Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt

door de begrippen "rhétorique, orateur, poésie". Zij zien de

benijdenswaardige volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden

vorm. Al deze dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als

zij hun hart laten spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een

vloeiend, eenvoudig, vaak pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens

heel mooi moet, brengen zij er mythologie aan te pas, en precieuze

latiniseerende termen, en vinden zich "rhétoricien". Christine de Pisan

onderscheidt een mythologisch gedicht uitdrukkelijk van haar gewone werk

als "balade pouétique". [1011] Wanneer Eustache Deschamps aan zijn

kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn werken toezendt, vervalt hij in

de meest ongenietbare quasi-klassieke poespas.

"O Socrates plains de philosophie,

Seneque en meurs et Anglux en pratique,

Ovides grans en ta poeterie,

Bries en parler, saiges en rethorique

Aigles tres haulz, qui par ta théorique

Enlumines le regne d'Eneas,

L'Isle aux Geans, ceuls de Bruth, et qui as

Semé les fleurs et planté le rosier,

Aux ignorans de la langue pandras,

Grant translateur, noble Geffroy Chaucier!

* * * * * * * * * * * * * * *

A toy pour ce de la fontaine Helye

Requier avoir un buvraige autentique,

Dont la doys est du tout en ta baillie,

Pour rafrener d'elle ma soif ethique,

Qui en Gaule seray paralitique

Jusques a ce que tu m'abuveras." [1012]

Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke

latiniseering van het edele Fransch, welke den spot van Villon en van

Rabelais zou treffen. [1013] Het is steeds weer in de dichterlijke

correspondentie, in de opdrachten en oraties, met andere woorden, als

het bijzonder mooi moet, dat men dien trant aantreft. Dan spreekt

Chastellain van "vostre très-humble et obéissante serve et ancelle, la

ville de Gand", "la viscérale intime douleur et tribulation", La Marche

van "nostre francigène locution et langue vernacule", Molinet van

"abreuvé de la doulce et melliflue liqueur procedant de la fontaine

caballine", "ce vertueux duc scipionique", "gens de mulièbre courage".

[1014]

Deze idealen van verfijnde "rhétorique" zijn geen idealen van zuivere

litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van

hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is evenzeer als de

poëzie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm

van conversatie, een streven naar een hoogeren levensvorm. Zelfs de

geleerden correspondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat

element geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich

middenevenredig tusschen Italië en de Nederlanden. In Italië, waar taal

en gedachte het minst verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid,

konden de humanistische vormen ongedwongen worden opgenomen in de

natuurlijke ontplooiing van het hoogere volksleven. De Italiaansche taal

werd door eenige meerdere latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld

aangedaan. De humanistische clubgeest sloot er zeer wel aan bij de

zeden der samenleving. De Italiaansche humanist vertegenwoordigde den

geleidelijken uitgroei der Italiaansche volksbeschaving, en daarmee

het eerste type van den modernen mensch. In de Bourgondische landen

daarentegen was de geest en de vorm der samenleving nog zoo

middeleeuwsch, dat het streven naar een vernieuwde en gezuiverde

uitdrukking er zich aanvankelijk slechts belichamen kon in volkomen

ouderwetschen vorm: de rederijkerskamers. Als genootschappen zijn zij

enkel een voortzetting van de middeleeuwsche broederschap, en de geest,

die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het zeer uiterlijk formeele

vernieuwd. Eerst het bijbelsch Humanisme van Erasmus inaugureert er de

moderne beschaving.

Frankrijk kent niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers,

maar zijn "nobles rhétoriciens" gelijken ook nog niet op Italiaansche

humanisten. Ook zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en

vormen. Ten opzichte der Fransche letterkunde der vijftiende eeuw kan

men zonder overdrijving zeggen, dat die schrijvers en dichters, die

zich het meest vrij houden van klassicisme, nader staan tot de moderne

ontwikkeling der litteratuur dan zij, die de idealen van latiniteit en

oratorie huldigen. De modernen, dat zijn er de onbevangenen van geest,

zelfs als zij dien nog kleeden in den middeleeuwschen vorm: Villon,

Coquillart, Henri Baude, ook Charles d'Orléans en de dichter van

_L'amant rendu cordelier_. Juist het klassicistische streven doet zich

hier, althans wat dicht en proza betreft, als den remmenden invloed

gelden. De pompeuze woordvoerders van het zwaar gedrapeerde

Bourgondische ideaal: Chastellain, La Marche, Molinet, dat zijn de

ouderwetsche geesten der Fransche litteratuur. Zoodra ook zij zich nu

en dan losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en dichten of

schrijven, wat hun ter harte gaat, eenvoudigweg, worden zij leesbaar,

en doen zij tegelijk moderner aan.

Een dichter van den tweeden rang, Jean Robertet (1420-1490), secretaris

van drie hertogen van Bourbon en drie Fransche koningen, zag in Georges

Chastellain, den Vlaming-Bourgondiër, het puik der edele dichtkunst. Uit

die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het

zooeven beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te

komen, bedient Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant,

die als gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van

Bourgondië opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven voor

Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een

hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze

niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging,

vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude

recept: "les Douze Dames de Rhétorique" waren hem verschenen, genaamd

Science, Eloquence, Gravité de Sens, Profondité enz. Voor die verlokking

bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rhétorique groepeeren

zich nu de brieven van het drietal; [1015] het duurde overigens niet

lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling

af.

Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. "J'ay

esté en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la

brumale froidure", aldus een verkoudheid. [1016] Even zot zijn de

hyperbolische termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk

zijn dichterlijken brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen

poëzie inderdaad) beet heeft, schrijft hij aan Montferrant:

"Frappé en l'oeil d'une clarté terrible

Attaint au coeur d'éloquence incrédible,

A humain sens difficile à produire,

Tout offusquié de lumière incendible

Outre perçant de ray presqu'impossible

Sur obscur corps qui jamais ne peut luire,

Ravi, abstrait me trouve en mon déduire,

En extase corps gisant à la terre,

Foible esperit perplex à voye enquerre

Pour trouver lieu et oportune yssue

Du pas estroit où je suis mis en serre,

Pris à la rets qu'amour vraye a tissue."

En in proza voortgaande: "Où est l'oeil capable de tel objet visible,

l'oreille pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?" Wat zegt

Montferrant, "amy des dieux immortels et chéri des hommes, haut pis

Ulixien, plein de melliflue faconde" er wel van? "N'est-ce resplendeur

équale au curre Phoebus?" Is het niet meer dan Orpheus' lier, "la tube

d'Amphion, la Mercuriale fleute qui endormyt Argus?" enz. enz. [1017]

Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe

schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche

voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten

huldigen nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn Mémoires zal

kunnen gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn

arbeid met het herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle "orateurs",

om zijn werk te besnoeien van het overbodige. Zelfs Commines hoopt, dat

de aartsbisschop van Vienne, wien hij zijn werk zendt, het misschien zal

kunnen opnemen in een Latijnsch geschrift. [1018]

In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en

Montferrant ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts

opgeplakt op een echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet

is in Italië geweest, "en Ytalie, sur qui les respections du ciel

influent aorné parler, et vers qui tyrent toutes douceurs élémentaires

pour là fondre harmonie." [1019] Maar van die harmonie van het

quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee thuisgebracht. De

voortreffelijkheid van Italië bestond voor deze geesten louter in het

"aorné parler", in de uiterlijke cultiveering van een kunstvaardigen

stijl.

Het eenige, wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even

twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde

ontboezemingen soms even onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de Dames

de Rhétorique tot Montferrant, [1020]--"il est exemple de Tullian art,

et forme de subtilité Térencienne ... qui succié a de nos seins notre

plus intériore substance par faveur; qui, outre la grâce donnée en

propre terroir, se est allé rendre en pays gourmant pour réfection

nouvelle (d.i. Italië), là où enfans parlent en aubes à leurs mères,

frians d'escole en doctrine sur permission de eage". Chastellain zegt de

correspondentie op, omdat het hem te machtig wordt: de poort heeft lang

genoeg wijd opengestaan voor "Dame Vanité"; hij gaat haar grendelen.

"Robertet m'a surfondu de sa nuée, et dont les perles, qui en celle se

congréént comme grésil, me font resplendir mes vestements; mais qu'en

est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma robe deçoit les voyans?"

Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven ongelezen in het vuur

gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder vrienden hoort, dan zal

George's genegenheid hem niet begeven.

Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist,

komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het latijn

bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest

der Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde

nabootsen zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als

Robert Gaguin (1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds

bijna even modern aan als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid

te danken had, doordat Gaguin achter zijn Compendium der Fransche

geschiedenis, het eerste wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk

(1495), een brief van Erasmus opnam, die zich daardoor voor het eerst

gedrukt zag. [1021] Al kende Gaguin nog even slecht Grieksch als

Petrarca, [1022] een echte humanist is hij er niet minder om. Tegelijk

evenwel zien wij ook in hem den ouden geest voortleven. Hij wijdt zijn

Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude middeleeuwsche thema's,

zooals de diatribe tegen het huwelijk [1023] of de misprijzing van het

hofleven, door Alain Chartier's _Curial_ in het latijn terug te

vertalen, of de maatschappelijke waarde der standen, in den

veelgebruikten vorm van een twistgesprek, _le Debat du Laboureur, du

Prestre et du Gendarme_. In zijn Fransche gedichten doet juist Gaguin,

die den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische

fraaiigheden in het geheel niet mee; geen gelatiniseerde vormen, geen

hyperbolische wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij

geheel aan de zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de

natuurlijkheid en daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm

is nog niet veel meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed,

maar hij beweegt zich toch vrijer zonder dien tabbert. Bij den Franschen

geest der vijftiende eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op.

Men is veelal gewend, om als een doorslaand criterium van de intrede der

Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken.

Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire

paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance.

Wanneer de humanisten God "princeps superum" en Maria "genitrix

tonantis" noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke

transponeeren van de personen van het christelijk geloof in benamingen

der heidensche mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of

niets voor den inhoud van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der

twaalfde eeuw rijmt in zijn geestige biecht onbeschroomd:

"Vita vetus displicet, mores placent novi;

Homo videt faciem, sed cor patet lovi."

Wanneer Deschamps van "Jupiter venu de Paradis" spreekt, [1024] bedoelt

hij geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de

roerende ballade, die hij voor zijn moeder maakte, om tot Onze Lieve

Vrouw te bidden, haar "haulte Deesse" noemt. [1025]

Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon

men argeloos goden laten optreden. In _Le Pastoralet_ heet het

Celestijnenklooster te Parijs "temple au hault bois pour les diex

prier." [1026] Van zulk een onschuldig paganisme werd niemand de dupe.

En ten overvloede verklaart de dichter: "Se pour estrangier ma Muse je

parle des diex des païens, sy sont les pastours crestiens et moy."

[1027] Evenzoo schuift Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en

Minerva laat optreden, de verantwoordelijkheid op "Raison et Entendement",

die hem zeiden: "Tu le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et

déesses, mais pour ce que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi

qu'il lui plaist, et souventes fois par divers inspirations." [1028]

Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt

niet ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor

het doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van

waardeering van het heidensch geloof, met name het heidensche offer, als

zoodanig aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun

gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain

deed.

"Des dieux jadis les nations gentiles

Quirent l'amour par humbles sacrifices,

Lesquels, posé que ne fussent utiles,

Furent nientmoins rendables et fertiles

De maint grant fruit et de haulx bénéfices,

Monstrans par fait que d'amour les offices

Et d'honneur humble, impartis où qu'ils soient

Pour percer ciel et enfer suffisoient." [1029]

Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der

Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe

de Ternant, zonder naar de gewoonte een "bannerole de devocion" te

dragen, een lint met een vrome spreuk of figuur. "Laquelle chose je ne

prise point", zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener

is het devies, dat Ternant draagt: "Je souhaite que avoir puisse de mes

desirs assouvissance et jamais aultre bien n'eusse." [1030] Het kon de

lijfspreuk zijn van den vrijdenkendsten virtuoso der zestiende eeuw.

Niet uit de klassieke litteratuur behoefden de geesten dit werkelijke

paganisme te putten. Zij konden het leeren uit hun eigen middeleeuwschen

schat, uit den _Roman de la rose_. In de erotische cultuurvormen, daar

lag het ware heidendom. Daar hadden van eeuwen her Venus en de Liefdegod

een schuilhoek gehad, waar zij iets meer dan een louter rhetorische

vereering vonden. Jean de Meun, dat was de groote heiden geweest. Niet

zijn vermenging van godennamen der Oudheid met die van Jezus en Maria,

maar zijn vermenging van de stoutste aanprijzing van aardschen wellust

met christelijke zaligheidsvoorstellingen was voor tallooze lezers sinds

de dertiende eeuw de school van het paganisme geweest. Er was geen

grooter blasphemie mogelijk dan de verzen, waarin hij het woord van

Genesis: toen berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde

gemaakt had, met omgekeerden zin in den mond legde van Nature, die bij

hem volkomen als demiurg optreedt:

"Si m'aïst Diex li crucefis,

Moult me repens dont homme fis." [1031]

Het blijft verwonderlijk, dat de Kerk, die tegen kleine dogmatische

afwijkingen van strikt bespiegelenden aard zoo angstvallig waakte en zoo

heftig optrad, de leeringen van dit brevier der aristocratie ongehinderd

in de geesten heeft laten voortwoekeren.

* * * * *

De nieuwe vorm en de nieuwe geest dekken elkander niet. Zoogoed als de

gedachten van den komenden tijd uiting vonden in middeleeuwsch gewaad,

zoo goed zijn de meest middeleeuwsche gedachten gezegd in sapphische

metra, met een heelen stoet van mythologische figuren. Klassicisme en

Renaissance zijn twee geheel verschillende dingen. Het litteraire

klassicisme is een oud geboren kind. De Oudheid is voor de vernieuwing

van de litteratuur nauwelijks meer geweest dan de pijlen van Philoktetes.

Niet wat de beeldende kunst, en niet wat het wetenschappelijk denken

aangaat: daar is de antieke zuiverheid van verbeelding en uitdrukking

veel meer geweest dan een dorre staf. Het overwinnen van het overdadige,

van het overdrevene, van het verdraaide, van de grimas en de flamboyante

krul, het is alles het werk der Oudheid geweest. Maar in het litteraire

is de eenvoud en de zuiverheid opgegroeid buiten, ja ondanks het

klassicisme.

De enkelen, die in het Frankrijk der vijftiende eeuw humanistische

vormen aannemen, luiden nog geen Renaissance in. Want hun stemming, hun

oriënteering is nog middeleeuwsch. De Renaissance komt eerst, wanneer de

_levenstoon_ verandert, wanneer het getij van doodelijke levensverzaking

kentert, en er een bolle frissche wind gaat blazen; wanneer het blijde

besef rijpt, dat men al de heerlijkheid der oude menschheid, waaraan men

zich al zoo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen.

NOTEN:

[992] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius, Lugd. Bat., 1613; Joh. de

Monasteriolo, Epistolae, Martène & Durand, Amplissima Collectio, II col.

1310.

[993] Ep. 69 c. 1447, ep. 15 c. 1338.

[994] Ep. 59 c. 1426, 58, c. 1423.

[995] Ep. 40, col. 1388, 1396.

[996] Ep. 59, 67, col. 1427, 1435.

[997] Le livre du Voir-Dit, p. xviii.

[998] Ep. 38, col. 1385.

[999] Zie hierboven p. 324. (zie Hoofdstuk VIII, tekst voor noot 666)

[1000] Gerson, Opera, I p. 922.

[1001] Dion. Cart., t. XXXVII p. 495.

[1002] Petrarca, Opera, ed. Bazel 1581, p. 847.

[1003] Clemanges, Opera. Ep. 5, p. 24; J. de Monstr., Ep. 50, col. 1428.

[1004] Chastellain, VII p. 75-143, vgl. V p. 38-40, VI p. 80; VIII p. 358,

Le livre des trahisons, p. 145.

[1005] Machaut, Le Voir-Dit, p. 230; Chastellain, VI p, 194, La Marche,

III p. 166; Le Pastoralet vs.2806; Le Jouvencel, I p. 16.

[1006] Le Pastoralet vs. 541, 4612.

[1007] Chastellain, III p. 173, 117, 359 enz.; Molinet, II p. 207.

[1008] J. Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae (Chron.

rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III).

[1009] Zie hierboven p. 107. (zie Hoofdstuk III, tekst volgend op noot

194)

[1010] Chronique scandaleuse, II p. 42.

[1011] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I no. 90. p. 90.

[1012] Deschamps, no. 285, II p. 138.

[1013] Villon, ed. Longnon p. 15, h. 36-38; Rabelais, Pantagruel, 1. 2.

ch. 6.

[1014] Chastellain, V p. 292ss; La Marche, Parement et triumphe des

dames, Prologue; Molinet, Faictz et dictz, Prologue, id. Chronique,

I p. 72, 10. 54.

[1015] Uittreksels bij Kervyn de Lettenhove, Oeuvres de Chastellain,

VII p. 145-186; zie P. Durrieu, Un barbier de nom français à Bruges,

Académie des inscriptions et belles-lettres, Comptes rendus 1917,

p. 542-558.

[1016] Chastellain, VII p. 146.

[1017] Ib. p. 180.

[1018] La Marche, I p. 15, 184-186; Molinet, I p. 14, III p. 99;

Chastellain, VI: Exposition sur verité mal prise, VII p. 76, 29, 142,

422; Commines, I p. 3; vgl. Doutrepont, p. 24.

[1019] Chastellain, VII p. 159.

[1020] Ib.

[1021] Thuasne, R. Gaguini Ep. & Or, I p. 126.

[1022] Thuasne, I p. 20.

[1023] Thuasne. I p. 178, II p. 509.

[1024] Deschamps, no. 63, I p. 158.

[1025] Villon, Testament vs. 899, ed. Longnon, p. 58.

[1026] Le Pastoralet vs. 2094.

[1027] Ib. vs. 30, p. 574.

[1028] Molinet, V p. 21.

[1029] Chastellain, Le dit de verité, VI p. 221, vgl. Exposition sur

verité mal prise, ib. p. 297, 310.

[1030] La Marche, II p. 68.

[1031] Roman de la rose vs. 20141; aïst=helpe, dont=dat ik.

* * * * *

REGISTER

Cursief gedrukte namen verwijzen naar den volledigen titel van

afgekort aangehaalde werken.

Abuzé en Court, L'.

Adel, Taak van den.

Adeldom in deugd.

Adellijke levensvormen nagevolgd door de burgerij.

Agricola, Rudolf.

Ailly, Pierre d'.

Alain de la Roche.

_Alain de la Roche_.

Alanus de Rupe, zie Alain de la Roche.

Alcuin.

_Alienor_.

Allegoriel.

Amadis-romans.

Amant rendu cordelier, L'.

Amoureux de l'observance.

Amuletten.

Andrieskruis.

Anjou, Isabella van.

Anjou, Lodewijk van.

Anjou, Margareta van, koningin van Engeland.

Anjou, René van; zie René, koning.

Anthropomorphisme.

Antieke helden.

Aquino, Thomas van.

Arbre des batailles, L'.

Arc, Jeanne d'.

Archipoeta.

Arkel.

Armagnacs.

Armentières, Peronnelle d'.

Arnemuyden, Margareta van.

Arnolfini, Jean.

Arrestz d'amour.

Ars moriendi.

Artevelde, Philips van.

Artois, Philippe d'.

Artois, Robert van.

Atharvaveda.

Aubriot, Hugues.

Augustinus.

Aurea mediocritas.

Auvergne, Martiald'.

Azincourt.

Azincourt, Regnault d'.

Bach, Johann Sebastian.

Baerze, Jacques de.

Bajazid.

Ball, John.

Balue, Jean, bisschop van Evreux, kardinaal enz..

Bandello.

Bar, Louis de, kardinaal.

Barante, De.

Basin, Thomas, bisschop van Lisieux.

_Basin, Thomas_.

Baude, Henri.

Baudricourt, Robert de, gouverneur van Vaucouleurs.

Beaugrant, Madame de.

Beaumanoir, Robert de.

Beaumont, Jan van.

Beauneveu, André.

Bedelaars.

Bedevaarten.

Bedford, John of Lancaster, hertog van.

Begarden.

Begrafenis, Vorstelijke.

Beieren, Albrecht van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland.

Beieren, Jan van, elect van Luik, later graaf van Holland en Zeeland.

Beieren, Margareta van, hertogin van Bourgondië.

Beieren, Willem VI van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland.

Beleefdheidsstrijd.

Belon la Folle.

Benedictus XIII.

Bernard van Clairvaux.

Bernardino van Siena.

Beroepsideaal.

Berry, Jan, hertog van.

Berry, Karel, hertog van.

Berry, heraut.

Berthelemy, Jean.

Bespotting van het geloof.

Bétisac, Jean.

Beurtgesprek, als stijlmiddel.

Bizarre in schilderkunst en litteratuur, Het.

Bladelyn, Pieter.

Bloed des Verlossers.

Bloedwraak.

Blois, Charles de.

Blois, Jean de, heer van Gouda en Schoonhoven.

Blois, Jean de.

Boccaccio.

Bodin, Jean.

Boeddhisme.

Boeufs, Pierre aux.

Bois, Manssart du.

Bonaventura.

Bonet, Honoré.

Boniface, Jean de.

Borgia, Cesare.

Borromeus, Karel.

Boucicaut, Jean le Meingre, maréchal de.

_Boucicaut, Livre des faicts du mareschal de_.

Bourbon, Isabella van; zie Charolais.

Bourbon, Jacques de.

Bourbon, Jean de.

Bourbon, Louis de.

Bourgeois de Paris.

_Bourgeois de Paris; zie Journal_.

Bourgogne, Mademoiselle de.

Bourgondië, Anna van, hertogin van Bedford.

Bourgondië, David van, bisschop van Utrecht.

Bourgondië, zie onder de voornamen.

Bourguignons.

Bouts, Dirk.

Brabant, Antonie van Bourgondië, hertog van.

Brabant, Wencelyn, hertog van.

Brandebourch.

Breauté, Pierre de.

Bretagne, Frans II, hertog van.

Bretagne, Jan V, hertog van.

Bretagne, Frans III, hertog van.

Breughel, Pieter.

Brigitta van Zweden.

Broederlam, Melchior.

Broeders van den Vrijen Geest.

Brugman, Johannes.

Bruiloft.

Bueil, Jean de.

Burckhardt, Jakob.

Burgerij.

Burne Jones, Edward.

Busnois, Antoine.

Bussy, Oudart de.

Bijgeloof.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 37 / 38 段