Naar den oostkant, daar vlak voor onze jeugdige beschouwers,

EEN KWART EEUW TUSSCHEN DE KEERKRINGEN

NAAR DEN EQUATOR

MET EEN VOORSPEL:

VAN PASTOOR SOLDAAT

DOOR

M. T. H. PERELAER

Gepd Hoofdofficier van het Nederl. Indische leger.

Schrijver van „Borneo van Zuid naar Noord”

ROTTERDAM

UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER”

1884

VOORWOORD.

Na de verschillende aanvallen, die mijn „Borneo van Zuid naar Noord” te

verduren heeft gehad, en waarbij men hoofdzakelijk nevenzaken aangetast

heeft, met het kennelijk, zelfs eens met het erkend doel om de

waarheidsliefde omtrent de hoofdzaak in verdenking te brengen, zal een

klein woord vooraf niet ondienstig zijn.

Toen ik met den Directeur der Uitgevers-Maatschappij „Elsevier” dezen

mijn nieuwen arbeid „Een kwart eeuw tusschen de Keerkringen” besprak,

vroeg hij mij of die eene autobiographie zoude worden, en antwoordde ik

hem, dat het leven van één mensch, hoe veelbewogen het ook geweest zij,

hoogst zelden voldoende stof leverde om ook maar één boekdeel te

vullen. Dat er zoo iets dus in mijn arbeid niet mocht gezocht worden!

„Neen,” voegde ik er bij, „ik wil uit veler leven een greep doen, ook

hier en daar uit het mijne, waar mij dat gepast zal voorkomen. Die

grepen zal ik door middel van een lichten romantischen draad tot een

geheel trachten te verwerken, waardoor een aanschouwelijk beeld

ontstaan zal—zoo hoop ik althans—van wat het leven in

Nederlandsch-Indië den krijgsman aanbiedt. Ik zou mijn werk op het

voetspoor van Alfred de Vigny: „Grandeurs et servitudes dans l’armée

des Indes Orientales Néerlandaises” hebben willen betitelen, hadde ik

daardoor geen plagiaat gepleegd en ware het mij mogelijk geweest dien

titel naar mijn zin in goed Nederlandsch over te brengen.”

Het doel van den arbeid, waarmede ik ander maal voor het publiek treed,

is daarbij voldoende omschreven en heb ik bij de mededeeling daarvan

niets te voegen, dan alleen de betuiging, dat ik—om mijne krachten niet

te verspillen in een afmattenden strijd,—geene enkele recensie zal

beantwoorden, die zich ten doel mocht stellen de geloofwaardigheid van

de geleverde verhalen aan te vallen of verdacht te maken. Om de

recensenten bij hun arbeid dadelijk te gemoet te komen, verklaar ik dat

die verhalen verdicht zijn en dat het derhalve noodelooze moeite zal

zijn, zich in gissingen omtrent namen of omtrent andere bijzonderheden

te verdiepen. Overigens hoop ik dat de welwillende lezers in die

bladzijden zullen vinden, wat ik getracht heb er in neer te leggen: het

aanschouwelijk beeld namelijk van wat het leven in Nederlandsch-Indië

den krijgsman aanbiedt, waarvan ik hier boven sprak en eene aansporing

voor hen, die leeken zijn op koloniaal gebied, om met onze zoo schoone

Koloniën meer bekend te geraken.

Den Haag, 20 November 1883.

DE SCHRIJVER.

INHOUD.

Voorspel: VAN PASTOOR SOLDAAT.

I. Op Slavante Bladz. 3

II. Te Rolduc 22

III. Een man over boord 44

IV. Bij het Koloniaal Werfdepôt 65

NAAR DEN EQUATOR.

I. Naar zee 97

II. In de Noordzee—Kennismaking 115

III. Verdere kennismaking.—In het Kanaal 134

IV. De Atlantische Oceaan 153

V. Eene stortzee 172

VI. Dobberende bij de Canarische eilanden 191

VII. Tusschen de keerkringen 210

VIII. De muiterij 230

IX. Eene lijkplechtigheid aan boord 249

X. Naar Brazilië’s hoofdstad 268

XI. Weer naar zee 287

XII. Een onderhoud.—Bruinvisschen 306

XIII. Storm.—Om de zuid 324

XIV. Kaapsche duiven en Albatrossen 340

XV. In den Zuidoostpassaat 354

XVI. Straat Sunda 367

AANTEEKENINGEN 385

VOORSPEL:

VAN PASTOOR SOLDAAT

I.

OP SLAVANTE.

Op een zonnigen namiddag in de laatste helft van Juli des jaars 185.,

was het in den omtrek van den bouwval van het slot Lichtenberg, in de

nabijheid van Maastricht op den Sint Pietersberg gelegen, bijzonder

levendig.

Op Slavante, die lieve buitensocieteit, welke op de helling van den

genoemden berg verrijst, gaf dien dag de kapel van het 28ste Pruisische

linie-regiment—daartoe uit het naburige Aken overgekomen—een matinée

musicale en de élite van Limburgs hoofdstad was daar vereenigd om de

heerlijke melodiën te genieten; terwijl een dartel zuidewindje door het

hoog geboomte voer, hetwelk zich op de berghellingen achter het Casino

verhief, en met zijn eigenaardig suizen in het gebladerte een zacht

maar wondervol lispelen aan de akkoorden toevoegde, waardoor eene

liefelijkheid te meer aan die fraaie muziek bijgezet werd.

Statig, maar toch gezellig waren eene menigte dames en heeren op het

lommerrijk plateau, hetwelk het schilderachtige Casino-gebouw omgaf,

rondom kleine tuintafels gezeten. Op sommige dier tafeltjes prijkte het

traditioneele Nederlandsche theeservies, waarbij dan de ruischende

waterketel aan de voeten der minst jonge dame van het gezelschap niet

ontbrak. Meer aan den Limburgschen landaard getrouw, was op andere de

koffiepot te ontwaren, waarin in die streken gewoonlijk een

afschuwelijk brouwsel van zeer weinig koffie met zeer veel

chicorei—„soekerei”, zooals de inboorlingen zeggen,—vervat was; maar

die, als bij vergoeding, geflankeerd werd door een paar borden met zeer

dunne boterhammetjes van blanke „mik” en van een of meer „pruimen- of

kersen-vlaas”, die onwillekeurig aan een wagenrad deden denken. De

meesten der aanwezigen vergastten zich evenwel aan Maastrichter bier,

dat zoo overheerlijk smaakt; zoodat dan ook verreweg de meeste

tafeltjes met een eerbiedwaardig aantal flesschen prijkten, op welker

etiquetten in groote letters het woord „schuimbier” te lezen was.

Die daar zaten, waren de meer bedaagden, de stemmigen van de

aanwezigen: de papa’s en mama’s, de ooms en tantes. Ook enkele

dochters, nichten en zusters, arme wezens reeds in den dalenden tak van

het leven, waren rondom die tafeltjes blijven zitten. Levendigheid,

ging de laatstbedoelden niet meer zoo goed af, en.... men kon toch niet

weten, wellicht dat onder dat loofdak, de een of andere rondkuierende

van het sterkere geslacht, smachtende naar een gevoelig hart, eene

bevalligheid in het oog kreeg, die helaas! tot nu toe onopgemerkt

bleef.

Op de ruimte evenwel, die zich beneden aan de helling van dat plateau

uitstrekte, langs de wandelwegen, die slingerend en steil klimmend en

dalend, door dichte boschjes van „meibloem”-struiken (seringen), die

reeds uitgebloeid waren, of van jasmijnen, die de lucht met heerlijke

geuren vulden, van dat plateau naar die ruimte voerden, krioelde eene

dartele jeugd van beiderlei kunne, hier stoeiend en plagend, daar

elkander vervolgend, elders weer in den hoogen schommel wiegelend, maar

overal met den frisschen blos van gezondheid, genoegen en levenslust op

de koonen, op die koonen, die, vooral bij het teedere geslacht in ons

Limburg, met haar zacht dons, lief en bevallig zoo veel overeenkomst

met eene heerlijk ontwikkelde perzik hebben.

En daar dartelden lieve meisjesgroepen, snoeperige bakvischjes en meer

ontwikkelden, met bruine haarlokken, die hen een bevalligen diadeem

vormden; met lelieblanke voorhoofden, als ware het marmer; met fijn

gevormde neusjes, die wel iets van den stijven Griekschen vorm afweken,

en eenige overeenkomst met een kaarsendompertje vertoonden; met dunne

maar toch tot zoenen gevormde lipjes; met ronde kinnetjes, die van een

bewegelijk onderkaaksvermogen getuigden; met donkere vlammende oogen,

die aan de naburige Waalsche type deden denken; met fraaie en weelderig

ontluikende bustes, die een beeldhouwer in verrukking moesten

brengen;—daar dartelden en stoeiden die lieve wezentjes te midden van

jongelingsgroepen, die den krachtigen Limburgschen grondvorm in zijne

volle ontwikkeling vertoonden.

Maar bij stoeien en dartelen bleef het niet.

Sloeg toch de opmerker de paden in, die langs de grensmuren van het

Casinoterrein voerden, dan zag hij heel wat anders. Langs die muren,

die, van mergelblokken opgetrokken, door haar in puin vallend

kanteelwerk of door hare ogiefvormige versieringen aanduidden, dat zij

eenmaal eene Gode gewijde plaats omheinden, wandelde menig jeugdig

paartje, dat zich van het gejoel daar ginds afgezonderd had. Langs die

muren, die vroeger vrome lofzangen ter verheerlijking van den Schepper,

of treurige psalmen tot boetedoening weerkaatst hadden, klonk nu zacht

gefluister van jeugdige harten, als waren zij bevreesd hunne stemmen

onder het lommerrijke dak, dat hun pad overwelfde, te verheffen. Langs

die muren, die weleer slechts in zwart gehulde vrouwengedaanten, met

het brevier in de hand en het kruisbeeld aan den gordel, voorbij hadden

zien sluipen, werden nu hier en daar—ja waarom zou zulks verheeld

worden? het is toch zoo natuurlijk—achter beschermende „konkernollen”

struiken, of vooruitspringende muurgedeelten, zachte en verrukkelijke

geluiden vernomen, als b.v. van het luchtledige op eene wang

veroorzaakt.

De jeugd blijft altijd jeugd! Zij kan het—het luchtledige op eene wang

veroorzaken, wel te verstaan—nooit jonger doen.

Aan een der tafeltjes op het bovenbedoeld plateau zat eene Maastrichter

familie, bestaande uit man, vrouw en een zoon, die ter wille van het

volgende verhaal voor een oogenblik onze aandacht moet bezighouden.

Eenige tuinstoeltjes, die, voorover gebogen, tegen den tafelrand

leunden, duidden aan, dat het gezin talrijker was; maar dat de

afwezigen tot de dartelende, wellicht tot de pneumatische pompen van

straks behoorden, hetgeen voor den loop dezer geschiedenis minder

belangwekkend is.

Het zij hier ter loops gezegd, dat de familie Riethoven een gezin was

van gegoede burgerlieden, die met een vrij talrijk kroost gezegend

waren. De beide ouders waren de vijftig vrij wel genaderd, en leverden

overigens weinig opmerkenswaardigs op, om ons mee bezig te houden.

De zoon, die bij hen was blijven zitten, was een jongeling van achttien

of negentien jaren, die een frisch blozend gelaat bij een flink

ontwikkelden lichaamsbouw vertoonde. Over het algemeen had hij geen

ongunstig uiterlijk; alleen zijn oogopslag was minder aangenaam. Bijna

nooit durfde hij den persoon aan te zien, met wien hij sprak. Hij hield

dan den blik schuchter ter neergeslagen, en waagde het alleen de oogen

op te slaan, wanneer hij meende, dat zijn toespreker hem niet aankeek,

en diens aandacht elders gevestigd was. Daarbij had hij het hoofdhaar

zeer kort en zoodanig afgeknipt, dat de haarlijn in een halven boog

zonder inspringende hoeken boven dat hooge voorhoofd welfde van het

eene oor tot het andere, waardoor hij in zijn uiterlijk wel iets van

het terugstootende van een kwakerhoofd vertoonde. Hij was daarenboven

in een zwart lakensche jas met lange afhangende panden gekleed,

waaronder een dito vest zichtbaar werd, dat tot hoog bij den hals

zonder borstomslagen te vertoonen, dichtgeknoopt was; zoodat geen ander

linnengoed te zien was dan een heel smal boordje, dat boven een vrij

breede zwart zijden das uitstak. Aan de handen, die het spoor droegen

van niet veel zorg te erlangen, waren geen manchetten te bespeuren. Zij

zouden ook overbodig geweest zijn, want met hunnen eigenaardigen snit

omsloten de mouwen den arm bij het polsgewricht zoo nauwkeurig, als

wilden zij ijdele blikken afweren.

Het was in één woord een beeld van den seminarist, van den

Christelijken jonkman, zooals dergelijken in die dagen genoemd werden.

Hij was dan ook een der studeerende jongelingen van Rolduc, van die

kweekschool van jonge priesters, op de grenzen van Nederland en Pruisen

gelegen. Het was thans vacantie, en het had den vader veel moeite

gekost om zijn vromen zoon over te halen, zoo’n wereldsch vermaak als

een matinée musicale is, in tegenwoordigheid zijner ouders bij te

wonen. Toen hij niet meer weigeren kon, had hij het „vademecum”, dat

hij van zijn biechtvader meegekregen had, geraadpleegd en toen hij

daarin geschreven vond, dat hij, die het gevaar zoekt, in het gevaar

vergaan zal, had hij het boekje met een zekeren weemoed dichtgeslagen.

Hij kantte zich nog wel tegen den wensch zijns vaders aan, maar gaf

toch eindelijk toe, en troostte zich met de gedachte, dat hij het niet

was, die het gevaar opzocht. Hij werd tegen zijn wil in het gevaar

gebracht. Als aanstaande strijder van de Kerk, zou hij evenwel weten

pal te staan. Intusschen prevelde hij op de wandeling naar Slavante met

vuur: „In viam pacis.... In nomine Domini!” [1] een gebed, dat hem als

„itinerarium”, als marschorder op het pad des levens gedurende de

vacantie verstrekt was.

Hij zat daar nu bij zijne ouders, keek voor zich en deed zich bijzonder

te goed aan de „pruimenvlaai”, die hem door zijn „vademecum” niet

verboden scheen.

„Kom, hoe zit je daar zoo als een druiloor, Herman?” sprak de vader.

„Ik meende je genoegen te verschaffen, door je die heerlijke muziek te

laten hooren.”

„Genoegen!” antwoordde Herman—want zoo heette onze seminarist.

„Genoegen!” antwoordde hij met bitterheid in zijn stem. „Ik had veel

liever het Lof in de O. L. V. Kerk bijgewoond. Mompeer [2], het „pangue

langua” [3] is andere muziek dan dit! dat verzeker ik u.”

„Gij kent mijn gevoelen,” hernam de vader. „Vóór gij den

onherroepelijken stap doet, vóór gij de „soutane” aantrekt, is het mijn

wensch, dat gij een blik werpt in de wereld, die gij op het punt staat

vaarwel te zeggen.”

„O! niets zal mij aan het wankelen brengen,” sprak de jongeling met

vuur. „Niets, het allerminst die wereld”...

„Die zoo schoon is, die zooveel betooverends heeft!” klonk eene stem

achter Herman, terwijl hij tevens eene hand voelde, die op zijn

schouders rustte.

Het was de stem van een jonkman, die de vrome ontboezeming afbrak.

De nieuw aangekomene vormde met Herman wel een scherp contrast. Was

deze ernstig, stemmig, teruggetrokken, de andere was de vroolijkheid in

persoon, was opgeruimd en mededeelzaam. In zijn open helderen blik lag

zijne geheele ziel te lezen. Zelfs zijn krullebol stak aangenaam af bij

het vrome hoofd van den ander; terwijl zijn jaquette, zijn vest van

keurigen snit en zijne pantalon-collant getuigenis aflegden, dat hij

over kleeding en modes anders dacht, dan dat in het seminarie, gedaan

werd.

„God! zijt gij dat, Frank?” kreet Herman, terwijl hij opsprong, toen

hij zijn vriend herkende, die hem de hand toestak.

„Ja, dat ben ik! Ik, Frank Brinkman.”

„En waar komt gij vandaan?”

„Niet regelrecht van Leiden,” antwoordde Frank met een schaterlach,

terwijl hij op de ouders van Herman toetrad en hen als oude bekenden

begroette.

Hij greep een stoel, en zette zich bij het gezelschap neder.

„Ik heb van mijn goeden vader verlof gekregen om een reisje door België

te maken,” ging hij voort, toen hij gezeten was, „en ben nu zoo wat aan

het boemelen. Ik ben van Leiden naar Brussel gereisd, spoorde van daar

naar Namen en Dinant, en bezocht de grot van Han. Dat was eigenlijk het

groote doel mijner excursie, en nu keer ik over Maastricht naar

Nederland weer. Evenwel zoo langzaam mogelijk, dat begrijpt gij!”

„Maar hoe komt ge thans hier?”

„Wel, dat is doodeenvoudig. Ik kwam heden ochtend met de Maasboot van

Luik aan. Ik vernam in de „Levrier” [4], dat er heden namiddag te

Slavante muziek gemaakt werd en dat geheel Maastricht daar vereenigd

zou zijn. Ik wou mijn kennis van land- en volkenkunde vermeerderen. Ik

had vernomen, dat de Maastrichtsche meisjes de mooiste meisjes van

Nederland waren, en ik wilde in de gelegenheid zijn om punten van

vergelijking te maken.”

„Gij!... Frank, gij?...” stamelde Herman met ontzetting in zijne stem.

„Ja... ik! O ja, je weet nog niet, dat ik „le froc aux orties” geworpen

heb.”

„Gij! Frank, gij? Hoe is het bij God mogelijk? Gij de vroomste van ons

allen!...”

„Gij weet dat mijne ouders mij, nadat ik Rolduc verlaten had, naar het

gesticht der paters Jezuïeten te Katwijk gezonden hebben. Dat was

dichter in de buurt, verzekerde mijn vader. Begon het mij evenwel te

Rolduc al weinig aan te staan, daar te Katwijk was het heelemaal mis.

Maar, dat zal ik je later wel eens verhalen. Kom nu met mij mee. Ik heb

mijn punten van vergelijking nog te maken.”

„Wees nu toch niet dwaas!” antwoordde Herman.

„Noem je dat dwaas, naar mooie meisjes om te zien? Kom, wat ik er al in

het voorbijgaan van gezien heb, doet mij naar het voortzetten mijner

vergelijkingen verlangen.”

Hermans vader knikte Frank toe, als om hem aan te moedigen op het

ingeslagen pad voort te gaan, en de poging niet op te geven.

De vrome jongeling stribbelde tegen; maar het mocht niet baten. Frank’s

overredingskracht was onweerstaanbaar. Hij greep zijns vriends arm,

noodzaakte hem op te staan, en verwijderde zich met hem.

„Dat ge den jongen zoo plagen kunt, en hem zijne roeping niet

ongestoord volgen laat,” was de bemerking der moeder, toen de

jongelieden weg waren. Zij had den wenk van haren echtvriend wel

bespeurd. Haar was die niet ontgaan. „Gij ziet toch welk hartzeer gij

hem telkens aandoet.”

„Ik wil hebben, dat hij de wereld leert kennen, alvorens hij den

onherroepelijken stap doet,” herhaalde de vader met grommende stem.

„Het is zoo maar niets, niet waar? om in eene ondoordachte, ja

onbezonnen bui, ieder huiselijk geluk vaarwel te zeggen, zich te midden

der maatschappij op een eiland te plaatsen nog eenzamer als dat van

Robinson Crusoë was, ja zich in vollen strijd met die maatschappij te

begeven!”

De moeder zuchtte, maar antwoordde niet. Instinktmatig gevoelde zij, in

weerwil van haren godsdienstijver, dat de vader gelijk had.

De beide vrienden waren inmiddels voortgeloopen. Frank, aan zijn

vergelijkingsplan getrouw, zocht natuurlijk de lanen, de slingerpaden

op, waar de liefste kopjes dartelden. Ja, hij versmaadde ook de paden

langs de omheiningsmuren niet.

„O! kijk eens,” riep hij nu en dan uit, „kijk eens, wat een lief

bekje!”

„Kijk eens, wat bekoorlijk golvende krullen!” klonk het iets verder.

„O! maar zulke lieve blauwe oogjes zag ik nimmer!” was de volgende

uitroep.

Wat Herman bij die hartstochtelijke ontboezemingen leed, is niet te

beschrijven. Het was hem te moede alsof hij met vuur speelde. Bij

iederen uitroep zijns vriends waagde hij een oogopslag, schuchter en

bliksemsnel, maar toch langdurig genoeg om hem de juistheid dien

geestdriftvolle opmerkingen te doen inzien. Het waren inderdaad lieve

bakkesjes, bekoorlijke krullen en betooverende oogen, die men daar

opmerkte.

„Vade retro Satanas!” [5] prevelde hij met een soort grimmigen moed,

wanneer zijn blik dien van de eene of andere schalksche schoone

kruiste, die een glimlach niet kon onderdrukken, bij het zien van dien

langgejasten jongeling, en die nog meer getinteld zoude hebben van

spotlust, wanneer het lieve kind had kunnen raden, dat zij even als

satan verzocht werd achteruit te wijken.

Of hij boog demoedig het hoofd, als voelde hij, dat hij niet de

sterkste was, dat zijn gebiedend woord aan den vorst der duisternis

zonder kracht bleef, en prevelde met den meest mogelijken ootmoed:

„Sub tuum presidium confugimus sancta Dei genetrix!” [6]

Frank schaterde het uit van lachen. In plaats van zich in de hoede der

Moedermaagd aan te bevelen, spoorde hij met zijne blikken de schoonen

na, keek haar stoutmoedig in de fraaie oogen, en noodzaakte haar die

spiegels der ziel voor den stouten blik van dien aanvalligen krullekop

neer te slaan.

„God! wat is de wereld toch schoon!” riep de geestdriftvolle jongeling

als in een dankgebed uit.

Zij hadden het terrein reeds verscheiden malen doorgewandeld. Geen

laan, geen slingerpad was door hen onbezocht gebleven, en nog liet

Frank niet merken, dat hij aan zijn vergelijkingstocht een einde wilde

maken. Herman trachtte hem mee te troonen naar de zitplaats der oude

lieden; maar daar had de schalk geen ooren naar. Eindelijk in

vertwijfeling stelde de vrome jongeling voor:

„Kom, laat ons naar de ruïne van Lichtenberg gaan.”

„Naar Lichtenberg?” vroeg Frank.

„Men heeft daar een fraai uitzicht,” verzekerde Herman.

„Fraaier als dat, wat men daar van dat soort balkon geniet, waar men

boven op dien loodrechten muur staande, als het ware het geheele

Maasdal overziet?”

„O! veel fraaier!”

„Is het ver van hier?”

„Neen, vlak bij.”

„Vooruit dan maar!” zei Frank na eene lichte aarzeling. En bij zich

zelven mompelde hij: „Een fraai uitzicht, en vlak bij... wel, dan

zullen daar ook wel jonge meisjes aangetroffen worden. De schoonen

zoeken het schoone!”

Beiden verlieten door de zuiderpoort de enceinte van het Casinoterrein.

De niet al te breede weg voerde een poos door dicht struikgewas, een

waar bosch van hazelnotenstruiken. Toen splitste hij zich in twee

takken, waarvan een rechtsom sloeg, en de andere nog een poos in

zuidelijke richting voortging.

„Welke van de twee?” vroeg Frank, die op het mulle pad vooruittrad.

„Rechtdoor,” antwoordde Herman, „die daar rechts voert naar den ingang

van den Sint Pietersberg.”

„Drommels! dien moet ik ook nog zien,” zei Frank, „maar heden niet.

Morgen wellicht.”

Zij volgden het aangewezen pad, dat aan den linkerkant meer vrij werd,

en eindelijk een fraai uitzicht over het Maasdal opende. Maar

plotseling boog het ook rechts om, en steeg nu door een soort ravijn

vrij steil omhoog. Boven gekomen, geleidde Herman zijn vriend door een

hek van ruwe planken in elkander getimmerd. Daar verrees de ruïne van

het oude Ridderslot, die het doel van hun tocht was, aan hunne

rechterzijde. Maar, bij het betreden van dat terrein, ontsnapte aan

Frank een kreet van bewondering.

Het was de bouwval niet, hoe opmerkenswaardig overigens, die hem dien

kreet ontwrong. Neen, maar daar vlak voor onze jongelingen ontwikkelde

zich een panorama, dat al heel spoedig hun beider ziel vervulde, en

hunne geestvermogens boeide. Zij bevonden zich op een soort van

bergplat, op welks midden de ruïne in alle statigheid verrees. Van den

bouwval helde het terrein met eene zachte glooiing een paar honderd

passen naar den kant van het Oosten, vormde daar een rand, en daalde

met zeer scherpe helling naar beneden. Die helling was met struikgewas

overdekt, voornamelijk met wilde rozelaars, welker scherpdoornige

vertakkingen wijd en zijd uitgespreid en doorweven waren met de woest

dooreengroeiende ranken van niet minder stekelige braambeziën-struiken.

Die dicht begroeide helling vormde een fraaien voorgrond aan de voeten

onzer beschouwers, vooral daar ook te midden van die struiken,

allerliefste meisjeskopjes te voorschijn kwamen, die zich bezighielden

met braambessen,—„brommelen” in de landstaal geheeten,—te zoeken, en

zoo te midden van die wild groeiende takken met haar frisch groen en

met hare roode eglantiersbottels en donkerblauwe bessen eene

allerliefste omlijsting vonden.

Maar, aan den voet van de helling ontwaarde de blik de Maas, die daar

zacht murmelend voortstroomde over haar bed van keien, welke zelfs van

die hoogte in het heldere water zichtbaar waren. De rivier was daar

vrij breed, doch van het punt gezien, waar onze jongelingen stonden,

vertoonde zij zich als een breed zilveren lint, dat zich naar het

zuiden toe in zachte bochten door het bekoorlijke landschap wrong, en

waren hare kronkelingen in die richting tot bij den gezichteinder met

het oog te volgen. Naar den noordkant schoot de stroom in nagenoeg

lijnrechte richting voort, maar verdween weldra voor het oog, verborgen

door de scherpere hellingen van den Sint Pietersberg, welke aan dien

kant als omhoog steigerden. Alleen kon het oog aan die zijde als in een

hoekje eenige daken en hooge fabriekschoorsteenen bespeuren, die

aangaven dat eene stad in de nabijheid lag. En inderdaad, die daken

behoorden tot de voorstad Wijk, en die schoorsteenen tot de fabriek van

aardewerk, die aan den zuidkant van die voorstad gelegen was.

Naar den oostkant, daar vlak voor onze jeugdige beschouwers, aan den

overkant der Maas, strekte zich een landschap, uit, dat in den volsten

zin des woords betooverend mocht genoemd worden. Aan de boorden van de

Maas, daar vlak tegenover Lichtenberg, lag een lief kasteeltje, hetwelk

zijn helder witte muren en zijn bevallig torentje in het spiegelgladde

water weerkaatst zag. Links daarvan, naar den kant van Maastricht,

strekte zich het dorpje Heugem evenwijdig aan de Maas uit. Iets verder

meer in het noordoosten vertoonde zich het dorpje Scharn, daarnaast het

grootere dorp Heer, daar vlak tegenover geheel in het oosten het dorp

Gronsveld met zijnen schilderachtigen windmolen, die zijne wieken

lustig liet ronddraaien, en het landschap eigenaardig stoffeerde. Meer

in het zuidoosten werd het dorpje Rijckholt ontwaard, en daar ginds bij

die sierlijke buiging van den Maasstroom schitterden de witte muren van

het dorp Eijsden, de laatste plaats op Nederlandsch grondgebied, in het

zonlicht; en bij den horizon duidden eenige glinsterende stippen Visé

aan, dat eerste stadje op Belgisch grondgebied.

Het landschap tusschen die dorpen was een echt Zuid-Limburgsch

landschap; d.w.z. een zoo vruchtbare landouw, als maar voor oogen

getooverd kon worden. Uitgestrekte graanvelden, die, het rijpen nabij,

haren goudgelen rijkdom onder de bries lieten golven, afgewisseld met

aardappelenvelden, waarvan het donkere loof in dat jaargetijde een

verrassend contrast daarmede vormde. Daartusschen staken koolzaadvelden

met hare zwavel-geelkleurige, en klavervelden met hare lilakleurige

bloemen af, en vormden te zamen met hare groene heggen en hare rijen

van popels, welke die velden omzoomden, een onmetelijk schaakbord met

vele vakken, dat rijk geschakeerd, tot aan den Keerderbergrug reikte,

die daar ginds den gezichteinder in het oosten begrensde, en daar een’

heerlijken achtergrond vormde. Die heuvelenrij strekte zich zuidwaarts

uit, naderde op hare beurt in het verschiet de Maas, liep dan nagenoeg

evenwijdig aan den Sint Pietersberg, en vormde met dien een dal voor de

schoone rivier, dat verrukkelijk te noemen was, en iedereen, die een

open oog voor natuurschoon had, moest boeien.

„Het is schoon! wonderschoon!” betuigde Frank met geestdrift, „en ik

dank je Herman, dat ge mij hierheen gebracht hebt. Ziet ge nu wel, dat

het zijn nut heeft.... op vergelijkingen uittegaan. Als wij bij je

ouders hadden blijven zitten, dan.... dan had ik althans dat gezicht

gemist.”

Frank kreeg geen antwoord op die ontboezeming. Hij lette daar

voorshands niet op.

Daar ginds op de Maas, in dien bocht daar bij het dorp Eijsden,

vertoonde zich eene stip, die in hooge mate zijne aandacht trok.

„Wat is dat daar op de rivier?” vroeg hij.

Geen antwoord. Andermaal lette hij daar niet op, maar keek scherp uit,

terwijl hij de handen, met de vingertoppen tegen elkander, om en boven

de oogen bracht om zijn gezichtsvermogen te versterken.

„O! nu zie ik het,” riep hij na een poos turens eensklaps uit. „O! nu

zie ik het! het is de Maasboot met haren zwarten romp, die als een

zwart puntje op den helderen waterspiegel afsteekt, maar waarboven zich

de stoomwolken, die zij ontlast, als eene onmetelijke pluim

uitstrekken, ombuigen en als eene schitterend witte streep vormen, die

fijn begint en langzamerhand verbreedt. O! wat is dat fraai! Zeg....

Herman....”

Geen antwoord.

„Zeg, Herman!.... Zie je dat?”

Geen antwoord. Thans keerde Frank zich om, met de woorden op de lippen:

„Waar zit hij?”

Hij ontwaarde toen zijn vriend, die op een kleinen afstand achter hem,

maar half met den rug naar hem toegekeerd, naar iets te turen stond. In

den stand, waarin Herman geplaatst was, kon ontwaard worden, dat hij de

armen over de borst gekruisd hield, en duidelijk hoorbaar prevelde:

„Sub tuum presidium....”[6]

„Confugimus sancta Dei genetrix,”[6] viel Frank lachend in. „Het is bij

mijn ziel nu wel tijd om zich onder de hoede van de Heilige Maagd te

stellen! Maar, waar kijk je naar?.... Drommels! wat een paar mooie

meisjes! O! zoo; is dat het presidium, hetwelk je wenscht te

aanvaarden! Zoo, zoo!”

Daar op dat bergplat, bij de ruïne, wandelden temidden van de velen,

die ook daar stoeiden en dartelden, een paar jonge dames, die door het

schoone panorama, hetwelk daar onder de Julizon lag te glinsteren, ook

aangetrokken schenen, en geen oog daarvan afwendden. Beiden hadden

bevallige slanke gestalten, vertoonden eene heerlijke buigzame leest op

weelderig gevormde heupen en eene ontwikkeling van schouders en borst,

die allerbekoorlijkst mocht heeten.

Beiden droegen een diadeem van overvloedige krullen om het fraai

gevormde hoofdje, maar bij de eene was die haardos blond, en gingen

daarmede een paar fraaie azuurkleurige oogen gepaard; terwijl hij bij

de andere donkerbruin was, en onder de fraai geteekende wenkbrauwen een

paar donkere oogen glinsterden, die met recht diamanten mochten genoemd

worden. Een fraai gevormd neusje, een mondje, liefelijk als een pas

geopende granaatappel, een mat wit voorhoofd en bevallig genuanceerde

wangen voltooiden het beeld van de laatstbedoelde lieve maagd, welker

verschijning onzen vromen jongeling dermate boeide, dat hij de aarde

voor zich verdwenen achtte, althans van de vragen zijns vriends niets

vernomen had.

„Schoon vat van devotie!” mompelde hij in zijn verbijstering, en als

uit een oude gewoonte, „Toren van David! Guldenhuis! Arke des

verbonds....!”

Frank legde hem de hand op den schouder, en stuitte zoo de vrome

uitroepen, die den omvang van de geheele litanie van Lorette dreigden

te verkrijgen.

„Wie zijn die dames, die vaten van devotie?” vroeg hij.

„Die dames?....” sprak Herman aarzelend en als verschrikt. „Ik weet

niet, wie je bedoelt.... Ik ken ze niet.”

Frank keek hem uitvorschend aan. Hij greep zijn vriend onder den arm.

„Kom,” zei hij, „laten wij naar de ouwe lui terugkeeren. Ik ben

eenigszins vermoeid.”

Beiden keerden om, daalden door het ravijntje af, waarlangs zij naar

boven gekomen waren. Toen zij beneden gekomen, evenwel nog voor dat zij

de poort van het Casinoterrein binnengetreden waren, haalden zij de

twee jonge dames, die ook den terugtocht aangenomen hadden, in. De

beide vriendinnen stonden met een derde, die haar tegemoet gekomen was,

te snappen. Bij het omgaan van eene buiging, die het pad vormde,

stonden onze jongelieden eensklaps voor haar. Frank voelde het lichaam

van zijn vriend, met wien hij gearmd wandelde, hevig trillen. De dames

traden wat op zijde; de heeren stapten met eene beleefde buiging

voorbij.

„Zult ge nu nog zeggen, dat gij die dames niet kent?” vroeg Frank.

„Neen, ik ken ze niet,” betuigde Herman andermaal, met de hand op het

hart.

„Dan zal ik mijn vraag aan uw’ vader richten, die zal ze wel kennen.”

„Om Godswil! neen, doe dat niet!” sprak de vrome jongeling met iets

hartstochtelijks in zijne stem.

„Waarom niet?”

„Gij zoudt mijne goede moeder verontrusten, die is er zoo op gesteld

dat ik geestelijke word, en....”

„Zoo?... Ik geloof evenwel, dat gij goed zult doen, als gij die roeping

in nauwgezette overweging neemt. Ik vergis mij niet veel, als ik beweer

dat die bruine krullen daar achter ons, in strijd komen met de soutane,

die tot heden uw eenigst droombeeld uitmaakte. Is het zoo niet?”

„Ik ga morgen-ochtend dadelijk te biecht. Ik moet mijn gemoed aan de

voeten van mijn biechtvader uitstorten,” sprak Herman met dweepachtige

overtuiging.

„Mijn raad zou zijn: dat ge trachtet te weten te komen, wie die jonge

dame is, daarna zoudt gij hare familie een bezoek kunnen brengen. Ik

geloof dat die proef meer afdoend zou zijn, dan dat gewauwel in een

biechtstoel.”

„St!... de ouwe lui kunnen ons hooren.”

Werkelijk waren de beide jongelingen het tafeltje weer genaderd, waar

Herman’s ouders gezeten waren.

„Wel, mijnheer Frank,” vroeg de heer Riethoven, „zijt gij in uwe

vergelijkende studiën geslaagd? Is uwe opinie omtrent de Maastrichtsche

jonge dames gevestigd?”

„Ik moet erkennen, dat de faam dezen keer niet overdreven heeft,”

antwoordde Frank met vuur. „Wij hebben beelderig mooie kopjes gezien,

nietwaar Herman?”

Deze trok onverschillig de schouders op.

„Twee hebben vooral onze aandacht geboeid,” ging Frank voort, en kon

daarbij eene kleine plagerij niet nalaten. „Een lieve blondine en eene

heerlijke brunette. Kijk, maar zoo iets liefs” en hij wendde zich tot

mevrouw Riethoven, „zoo iets liefs was mij nog niet onder de oogen

gekomen.”

„Wie waren het?” vroeg deze aan haren zoon.

„Weet ik het, mameer?” antwoordde deze op onverschilligen toon. „Ik heb

er niet op gelet.”

„Hij heeft er niet op gelet, de brave Herman!” lachte Frank. „Hij

prevelde maar zoo wat van: schoon vat van devotie!”

Herman bloosde licht, en wierp op zijn vriend een snellen blik. Daarin

was evenwel zoo eene bede om te zwijgen opgesloten, dat Frank het

gesprek over dat onderwerp staakte. Slechts nog eene plagerij wilde hij

aanwenden, meer om zekerheid te krijgen, dan wel omdat hij er genoegen

in vond.

„Kijk, mevrouw,” sprak hij tot Hermans moeder, „kijk daar komen ze aan.

Vindt ge die blondine niet een juweel van een meisje?”

Mevrouw Riethoven keek naar de aankomende aandachtig.

„Die blondine ken ik niet. Dat is zeker een logeetje,” zeide zij. „Maar

de andere dat is de oudste dochter van mijne beste vriendin, dat is

Lydia Fraenkel. Bonjour Lydia!” riep ze.

De beide meisjes traden op de familie toe, wisselden een hartelijken

handdruk met de ouwe lui, eene buiging met de jonge heeren, en

verwijderden zich, om zich naar haar eigen gezelschap te begeven.

Frank had inmiddels een vreemden blik op Herman geslagen, die dezen tot

achter de ooren deed blozen.

De Pruisische muzikanten hadden inmiddels hun programma afgespeeld. Als

toegift gaven zij nog het in dien tijd algemeen bekende: Sie sollen ihn

nicht haben den freien Deutschen Rhein, dat evenwel al heel weinig

sympathie opwekte. De Maastrichtenaars hadden voorzeker veel liever de

Marseillaise of de Brabançonne, en kon dat niet, dan het Wien

Neêrland’s bloed gehoord, dan die Duitsche poespas, die iedereen

onverschillig liet. Toen de muziek zweeg, was het plateau van het

Casino spoedig leeg. Slechts weinige tafeltjes bleven door bierproevers

bezet. Het overige van het publiek nam den terugtocht aan. Ook de

familie Riethoven, waarbij Frank zich natuurlijk aansloot, toog

stadwaarts. Terwijl zij den zigzagweg afdaalde, die langs de helling

van den berg naar de Maasboorden voerde, klonk een lied, door frissche

flinke stemmen aangeheven, die een goed mannenkoor geen oneer zouden

aangedaan hebben. In die dagen had een gezelschap van Pyreneesche

bergzangers noordelijk Europa bezocht en het lied, wat thans

voorgedragen werd, was eene navolging van een hunner nationale

gezangen, en klonk allerliefst van daar boven over de Maas-oppervlakte:

Riants bords de la Meuse! à toi tous mes amours!

Patrie du houblon, je t’aimerai toujours!

Rien n’est si beau que le mont Saint Pierre!

Rien n’est ni bon qu’un verre de bierre!

O! Maastrichtois (bis) Chantes en paix (bis) De ton pays (bis) la

[bierre et le bonheur

La lalala la la la lalala la la!

II.

TE ROLDUC.

Ettelijke maanden waren sedert de matinée musicale voorbijgegaan,

waarvan in het vorig hoofdstuk werd gewaagd. De vacantie der

seminaristen van Rolduc was voorbij gespoed. Het was nu November, en

daar onder de sombere gewelven van die kweekschool van geestelijken was

de somberheid van het saisoen nog vermeerderd door de uitspattingen van

menschelijke dwaasheid.

Herman was daar teruggekeerd. Zooals hij aan Frank betuigd had, was hij

daags na zijn bezoek bij de ruïne van Lichtenberg, alwaar hij een

engelenkopje in het verschiet gezien had, den biechtstoel genaderd, en

had daar zijn hart uitgestort, en zijn biechtvader een blik gegund op

hetgeen in dat hart omging.

„Alle kwaad is der wereld van wege de vrouw overkomen!” had de

eerwaarde heer gepreveld, en daarbij niet bedacht dat hij eene moeder

had of althans gehad had.

„Verootmoedig u voor den Heer,” had hij er bijgevoegd. „Vraag hem

sterkte in uwen strijd. Maar wend u voornamelijk tot de moeder Gods.

Zij, de kuische Maagd, moet u in uwe zwakheid schragen!”

De raad werd verder gegeven om dikwijls de genademiddelen der H. Kerk

te naderen, dikwijls het gemoed in den biechtstoel uit te storten, en

dikwijls het Brood der engelen te nuttigen.

„Vervalt gij, al is het nog zoo onwillekeurig, in onbetamelijke

gedachten ten opzichte van haar, die God slechts schiep om onze

standvastigheid in den strijd tegen de vleeschelijke lusten te

beproeven, bid dan, bid veel, bid altijd, bid vurig, bid aanhoudend.

Gij hebt maar één wapen, dat is het gebed. En mocht ge in den strijd

bezwijken, en een oogenblik van genoegen bij die gedachte ondervinden,

haast u dan naar den biechtstoel. Laat nimmer de zon ondergaan zonder

uwe ziel gereinigd te hebben. Het kleinste spatje op het gebied van

onkuischheid breidt zich als eene olievlek uit, en bederft weldra de

geheele ziel.”

En de vrome jongeling had gebeden, had gebiecht, had zelfs bij de

reinste gedachte aan het liefelijk wezen, hetwelk hij op zijn pad

ontmoette, zijn gemoed bezwaard gevoeld, had voor eene uiting van

onkuischheid beschouwd, als de fraaie gestalte voor zijn oog verrees in

al hare reinheid aan een engel Gods gelijk. Dan had hij tranen gestort,

dan had hij zich voor den Heer verdemoedigd, dan had hij de hulp van de

Heilige Maagd ingeroepen, en was er zoo toe gekomen om zijn gemoed

onder een kunstmatig juk te dwingen. Zoo was hij tot de meening

geraakt, dat hij den vleeschduivel meester zou blijven. Weg uit dat

gemoed iedere dichterlijke vlucht! dat was slechts betoovering der

zinnen, dat was slechts verzoeking van den booze, die zoo trachtte de

liefde in zijn hart te doen sluipen, in dat hart dat voor alle

wereldsche geneugten gesloten moest zijn, in dat hart, hetwelk slechts

ontvlammen mocht voor zijn’ Schepper. Liefde?... Hij! liefde koesteren

voor een schepsel?... Hij?... de bruidegom des Heeren!... Nooit!...

nooit!

„Nooit! nooit!” ruischte hem de doffe echo na in de Crypte [7] waarin

hij, voor het altaar geknield liggende, soms die verzuchtingen slaakte.

„Nooit! nooit!” herhaalden die sombere wanden, die zoo dikwijls

dergelijke betuigingen opgevangen hadden, en ze telkens terugkaatsten,

als weigerden zij er akte van te nemen.

De strijd was evenwel bang en zwaar. O! hoe dikwijls rees niet het

verboden beeld voor zijne ziel!

Ontmoette hij op de wandelingen, die door de seminaristen tweemaal ’s

weeks onder geleide van een paar professoren of regenten, des dinsdags

en des donderdags namiddag in den omtrek ondernomen werden, eene

vrouwengestalte, dan reeds van heel in de verte, lang reeds voor dat de

omtrekken van het mensch in hunne bijzonderheden te onderscheiden

waren, nam die gestalte in zijne verbeelding Lydia’s gedaante aan. Hij

mocht dan God smeeken en de H. Maagd te hulp roepen, hij kon onmogelijk

de oogen afwenden van de naderende, totdat hij, als ontwaakte hij uit

een droom, ontnuchterd erkennen moest, dat die gestalte hare gestalte

niet, dat het soms die eener oude boerin was. Grimmig, ja

teleurgesteld, wendde hij dan den blik af, om evenwel weinige

oogenblikken later dezelfde poets van wege zijne opgewekte verbeelding

te ondervinden. Waarlijk, hij vond dat Professor Canoy [8] groot gelijk

had, toen hij de jongelieden op een door hen gedaan verzoek antwoordde:

„Ik zou onze wandelingen wel door den kom der dorpen geleiden, als ik

ieder uwer een blinddoek voor de oogen kon binden.”

De wensch was onuitvoerbaar; men kon geen driehonderd à driehonderd

vijftig jongelingen blindemannetje laten spelen.

Sloeg de benarde zijne oogen tot een Maria-beeld op, dan nam dat beeld

Lydia’s trekken aan. Bad hij de litanie van alle Heiligen, dan gebeurde

het hem schier altijd, dat hij bij de opsomming der H.H. Maagden met

even veel godsvrucht prevelde: „Sancta Lydia, ora pro nobis.” [9]

Zoo was de maand November genaderd. In die maand had de gewoonlijke

jaarlijksche retraite plaats. Dat was het tijdperk om voor goed van

alle zondige gedachten afscheid te nemen. Met onnavolgbare geestdrift

volgde Herman alle de geestelijke oefeningen gedurende die

negendaagsche boetedoening. Met de meest mogelijke aandacht luisterde

hij naar de godsdienstige verhandelingen en sermoenen, door een paar

paters redemptoristen, daartoe speciaal overgekomen, gehouden. Hij

onderwierp zich goedsmoeds aan het strenge vasten gedurende dien

retraite-tijd, betrachtte ook stipt het diepste stilzwijgen, hetwelk

gedurende die dagen in het groote gesticht allerwege heerschen moest,

en eindigde die boetedoening evenals al de andere leerlingen met eene

algemeene biecht, die reiniging der ziel, zooals zij te Rolduc genoemd

werd, die „ketelschuring” zooals de volbloed Maastrichtenaars haar

heetten. Toen voelde hij zich als herboren. De pater, bij wien hij die

algemeene biecht afgelegd had, had hem den ketel zoowel in- als

uitwendig zoodanig geschuurd, en met grof zand ook, dat iedere gedachte

aan Lydia uit zijne ziel verbannen bleef. En verrees het liefelijke

beeld nog een enkelen keer voor zijne oogen, dan had hij de wilskracht

om zijn geest daaraan te onttrekken, en had zijn: retro Satanas alle

succes. De pater had hem eene „disciplien”, in minder gewijde

bewoordingen: „zweep,” ter hand gesteld, waarmede hij zich iederen

avond het vleesch kastijden moest, wanneer hij over zichzelven niet

tevreden was. Dat middel, met alle godsvrucht toegepast, had geholpen.

De herinnering aan de striemende slagen, op de naakte huid toegebracht,

gaf hem kracht om iedere gedachte aan de lieve Lydia terstond op de

vlucht te drijven. De keuze was ook te bar tusschen zweepslagen en....

eenige dichterlijke droomerijen betreffende een jong meisje. Het middel

was bepaald als probaat aan te bevelen.

Met zijne nadering tot de tafel des Heeren na die algemeene biecht was

hij, volgens zijne meening, een nieuw leven ingetreden en had den ouden

mensch afgelegd. Met ijver zette hij zijne studiën voort, en verwierf

van de superieuren van het seminarium de meest ondubbelzinnige teekenen

van tevredenheid niet alleen over zijne vorderingen, maar vooral over

zijn gedrag en zijne godsvrucht, die als voorbeeldig geroemd werden.

Zelfs de regent Schlietz, de leeraar der zesde klasse, die de

Maastrichtsche jongelieden een niet te miskennen haat toedroeg, en zich

vaak niet ontzag om bij wijze van gebed met luider stem te prevelen:

des paresseux de Maastricht, délivrez nous Seigneur, getuigde van onzen

Herman in het taaleigen van de inrichting: qu’il était un saint jeune

homme, hetgeen bij sommige der leerlingen, evenwel niet altijd juist,

beteekende, dat hij, wien die getuigenis betrof, een huichelaar en een

verklikker was.

De winter spoedde voorbij, en het voorjaar brak aan. Natuurlijk had

Herman, toen hij met de Paaschvacantie te Maastricht verscheen, zijne

godsdienstige plichten, voor het Opstandingsfeest voorgeschreven, te

Rolduc stipt volbracht. Maar toch de Heilige week, de „Passie-week”,

bracht hij grootendeels in de parochie-kerken door, ongeacht de

bezoeken, die hij in andere bidoorden, zooals in de kerk der Paters

Jesuiten op de Tongersche straat en de kapel der Broeders van den

Heiligen Vincentius in den Capucijner gang, aflegde. Hij woonde de

„lijdens-meditatiën” in de Sint Servaas-kerk bij; was op Witten

Donderdag in de O. L. Vrouwekerk, ter herinnering aan de instelling van

het H. Avondmaal, in aanbidding voor het H. Sakrament verzonken, volgde

op Goeden Vrijdag in de Sint Mathiaskerk de kruisvinding en juichte

zijn ziel het „Hallelujah” op Paaschdag in de Sint Maartens-kerk, in de

voorstad Wijk, mede. Maar gedurende de twee weken, die op Paschen

volgden, was het infaam slecht weer, een van die stormachtige lentes,

die ons Nederland zoo vaak vertoont. Hij ging toen weinig uit, en zoo

verliep de drieweeksche vacantie, zonder dat hij Lydia te zien kreeg,

zonder dat hem gelegenheid geopend werd afdoend te bewijzen, dat hij

den vleeschduivel onder den knie had. Er mag niet verheeld worden, dat

hij hoegenaamd geen poging deed om het lieve kopje in het oog te

krijgen. Zelfs had hij zich, onder het voorwendsel van naar het Lof te

moeten, er van afgemaakt om zijne ouders te vergezellen op eene koffie

visite bij de familie Fraenkel. Wantrouwde hij zijne zwakheid? Dan was

de overwinning niet volkomen!

De maand Mei—die maand van Maria—bood onzen Herman heerlijke geneuchten

aan. Met wat ijver had hij niet geholpen om het altaar, dat te Rolduc

midden in de kerk opgericht was, en waarop het Moeder Godsbeeld

prijkte, te versieren. Al de planten van de broeikas waren naar de kerk

verhuisd, en inderdaad was de heuvel van veelkleurige Geraniums en

Begonia’s, waarop of beter waartusschen het Mariabeeld, zelve uitermate

fraai uitgedoscht, geplaatst was, zeer smaakvol aangelegd. Hoe

geestdriftvol stemde Herman met den lofzang in:

C’est le mois de Marie,

C’est le mois le plus beau!

A la Vierge chérie

Disons un chant nouveau!

wanneer de gezamenlijke leerlingen des avonds nog een bezoek brachten

aan de kleine kapel der H. Maagd gewijd, op een kleinen afstand ten

zuidwesten van het gesticht aan een kruisweg gelegen, en daar die

werkelijk fraaie Hymne uit volle borst zongen. Met hoeveel godsvrucht

volgde hij de „conférences,” die gedurende die maand gehouden werden,

en waarin de deugden, de hoedanigheden, de eigenschappen van de

Godsmoeder haarfijn uitgeplozen werden, en zich ten slotte in eene

algemeene verheerlijking oplosten.

Bij een dier „conférences” had de Professor der Rhetorica Jansen het

over de kuischheid der H. Maagd gehad. Hij legde uit, dat die deugd bij

Haar allesoverheerschend was, dat zij die steeds en altijd betracht

had, en zich zelfs in het huwelijk kuisch en rein had weten te bewaren.

In fraaie oratorische wendingen wees hij er op, dat zij daardoor Gods

genade deelachtig was geworden, en uitverkoren werd om de Maagd-moeder

te zijn bij de vleeschwording van den Verlosser, die der wereld beloofd

was. Dit gaf aanleiding om over de zegeningen der kuischheid uit te

wijden; den heilstaat te beschrijven, die er uit voortvloeit; hoe

welgevallig het Opperwezen neerziet op hem, die steeds met dat reine

kleed getooid blijft; hoe de engelen in den hemel in dien heilstaat

verkeeren, enz. enz. Daarna ging hij met de tegenstelling voort. Hij

schilderde de schandelijkheid der onkuischheid; welken gruwel zij in

Gods oogen was; hoe zij de grondoorzaak was van alle andere ondeugden,

ja van alle andere misdaden, en eindigde zijne verhandeling met voor

den aanblik der vrouw te waarschuwen, en haar af te schilderen als de

bron van iedere onkuische gedachte en bijgevolg van alle kwaad.

Het was een hachelijk onderwerp geweest, hetwelk daar ten gehoore van

al die jongelieden gebracht was. Toch had Professor Jansen zich met de

meeste kieschheid en met takt van die taak gekweten. Door het

meerendeel van hen, die hem begrijpen konden, was meer gelet geworden

op de oratorische kunstgrepen, die hij vertoond had, dan wel op den

inhoud zijner „conférence.” Slechts één had hem in zijne redeneering

gevolgd, had de spitsvondigheden in zich opgenomen. En die één was

Herman. Met hijgend hart had hij die uitweidingen over den heilstaat

der kuischheid aangehoord; het bloed was hem daarbij naar de wangen

gestegen. Hij begreep en voelde, dat slechts eene Maagd de moeder van

Christus kon zijn. Hij genoot met de engelen in de reine sfeer, die zij

daar om Gods troon bevolkten. Maar hij ijsde ook bij de gedachte aan

het lot van den ontuchtige, en zag in zijne verbeelding bij de woeste

schilderij het vertoornde gelaat van den Almachtige, die den onkuische

uitspuwt, en hem voor eeuwig ten vuurhelle doemt. Hij stemde volkomen

met de slotperiode der verhandeling in, namelijk dat de vrouw de bron

is van alle kwaad en eindigde, toen Professor Jansen zijne rede met een

kort gebed besloot, met wellicht voor de honderdste maal de belofte in

zijn binnenste te prevelen: van immer kuisch te blijven en zich van

iederen omgang met het andere geslacht te onthouden.

De mensch wikt, maar God beschikt! Dat zou hij al spoedig ondervinden.

Weinige dagen later riep men Herman in het „parloir”.

„Uwe mama is er,” had hem de portier gezegd.

Juist was het eerste klassenuur afgeloopen en verliet professor Canoy

den katheder. Herman vroeg en verkreeg verlof om dien dag vrijaf te

hebben, ten einde hem aan zijne moeder te kunnen wijden. Daarop spoedde

hij naar de spreekkamer.

Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat · 第 1 / 26 段