rug naar de deur, een der vele teekeningen die daar aan den wand te
pronk hingen en door de leerlingen gemaakt waren, te bewonderen. In een
dier gestalten kon hij zich niet vergissen. Bij het opengaan der deur
daarenboven dwong haar hart haar zich om te keeren. Dat was Herman’s
moeder! Zij vloog haar kind om den hals, en al was het ook nauwelijks
zes weken geleden, dat haar zoon Maastricht verliet, om na de
Paaschvacantie naar Rolduc terug te keeren, toch prangde zij hem met
onstuimigheid aan haar hart. Twee der andere dames waren ook mamatjes,
die met verlangen naar het verschijnen harer telgen uitkeken. De vierde
had zich bij het opengaan der deur niet omgekeerd. Was het toeval of
opzet? Zij bleef naar de teekeningen aan den muur kijken.
Toen Herman zijne moeder omhelsd had, trad hij op de overige dames toe
om haar te begroeten.
„Waar blijft Henri?” zei de een.
„Waar blijft Gustaaf?” vroeg de andere even ongeduldig.
„Ik weet het niet, dames,” antwoordde Herman. „Zal ik eens bij den
portier informeeren of hij hen, evenals hij mij deed, gewaarschuwd
heeft?”
Het was niet noodig. De beide bedoelde jongelieden stormden in dit
oogenblik het parloir in, en lagen weldra vreugdedronken in de armen
hunner mama’s besloten.
Boven moederliefde gaat niets!
Inmiddels was Herman de andere dame, die nog steeds de teekeningen
stond te bewonderen, genaderd, om ook jegens haar de beleefdheidsvormen
te betrachten. Deze keerde zich juist om.
„Lydia!” ontsnapte bijna met een kreet aan Hermans mond.
Hij had nog juist tegenwoordigheid van geest genoeg om dien half te
smoren. Maar een oogenblik bleef hij stokstijf met gesloten oogen voor
de jonge dame staan. Gelukkig, dat de algemeene aandacht op de pas
binnengekomen jongelingen gevestigd was.
Ja, het was Lydia! Toen zij vernam, dat mevrouw Riethoven, de beste
vriendin harer moeder, met nog een paar dames hare zoons in het
seminarie een bezoek gingen brengen, had zij verzocht meê te mogen
rijden. Zij had een broeder, die daar ook studeerde, en evenals Herman
in de Rhetorica was. Zonder aarzeling had mevrouw Riethoven dat verzoek
toegestaan. Deze had geen de minste gedachte van hetgeen er in de ziel
van haar kind omging. Had zij dat kunnen gissen, dan zou zij, bij haar
innig verlangen om een harer kinderen zich aan den altaardienst te zien
wijden, Lydia voorzeker geweigerd hebben.
Het jonge meisje zelve wist ook niet, wat er in het gemoed van den
jongeling omging. Zij was nog kortgeleden van de kostschool der
Ursulinen-zusters te Maaseyk voor goed te huis gekomen, en was zich
volkomen onbewust, welken hartstocht hare fraaie zwarte oogen ontvonkt
hadden. Zij had, toen zij zich omkeerde, den gedempten kreet van den
jongeling gehoord, waarbij hij haar naam uitsprak; zij had hem zien
verbleeken en de oogen sluiten. Hoe jeugdig ook, hoe onervaren omtrent
hetgeen er in de wereld omging, werd toch haar vrouwelijk gevoel
wakker. Meenende evenwel, dat de jongeling plotseling onwel werd, trad
zij op hem toe:
„Zijt gij ongesteld?” vroeg zij deelnemend, terwijl zij hem bij de hand
vatte.
Een schok voer hem door de ledematen bij die aanraking. Hij opende de
oogen, greep die hand, drukte en kneedde haar met zenuwachtige
woestheid, en fluisterde zacht:
„Neen, het is niets! Het is al weer over!.... Eene duizeligheid... dat
is alles!... In Gods naam, wees stil... Laat mijne moeder er niets van
merken. Zij zou zich ongerust maken.”
Hij sloeg de oogen op het lieftallige gelaat van de rijzige jonkvrouw,
die hem nog altijd met eenige bezorgdheid aankeek; maar die toch onder
zijn doordringenden blik bloosde, en zacht hare hand terugtrok.
In dit oogenblik trad de heer Peeters, directeur van het seminarie
binnen, en begroette de dames op ongedwongen toon als een man van de
wereld, hoewel zijne gebaren door ettelijke zonderlinge gewoonten
gekenmerkt werden, die aan zijne hoffelijkheid eenigermate afbreuk
deden. Zoo bracht hij gewoonlijk, hetzij hij den preekstoel in de kerk,
of den katheder in de leerzalen besteeg, of dat hij zich voor iemand
groetend boog, den duim der rechterhand vlak tegen de neusopeningen,
terwijl hij den wijsvinger over den rug van den neus ettelijke malen
van boven naar beneden liet glijden, als streelde hij dat reukorgaan.
De jongere leerlingen, de bengels beweerden, dat, wanneer hij zoo deed,
er vuurvonken uit zijne neusspits spoten.
Eene tweede hebbelijkheid, die evenwel minder aardig gevonden werd,
was, dat wanneer hij in het vuur van het gesprek was, of zich driftig
maakte, hij zich alsdan met de beide middelvingers de ooghoeken bij den
neus uitwreef, waarna hij een rood katoenen zakdoek uit zijn soutane te
voorschijn haalde, en zijn gevel, dien hij vrij kolossaal had, met
kracht snoot. Ging het vonkentrekken met het oogenpoetsen en het
snuiten samen, of beter, volgden die drie bewegingen zonder
tusschentempo achter elkander, dan was er een onweder aan de lucht, en
was het hen, die iets op hun geweten hadden, geraden buiten zijn radius
te blijven.
Hij was eene lange magere figuur, die met zijn „bonnet” op het hoofd en
in zijn soutane gestoken, er uitzag als een parapluie in zijn foudraal.
Van zijn neus gewaagden wij reeds; die was lang, smal en krom, en had
veel van een pikhouweel. Boven een paar ascetisch bleeke wangen
glinsterden een paar oogen, die wel eens onbescheiden kijken konden.
„Het is, alsof hij iemand in de ziel leest,” zeiden de leerlingen.
Toen hij naar den welstand der dames, naar dien van hare echtgenooten
en verder kroost vernomen had, gaf hij aan het ongeduld dier moeders
gehoor, en onderhield zich met haar over hare zoons, en was weldra in
een druk gesprek gewikkeld. Hij had gelukkig niets dan goede berichten
mede te deelen. De naam van geen der aanwezige jongelieden was in het
„parloir” in het „tableau noir”, als aan een schandpaal opgehangen.
Geen hunner had een „compareat” [10] ondergaan, d.w.z. dat hij op
„numero treize,” de eet- en societeits-kamer van het doceerend
personeel, door de gezamenlijke professoren en regenten wegens minder
goed gedrag was onderhouden. Zelfs de lijst der „mauvais points” toonde
een uiterst gunstig gemiddeld aan. Toen mevrouw Riethoven dan ook het
verzoek voordroeg, of de vier jongelieden met hunne mama’s mochten gaan
dineeren in een der restaurants in den omtrek, betuigde de directeur
heel goedgunstig, dat bij hem tegen de inwilliging geen bedenkingen
bestonden.
„Maar eerst,” zeide hij met een fijnen glimlach, „zal ik de dames eens
rondleiden in het gesticht. Allen, meen ik, hebben hier nog geen bezoek
gebracht.”
Daarop geleidde hij de bezoeksters, vergezeld van hare telgen, door de
hooge kruisgangen rond, liet haar een blik werpen in het „refectoire”,
waar men bezig was de tafels voor het middagmaal te dekken; in de
verschillende klassen- en studiezalen, in de gebedzaal, op de
„dortoirs”, op de speelplaats, waar de jongelingschap, voorgegaan door
hare leeraren, juist bezig was lichaam en geest heilzaam te ontspannen.
Eindelijk bracht hij haar in de kerk, liet haar de „Crypte,” eene
onderaardsche bedeplaats onder het koor zien, wees op de naaktheid van
het „jubé,” de orgelplaats, die zich op vier dennenstammen verhief, die
ter nauwernood van hunne schors ontdaan en ruw vierkant bekapt waren.
„Onze kerkfabriek is zeer arm,” betuigde de eerwaarde gids. „Dat is
meer dan armoede, dat is naaktheid.”
Toen hij die woorden sprak, stond het gezelschap juist een oogenblik
bij den zuidoostelijken ingang stil, om het geheele gebouw nog eens te
overzien. Daar bij het wijwatersvat stond een offerstok met opschrift
in groote letters: „pour l’église.” Mevrouw Riethoven gaf het
voorbeeld, hetwelk door de drie andere dames gevolgd werd. Ieder harer
liet een geldstuk, door de nauwe opening naar beneden vallen.
Eindelijk was die bezichtiging afgeloopen. Het gezelschap bedankte den
directeur voor zijn geleide, stapte de speelplaats over, en verliet het
gesticht door de noordoosterpoort.
Gedurende die wandeling door het zeer groote gebouw, waren de mama’s
door den directeur bezig gehouden, en hadden zij onverdeeld hare
aandacht gewijd aan zijne uitleggingen en inlichtingen. De zoons
volgden en pruttelden niet weinig, dat van den schoonen dag, die hun
beschoren was, nog zooveel verloren moest gaan om dat oude gebouw te
bezichtigen. Lydia en Herman wandelden naast elkander. Waarover zij
spraken? Helaas, het gesprek vlotte niet erg tusschen die twee. Er
heerschte eenige schuchterheid, eene zekere bedeesdheid, die hen
somwijlen op het onverwachtst blozen deed, zonder dat er oorzaken toe
bestonden; maar die toch zoo eene bekoorlijkheid voor hen bezat, dat
geen van beiden er aan dacht, zich daaraan te onttrekken. Lydia vond
wel, dat Herman van tijd tot tijd een langen doordringenden blik op
haar vestigde, dat hij hare wezenstrekken dan in zich opnam, als het
ware opzoog. Dat hinderde haar wel ietwat, dat deed haar blozen. Maar
die blik eindigde steeds met een even hoog rood, hetwelk de wangen van
den jongeling kleurde en dat streelde het jonge meisje.
Toen het gezelschap de poort uitgetreden was, en de directeur hen
verlaten had, staken de jongelieden in alle haast een sigaar op, en
vormden zich tot groepjes. De mama’s namen hare zoons in beslag.
Behalve het eerste oogenblik van ontmoeting in het „parloir” was er nog
geen oogenblik van vertrouwelijkheid geweest. Nu haalden die moeders
haar hart ter dege op. De vragen en antwoorden kruisten elkander
allerwege, en menig antwoord werd bezegeld met menigen kus. Lydia
wandelde aan de zijde van haren broeder voort. Toen zoowat de eerste
mededeelingen geschied waren, betrok Herman dien broeder en het meisje
in het gesprek, en zoo wandelde men gezellig keuvelend verder.
De weg voerde aanvankelijk door eene dichte beukenlaan, die met haar
frisch groen een lommerrijk gewelf over het pad vormde. Rechts en links
strekte zich een boschje van hoog opgaande dennen uit, welker
naaldenkruin onder den invloed van eene zachte bries liefelijk
ruischte.
„Dat is het „bosquet”, waarin wij in dit seizoen in de vrije middaguren
veel vertoeven,” lichtte een der jongelieden toe.
De weg splitste zich een eind verder in twee takken. De rechtsche werd
ingeslagen. Die voerde om de groentetuinen van het gesticht, daalde
daarna een steilen heuvel van een paar honderd voet af, voerde tusschen
een vijver en eene dichte haag door, die uitgestrekte weilanden
afsloot, slingerde daarna om een heuvel, wier kruin met dennenboomen
beplant was, en uit welker wanden arbeiders verblindend wit zand en
fijn china-clay te voorschijn haalden, om naar de aardenwerkfabriek van
den Heer Regout te Maastricht vervoerd te worden. Verder kromde de weg
tusschen heggen van meidoorns door, die met haar witte bloemtuiltjes
heerlijk geurden. Aan de linker zijde kregen de wandelaars een
kasteeltje, of beter gezegd, een klein slot in het oog, dat zich op den
top van een heuvel verhief. Herman vertelde aan zijne moeder en aan
Lydia, dat dit het kasteel der Ridders van den Groenen Bok was, en wist
daaraan eene wezenlijke boeiende Bokkenrijdersgeschiedenis vast te
knoopen. Zijne moeder verbaasde zich over zijne mededeelzaamheid, die
zoo afstak bij zijn gewone teruggetrokkenheid, maar bewonderde veel
meer de gemakkelijkheid, waarmede hij dat verhaal voordroeg, en de
keuze van uitdrukkingen, die hij daarbij bezigde.
Zoo was men het dorp Herzogenrath genaderd, hetwelk in een fraai dal
gelegen was, waardoor de Worms vloot. Men wandelde dat dorp
gedeeltelijk door, en besteeg den heuvel, die het dal aan de noordzij
insloot, en waarover de fraaie steenweg leidde, die van Aken over de
dorpen Herzogenrath en Geilenkirchen naar Düsseldorf voerde, en in die
dagen, toen de spoorbaan die twee steden nog niet verbond, een zeer
gewichtige gemeenschapsader was.
Vooral waren de dames niet rouwig, dat het einddoel van het uitstapje
bereikt werd; want het kon eene gezonde wandeling genoemd worden, die
zij afgelegd hadden; en het voortdurend klimmen en dalen, waartoe de
weg genoodzaakt had, had het zijne er toe bijgedragen, om haar zoo niet
vermoeid te maken, dan toch naar een plekje te doen omzien, waar men
eens gezellig bij elkander zou zitten. Dat plekje werd in het Gasthaus
van Vorage gevonden, hetwelk vrij aardig op het kruispunt, waar
evenbedoelde straatweg zich aan dien van Heerlen via Kerkrade naar Aken
aansloot, gelegen was. Aan het diner, waarbij Herman gelegenheid had
gevonden, Lydia tusschen hem en haren broeder in te plaatsen, en hij
zijne moeder aan de andere zijde had, ging het over het algemeen
vroolijk toe, hoewel eene zekere opgewondenheid bij den held van dit
verhaal, de opmerkzaamheid niet ontgaan zou hebben, wanneer niet allen
die eenigermate gedeeld hadden. De jongelingen waren opgetogen, dat zij
voor een oogenblik aan den knellenden band der tucht, die in het
seminarie heerschte, ontsnapt waren, en de mama’s waren overgelukkig,
dewijl zij hare zoons zoo zagen genieten, dat de sporen er van op hunne
wangen duidelijk zichtbaar waren.
Lydia zat stil en ingetogen, als altijd, maar met welwillendheid te
luisteren naar de verhalen van haren buurman, en kon nu en dan een
glimlach niet onderdrukken, wanneer deze de eene of andere
studentensnakerij voordroeg, en de onbetaalbare zetten mededeelde, die
den heeren professoren gespeeld werden. Vooral wekte het luimige
verhaal van de koddige tooneelen, welke op het laatste feest van de H.
Katharina voorgevallen waren, een onbedwingbaren lachlust op. De
jongelieden, die, na hunne Rhetorica voltooid te hebben, den wensch te
kennen gaven, den geestelijken stand te omhelzen, volbrachten dan,
alvorens naar het Groot Seminarie te Roermond over te gaan, een
zoogenaamden „Cours inférieur en philosophie,” die twee jaren duurde,
en werden alsdan door hunne medeleerlingen „monsieur le philosophe”
geheeten, hoewel hetgeen hun gedoceerd werd, evenveel op „philosophie”
(wijsbegeerte) geleek, als de slaapmuts van den Grooten Turk het
evenbeeld van de hedendaagsche tournure van eene jonge dame is.
Nu was de H. Katharina—waarom, dat was niet bekend—de patrones der
philosophen, en liepen dezen op dien dag gepareerd en gemaskerd door de
kruisgangen van het seminarie, parodieerden min of meer geestig de
regenten en professoren en aapten hen in hunne zwakheden na. Lydia
proestte het eindelijk uit, toen Herman bij die voorstelling zijn neus
tusschen duim en voorsten vinger nam, en dien behandelde, zooals zij
straks den directeur Peeters had zien doen.
Zoo spoedden die zalige uren voort.
Eindelijk naderde het tijdstip om te vertrekken. Het kon een heele
tocht heeten in die dagen, van Maastricht over Valkenburg, Klimmen,
Heerlen en Kerkrade naar Rolduc te reizen. De dagen waren evenwel reeds
lang, zoodat nog tot eene wandeling besloten werd. Het gezelschap
bracht een bezoek aan Kerkrade, dronk daar koffie met de
onvermijdelijke vla, en keerde van daar, langs een veldweg, die dwars
door de vruchtbare graanakkers voerde, naar het seminarie terug. De
dames brachten nog een bezoek aan den directeur om hem hare lievelingen
aan te bevelen. De eerwaarde heer geleidde het gezelschap zeer
vriendelijk naar het rijtuig, hetwelk gereed stond.
In de laatste oogenblikken evenwel was Herman in het oogvallend somber
en in zich zelven gekeerd geweest. Zijne opgewekte luim was geweken. Nu
en dan sloeg hij een schuchteren blik op Lydia, die met een soort angst
naar hem keek, alsof zij zich schuldig aan die stilzwijgendheid
gevoelde. Het arme kind kon onmogelijk bevroeden, hoe groote oorzaak
zij van die sombere gemoedsstemming was.
Toen het oogenblik daar was om afscheid te nemen, stak mevrouw
Riethoven haren zoon de hand toe; ja, zij opende hem hare armen. Zonder
op dat uitnoodigende gebaar te letten, keek hij haar met strakken blik
aan.
„Kom, Herman, het is tijd,” zei zijne moeder, „geef mij een zoen.”
Zonder een woord te spreken, wendde Herman zich van haar af, trad op
het rijtuig toe, waarvan het portier geopend stond, steeg er in, en nam
plaats op de voorbank.
„Ik ga meê naar Maastricht,” was het eenige antwoord, dat hij gaf.
Allen stonden bij het rijtuig en lachten. Zij zagen dat antwoord voor
een ui aan.
„Er valt niet te lachen,” hernam hij. „Ik ga meê naar Maastricht.”
„Het is nog geen vacantie,” antwoordde zijne moeder nog steeds met een
glimlach.
„Vacantie of niet,” sprak Herman met iets woest in zijne stem.
„Vacantie of niet, ik ga meê naar Maastricht. Ik blijf hier niet meer!”
In den toon van dat gezegde was zich niet te vergissen. Allen keken dan
ook verbaasd op. De directeur Peeters niet het minst. Hij streek over
zijn neus, wreef zich de ooghoeken uit, en de roode zakdoek was in
aantocht.
„Maar Herman, dat is de scherts te ver drijven,” zei zijne moeder.
„Kom, stap uit, en laat ons instijgen. Wij moeten vertrekken, anders
wordt het laat in den nacht, alvorens wij te huis zijn.”
„Het is geen scherts, mameer!”
„Maar, je plan dan om priester te worden?”
„Ik word geen priester!”
„Geen priester?”
„Neen!”
Dat „neen” klonk afdoende als een hamerslag. Op zoo’n toon had mevrouw
Riethoven zich nog nimmer door haren oudsten zoon hooren toespreken.
„Maar, van waar die veranderde roeping!” kreet zij als in
vertwijfeling.
„Ja, van waar?” vroeg de directeur met ernstig gezicht, terwijl hij
zijn neus tot bloedens toe wreef.
„Van waar? Wilt ge dat weten?” vroeg Herman aan zijne moeder, zonder
den directeur aan te zien.
„Ja, mij dunkt dat ik, uwe moeder, van de oorzaken niet onkundig mag
blijven!”
De jongeling was doodsbleek geworden. Een oogenblik aarzelde hij. Maar
tot onwaarheid spreken was hij niet in staat.
„Welnu, ik ben verliefd op deze jonge dame,” sprak hij rad, als had hij
haast die woorden te uiten, en met de hand naar Lydia wijzende.
Het arme kind kleurde tot achter hare lieve oortjes. Onder die woorden
trad zij achteruit, en bedekte zich het gelaat met beide handen.
„En?” vroeg mevrouw Riethoven, met doordringenden blik op het jonge
meisje.
„O! kijk Lydia zoo verwijtend niet aan,” sprak Herman met nadruk. „Zij
heeft hoegenaamd geen schuld aan mijne veranderde gevoelens. Kan zij
het helpen, dat ik haar lief, grenzenloos lief heb? Hoe zij er over
denkt, weet ik niet. Maar met zoo’n liefde in het hart, kan ik mij aan
den altaardienst niet wijden. Dat ware heiligschennis!”
„Mijn jonge vriend, mijn zoon, gij zoudt behooren tot de strijdende
Kerk,” viel de directeur met zalving in. „Roep de Heilige Maagd aan!”
„Genoeg met dat gewauwel!” viel Herman barsch in. „Vade retro Satanas!”
De directeur schokte onder die uitspraak. Zoo was hij nog nooit
afgewezen. Hij zwaaide met zijn rooden zakdoek als met een noodvlag op
eene sloep, die aan het zinken was. Dat „vade retro satanas” klonk den
geestelijken heer schrikkelijk in de ooren.
Er heerschte een oogenblik stilte. De drie mama’s hadden elkander
aangestaard. Het geval was uiterst moeielijk. Mevrouw Riethoven zag een
van haar heerlijkste droombeelden vernietigd. O! hoe dikwijls had zij
in den geest met eene soort van verrukking het misoffer bijgewoond, en
dan, door eene moederlijke verbijstering vervoerd, in den waan
verkeerd, dat het haar zoon was, die daar het: Vere dignum et justum
est [11] zong, of dat hij het was, die daar over de hostie bad: ecce
agnus Dei, qui tollit peccata mundi. [12] O! als zij dat eens in
werkelijkheid had kunnen zien! En nu was dat alles weg! Iedere illusie
verdwenen. Een traan blonk in haar oog. Zij vermande zich evenwel. Zij
begreep dat bij afwezigheid van haren echtgenoot zij handelen moest.
„Van een meêgaan naar Maastricht,” sprak zij met vaste stem, „kan geen
sprake zijn. Vooreerst, is er geen plaats in het rijtuig. Wij zijn met
ons vieren....”
„Is het niet anders,” was het antwoord. „Ik kan bij den koetsier op den
bok gaan zitten.”
In een wip was Herman uitgestegen, en wilde aan zijn voornemen gevolg
geven.
„Maar luister dan toch,” sprak de moeder en greep haren zoon bij den
arm. „Ik herhaal het, van een meêgaan naar Maastricht kan geen sprake
wezen. Die verandering van roeping gaat mij te snel in zijn werk. Die
is slechts het gevolg van een oogenblik.”
„Dat is zij! Daarin hebt ge gelijk, mameer. Maar ik gevoel het, nimmer
zal ik meer veranderen. Ik heb met het priesterschap afgerekend.”
De heer Peeters sloeg de oogen hemelwaarts. Hij riep bijstand van
boven, en zwaaide daarbij de noodvlag met nog meer hevigheid dan
vroeger.
„Daar ben ik nog niet zeker van,” hernam de moeder. „Nog niet lang
geleden spraakt gij met even veel overtuiging in tegenovergestelde
richting.... Wat zou uw vader zeggen, wanneer wij u nu meê thuis
brachten? Wat de geheele stad? Zoo midden in den cursus! Iedereen zou
meenen, dat ge weggejaagd waart!”
„Wat gaat mij de opinie van zoo’n kleine kwaadsprekerige stad aan!”
„Gij moogt er over denken, zooals gij wilt. Ik hecht voor uwe toekomst
te veel aan uwe reputatie. Kort en goed....”
Hier hikte de arme moeder, de stem begaf haar.... Zij hervatte een poos
daarna, maar met tranen in de oogen:
„Gij weet, hoe gaarne ik gezien had, dat gij u aan den dienst des
Heeren zoudt gewijd hebben....”
„Mameer! moeder! ga zoo niet voort. Geen tranen, o! wat ik u bidden
mag! Gij zoudt mij tot iets overhalen, dat oorzaak van naamloos wee in
dit leven, van mijne verdoemenis in het andere zoude zijn!”
De moeder ijsde bij het hooren van die hartstochtelijke taal. De
directeur sloeg een kruis.
„Val mij niet in de reden,” ging mevrouw Riethoven voort. „Wat ook mijn
wensch moge zijn, nimmer zou ik willen, dat één mijner kinderen een
stand tegen zijn zin zoude aanvaarden. Wilt gij dus verandering in uwe
bestemming brengen, mij wel. Ik zal mij niet tegen uwen wensch
verzetten. Wat ik alleen verg, is, dat gij niet overijld handelt.”
„Ik handel niet overijld, beste moeder. Ik handel volgens de inspraak
van mijn geweten!”
„Gij blijft hier, tot de groote vacantie,” sprak de moeder met vaste
stem. „Blijft gij dan bij uwe meening om uwe studiën te staken!...”
„Mijne studiën staken,” riep Herman vertwijfelend uit. „Mijne studiën
voortzetten, meent ge, maar van doelwit veranderen...?”
De directeur deed der vrome vrouw een onmerkbaar teeken. Zij antwoordde
haar zoon niet, maar ging voort.
„... Dan blijft ge volkomen vrij.”
„Wat zegt juffrouw Lydia,” vroeg Herman met vertwijfeling.
„Ik!... ik zou raad geven in een strijd, waarin ik mij mijns ondanks
gesleept zie?” kreet snikkend het arme kind. „Ik kan ternauwernood
denken.... hoe zou ik raad kunnen geven?....”
Zij stikte bijna in hare tranen, vloog het rijtuig in en verborg daar
haar gelaat in hare handen.
„Aan dat tooneel moet een einde komen, Herman,” sprak mevrouw
Riethoven. „Geef mij een hand. Kom, dames, stapt in. En nu.... mijn
jongen.... houd moed.... Vaarwel!”
Herman rukte zich uit de omhelzing zijner moeder los, sprong het
rijtuig in, sloot Lydia met woest gebaar in zijne armen, overdekte haar
voorhoofd, hare wangen, hare lippen met vurige kussen. Het arme kind
had de macht niet zich te weer te stellen. Toen sprong hij op den
grond, bedekte zich het gelaat met beide handen, en liet zich door
zijne makkers gedwee naar binnen leiden. De koetsier legde de zweep
over de paarden, en in een oogwenk was het rijtuig uit het oog
verdwenen.
III.
EEN MAN OVER BOORD.
Op een teeken van den directeur hadden Herman’s makkers hem naar de
kerk gebracht. Wezenloos en met loomen tred had hij zich laten
geleiden; maar toen hij tot bezinning kwam, en zich aan den voet van
het altaar der H. Maagd bevond, toen vloog hij met een woesten kreet
op:
„Ik hoor niet meer hier! ik hoor niet meer hier!”
En voort ijlde hij de kerk uit.
Het was inmiddels laat geworden. Het souper was reeds afgeloopen. De
leerlingen kwamen het refectoire uit, en verspreidden zich door de
kruisgangen en over de speelplaats. Gedurende een uur mochten zij zich
vermaken. Daarna zou de klok voor het avondgebed kleppen, waarna ieder
zich ter ruste zou begeven.