allegorie kluistert wederkeerig het beeld en de gedachte. Het beeld
kan niet vrij geschapen worden, omdat het de gedachte volkomen moet
omschrijven, en de gedachte wordt in haar vlucht belemmerd door het
beeld. De fantazie heeft zich gewend, de gedachte zoo nuchter mogelijk
in beeld over te brengen, zonder eenig gevoel voor stijl. Temperantia
draagt op haar hoofd een uurwerk, om haar aard aan te duiden. De
verluchter van de _Epitre d'Othéa_ nam daartoe eenvoudig het hangklokje,
dat hij ook bij Philips den Goede aan den wand plaatste. [974]--Wanneer
een scherp natuurlijk observeerende geest als Chastellain uit eigen
vinding allegorische figuren teekent, valt het bijster barok uit. Hij
ziet bij voorbeeld in het rechtvaardigingsbetoog naar aanleiding van
zijn gewaagd politiek gedicht _Le dit de vérité_ [975] vier dames, die
hem aanklagen. Zij heeten Indignation, Réprobation, Accusation,
Vindication. Ziehier, hoe hij de tweede beschrijft. [976] "Ceste dame
droit-cy se monstroit avoir les conditions seures, [977] raisons moult
aguës et mordantes; grignoit les dens et mâchoit ses lèvres; niquoit de
la teste souvent; et monstrant signe d'estre arguëresse, sauteloit sur
ses pieds et tournoit l'un costé puis çà, l'autre costé puis là; portoit
manière d'impatience et de contradiction; le droit oeil avoit clos et
l'autre ouvert; avoit un sacq plein de livres devant lui, dont les uns
mit en son escours [978] comme chéris, les autres jetta au loin par
despit; deschira papiers et feuilles; quayers jetta au feu félonnement;
rioit sur les uns et les baisoit; sur les autres cracha par vilennie et
les foula des pieds; avoit une plume en sa main, pleine d'encre, de
laquelle roioit maintes ecritures notables ...; d'une esponge aussy
noircissoit aucunes ymages, autres esgratinoit aux ongles ... et les
tierces rasoit toutes au net et les planoit comme pour les mettre hors
de mémoire; et se monstroit dure et felle ennemie à beaucoup de gens de
bien, plus volontairement que par raison." Elders ziet hij, hoe Dame
Paix haar mantel uitspreidt en hoog oplicht, en in vier nieuwe dames
uiteenvalt: Paix de coeur, Paix de bouche, Paix de semblant, Paix de
vray effet. [979] In weer een ander van zijn allegorieën komen
vrouwenfiguren voor, die heeten "Pesanteur de tes pays, Diverse
condition et qualité de tes divers peuples, L'envie et haine des
François et des voisines nations", alsof een politiek hoofdartikel zich
liet allegoriseeren. [980]--Dat al die figuren niet gezien maar bedacht
zijn, blijkt ten overvloede uit het feit, dat zij hun namen op
banderoles dragen; hij put de beelden niet direct uit zijn levende
fantazie, maar stelt ze zich voor als op een schilderij of in een
vertooning.
In _La mort du duc Philippe, mystère par manière de lamentation_ ziet
hij zijn hertog verbeeld als een flesch vol kostbare zalf, die aan een
draad uit den hemel hangt; de aarde heeft die flesch aan haar borsten
gezoogd. [981] Molinet ziet Christus als pelikaan (een gewone trope)
niet alleen met zijn bloed de jongen voeden, maar tevens er den spiegel
des doods mee afwasschen. [982]
Schoonheidsinspiratie is hier zoek; het is spelend en valsch vernuft,
een uitgeputte geest, die nieuwe bevruchting wacht. In het altijd weer
gebruikte droommotief als raam eener handeling zijn bijna nooit echte
droomelementen waar te nemen, zooals ze bij Dante en bij Shakespeare zoo
treffend voorkomen. De illusie, dat de dichter zijn voorstelling als
vizioen heeft gezien, wordt dikwijls niet eens volgehouden: Chastellain
noemt zich zelf "l'inventeur ou le fantasieur de ceste vision." [983]
Op het verdorde veld der allegorische verbeelding kan alleen de spot
telkens weer frisch kruid doen bloeien. Zoodra het even in 't luimige
geworpen wordt, werkt de allegorie nog. Deschamps vraagt den dokter, hoe
de deugden en het recht het maken:
"Phisicien, comment fait Droit?
--Sur m'ame, il est en petit point....
--Que fait Raison?...
Perdu a son entendement,
Elle parle mais faiblement,
Et Justice est toute ydiote...." [984]
De verschillende sferen van fantazie worden stijlloos dooreengemengd.
Geen product zoo bizar als het politieke schotschrift in het kleed der
pastorale. De onbekende dichter, die zich Bucarius noemt, heeft in _Le
Pastoralet_ al den laster van het huis Bourgondië tegen Orleans in de
kleur der herderij geschilderd: Orleans, Jan zonder Vrees en al hun
trotsch en grimmig gevolg als zoete herders, wonderlijke Leeuwendalers!
De herdersrok is beschilderd met fleurs de lis of klimmende leeuwen; er
zijn "bergiers à long jupel", dat zijn de geestelijken. [985] De herder
Tristifer, dat is Orleans, neemt den anderen hun brood en kaas, hun
appelen en noten, hun fluitjes af, en den schapen de klokjes; hij dreigt
de weerstrevenden met zijn grooten herdersstaf. Totdat hij zelf met een
herdersstaf wordt doodgeslagen. Soms vergeet de dichter bijna zijn
sinistere strekking en vermeit zich in de zoetste pastorale, dan weer
wordt de herderlijke fantazie zonderling gestoord door den boozen
politieken smaad. [986] Ook hier nog niets van de maat en smaak der
Renaissance.
Molinet haspelt de motieven van het geloof, den krijg, de heraldiek en
de min dooreen, in den vorm van een proclamatie van den Schepper aan
alle ware minnenden:
"Nous Dieu d'amours, créateur, roy de gloire
Salut à tous vrays amans d'humble affaire!
Comme il soit vray que depuis la victoire
De nostre filz sur le mont de Calvaire
Plusieurs souldars par peu de congnoissance
De noz armes, font au dyable allyance...."
Daarom wordt hun het rechte wapen beschreven: schild van zilver, chef
van goud met vijf wonden, en de militante Kerk octrooi verleend, om
allen in haar dienst op te nemen, die tot dat wapen willen terugkeeren,
"mais qu'en pleurs et en larmes,
De cueur contrict et foy sans abuser." [987]
De kunstenmakerijen, waarmee Molinet den lof zijner tijdgenooten als
vernuftig rhétoriqueur en poëet behaalde, schijnen ons de laatste
ontaarding van een uitdrukkingsvorm vóór zijn ondergang. Hij vermeit
zich in de meest zoutelooze woordspelletjes: "Et ainsi demoura l'Escluse
en paix qui lui fut incluse, car la guerre fut d'elle excluse plus
solitaire que rencluse." [988] In de inleiding op zijn gemoraliseerde
prozabewerking van den _Roman de la rose_ speelt hij met zijn naam
Molinet. "Et affin que je ne perde le froment de mal labeur, et que la
farine que en sera molue puisse avoir fleur salutaire, j'ay intencion,
se Dieu m'en donne la grace, de tourner et convertir soubz mes rudes
meulles le vicieux au vertueux, le corporel en l'espirituel, la
mondanité en divinité, et souverainement de la moraliser. Et par ainsi
nous tirerons le miel hors de la dure pierre, et la rose vermeille hors
des poignans espines, où nous trouverons grain et graine, fruict, fleur
et feuille, très souefve odeur, odorant verdure, verdoyant floriture,
florissant nourriture, nourissant fruict et fructifiant pasture." [989]
Wat lijkt het eind-eeuwsch en versleten! Toch bewonderde de tijdgenoot
juist dit als het nieuwe; de middeleeuwsche poëzie had dat spelen met
woorden eigenlijk niet gekend, die speelde meer met beelden. Zooals bij
voorbeeld Olivier de la Marche, Molinet's geestverwant en bewonderaar:
"Là prins fièvre de souvenance
Et catherre de desplaisir,
Une migraine de souffrance,
Colicque d'une impascience,
Mal de dens non à soustenir.
Mon cueur ne porroit plus souffrir
Les regretz de ma destinée
Par douleur non accoustumée." [990]
Meschinot is nog even verslaafd aan de slappe allegorie als La Marche;
van zijn _Lunettes des princes_ zijn Prudence en Justice de glazen,
Force de montuur, Temperance de nagel, die alles bijeenhoudt. Raison
geeft den dichter dien bril met een gebruiksaanwijzing; door den hemel
gezonden komt Raison zijn geest binnen, en wil daar haar festijn
aanrichten, maar vindt er alles bedorven door Desespoir, zoodat er niets
is "pour disner bonnement." [991]
't Schijnt alles ontaarding en verval. En toch is het de tijd, waarin
de nieuwe geest der Renaissance reeds blaast, waar hij wil. Waar is de
groote, jonge bezieling en de nieuwe, zuivere vorm?
NOTEN:
[902] Erasmus, Ratio seu Methodus compendio perveniendi ad veram
theologiam, ed. Bazel 1520, p. 146.
[903] E. Durand Gréville, Hubert et Jean van Eyck, Bruxelles, 1910,
p. 119.
[904] p. 361. (zie Hoofdstuk X, noot 721)
[905] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 594.
[906] Chastellain, I p. 11, 12. IV p. 21, 393, VII p. 160; La Marche,
I p. 14; Molinet, I p. 23.
[907] Jean Robertet, bij Chastellain, VII p. 182.
[908] Chastellain, VII p. 219.
[909] Chastellain, III p. 231ss.--Sint Antoine valt op 17 Januari.
[910] Oratoire, een door tapijten afgeschoten vertrekje in een kapel.
[911] Dooi.
[912] Een heuveltje, een aardhoop.
[913] Chastellain, III p. 46, zie hierboven blz. 154 (zie Hoofdstuk III,
noot 294). vg. III 104, V 259.
[914] Helmen.
[915] Chastellain, V p. 273, 269, 271.
[916] Zie de reproducties bij A. Michel, Histoire de l'art etc., Paris,
1907 etc. 7 vol. parus, IV, 2 p. 711 en P. Durrieu. Les belles heures du
duc de Berry, Gazette des beaux arts 1906, t. 35, p. 283.
[917] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 50, XI p. 99. XIII p. 4.
[918] Dichter onbekend, gedrukt Deschamps, Oeuvres X no. 18, vgl. Le
Debat du cuer et du corps de Villon, evenzoo Charles d'Orléans, rondel
192.
[919] Dat blijkt.
[920] Ed. de 1522, fol. 101, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot etc.,
Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 301. Vgl. de balladen van
Henri Baude, ed. Quicherat (Trésor des pièces rares ou inédites, Paris
1856), p. 26, 37, 55, 79.
[921] Froissart, ed. Luce. I p. 56, 66. 71, XI p. 13, ed. Kervyn. XII
p. 2, 23; vgl. ook Deschamps, III p. 42.
[922] Froissart ed. Kervyn, XI p. 89.
[923] P. Durrieu, Les très-riches heures de Jean de France duc de Berry,
1904, pl. 38.
[924] Oeuvres du roi René, ed. de Quatrebarbes, II p. 105.
[925] Deschamps, I nos. 61, 144; III nos. 454, 483, 524; IV nos. 617, 636.
[926] Durrieu. l.c. pl. 3, 9, 12.
[927] Deschamps, VI p. 191, no. 1204.
[928] Froissart, ed. Luce, V p. 64, VIII p. 5, 48, XI p. 110, ed.
Kervyn, XIII p. 14, 21, 84, 102, 264.
[929] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 54, 109, 184, XVI p. 23, 52, ed.
Luce. I p. 394.
[930] Froissart, XIII p. 13.
[931] G. de Machaut, Poésies lyriques, ed. V. Chichmaref (Zapiski ist.
fil. fakulteta imp. S. Peterb. universiteta XCII 1909) no. 60, I p. 74.
[932] La Borderie, l.c., p. 618.
[933] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 276.
[934] Ib. p. 164, no. 30.
[935] Ib. I p. 275, no. 5.
[936] Froissart, Poésies, ed. Scheler, II p. 216.
[937] P. Michault, La dance aux aveugles etc., Lille, 1748.
[938] Recueil de poésies françoises des XVe et XVIe siècles, ed. de
Montaiglon (Bibl. elzevirienne) t. IX p. 59.
[939] Deschamps, VI no. 1202, p. 188.
[940] Het vee dat naar de wei gaat.
[941] Froissart, Poésies. I p. 91.
[942] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 22.
[943] Deschamps, I p. 196, no. 90, p. 192, no. 87. IV p. 294, no. 788, V
no.903, 905, 919, VII p. 220, no. 1375, vgl. II p. 86, no. 250, no.247.
[944] Durrieu, Les tres riches heures, pl. 38, 39, 60, 27, 28.
[945] Deschamps, no. 1060, V p. 351. no. 844, V p. 15.
[946] Chastellain, III p. 256ss.
[947] Journal d'un bourgeois, p. 325(2).
[948] Deschamps, nos. 1229, 1230, 1233, 1259, 1299, 1300, 1477, VI
p. 230, 232, 237, 279, VII p. 52, 54, VIII p. 182, vgl. Gaguin's
De validorum mendicantium astucia, Thuasne, II p. 169ss.
[949] Deschamps. no. 219, II p. 44, no. 2, I p. 71.
[950] Ib. IV, p. 291, no. 786.
[951] Bibliothèque de l'école des chartes, 2e série III 1846, p. 70.
[952] Proverbia, 14.13.
[953] Alain Chartier, La belle dame sans mercy, p. 503, 505, vgl. Le
debat du reveille-matin, p. 498; Chansons du XVe siècle, p. 71, no. 73;
L'amant rendu cordelier à l'observance d'amours, vs. 371; Molinet,
Faictz et dictz, ed. 1537, f. 172.
[954] Alain Chartier, Le debat des deux fortunes d'amours, p. 581.
[955] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, III p. 194.
[956] Charles d'Orléans, Poésies complètes, p. 68.
[957] L.c., p. 88, ballade no. 19.
[958] L.c., chanson no. 62.
[959] Vgl. Alain Chartier, p. 559: "Ou se le vent une fenestre boute,
Dont il cuide que sa dame l'escoute, S'en va coucher joyeulx...."
[960] Huitains 51, 53, 57, 167, 188, 192, ed. de Montaiglon, Soc. des
anc. textes francais, 1881.
[961] Museum te Leipzig, no. 509.
[962] Juvenal des Ursins, 1418, p. 541; Journal d'un bourgeois de Paris,
p. 92, 172.
[963] J. Veth & S. Muller Fz., A. Dürer's Niederländische Reise,
Berlin-Utrecht, 1918, 2 bde, I p. 13.
[964] Chastellain, III p. 414.
[965] Chron. scand., I p. 27.
[966] Molinet, V p. 15.
[967] Lefebvre, Théatre de Lille, p. 54, bij Doutrepont, p. 354.
[968] Th. Godefroy, Le ceremonial françois, 1649, p. 617.
[969] J. B. Houwaert, Declaratie van die triumphante Incompst van den
... Prince van Oraingnien etc.; t'Antwerpen, Plantijn 1579, p. 39.
[970] De these van Emile Male omtrent den invloed der
theatervoorstelling op de schilderkunst moge hier blijven rusten.
[971] Zie P. Durrieu, Gazette des beaux arts, 1906, t. 35, p. 275.
[972] Christine de Pisan, Epitre d'Othéa à Hector, Ms. 9392 de Jean
Miélot, ed. J. van den Gheyn, Bruxelles 1913.
[973] L.c., pl. 5, 8, 26, 24, 25.
[974] Van den Gheyn, Epitre d'Othéa, pl. I en 3; Michel, Histoire de
l'art IV, 2 p. 603, Michel Colombe, grafmonument uit de kathedraal van
Nantes, id. 616, figuur van Temperantia aan het grafmonument der
kardinalen van Amboise in de kathedraal van Rouen.
[975] Zie daarover mijn opstel Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal
besef, De Gids 1912, I.
[976] Exposition sur verité mal prise, Chastellain, VI p. 249.
[977] zuur.
[978] gordel.
[979] Le livre de paix, Chastellain, VII p. 375.
[980] Advertissement au duc Charles, Chastellain. VII p. 304 ss.
[981] Chastellain, VII p. 237 ss.
[982] Molinet, Le miroir de la mort, fragment bij Chastellain, VI
p. 460.
[983] Chastellain. VII p. 419.
[984] Deschamps, I p. 170.
[985] Le Pastoralet, vs. 501, 7240, 5768.
[986] Vgl. voor de vermenging van pastorale en politiek Deschamps, III
p. 62, no. 344, p. 93, no. 359.
[987] Molinet, Faictz et dictz, f. 1.
[988] Molinet, Chronique, IV p. 307.
[989] Bij E. Langlois, Le roman de la rose (Soc. des anc. textes) 1914,
I p. 33.
[990] Recueil de Chansons etc. (Soc. des bibliophiles belges), III p. 31.
[991] La Borderie, l.c., p. 603, 632.
* * * * *
XIV
HET KOMEN VAN DEN NIEUWEN VORM
De verhouding van het opbloeiende Humanisme en den afstervenden geest
der Middeleeuwen is veel minder eenvoudig, dan wij geneigd zijn, ons
haar voor te stellen. Ons, die die beide cultuurcomplexen scherp
gescheiden zien, schijnt het, alsof de ontvankelijkheid voor de eeuwige
jeugd der Ouden en de verloochening van den ganschen versleten toestel
der middeleeuwsche gedachtenuitdrukking gekomen moet zijn als een
openbaring. Alsof de geesten, ten doode vermoeid van allegorie en
flamboyantisme, plotseling moeten hebben begrepen: neen, niet dit, maar
dat! Alsof de gouden harmonie van het klassieke hun opeens als een
redding voor oogen moet hebben gestraald, alsof zij de Oudheid hebben
moeten omhelsd met de vervoering van wie zijn heil heeft gevonden.
Maar zoo is het niet. Midden in den tuin der middeleeuwsche gedachte,
tusschen de welige woekering van het oude gewas, is het klassicisme van
lieverlede opgegroeid. Eerst is het enkel een formeel fantazie-element.
Een groote nieuwe bezieling wordt het eerst laat, en de geest en de
uitdrukkingsvormen, die wij als de oude, middeleeuwsche plegen te
beschouwen, sterven ook dan nog niet af.
Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier
geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Italië, maar
in het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den
heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk
Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze
tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan begaat men
licht deze vergissing: men houdt de signatuur van het quattrocento:
de blijheid, de vrijheid, het serene en het sonore, voor die van den
nieuwen tijd, en zegt: daar waar het leven in dien toonaard klinkt,
daar is de Renaissance. Doch is het niet veeleer de signatuur van den
Italiaanschen geest, is zij niet reeds evenzeer aanwezig in het Italië
der dertiende eeuw? Men komt altijd weer terecht, of bij de absurde
consequentie, om de Renaissance steeds hoogerop in de Middeleeuwen
te verlengen, of bij de erkentenis, dat de Renaissance met haar
Italiaanschen verschijningsvorm volstrekt niet volledig is getypeerd,
en dat het begrip Renaissance slechts één aspect vertegenwoordigt van
de bonte cultuur der eindigende Middeleeuwen.
Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de
nieuwe, klassicistische vormen op. Voor het aannemen van volkomen
ontwikkelde humanistische uitdrukkingsvormen is niet anders noodig, dan
dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigd op
zuiver latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks
1400 in Frankrijk; zij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten:
Jean de Monstreuil, kanunnik van Rijssel en koninklijk secretaris,
Nicolas de Clemanges, de beroemde woordvoerder der reformgezinde
geestelijkheid, Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke
geheimschrijvers evenals de eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en
deftige humanistenbrieven, die voor de latere producten van het genre
in niets onderdoen: de holle algemeenheid van gedachte, het gewild
gewichtige, de gewrongen zinsbouw en ondoorzichtige uitdrukking, en ook
het behagen aan geleerde beuzelingen. Jean de Monstreuil maakt zich druk
over de spelling van "orreolum" en "scedula", met of zonder h, over het
gebruik van de k in latijnsche woorden. "Als ge mij niet te hulp komt,
waarde leermeester en broeder,--schrijft hij aan Clemanges--, [992]
ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods schuldig. Daar heb ik
bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en vader, den
bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus "propior",
overhaast en slordig als de pen is, "proximior" heb gezet! Verbeter
het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken."
[993]--Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als
geleerde letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van
zijn vriend Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had,
en Ovidius boven Vergilius stelde. [994]
In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het
klooster Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar
middeleeuwschen trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens
veel leesbaarder wordt. Hoe de musschen meeëten in het reefter, zoodat
men zou twijfelen, of de koning de prebende voor de monniken of voor de
vogels heeft ingesteld, hoe een winterkoninkje doet, alsof het de abt
was, hoe de ezel van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook hèm in
zijn epistel niet te vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar
niet specifiek humanistisch. [995] Herinneren wij ons, dat Jean de
Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige
vereerders van den _Roman de la rose_ leerden kennen, en als leden van
den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een
uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is
eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche
schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke
latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien
geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw.
Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke
voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen,
die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote
internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil
en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de
Florentijnsche kanselier, die in het midden der veertiende eeuw de
nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staats-acten had ingevoerd,
wordt herhaaldelijk door hem genoemd. [996] Petrarca is evenwel, als men
het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen
geest. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde, [997] Machaut's
Peronne d'Armentières bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer
niet enkel door het voorbeeld van Heloïse, maar ook reeds door dat van
Laura bezeten is geweest, dan levert _Le Voir-Dit_ een opmerkelijk
getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent
van de moderne gedachte zien, toch weder een zuiver middeleeuwsche
schepping kon opleveren.
Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Italië
zijn naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de "devotissimus,
catholicus ac celeberrimus philosophus moralis." [998] Ook als zoodanig
wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake
van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes,
de geestdrijver van Saint Lié, [999] ontleent voor een nieuw gebed, dat
hij samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij
roept diens gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van
ketterij. [1000] Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's _De Vita
solitaria_ een klacht over om het verlies van het heilige graf; "maar
omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever
den zin dan den vorm van Franciscus' woorden aanhalen." [1001]
De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in
hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun
bewonderden Petrarca, dat buiten Italië geen redenaars en dichters te
zoeken waren, [1002] te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de
Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet. [1003]
Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften
vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, "le
docteur de patience en adversité". Voor Chastellain [1004] is messire
Jehan Bocace een soort impresario der Fortuin geworden; _Le Temple de
Bocace_ betitelt hij een zeer barok tractaat over allerlei tragisch
lotgeval van zijn tijd, waarin de geest van den "noble historien" wordt
aangeroepen, om troost in haar rampspoed te schenken aan Margareta van
Engeland.
Terwijl de geleerde auteurs den klassiek Latijnschen briefstijl reeds
beheerschen met volkomen vaardigheid, vertoonen de wereldlijken, bij al
hun bewondering voor de Oudheid, somtijds nog een diepe onwetendheid.
Machaut (hoewel geestelijke geen geleerde en wereldsch als dichter)
verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier.
Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en
Pirithous. De dichter van _Le Pastoralet_ spreekt van "le bon roy
Scypion d'Afrique", de schrijvers van _Le Jouvencel_ leiden "pollitique"
af van [greek: _polyt_] en een gewaand Grieksch "icos, gardien, qui est
à dire gardien de pluralité." [1005]
Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en
toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen
herdersspel _Le Pastoralet_ geeft in een beschrijving van den god
Silvanus en een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het
quattrocento, om dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen
van zijn oude pad. [1006] Evenals Jan van Eyck soms klassicistische
architectuurvormen aanbrengt op zijn zuiver middeleeuwsch geziene
tafereelen, zoeken de schrijvers, louter formeel nog en ter versiering,
antieke trekken te verwerken. De kroniekschrijvers beproeven hun kracht
op staats- en krijgsredevoeringen, contiones, in Liviaanschen trant, of
vermelden wonderteekens, prodigia, omdat Livius het ook deed. [1007]
Daar waar de verwerking der klassieke vormen met den ouden geest het
onvolkomenst uitvalt, leeren wij het meest omtrent de wording der
Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean Germain, beproeft het
vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in den dringenden,
gemarkeerden stijl der Romeinen; het valt uit als een middeleeuwsch
kalenderblad. [1008] Het gezicht op de Oudheid is nog buitengewoon
bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy komt de
jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van zijn
vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad "à l'antique", dat wil zeggen,
hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij een
der negen "preux" voorstelt, [1009] en zijn eigen zegepraal viert. Zoo
vermomd bidt hij een kwartier lang. [1010]