de
dochter geroepen, en was het hart en geweten van het argelooze meisje
onder de bedreven hand van den vlijtigen en sluwen beoefenaar van het
„Compendium” spoedig als eene zacht glacé leeren handschoen het
binnenste buiten gekeerd. Tegen zoo eene casuistiek was geen
meisjeshart bestand. Toch vlotten de zaken hier niet zoo, als dat bij
de beide mama’s gegaan was. Had werkelijk de lieve maagd eenige
genegenheid voor Herman opgevat? Wie zal dat ooit kunnen zeggen? Nimmer
heeft zij zich daarover uitgelaten. Maar zoo heel gedwee volgde zij de
adviezen van den eerwaarden heer Peeters niet. Toen die haar op het
einde van het gesprek vrij ruw en onkiesch aanraadde de aanzoeken van
Herman ter wille van de Kerk, waaraan hij zich reeds bij geloften
verbonden had, van de hand te wijzen, vroeg zij, niet zonder dat een
zweem van bitterheid haar lieftallig gelaat ontsierde: of geloften van
kinderen ook meededen, en antwoordde verder, dat de geestelijke heeren
verzocht werden zich met hare zaken niet te bemoeien; dat er nog geen
aanzoek gedaan was, dus dat er nog niets viel van de hand te wijzen.
Maar nu werd hare moeder verder in den arm genomen; toen werd haren
biechtvader de les gelezen. Eerstbedoelde bracht zeer weinig effekt te
weeg, en zou door haren tegenstand het wellicht ontluikende vuurtje
aangewakkerd hebben. Toen evenwel het lieve kind in den biechtstoel
gekapitteld werd, toen zij zich daar behandeld gevoelde met eene
ruwheid, die ieder kiesch gevoel kwetste, toen zij zich de „absolutie”
hoorde weigeren en haar de nadering tot de tafel des Heeren als
onwaardig ontzegd werd, toen was alle weerstand bij het arme kind
gebroken. Zich aan de algemeene verachting prijs gegeven te zien,
wanneer de buitenwereld te weten komen zou, dat haar de vergiffenis der
zonden geweigerd was—en dat dit niet geheim zou blijven, begreep zij
maar al te goed—ziet, dat durfde zij niet trotseeren. Zij had het hoofd
gebogen, en zooeven was haar hare les voorgezegd. Dat trof.
„Wat ben ik gelukkig juffrouw Lydia u te ontmoeten!” sprak Herman met
opgewondenheid en met een van vreugde stralend gelaat. „Ik heb vier
malen een bezoek bij u gebracht; maar telkens vond ik u niet te huis.
Het was of het noodlot er mee speelde! Maar thans, och! ik voel mij zoo
gelukkig u ontmoet te hebben!”
Hij greep hare hand, die zij evenwel schuchter terugtrok. Hij lette
daar niet op; maar ging voort:
„Gij kent het innigste geheim van mijn hart, juffrouw Lydia; zeg mij,
wanneer kan ik u te huis vinden, wanneer kan ik u een oogenblik alleen
spreken?”
„Alleen spreken?.... mijnheer Herman.... wat vraagt ge?”
„O!” riep hij in vervoering, „uwe moeder, uwe zuster mogen bij het
gesprek tegenwoordig zijn. Versta mij toch niet verkeerd. Ik wilde u
slechts verlof vragen om mij tot uwe ouders te wenden....”
„Tot mijne ouders wenden?.... waarom?”
Herman keek haar op die vraag met open mond aan.
„Waarom?.... waarom?....” stamelde hij.
„Ja, waarom?” herhaalde het meisje uiterlijk kalm.
„Wel, om....”
Beiden stonden daar op het O. L. Vrouwe plein, terwijl de wind haar
mantel met geweld zweepte, en hij verplicht was zijn hoed vast te
houden. Zij greep zijn arm en viel hem in de rede.
„Wij kunnen hier zoo niet blijven staan,” zeide zij. „Kom, het is wel
geen wandelweer; maar wij willen een kleinen omweg over den O. L. V.
wal tot aan de Maasbrug maken. Daar laat gij mij mijn weg weer alleen
vervolgen tot bij mijn huis op het Vrijthof, zult ge?”
Hij beloofde alles, wat Lydia maar wilde, overgelukkig als hij was,
haren arm op den zijnen te voelen rusten. Toen zij den bedoelden kant
uit, opgegaan waren:
„Welnu, gij zeidet, mijnheer Riethoven?....” vroeg het jonge meisje.
„Ik zeide, dat ik u verlof wilde vragen, dierbare Lydia!” antwoordde
Herman, zonder op die betiteling te letten van „mijnheer Riethoven” „om
mij tot uwe ouders te mogen wenden.”
„En ik vroeg u, waarom?”
„Waarom?”...
De deern voelde zijn arm trillen.